Part 29
Wevelingen, z. n. v. mv. -- Touwtjens, tusschen de hoofdtouwen gespannen, en den bootsgezellen dienende om naar de mars en bramzaling te klimmen.
Weven, b. w. -- De Wevelingen scheren.
Wiegen, b. w. -- De scheepstimmerlieden noemen een schip W--, wanneer zij het, by 't afloopen, los wrikken en aan 't glijden helpen.
Wiel, z. n. o. -- Het rad van een rampaard.
Wieling, z. n. v. -- Draaikolk.
Wat Wieling dan, wat golving spoelt en drijft En slingert u, onwetend waar gy blijft?
Bilderdijk.
Wieltros, z. n. m. -- Dunne troslijn.
Wier, z. n. o. -- Zeegras, dat, gedroogd, tot het maken van dijken gebezigd wordt. Zie Dijk.
Een hand vol zeewier dreef door 't nat, Ten spel van wind en golven, Nu, 't moedig hoofd om hoog gebeurd, En dan, in 't schuim bedolven.
Bilderdijk.
Van dit gras heeft het eiland Wieringen zijn naam.
Spreekwijze: Hy kijkt of hy Wieringen in wou (hy kijkt zuur: om dat de doortocht tusschen Wieringen en den vasten wal smal is).
Men moet soms hard prangen om Wieringen te krijgen (men heeft veel gevaar door te staan eer men in veilige haven komt: men moet soms hard werken aleer men tot rust komt).
Wieuw, b. n. (veroud.) -- Ongunstig. De wind is W-- (het tegendeel van Waauw).
Wig, z. n. v. -- Prisma van hout of yzer, dienende om hout te splijten, of eenig voorwerp te schoren.
Wik, b. n. -- Ter naauwer nood.
Spreekwijze: Het is W-- of Wak (het is zus of zoo). Zie Wak.
Wikken. Bezien, doelen.
En driemaal wikte van zijn oortip, driemaal mikte: Zóó vreeselijk, dat zelfs de hemelschutter schrikte.
Vondel, Faeton.
Spreekwijze: Men moet W-- en wegen. (Men moet bezien en overleggen).
Wildebras, z. n. m. -- Zie Bras.
Willen, z. n. m. mv. -- 1o. Enden dik touw, die, in de plaats van een wrijfhout, voor den boeg van een klein vaartuig gehangen worden.
2o. Platte schijven van platting gemaakt, die over het buitenboord van de sloepen gehangen worden tegen het stooten.
Wimpel, z. n. m. -- Lange, smalle strook vlaggedoek, meestal in twee punten uitloopende. Koninklijke W-- (die alleen van den grooten mast der oorlogsvaartuigen geheschen wordt en de kleur der vlag heeft.) De W--, boven de vlag van top gevoerd, dient tot teeken, dat de hoogste macht, de Koning of diens vertegenwoordiger, aan boord is. Kommandeur van den breeden W-- (tytel van een Hoofdofficier in rang volgende op den Schout-by-Nacht). Met Vlaggen en W--s liep het schip de haven binnen.
Een gloeiend paviljoen Van Wimpels, geschakeert tot een triomffestoen, Verlicht door duizenden van vieren, langs de stangen En marssen vastgehecht, terwijl kortouw en slangen Matroos verquikten met hun dreunende muzijk.
Antonides, IJstroom.
Spreekwijze: Hy wint het met Vlaggen en W--s. Zie Vlag.
Wimpelman, z. n. m. -- Scheepsjongen, die op den Wimpel moet toezien.
Wimpelstok, z. n. m. -- Stok of standert van den Wimpel.
Wind, z. n. m. -- Beweging van de dampkringslucht. Sterke W--, Scherpe W--, Koude W--, Harde W--,
Boghtig yzer kan men rechten; Maar geen harden Wint bevechten.
Cats.
ZeeW-- (die uit zee waait.) LandW-- (die van de landzijde komt.) By-de-W-- (als de W-- voorlijker dan dwars inkomt.) Voor-de-W-- (van achteren inkomende W--.) Bezeilde W-- (dien men voor zijn koers behoeft.) De W-- op het zeil (tegen-W--.) De W-- in het zeil (voordeelige W--.) Onder den W-- van iemand zijn (te lijwaart van hem zijn.) Slecht by-de-W-- zeilen (lafwindig zijn.) W-- en stroom mede hebben. Naar den W-- zeilen. Door de W-- gaan (wenden.) De W-- is Wieuw: De W-- is Waauw. Zie Wieuw, Waauw. Boven den W-- zijn, beneden den W-- zijn (te loef of te lijwaart zijn.) De W-- is op en neêr (er is geen W--.) Geen W-- overgeven (van elk zuchtjen gebruik maken).
