Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe

Part 28

Chapter 283,968 wordsPublic domain

Vullingsgaten, z. n. o. mv. of Walmgaten. -- Zoggaten, sleuven langs al de spanten van den binnenkant der karkas van een schip loopende, en tot galei dienende, langs welke het water van de uiteinden des vaartuigs naar de pompen loopt.

Vullingsplank, z. n. v. -- Plank, waarin de Vullingsgaten zijn aangebracht.

Vullings, z. n. v. mv. -- Openingen, die by het bouwen van een schip langs de binnenhuid worden gelaten om doortocht te verschaffen aan lucht of aan water.

Vuren, o. w. -- 1o. Vuur geven, schieten. Zy hielden niet op met V--. Vuur bakboord, Vuur stuurboord (lost het geschut van bakboord, van stuurboordzijde).

2o. Lichten. Het water wordt gezegd te V--, wanneer de zee 's nachts by elke beweging glanst als Vuur: de branding op de klippen doet zich daardoor op een afstand kennen.

Vuur, z. n. o. -- 1o. Baak, kustlicht. Wy hebben het V-- van Marken in 't gezicht (het licht van den Vuurtoren.) Op dien kaap is een draaiend V-- geplaatst (een kustlicht, waarvan de glazen beweegbaar zijn, zoodat het licht schijnt te draaien.) Drijvend V-- (vuurschip, dat tot baken dient.) Rood, oranjegeel V-- (gekleurd licht).

2o. Schot. V-- geven (schoten doen.) Over beide boorden V-- geven (het geschut van wederszijden van het schip lossen.) Wy dwongen den vyand zijn V-- te staken (met schieten op te houden.) Een goed onderhouden V--.

3o. Branding. Zie Vuren. Een V-- in lij!

4o. St. Elmus V-- elektrieke vlammen, die zich by stormweer op de nokken en toppen vertoonen.

5o. In zijn gewone beteekenis: Als de wacht opgezeten, moet V--, licht en pijpjens uit, was de oude consigne aan boord.

6o. Kanker, die het hout wegvreet. Zie Vervuren.

Vuurbaak, z. n. v. -- Zie Baak.

Vuurblaas, z. n. m. -- Benaming, welke men oudtijds aan een schip van Vuren hout plach te geven.

Vuurflesch, z. n. v. (veroud.) -- Flesch met buskruit gevuld, en van een lont voorzien, hoedanige men onder het gevecht op vyandelijke schepen plach te werpen.

Vuurkleeden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Natte huiden, waarmede men de barrings tegen 't werpen van granaten plach te bedekken.

Vuurschip, z. n. o. -- Schip, dat tot kustlicht dient.

Vuurtoren, z. n. m. -- Vuurbaak, brandaris, toren, aan den ingang van een haven of elders geplaatst en op wiens top Vuren of lichten branden, om aan de schepen tot baak te dienen.

Vijgetouw, z. n. o. -- Biezetouw, dat in de Middellandsche zee veel gebruikt wordt. Touw, van den bast des Vijgebooms geslagen werd vroeger zeer algemeen gebezigd.

Vijstingen, z. n. v. mv. (veroud.) -- Bouten, met yzeren banden doornageld, dienende om de masten steun te geven en recht in het spoor te houden.

W.

W, b. n. -- West. De wind is W.

Waaien, onp. w. -- 1o. Blazen, wind maken. Het Woei een stijve koû. Het zal van nacht fiks W--. Het Waait een vliegenden storm.

Men ziet de winden vaak van alle kanten Waaien,

zegt Phenix in Huydecopers Achilles.

't Mag waaien, stil staan, vloeien of ebben, Wie niet waagt die zal niet hebben.

Cats.

Spreekwijze: Met alle winden W-- (zich aan elke bovendrijvende party aansluiten).

Die met elken wind wil Waaien, Die onthoude bovenal, Dat de wind somtijds kan draaien, Niet altijd bestendig wezen zal. Hy blijv', heeft hy dit vergeten, Voor een wissen val beducht: Hy ligt, eer hy 't zelf kan weten, Met de beenen in de lucht,

zingt Maria in 't Dorp aan de Grenzen.

Ik acht het zoo veel als den wind die daar Waait (ik acht het niets).

Het zal er W-- (er zal braaf geraasd worden).

