Part 27
Verwerken, b. w. -- Omwerken, overpakken. Goederen V--, naar een andere legplaats V--.
Verwisselen, b. w. -- Aflossen, De wacht V--, de strengen V--.
Verzanden, o. w. -- Stroomen, baaien, havens, enz. worden gezegd te V--, wanneer zy door het in verloop van tijd aangespoelde Zand, in diepte verminderen en eindelijk onbruikbaar worden.
Verzegeling, z. n. v. -- Zie de bepalingen omtrent de V-- van geladen schepen in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art. 153-156.
Verzeilen, o. w. -- 1o. Te land komen waar men niet wezen wil. Wy raakten op een koraalklip Verzeild.
2o. Van ligplaats veranderen. Wy verzeilden naar den zuidwal.
Verzeilen, b. w. -- Verliezen. Een schip V--.
Verzeisen, o. w. (veroud.) -- Veranderen, verschieten. De wind wordt gezegd te V--, 't zij hy goed of slecht wordt.
Verzekeraar, z. n. m. -- Hy die tegen schade verzekert.
Men hoeft geen zee-verzekeraer Nu alle watren zijn geveilight voor gevaer.
Vondel, Zeemagazijn.
Hy wenscht ons toe alreede, en blijft verzekeraer Te vrijen onze kiel van schipbreuk en gevaer.
Vondel, Lof der Zeevaert.
Verzekeren, b. w. -- Aannemen, de schade, die schip of lading mocht lijden, te vergoeden. Men vindt de bepalingen betreffende V-- tegen zeegevaren in het Wetb. van Kooph. B II, Titel IX, art. 592-683 en die betreffende het V-- tegen de gevaren op binnenwateren in den volgenden Titel, art. 686-695.
Verzekeren, (de battery). Het kanon met den tromp tegen boord gevlucht met dubbele sjorrings voorzien, wat by hevig en langdurig slingeren van het schip geschiedt.
Verzekeren, (de vlag). By 't ophalen der vlag een schot doen.
Zoo werd der Geuzen vlag verheven; 't Geschut verzekert dese vlag.
Van Haren, de Geuzen.
Verzekering, z. n. v. of Assurantie. -- De daad of overeenkomst van Verzekeren. Polis van V-- (zie Polis).
Verzinken, o. w. -- Geheel zinken, te gronde gaan.
Verzoeken, b. w. (veroud.) -- Onderzoeken, nazien. Het schip V-- (de naden en openingen nazien, om ze te herstellen en te vullen).
Verzuipen, o. w. -- 't Zelfde als verdrinken, doch plat. Vondel echter veredelt het in zijn Lof der Scheepvaart:
Wanhopigen, die hulp in 't uiterste begeeren, En hangen aan een rots, of zwemmen op een planck, d'Een levend, d'ander doot, verzopen, flaeu en kranck.
Vice-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal.
Vice-Konsul, z. n. m. -- Zie Konsul.
Vierbot, z. n. v. -- Verbasterde, op onze zeedorpen gebruikelijke benaming van Vuurbaak.
Vieren, o. w. of Vuren. -- Vuren opsteken, lantarens uithangen, illumineeren. De wind Viert (plach men te zeggen, als de lucht rood werd aan de zij van waar men wind verwachtte).
En Swanenburregh viert,
zegt Egmond in Vondels Gysbrecht.
Vieren, b. w. -- Bot geven, uitpalmen. Een touw V--, stadig aan V--, afschrikken.
Men viert het armdick touw zomwijl tweehondert vadem.
Vondel, Lof der Zeevaart.
Spreekwijze: Iemand V-- (iemand zijn zin laten doen, zijn gemak laten nemen).
Vierkant, b. n. -- Dat Vier zijden heeft. V-- wulf (de plaats daar het wapen achter tegen aan staat).
Vierkant, bw. -- Voor: in 't vierkant. Een schip, dat V-- getuigd is (waarvan de zeilen V-- staan). V-- brassen (zie Brassen).