Spreekwijzen: Het gaat hem voor-de-W-- (het gaat hem voorspoedig).
Er waait geen W-- of hy is iemand dienstig (elke zaak heeft hare goede zijde).
Hy ziet in den W-- (hy geeft acht op hetgeen gebeuren kan). Zoo schrijft Hooft: "Hoewel de ontsteltenissen, die 't genaaken onzer ellenden beteekenen, van heeden nocht gisteren begost zijn, zoo hebben wy 't al een wyle laaten heenen gaan op toeverlaat, dat de Mooghenste Heeren en Staaten der Gewesten in den wind zouden zien, en uwe Hoogheit het opsteekend en nu over 't hooft hangend onweeder aanwijzen."
Iemand den W-- afnemen (hem van zijn voordeel berooven). Zoo zegt Hooft: "Dit was de wegh, om dien van Guise, die door den twist in 't geloove hunnen aanhang stijfden, t'onderscheppen ende den windt af te neemen."
Wind breken, Wind maken (snoeven, pochen, onnoodige drukte maken). "d'onzekerheid van den oirsprong des Nyls, daer d'Egyptische neuswijzen zoo veel wints om breecken," zegt Vondel in de Opdraght van zijn Sofompaneas.
Door-de-W--gaan (met een nat zeil loopen, beschonken zijnde, om verre vallen).
In-de- W-- gaan (gaan zwieren).
Tegen W-- en stroom is 't kwaad zeilen. Zie Stroom.
Er is een rakjen in den W--. Zie Rakjen.
Hy waait met alle W--en (hy praat ieder naar den mond).
Alle havens schutten geen W--. Zie Haven.
Iets in den W-- slaan (zich er niet aan stooren).
De booswicht slaet haer klaght en woorden in de wint.
Vondel.
Die zeilt boven wint, Die zie wat hy vindt.
Cats.
(te hoog zeilen baart ongemak).
Hy heeft den W-- in 't hoofd (hy is wild en woest).
Daar is W-- aan de lucht (men is braaf aan 't pochen).
Men kan van den W-- niet leven.
Een schipper mag geen W-- verleggen (men moet geen gelegenheid verzuimen).
In die Waters heeft men veel Noorde-W--. Zie Water.
Windas, z. n. v. -- Verzetbaar draaispil, waar iets aan wordt opgewonden.
Windboom, z. n. m. -- Vierkante boom, dien men in 't spil steekt om het rond te draaien.
Windbui, z. n. v. of Windvlaag. -- Gewaai uit dezelfde streek, dat korter of langer duurt.
Winden, b. w. -- Den kaapstander, het spil draaien, om het anker te lichten, in het spil loopen. Op en neder W-- (het spil W--, tot dat het touw reeds op en neder boven het gezonken anker staat).
Windgeld, z. n. o. (veroud.) -- Geld, dat den schipper werd toegelegd voor het slijten van takels, enz. by 't lossen en laden.
Windhoek, z. n. m. -- Hoek, streek, van waar de Wind komt.
Windhoos, z. n. v. Zie Hoos.
Windmeter, z. n. m. -- Werktuig, waarmede de kracht van den wind aangetoond en gemeten wordt.
Windreep, z. n. v. -- Touw, looper, dienende om de stengen te hijschen of de bovenste masten op te strijken.
Windroos, z. n. v. -- Benaming van de lelie op 't kompas.
Windspaak, z. n. m. -- 't Zelfde als Windboom. Zie ald.
Windstreken, z. n. v. -- Deze zijn 32 in getal, te weten:
Noord. Zuid. Noord ten Oosten. Zuid ten Westen. Noord Noord Oost. Zuid Zuid West. Noord Oost ten Noorden. Zuid West ten Zuiden. Noord Oost. Zuid West. Noord Oost ten Oosten. Zuid West ten Westen. Oost Noord Oost. West Zuid West. Oost ten Noorden. West ten Zuiden. Oost. West. Oost ten Zuiden. West ten Noorden. Oost Zuid Oost. West Noord West. Zuid Oost ten Oosten. Noord West ten Westen. Zuid Oost. Noord West. Zuid Oost ten Zuiden. Noord West ten Noorden. Zuid Zuid Oost. Noord Noord West. Zuid ten Oosten. Noord ten Westen.