Het is hem door 't hoofd Gewaaid (hy heeft het vergeten).

2o. Wapperen, uitwaaien. De vlaggen W--, of, als het oude liedtjen zegt:

Zy zeggen: daar is er geen Prins in 't Land En de vlaggen die Waaien van allen kant.

Waak, z. n. m. -- Waking, wacht, kwartier. Ende omtrent de vierde Wake des nachts quam hy tot haar, wandelende op de zee. Markus VI. 48.

Waak (derde) z. n. m. -- Vroeger werd een Onderluitenant by de O. I. Kompagnie zoo genoemd.

Waal, z. n. m. -- Kolk, walende stroom, waarvan zoowel de rivier, als eenige der stadsgrachten te Amsterdam haar naam ontleenen.

De scheepshof van de Waelen Met voorraet opgepropt van schepen klein en groot.

Antonides, IJstroom.

Waan (in) houden, o. w. (veroud.) -- Eenig timmerwerk te scheep naar den eisch houden, zoo dat het niet verzet.

Waarachtige grond, (veroud.) -- Steenachtige grond.

Waarloos, b. n. -- Al wat ingescheept wordt om een voorwerp van gelijken aart te vervangen. W-- rondhout, touw. W--e bloks, zeilen enz.

Waarnemen, b. w. -- Nagaan, beschouwen, opmeten. Den stand van een hemellicht W--.

2o. Aanvatten. Neem Waar dat end (grijp dat touw).

Waauw, b. n. -- Voordeelig. De wind is W--. Zie Wieuw.

Wacht, z. n. v. -- 1o. Daad van waken, t. w. voor de veiligheid van 't schip. Men moet goede W-- aan boord houden. Zijn W-- staan (de Wacht op zijn beurt hebben).

Een ieder staat zijn Wacht,

zegt Vondel, Lof der Zeevaart.

2o. Kwartier, tijd, dat het waken duurt. Eerste W-- (van 8 uur tot middernacht). HondeW-- (van middernacht tot 4 uur). DagW-- (van 4 tot 8 uur 's morgens.) VoormiddagW-- (van 8 uur tot den middag.) NamiddagW-- (van den middag tot 4 uur.) PlatvoetW-- (van 4 tot 8 uur 's avonds.) BakboordsW--, StuurboordsW--.

3o. De personen, die waken. De gandsche W-- kwam er aan te pas.

Wachtrol, z. n. v. -- Lijst, waarop de indeeling der Wachten is opgeteekend.

Wachtschip, z. n. o. -- 1o. Schip, dat in den mond van een stroom of haven ligt, om die te beschermen.

2o. Ontwapend schip, tot berging van rekruten.

Wachtwoord, z. n. o. of Parool. -- Afwisselend herkenningswoord, door den Kommandant gegeven, en aan hen, die op wachten of posten staan, of die rondes doen, medegedeeld. Het W-- gaan halen.

Wadde, z. n. v. -- Droogten, ondiepte.

Waden, o. w. -- Door 't water gaan.

Wagenschot, z. n. o. -- Dunne beplanking.

Wagenweg, z. n. m. -- Op de kaarten van de O. I. Kompagnie waren twee lijnen afgeteekend, waartusschen de schepen gehouden waren te zeilen, immers tot door de Linie. Die tusschenruimte werd W-- genoemd.

Wak, z. n. o. -- Zwakke stede, open plek in het ijs.

Waken, o. w. -- Bovendrijven: wordt gezegd van een rots, klip of ander voorwerp, dat met het afloopen van het water zichtbaar wordt. Die bank Waakt met de eb (laat zich zien met de eb). Een W--de boei (een boei, die aanwijst, waar het anker ligt).

Waker, z. n. m. -- 1o. Windwijzer op een masttop.

2o. Lont, die brandend gehouden wordt in de lontbalie.

3o. Ambtenaar, die van wege het Bestuur van 's Lands middelen aan boord van een schip wordt gezonden om toe te zien, dat geene goederen van boord worden afgeleverd, of dat een gedane verzegeling ongeschonden blijve. Dat schip heeft W--s aan boord gekregen.

Wakker, b. n. -- Vlug, bekwaam.

Wie roergang, splisse, en knoopen kan; Dat is aan boord een wakker man.

Scheeps rijmpjen.