Vierlooper, z. n. m. -- Takel met twee dubbele haakbloks.
Viktualie, z. n. v. -- Mondbehoefte, levensmiddelen. V-- voor een zeetocht. De V-- is nog niet aan boord.
Viktualiemeester, z. n. m. of Spijsverzorger. -- Beämbte, die gesteld is, om de mondbehoeften te bezorgen.
Viktualiewant, z. n. o. -- Ketels, pannen, lepels, bakken enz. Zie Kommaliewant.
Vilhout, z. n. o. -- Schippers boom.
Vin, z. n. o. (veroud.) -- Druil. Zie ald.
Vingerling, z. n. m. -- Benaming van zware poorthengsels, wier armen, op den achtersteven vastgenageld, zich over het barghout uitstrekken, en een deel van het roerstel uitmaken. Zy zijn voorzien met boven elkander geplaatste oogen, om de pennen der roerhaken te ontfangen.
Vinkenet, z. n. o. -- Zie Boevenet.
Vioolblok, z. n. o. -- Langwerpig dubbel blok.
Vioolstukken, z. n. o. mv. -- Zware beplankingen, welke men tegen den kop van den boegspriet van een groot vaartuig aanspijkert, om, des gevorderd, den kluiver te steunen.
Visch, z. n. m. -- Vliegende V--.
Spreekwijze: Zoo gezond als een V-- (om dat een V-- zelden van koorts of rhumatiek schijnt te weten).
Groote Visschen eten de kleine (de grooten verdrukken de geringen).
Groote V--en scheuren het net en springen uit den ketel. (De grooten verbreken de wetten en ontkomen aan de straf).
Hoe meer V-- hoe droever water (hoe meer volk hoe minder de bedeeling).
V-- laat den mensch zoo als hy is (V-- is niet voedzaam).
Vischben, z. n. v. -- Zie Vischkorf.
Spreekwijze: Zoo rein als een V--.
Vischjen, z. n. v. -- Kleine Visch.
Spreekwijze: Een klein V-- een zoet V-- (men moet een kleinigheid niet verwerpen).
Die een goê V-- heeft, mag het wel in den ketel houden (men moet een verkregen voordeel niet rond kraaien).
V-- spring in (man, wees welkom)!
Vischkaar, z. n. v. -- Kaar, waarin men den Visch bergt.
Vischkorf, z. n. m. of Vischben. -- Korf of mand, waarin de Visch wordt gedragen en gevent.
Vischnet, z. n. o. -- Net, tot de vischvangst gebezigd.
Vischperk, z. n. o. -- Zie Rietpark.
Vischschuit, z. n. v. of Visscherman. -- Schuit, die ter Vischvangst uitgaat.
Vischstaart, z. n. m. -- Bosch hout, met snijwerk voorzien en dienende om de galery tegen den aanslag van 't water te beschermen.
Vischvangst, z. n. v. -- De daad of de uitkomst van het Visschen.
Visschen, o. w. -- 1o. Visch vangen.
Recht op luim en tij te gissen Voegt in 't vrijen en in 't visschen.
Oudaan.
Spreekwijze: Achter het net V-- (slib vangen, te laat komen).
Met een zilveren hengel V-- (door geld tot zijn doel komen).
Voor eens visschers deur V-- (vergeefsche moeite doen).
In troebel water is goed V-- (in tijden van omwenteling is het gemakkelijk vooruit te komen).
Elk Vischt op zijn getij (ieder zoekt op zijne wijze vooruit te komen).
2o. Eenig voorwerp in het water opzoeken. Naar het anker V--. Naar een touw V--.
Visscher, z. n. m. -- Hy, die zijn kostwinning van het visschen maakt. Een OesterV--. Een PaerelV--.
Spreekwijze: zie Visschen.
Visschers, z. n. m. mv. -- Zware balken, in het dek, waar de mast doorgaat.
Visschersman, z. n. m. -- Zie Visschschuit.