Windvang, z. n. v. -- Het opvangen van den Wind. Een zeil ter W-- stellen (het aan den Wind bloot stellen).
Windveër, z. n. m. -- Streep in de lucht, wind voorspellende.
Windvieren, z. n. v. mv. -- Verlenging van de rantsoenhouten.
Windwijzer, z. n. m. -- Lap of strook, aan een stok gehecht, en op 't boord gezet, dienende om de richting van den wind aan te toonen by flaauwe koelte.
Windzak, z. n. m. -- Bynaam van het koelzeil.
Spreekwijze: Hy is een W-- (een opgeblazen vent).
Winkelen, b. w. (veroud.) -- Winkelhaaks zetten.
Winnen, b. w. -- 1o. Voordeel behalen. Op een ander schip W-- (het naderen, met kans om het vooruit te komen).
2o. 't Net ophalen als men vischt: 't zelfde als winden, even als men ook vinnen voor vinden zei.
Winterbramstengen, z. n. m. mv. -- Bramstengen met korte toppen.
Winterlaag, z. n. v. -- Reede, waar de schepen gedurende den winter veilig liggen.
Wipper, z. n. m. -- Talie, dienende om iets te hijschen, of neder te laten. W-- van de zonnetent. Zie Uithaalder, looper.
Wippertjen, z. n. o. -- Slok, in der haast gedronken.
Wisschersklos, z. n. m. -- Gedraaid stuk hout, op een roede van esschen hout of op een touw gezet, en met schaapshuid of varkenshair bekleed, en dienende om den loop van een stuk geschut schoon te maken na het schot.
Woeling, z. n. v. -- Naaiing van gebruikt touw of ketting, die om den boegspriet in de Woelingknie komt en dient om den eerste, die met recht den naam van Sleutel van het tuig draagt, neêr te houden.
Woelingknie, z. n. v. -- Hoekige Knie, die de scheg aan den voorsteven vastbindt: de eene arm is op den steven, de andere aan de scheg vastgebonden. Zy dient om den laatste het opwerken en oplichten te beletten.
Woelwater, z. n. o. -- Woelend water.
Spreekwijze: Een W-- (een woelig mensch of kind).
Wol (in het) hakken (veroud.) -- In de gezaagde planken hakken, die, om beter te buigen, in het vuur gelegd zijn.
Wolf, z. n. v. -- Draaikuil.
Wolk, z. n. v. -- Vergadering van dampen in de lucht, die in mist, regen, sneeuw of hagel nederdalen. RegenW--, SneeuwW--, OnweersW--, Drijvende W--en. Er hangen zware W--en.
Wolkdrijvend, b. n. -- Zoo noemt men in de scheepsjournalen het weer, als er Wolken door de lucht Drijven.
Wolkvanger, z. n. m. -- Pij van prezenning, waarmede zich de zeelieden tegen boos weer beschutten. Zie Bolkvanger, Baaivanger.
Wolkveger, z. n. m. -- Wind, die de lucht van Wolken schoon veegt.
Worm, z. n. v. -- Ongedierte, dat het hout doorknaagt. HoutW--, PaalW--. Het hout is van de W-- doorvreten.
Wormgaten, z. n. o. mv. -- Gaten, door de Wormen uitgevreten.
Wormstekig, b. n. -- Door de Worm bedorven of althands aangetast.
Wormvrij, b. n. -- Tegen de Worm beveiligd.
Worpen, z. n. o. mv. -- Zware balken, die de uiterste spanten van het achterschip van binnen krui-en.
Worst, z. n. v. -- 1o. End oud touw om tot kabelgarens te worden uitgedraaid.
2o. Enden afgekapt zwaar touw, buiten boord gehangen om 't schuren te beletten.
3o. Grof doek, met zand gevuld, en in 't rond gevouwen, 't welk men, by zware beweging van 't schip, bezigt, om te beletten, dat de schotels van tafel rollen.
Woutermannetjens, z. n. o. mv. -- 1o. Strookjens hout, waarvan er doorgaands vier op het zaadhout onder een stijl gezet worden om het uitglijden van dezen te beletten.