Wakkeren, o. w. -- In kracht toenemen. De wind begint te W--. Zie Aanwakkeren.

De wakkerende wind in 't Westen Geeft hun getal der zee ten besten.

Van Haren, de Geuzen.

Wal, z. n. m. -- 1o. Waterkant; vooral een zoodanige, die van hout- of metselwerk voorzien is. De stads W--len. OpperW-- (waar de wind van de landzijde komt). Lager W-- (waar de wind op de kust staat).

Hy zwiert al waar het water wil, En wort zoo, door een snellen val, Gedreven tegen lager Wal.

Cats.

2o. Algemeene benaming voor land. Aan W-- gaan. Aan W-- blijven (aan land blijven). Van W-- steken (afzeilen, afvaren). Zie Hooger W--. Vaste W--.

Spreekwijze: Iemand van den W-- in de sloot helpen. Zie Sloot.

Ontgaat u de W-- hou u aan 't vlotgras. Zie Vlotgras.

Het raakt kant noch W--. Zie Kant.

Aan lager W-- zijn (zich in slechten finantieelen toestand bevinden).

By den W-- langs, zoo vaart men zeker (als men zich verdacht houdt heeft men geen gevaar te vreezen).

De beste loodsen staan aan W-- (die buiten de zaak zijn, hebben doorgaands 't meest er over te zeggen, weten 't altijd beter).

Walen, o. w. -- Draaien. Een W--de naald (een kompasnaald, die niet dan langzaam en als aarzelende haar richting neemt).

Daer waelt de lely van 't kompas,

zegt Vondel in zijn Lijkdicht op zijn kleindochtertjen.

Walengang, z. n. v. -- Gang, op groote schepen, die op het koebrugdek tegen boord het schip rond loopt, als 't ware rond-waalt, en dient om den timmerman by een gevecht de grondschoten te doen stoppen.

Walmgat, z. n. o. -- 1o. Het hol gedeelte, voor aan de schacht van het roer onder elken vingerling gemaakt, om vrijen doortocht te laten aan die van den voorsteven.

2o. Zie Vullinggat.

Wambuis, z. n. o. of Wammes. -- Baaitjen.

Spreekwijze: Op zijn Wammes krijgen (er slecht afkomen).

Wamen, o. w. -- Den modder op doen wellen, 't welk by den stroom geschiedt. Het tij Waamt.

Wan, z. n. o. -- 1o. Lek; lekkaadje.

2o. Holte in het hout, welke niet kan weggenomen worden zonder het hout in omtrek te doen verliezen.

3o. Een yzer, waaraan in 't midden een lijn is vastgemaakt, dienende om in het spongat voor ledige vaten te steken en die daarmede op te hijschen.

Wand, z. n. m. -- Binnenzijde van een schip.

Wang, z. n. v. of Schaal. -- Zijstuk, klamp, die tegen een mast geslagen wordt om dien te stutten.

Wangen, b. w. -- Met Wangen of schalen voorzien: met klampen vastzetten.

Wanhout, z. n. o. -- Wankantig hout: hout, waarvan de oppervlakte niet gaaf, maar met Wannen bezet is.

Wankant, z. n. o. -- De ruwe zijde van het hout.

Wankantig, b. n. -- Zie Wanhout.

Wankoers, z. n. m. -- Verkeerde Koers, afwijkende Koers.

Want, z. n. o. -- Oorspronkelijk: netwerk, waarvan Vondel, in zijn Lofz. op de Scheepvaart:

Zoo langhe tot sy 't Want optrocken met de visch,

en van daar: al het Touwwerk aan boord; Staand en loopend W-- (het vaste en losse touwwerk aan boord). Het W-- zwichten (by slecht weer in geval het tuig los of gerekt is, het W-- over en weêr vastrijgen).

Spreekwijze: Zijn staand en loopend W-- in orde brengen (zijn kleeding in orde schikken).

Die geen W-- heeft naar het schip, moet te gronde gaan (die geen vrouw heeft, die hem past).

Te veel W--s overhoop halen (te veel omslag maken).

Hy is vierkant onder zijn staand en loopend W--. (Hy is in alles even knap, van alle markten thuis).

Wanten, b. w. -- Het Want in orde brengen, is niet in gebruik, dan in de volgende

Spreekwijze: Hy weet van W-- (hy verstaat de zaak).

Wanten, z. n. v.-- Wollen handschoenen zonder vingers, by de visschers in gebruik.

Wanthaak, wantknoop, z. n. m. -- Zie Haak, Knoop, enz.

Wantslag, z. n. m. -- Touwwerk, samengesteld uit touwen, die reeds afzonderlijk waren gestrengeld geweest.

Wantij, z. n. o. -- Draaijing, tegenstroom.

Wanvangst, z. n. v. -- Gebrekkige, slechte Vangst, of geheel geen Vangst.

Wanzij, z. n. v. -- Zie Wankant.

Wapenbord, z. n. o. of Naambord. -- Bord, waarop de naam van het schip geschreven staat.

Wapperen, o. w. -- Heen en weder waaien. De zeilen W--. Hy liet zyn wimpel W--.

Waring, z. n. v. -- Overloop op kleine vaartuigen. Zie Gangwaring.

Warlen, o. w. -- Heen en weêr slingeren, draaien. In de War raken, verwarren. Een W--de zee, (golven die tegen elkander opstaan).

Wartel, z. n. m. -- Soort van kleine ketting of haak, draaiende op het end van een ketting, en waarvan men by 't spinnen van schiemansgaren gebruik maakt.

Wartelblok, z. n. o. -- Zie Blok.

Wartelhaak, z. n. m. -- Taliehaak, waarvan de kop uit een zeer sterke yzeren plaat bestaat, op welke hy draait, en waarvan de beide zijden zich sluiten over elkander als een beugel, waarin men een kous vastklinkt om den strop te ontfangen van het blok, voor 't welk hy dienen moet, om de daardoor loopende touwen, uit elkander te houden.

Wasschen, b. w. -- Spoelen, schoonmaken. De zee Wiesch het dek schoon, (de golven sloegen alles van 't dek, spoelden alles weg).

Wassen, o. w. -- Rijzen, opstijgen, aanvoeren. W--d water (water, dat met den vloed rijst), in tegenstelling van: vallend water. Een W--de maan (als de maan in omtrek schijnbaar toeneemt).

Water, z. n. o. -- Doorschijnende vloeibare zelfstandigheid, die door de koude stolt, en door de hitte wegdampt. ZeeW--, RivierW--, BronW--, WelW--, PompW-- enz. Zout W-- (dat der zee.) Zoet W-- (dat drinkbaar is.) Brak W-- (dat met onzuivere bestanddeelen vermengd is.) Loopend, stroomend W--. Woelend W--. Slecht W-- (dat stil is.) Ondiep W--. Hoog W-- (volle vloed.) Stil W-- (tusschen vloed en ebbe.) Laag W-- (afloopende ebbe.) W-- halen, zich van W-- voorzien (van zoet W--.) In diep W-- zijn (in volle zee zijn.) Het W-- wast, het W-- valt (het vloeit, het ebt.) Open W-- (dat niet bevroren is.) ToeW--, besloten W-- (bevroren water.) VaarW-- (watering.) Een schip te W-- brengen (het af laten loopen.) In 't mv. wordt het voor zee-, rivier- of stroomvaart, in 't kort voor al wat zich bevaren laat, genomen. De breede W--en. De binnenW--en (die binnen de grenzen liggen), ook voor golven, stroomen.

Hier barst hy (de Nijl) eindlijk uit met neergestorte Wateren.

Antonides Ystroom.

Spreekwijze: Stille W--s hebben diepe gronden (zy die de minste praat hebben, zijn dikwijls de knapsten).

W-- in zijn wijn doen (zich een weinig temperen).

Hy is verdronken eer hy W-- gezien had. Zie Verdrinken.

Gods W-- over Gods akker laten loopen (fioolen laten zorgen, zich nergends over bekommeren).

Boven W-- zijn (geen vrees voor schade meer hebben).

Tusschen W-- en wind zijn (weifelen, geen party kiezen).

In zulke W--s vangt men zulke visschen (van zulk slach van volk moet men zulke dingen verwachten).

Onder W-- zijn (dronken zijn).

Veel W-- vuil maken (veel onnoodigen omslag maken).

Het is laag W-- aan boord (men heeft gedaan met schaften).

Waar de dijk 't laagst is, loopt het W-- 't eerst over (rampen treffen arme lieden 't eerst).