2o. Kleine blokjens zonder schijven, voor dunne lijnen.
Wouwestaart, z. n. m. -- Oude benaming van het roer, om zijn vorm.
Die maeckt den Wouwe-steert, het roer, van achter vast.
Vondel, Lof der Zeevaart.
Wraak, z. n. v. -- Drift, hoek van afdrijving. Dwarsgang van het schip, by-de-wind zeilende, waardoor men in den koers verliest en beneden het voorgestelde punt geraakt. Het is een gebrek van het schip, wanneer het veel W-- heeft. Afdrijven is winnen, zegt men, wanneer het schip, bygedraaid liggende, van zelf drijft naar den kant waar men heen wil.
Wraaklijn, z. n. v. -- De streep, welke het kielwater te loefwaart op beschrijft, en die de afdrijving van het zeilend schip aanwijst.
Wrak, b. n. -- In slechten staat, beschadigd. Een W--ke lading, een W-- tuig.
Wrak, z. n. o. -- Stukken van een gestrand schip. 't Woord heeft, met betrekking tot een schip dezelfde beteekenis als dat van ruïne, met betrekking tot een gebouw.
Wraken, o. w. -- Afdrijven, van streek gaan. Het schip Wraakt of heeft Wraak.
Wrakton, z. n. v. -- Ton, die aanwijst, dat een schip gezonken is.
Wreed, b. n. (veroud.) -- Werd een schip gezegd te zijn, wanneer het, zwaar op het water liggende, in een onweer te veel slingerde.
Wrikken, b. w. -- Een Wrik- of stuurriem, aan het achtereind van een roeivaartuig uitgebracht, met beide handen rechts en links brengen, zoo dat hy by elke slingering een halven cirkel beschrijft en zoo vooruit doet gaan.
Wrikriem, z. n. m. -- Zie Stuurriem.
Wrijfhouten, z. n. o. mv. -- Houten, op de buitenzijde van een schip gespijkerd om de wrijving en schokking van andere vaartuigen of voorwerpen te verminderen.
Wrijfworst, z. n. v. -- Zie Poddingzak, Worst.
Wuit, z. n. v. -- Soort van haspel, waarop men te scheep het schiemansgaren vervaardigt. LogW-- (W--, waar men de loglijn van af windt).
Wuiten, z. n. o. mv. (veroud.) -- Houten, met gaten doorboord, om den kabel van het spil af te houden, als hy beslijkt is.
Wuiven, b. w. -- Heen en weder zwaaien, toewenken. Met den hoed W--, Het afscheid W--. Begroeten, by het roepen van hou zee!
Spreekwijze: Ik weet uw W-- wel, zoo als de vrouw zei, toen zy haar man aan de galg zag slingeren.
Wulf, z. n. o. -- Boog, gewelfde zoldering. Het W-- boven den watergang van een linieschip.
Wulfbalk. z. n. m. -- Onderste balk tusschen de hekstukken.
Wulfhout, z. n. o. -- Stut of oplanger van het Wulf.
Wurm, wurmgaten, enz. -- Zie Worm, Wormgaten, enz.
Wy, p. voorn. -- In 't algemeen gebruikelijk voor "ons schip." W-- zijn aan lij. Hy is te loefwaart van Ons. Wy moeten ten anker. Wy loopen drie mylen.
Wijzen, o. w. -- Zich vertoonen, zich voordoen. Het touw Wijst recht vooruit (staat recht vooruit). Het touw Wijst met een hoek naar het anker (staat in een hoek tusschen het schip en het anker). Het kompas Wijst. Zie Miswijzing.
Y, IJ.
IJs, z. n. o. -- Bevroren water. De schepen raakten in 't IJ-- bezet. DrijfIJ--. GrondIJ--.
Spreekwijze: Op oud IJ-- vriest het licht. (Een oude hebbelijkheid wordt spoedig tot een ondeugd).
IJsbank, z. n. m. -- of IJsklip. Vaste IJsmassa.
IJsbreker, z. n. m. -- IJsbord, IJsplank: houten bekleedsel, dienende om een schip tegen de schuring van het IJs te beveiligen.
IJsbord, z. n. o. -- Zie IJsbreker.
IJsgang, z. n. m. -- Sterker drift van het IJs, dat door een stroom wordt voortgedreven. Daar gaat een zware IJ--. De dijk is voor den IJ-- bezweken.
IJsklip, z. n. m. -- Zie IJsbank.
IJsschol, z. n. v. -- Los ijsveld, oppervlakte, drijfijs.
IJsveld, z. n. o. -- Zee, die tot IJs gestold is.
IJszee, z. n. v. -- Zee aan de Noord- en Zuidpool, met IJs bezet.
Yzer, z. n. o. -- Voor: kogels en schroot.
Heemskerck, die dwars door ijs en yzer heen dorst streven.
Grafschrift op Heemskerk.
Yzers, z. n. o. mv. -- Boeien. Hy werd tot de Y-- veroordeeld. Hy zit in de Y--.
Yzeren knie, z. n. v. -- Knie, uit Yzer vervaardigd.
Yzertros, z. n. m. -- Tros van de beste hoedanigheid.
Yzervast, bw. -- Een tros, looper, bras, Y-- binden (voor goed beleggen, vastzetten).
Yzerziek, b. n. -- Wordt een schip genoemd, waarvan het Yzerwerk oud is en los zit.
Z.
Zaadhout, z. n. o. -- Benaming van een rij dikke balken, die, de een aan den anderen, in de richting der kiel en daarboven geplaatst, zich kruissen met al de spanten van een schip, door over 't midden der vrangen heen te loopen. Het Z-- dient tot versterking voor het raam en tot gelijker verdeeling van het gewicht des masten.
Zaag, z. n. m. -- Lange platte yzeren strook, waarvan de eene zijde getand is, en dienende om voorwerpen van hout of steen zuiver te verdeelen. Zie HandZ--, SpanZ--, KraanZ--, RaamZ--, SchrobZ--, TrekZ--. Volgends het sprookjen hadden de schepen der kruisvaarders (waarvan de afbeeldsels nog in de groote kerk te Haarlem hangen) Z--en aan den boeg, waarmede zij de kettingen, by Damiate gespannen, afzaagden.
Zagen, b. w. -- Door middel van een Zaag verdeelen.
Zagersbok, z. n. m. -- Zie Bok.
Zakken, o. w. -- 1o. Achteruitblijven. Wy lieten ons Z-- (wy bleven met ons schip achteruit).
2o. Nederdalen (Die bui is gezakt).
Dauw en donker zyn aan 't zakken.
Huighens.
Zaling, z. n. v. -- Dwarshout aan den top van een mast, dienende om een mars te steunen. Zie BramZ--, LangsZ--, enz.
Zand, z. n. o. -- Soort van lichte, fijne, geelachtige aarde, met keizels of schulpen vermengd. Grof Z--, Fijn Z--, ZeeZ--, RivierZ--, SchelpZ--, Modderig Z--, DriftZ--, WelZ--, DuinZ--. Zie Verzanden. In 't Z-- vastwoelen.
Bedolven in 't Javaansche Zand.
O. Z. Van Haren.
Spreekwijze: Wacht u voor Z-- en stranden.
Hy ligt in 't Z-- (hy is dood).
Zandbaai, z. n. v. -- Verzande baai.
Zandgrond, z. n. m. -- Zanderige bodem.
Zandlooper, z. n. m. -- Werktuig, uit twee fleschjens bestaande, in een open buis gevat en met de halzen op elkander geplaatst. Het bovenste fleschjen is gevuld met Zand, 'twelk door een doorprikte kurk in het onderste nedervalt, zoo dat het bovenste fleschjen juist ledig is in een vooraf berekenden tijd, b. v. van een uur, een half uur, een minuut, al naar de hoeveelheid Zand en de snelheid, waarmede het valt. Men keert alsdan den Z-- om en dezelfde operatie wordt herhaald. Zie Uurglas, Minuutglas.
Zandplaat, z. n. v. -- Schor, drooge plaat in zee.
Zandstrook, z. n. v. -- Breede gang, die in de sponning van de kiel schiet, en zich van den voor- naar den achtersteven uitstrekt.
Zee, z. n. v. -- 1o. of Waereldzee. De uitgestrektheid zout water, die al de deelen des aardrijks bespoelt.
2o. Elk afzonderlijk uitgestrekt deel der Waereldzee, 't welk dan wordt onderscheiden door een bepaalde benaming, aan de plaatselijke gesteldheid of kleur ontleend. Zoo: de Middellandsche Z--, De Atlantische Z--, de NoordZ--, de stille ZuidZ--, enz.