Die Water deert Water weert.

Cats.

In die W--en treft men veel N. Wind. (Kruisen zeeroovers).

Waterborden, z. n. o. mv. (veroud.) -- Planken, die op het scheepsboord gezet, en afgenomen kunnen worden.

Waterdicht, b. n. -- Ondoordringbaar voor het water. Het eerste vereischte van een vaartuig is, dat het W-- zij.

Waterdracht, z. n. v. -- 't Zelfde als Diepgang. Zie ald.

Wateren, b. w. -- Uit het oog verliezen, ten gevolge van de rondte des aardbols. Een schip W--. Een eiland W--.

Wateren, o. w. -- Uit het gezicht verdwijnen. Ziedaar een schip, dat gedeeltelijk Watert (dat gedeeltelijk in 't water schijnt weg te zinken, waarvan men alleen de masten ziet).

Wateren, z. n. o. mv. -- Kogels, die in en uit het water springen.

Watergang, z. n. m. -- Dikke plank, die aan weêrszijden van het dek is aangebracht, tot hetwelk zy mede behoort. De W-- rust op den dekbalk, ligt op eenigen afstand uit het boord en strekt zich over de geheele lengte van het schip uit.

Watergeus, z. n. m. -- Zie Geus.

Waterhoos, z. n. v. -- Zie Hoos.

Waterkant, z. n. m. -- Wal, Kant van het Water.

Waterlanders, z. n. m. mv. -- Inwoners van Waterland.

Spreekwijze: Daar komen de Waterlanders, t. w. op den dijk (daar komen de tranen in de oogen, om dat de Waterlanders niet op den dijk komen, ten zij er gevaar is).

Waterlegger, z. n. m. -- Vat, waarin zoet Water aan boord bewaard wordt.

Waterloopsklos, z. n. m. -- Gedeelte van de bevloering der dekbalken, 't welk zich op het uiteinde daarvan tegen boord bevindt, en als den rand van het dek vormt.

Waterlijn, z. n. v. -- Zie Kimlijn.

Watermolen, z. n. m. -- Molen, dienende om het Water uit een polder te malen.

Waterruim, z. n. o. -- Gedeelte van het Ruim, waarin het Water bewaard wordt.

Waterpas, b. n. -- Horizontaal.

Waterrecht, z. n. o. -- Door de zeevarende Mogendheden erkend zeerecht.

Tot hem een kogel heeft vooruit naar God gezonden Om wraak te vergen voor 't geschonden Waterrecht.

Brandt, Grafschrift op de Haas.

Waterschip, z. n. o. -- Schip, dienende om Water aan te voeren.

Spreekwijze: Het doet er weinig toe al krijgt een W-- een gat meer (om dat er het Water toch weêr inloopt).

Waterschuit, z. n. v. -- Schuit, waarmede drinkwater wordt aangevoerd.

Waterspiegel, z. n. m. -- 1o. De oppervlakte van het Water.

2o. De Watergordel, die een drijvend schip omvangt.

Watertreder, z. n. m. -- Dichterlijke naam voor "Schip."

Gelijck een vogel, als de dagh begint te kriecken, Ter vlught zich rust en vecht en wackert zijne wiecken, Zoo doet mijn zeilbaer vlot, mijn Watertreder mee, Hy spant zijn vleugels uit, en maakt zijn zeilen ree,

zegt Vondel, Lof der Zeevaart.

Watertocht, z. n. m. -- Tocht, reis, door 't Water.

Zoo trotst men Jazons Watertoghten En zijn vermeetlen heldenlof.

Antonides.

Waterrot, z. n. m. -- Bynaam voor een zeevarende.

Waterval, z. n. m. -- Water, dat zich van een hoogte nederstort.

Waterverkleuring. -- Verandering in de kleuren van het Water, welke op zee doorgaands wordt waargenomen op sommige breedten of boven een rif of bank. Het rif is noch door rollers noch door W-- kenbaar op eenigen afstand.

Waterverplaatsing, z. n. v. -- De plaats, welke de kiel van een schip in het water beslaat.

Waterverval, z. n. m. -- Verschil van diepte by hoog of laag Water.

Watervloed, z. n. m. -- Overstrooming.

Waterzeilen, z. n. o. mv. (veroud.) -- Zeilen, die men achter tegen het schip, tot onder aan het water toe, hing, by het lensen.