3o. Het water der Zee. Hooge, lage Z--, (hoog of laag water, ten gevolge van vloed of eb.) Wassende, opkomende Z-- (gedurende den vloed.) Afloopende Z--, (gedurende de eb.) De Z-- loopt hoog op, (de stroom is hoog.) In Z-- loopen, Z-- kiezen, (uitzeilen.) De Z-- oversteken, (zich naar een kust over Z-- begeven.) In Z--, op Z-- zijn.--Een vloot op Z-- brengen, (haar uit de haven of van de reede de volle Z-- doen inzeilen.) De Z-- houden, (in Z-- blijven.) Een sloep in Z-- zetten, (een sloep uitzetten.) Een zware Z--. (waarvan de golven hoog staan.) Een hoog aanschietende, hoog oploopende Z--, (als de golven zich by uitstek hoog verheffen). De Z-- schuimt, krult om, (wanneer de golven zich al wentelende met schuim bedekken.) Er gaat veel Z--, (sterke stroom.) Lange Z--, korte Z--, (waarvan de golven lang of kort zijn.) De Z-- kabbelt, (de golven zijn kort en tegen elkander invallend). De Z-- breekt, (de golven storten kort neder, breken boven het boord.) Het schip krijgt de Z-- voor in, op den kop, dwars in, achter in, (de golven stooten zich op den voor- of achtersteven, of tegen een der boorden.) De Z-- is slecht, (is kalm, effen.) Staande Z--, (waar weinig eb en vloed gaat.) De Z-- loopt den wind op, (de wind blaast van den kant, waar de Z-- heen stroomt.) Daar staat Z--, (de Z-- is onstuimig.) Daar staat geen Z-- meer, (zy is kalm). De ruime Z-- kiezen, (zich in de ruimte begeven.) Het schip heeft de Z-- op den kop, houdt den kop op de Z--, (de Z-- komt vlak op den voorsteven aanzetten.) Z-- en lucht zijn aan elkander, (het is boos weer.) Ter Z-- varen. Zie Varen. Z-- winnen, (zeewaarts in zeilen.) De zon duikt in Z--, (gaat onder.) De zon rijst uit Z--, (gaat op).
De gouden Titan rijst alree Met blaeuwe paerden uyt de zee
Vondel. Palamedes.
4o. Golf, baar. Er kwam een Z-- die het schip overdekte.--Er gaan korte Z--en.--De Z-- loopt om de Zuid.
Spreekwijze: Zee voor Levenszee, waarvan van Alphen zingt:
De ontroerde zee, der golven hol geklots, Stuurt ons van lieverlee ter haven in.
Z-- voor menigte, overvloed. Een Z-- van rampen, (een menigte rampen). Zoo zegt Badeloch:
Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oog de baren Der zee kan overzien van al mijn wedervaren.
Hy heeft een Z-- van geld, (overvloed van geld).
Het is koel op Z--, (het gaat er stil toe).
Water in Z-- dragen, (iets geven aan iemand, die er reeds overvloedig mede bedeeld is).
In Z-- gaan, (een onderneming wagen).
Recht door Z--, (zonder omwegen).
De Z-- is zonder water, (rijke lieden klagen alsof zy gebrek hadden).
Wat zal de Z-- al opwerpen? (wat zal er al voor den dag komen?)
Daar verdrinken er meer in een wijnglas dan in de Z--.
De Z-- maakt gedwee (zeedienst temt den wilden bras).
Zeearm, z. n. m. -- Die de Eilanden omvat.
Zee-atlas, z. n. m. -- Verzameling van Zeekaarten.
Zeebedding, z. n. m. -- Zandrug, door de Zee op 't strand geworpen.
Zeebeer, z. n. m. -- Muur by een haven, om den golfslag te breken.
Zeeberoering, z. n. v. -- Door aardbeving veroorzaakt.
Zeebrak, z. n. o. -- Zeewater aan de kust.
Zeeboezem, z. n. m. -- of Zeebaai. Zie Golf, Baai.
Zeebocht, z. n. v. -- Zie Zeeboezem.
Zeebonk, z. n. m. -- of Zeerob; bevaren zeeman, zeeman, die van niets dan van zijn beroep weet.