Web, z. n. v. -- De scheepstimmerlieden noemen een W-- scheren, wanneer zy de latten spijkeren, naar welke het beloop van een schip moet gemaakt worden.

Wederzee, z. n. v. -- 't Zelfde als Tegenzee. Zie ald.

Weekbak, z. n. m. (veroud.) -- Groote bak op den overloop, waar de varsebalie zijn water in draagt en de spijs in weekt en reinigt.

Weer, z. n. m. -- Zie Rietpark.

Weêr of weer, (naarmate men dit woord als samentrekking van weder--wat niemand ooit zegt--of van geweer, van weeren [waaien], beschouwt) z. n. o. Luchtgesteldheid. Zwaar W-- (storm.) Gemeen W--, roezemoezig, buiig W--. Het W-- klaart op. Het W-- is bestendig. Helder W--. Dik W--. Donker W--. Handzaam W--. Deinzig W--. NoodW--.

Spreekwijze: Mooi W-- en geen haring (het doet zich goed voor; maar men heeft er niet aan).

W-- en wind dienen hem (het gaat hem naar wensch).

Mooi W-- spelen (den boel er doorbrassen).

's Avonds rood, morgen goed W-- aan boord.

Weêr aan of weêr an, t. w. Goed zoo: toe maar:

Weer an: riepen de Matroosen: 't Is een man, oft Mouringh waer,

zingt Huyghens in zijn Scheepvaart op 't overlijden van Prins Maurits.

Weergal, z. n. m. -- Rood wolkjen, dat doorgaands buiig weer aankondigt.

Weerlicht, z. n. o. -- Ontvlamming van elektrieke dampen.

Weêrstroom, z. n. m. -- Keerende stroom. Zie Neer.

Weêrvloed, z. n. m. -- Keerende vloed.

Weerswijs, b. n. -- Die zich verstaat op Weersvoorspellingen.

Wegdrijven, o. w. -- Afdrijven, heendrijven. Met den stroom W--. 't Wordt ook gezegd van een schip dat niet goed by-de-wind zeilt. Hij drijft te veel weg (d. i. naar tij toe).

Weger, z. n. m. -- Plank of plaat, tegen het binnen-oppervlak der inhouten geplaatst, in de richting van voren naar achter. KimW-- (die door de uiteinden der vrangen van elk spant heenloopt.) VlakW---, BuikW-- (die tusschen de KimW--s en de W--s van het zaadhout aangebracht worden.) TusschenkimW--s (die over de uiteinden der halve vrangen en de ondereinden der onderbuikstukken liggen.) SteunW--, BovenkimW-- (die boven de KimW--s zijn.) DostW--s (op de dikte waarvan, in een schuit, de uiteinden der roeibanken gelegd worden).

Wegeren, b. w. -- Wegers aanbrengen, een schip van binnen beplanken. VolW-- (geen ruimte tusschen de Wegers laten.) Half vol, met luchten W-- (tusschenruimten openlaten).

Wegering, z. n. v. -- Vereeniging van al de Wegers of planken, waarmede de romp van een schip van binnen is bekleed.

Wegwijzer, z. n. m. -- Rat, Duizendbeen. Zie ald. Zoo heet ook een boeksken voor koffen en smakken die het Katterak en Schagerrak bevaren.

Wegzeilen, o. w. -- Zich zeilende verwijderen.

Weigeren, b. w. -- Haperen, nalaten. Het schip Weigert in het wenden.

Weischuit, z. n. v. -- Lichte schuit, die over de Weiden heen gedragen kan worden.

Wel, b. n. -- Goed, in orde, gezond. Alles W-- aan boord.

Welbezeildheid, z. n. v. -- Snelheid, hoedanigheid van zeilen. De schepen zullen zich naar hun W-- rangschikken.

Welboot, z. n. v. -- Soort van Hollandsche boot.

Welvaart, z. n. v. -- 's Lands W-- is 't gevolg van 't Wel-varen der ingezetenen, en dit weder van de voordeelige Vaarten, die men deed. Die zoo wel 't etymologisch als het moreel verband niet inziet, weet niet, wat de taal is als uitdrukking van het volkswezen.

Welzand, z. n. o. -- Land, waaruit het water opwelt of opborrelt en waarin alles weg zinkt.

Wenden, o. w. -- Over een anderen boeg gaan liggen; by- of voor-de-wind over stag gaan: beweging, welke men aan een schip laat doen, om het boord, dat vroeger van den wind was, tegen den wind in te brengen. De vloot Wendt. De Amiraal deed sein, om door een contra marsch te W--.

Wenken, b. w. (veroud.) -- 1o. Het eerste windvangen der zeilen als een schip overstag wendt.

2o. Los gooien. In 't komm. Wenk aan voor! (gooi de boelijns van het voormarszeil en voorbramzeil en fok los).

Werf, z. n. v. -- Ruimte of werkplaats, bestemd tot aanbouw van vaartuigen. ScheepstimmerW--, GeschutsW--.

Werfbrief, z. n. m. -- Register of bewijs van verbintenis, waarby iemand dienst heeft genomen.

Werfhuis, z. n. o. -- Huis, waar volk voor de dienst geworven wordt, en dat doorgaands door het uitsteken van een vlag onderscheiden wordt.

Werfofficier, z. n. m. -- Officier, met het aannemen van volk belast.

Werk, z. n. o. -- Gepluisd touwwerk, dienende om de naden en voegen der planken te breeuwen.

Werken, o. w. of Kraken. -- Wordt het schip gezegd te doen, wanneer zijn onderscheiden deelen ten gevolge van de beweging der zee hoorbaar tegen elkander wrijven. Men zegt ook van masten of raas, dat zy W--, wanneer hun gekraak aanduidt, dat zy in stevigheid beginnen te verminderen. In 't algemeen beduidt het het hevig slingeren en stampen van het schip.

Werp, z. n. o. -- By een woord gevoegd, duidt aan, dat men iets uitbrengt om zich te verhalen of uit te werken. Een W--anker, een W--tros. Zie Anker, Tros, enz. W-- wordt ook wel by verkorting voor Werpanker gebezigd. Een W-- uitbrengen.

Werpanker, z. n. o. -- Anker, dat uitgevoerd wordt om een schip daarby voort te halen.

Werpen, b. w. -- of Uitwerpen, Een schip, door behulp van ankers of trossen, uitwerken: komm. Werp (Werp het dieplood uit).

Werplijn, werptros, enz. -- Zie Lijn, Tros, enz.

Werrie, z. n. v. -- Engelsch roeivaartuigjen.

Wervelwind, z. n. m. -- Dwarrelwind; draaiende Wind, die met hevigheid waait.

't Gegter der Wervelwinden Die eik en ceder knakken, Rukt broederlijke takken, Scheurt teere hartevrinden, In 't stormgewoel van een.

Bilderdijk.

Werven, b. w. -- Aannemen, in dienst nemen. Manschappen W--, Matrozen W--.

Werver. Die het volk tot de dienst ten oorlog aanbrengt. De matrozen noemen zulk een: zielverkooper.

West, bw. -- Ten Westen, uit het Westen, aan den Westkant. De wind is W-- (waait uit het Westen.) Wy zagen een schip W-- van ons af.

West, (de) z. n. v. -- De Westindische Koloniën. Hy vaart op de W--. Hy heeft zijn fortuin in de W-- gemaakt.

Westelijk, b. n. -- Wat zich ten Westen bevindt.

Westelijken, o. w. -- Zich naar het Westen begeven. De wind begint te W--.

Westen, (het) -- Het Westelijk land.

Westen, (ten) b. w. -- Aan de Westzijde. Zie West.

Westergang, z. n. m. -- Gang, die, zich langs den spiegel van stuur- naar bakboord uitstrekkende, aan de eene zijde door den spiegel en aan de andere door een leuning bepaald wordt.

Westerkim, z. n. v. -- De gezichteinder ten Westen. Zie Westkim.

Westerzon, z. n. v. -- Avondzon.

Westewind, z. n. m. -- Wind, die uit het Westen waait.

Westkim, z. n. v. -- 't Zelfde als Westerkim.

Hy had den avond en de Westkim reeds gewonnen

Vondel, Faeton.

West ten noorden, west ten zuiden. -- Windstreken. Zie Windstreken.

Westwaart, b. w. -- Naar de Westzijde toe. Wy zeilen W-- (het Westen in).

Westzijde, z. n. v. -- De zijde, in het Westen gelegen.