Zeebrief, z. n. m. -- Paspoort, door het gouvernement aan de koopvaardyschippers afgegeven.
Zeedagen, z. n. m. mv. -- Dagen op reis, buiten 't verblijf in havens of op reede.
Zeedamp, z. n. v. -- Die uit zee opkomt en zich over het land verspreidt.
Zeeduivel, z. n. m. -- Groote visch met horens: bynaam, wel aan een galei gegeven.
Zeedijk, z. n. v. -- Dijk, tegen de zee opgeworpen.
Zeedienst, z. n. v. -- Dienst by het zeewezen. Hy is in 's Lands Z--.
Zeeëngte, z. n. v. -- of Zeestrand, of Straat. Zie Straat.
Zeefakkel, z. n. v. -- Tytel van een verzameling van kaarten en landverkenningen met opgaven en opmerkingen verrijkt.
Zeegat, z. n. o. -- Monding der stroomen, waar zy in Zee vallen, of plaatsen, waar de Zeeën gemeenschap hebben met elkander. Het Z-- van Terschelling, van Texel. De Z--en behooren wel voorzien te zijn.
Spreekwijze: Hy moet het Z-- uit, (hy moet ter zee varen).
Zeegast, z. n. m. -- Zeevarende. Matroos.
Zeegevaar, z. n. o. -- Zie Assurantie.
Zeegevecht, z. n. o. -- Zeestrijd, Zeeslag. Gevecht op Zee.
Zeegewest, z. n. o. -- Streek of gewest, aan Zee gelegen.
Zeegewas, z. n. o. -- Gewassen, die in Zee groeien.
Zeegolf, z. n. m. -- Golf, baai van de Zee.
Zeegt, z. n. v. -- Rondte. De Z-- van een schip, zijn bocht in 't lang. De Z-- des dekken, der barghouten;--opstaande Z-- van een plank. Het schip een Z-- geven.
Zeehaven, z. n. v. -- Haven, die aan Zee ligt.
Zeehanden en -voeten hebben, o. w. -- Op Zee t'huis zijn.
Zeehout, z. n. o. -- of Hout voor scheen. Boord van het schip; hout boven den overloop aan de scheepszijde.
Zeekaart, z. n. v. -- Kaart, waarop de Zeeën, windstreken, enz. zijn aangewezen. Het is noodzakelijk, goede Z--en aan boord te hebben.
Zeekasteel, z. n. o. -- Dichterlijke benaming voor "schip."
Die zeekasteelen en zeereuzen, die ontaert De starren dreigen met hun steil en trots gevaert.
Vondel. Lof der Zeevaert.
Zeekraal, z. n. v. -- Groente aan de Zeeuwsche kust gevischt. Zeer gezond voedsel.
Zeekust, z. n. v. -- De kust, die zich langs de zee strekt.
Zeeland, z. n. o. -- Land, aan of in Zee gelegen, en van daar ook synomien met "eiland", voor welk laatste woord het in de gewone beteekenis heeft plaats gemaakt om alleen als eigen naam in gebruik te blijven voor twee gewesten, een in Denemarken en een in Nederland.
Zeelieden, Zeelui, z. n. m. mv. -- Zeevolk, matrozen.
Zeelingzaad, z. n. o. -- (veroud.) Kuil, dien een schip in den weeken bodem waar het in gezeten heeft, achterlaat.
Zeelucht, z. n. v. -- De lucht, die op of uit zee waait. Aan 't strand een Z--jen scheppen. De Z-- zal u goed doen.
Wonder is 't dat sterfelijcke menschen Noch smalen op den ploegh, en om een zeelucht wenschen.
Vondel. Lof der Zeevaert.
Zeemaat, z. n. m. -- 't zelfde als Jan-maat.
Ons Zeemaets vliegen met de vlagge op by den mast.
Vondel, Henriette Marie.
Zeemacht, z. n. v. -- 1o. Het getal oorlogschepen, die een Staat in zee kan brengen. Engeland heeft er zich steeds op toegelegd zijn Z-- te vergrooten.
2o. Vloot. Onze Z-- wordt door een wakkeren vlootvoogd aangevoerd.
Zeeman, z. n. m. -- Iemand, wiens beroep het is, ter Zee te varen. Varensgast, varensgezel. Een bevaren Z-- (die op zee goed t'huis is).
Spreekwijze: Z-- geen man, (klacht van een t'huis gebleven vrouw).