Visschery, z. n. v. -- De uitoefening der vischkunst. De KoraalV--. De PaerelV--. De Groote V-- (de HaringV--). De kleine V-- (de WalvischV--). De binnenkomende schepen der groote V-- zijn niet aan inklaring onderworpen. Zie art. 24 A. W. 26 Aug. 1822.
Vissing, z. n. v. -- Ronde of eironde opening in de dekken gemaakt, om er masten of kaapstanders door te laten gaan.
Visiteur, z. n. m. -- Beämbte der In- en Uitgaande rechten, die byzonder belast is met schepen in- en uit- te klaren of te onderzoeken.
Vlaag, z. n. v. -- Bui, wind, die kort duurt. By V--en (by buien). Een zomerV-- (een bui, die spoedig over is). Een onweersV--. Een regenV--.
Spreekwijze: Heer! hoe wonderlijk vallen de V--en (zei de man, die by mooi weer bezopen in de sloot geraakt was, en voor zijn vrouw niet weten wilde hoe hy zoo nat kwam).
Vlag, z. n. v. -- 1o. Langwerpig vierkante banier, die tot herkenningsteeken dient. Vroeger was de V-- niet anders dan het blazoen van hem, aan wien het schip behoorde of die er op streed; en voerde elk vaartuig de V-- van den Soeverein, van de Stad, van de Amiraliteit, van den Edelman of van den Reeder, ten wiens koste het was uitgerust. Zoo had men de KoningsV--, de PrinceV--, de StatenV--, de AmiraliteitsV--, de V-- van Amsterdam, enz. In vervolg van tijd diende de V-- ook om de Smaldeelen of Eskaders hunner vloot te onderscheiden: zoo had men, in Engeland: de Amiraals van de blauwe V--, van de roode V-- enz. Sedert den oorlog tusschen Engeland en zijn Amerikaansche Koloniën, en toen deze, zich onafhankelijk verklarende, een eigen V-- aannamen, begon men ook te spreken van een Nationale V--, welke uitdrukking zich hooren laat, daar, waar de Natie soeverein is; doch louter wartaal is wanneer zy toegepast wordt op de V-- van een Land, waar een Vorst regeert, en aan het hoofd der zee- en landmacht staat. By het op die wijze verwarren van gezonde begrippen, dient, sedert de omwentelingen in 't laatst der vorige eeuw, de V-- meer algemeen om te onderscheiden, tot welke natie een schip behoort. Zoo spreekt men van: de Fransche V--, de Belgische V-- enz. Echter heeft men ook V--gen, die de rangen der scheepsbevelhebbers onderscheiden, als: de AmiraalsV--, die van den grooten top, de Vice-AmiraalsV--, die aan den voortop, de Schout-by-NachtsV--, die aan den kruistop wordt gevoerd op de schepen, waarop die Hoofdofficieren zich bevinden. Voorts de Onzijdige of neutrale V-- (in oorlogstijden door de schepen der neutrale natie gevoerd.) LoodsV-- (die op de loodsschuit gevoerd wordt.) SeinV-- (zie ald.) Witte V-- of VredeV-- (uitgestoken aan boord van een schip, dat met krijgsgevangenen of andere vredelievende bedoelingen tot den vyand gezonden wordt.) OorlogsV--, strijdV--, bloedV-- (waarmede het teeken tot den aanval gegeven wordt.) Roode V--, (die aan den voortop geheschen en door een schot verzekerd, het sein is tot het houden van krijgsraad.) De V-- hijschen, in top halen. De V-- strijken, neêrhalen.--Zijn V-- verzekeren (onder 't ophalen der V-- een stuk geschut lossen.) De V-- dekt de lading (de handel der onzijdige natiën moet door de krijgvoerende Natiën geëerbiedigd worden.) Handel drijven onder N-- sche V--.
2o. De zeemacht zelve. De Britsche V-- heerscht niet langer over alle zeeën. Die Amiraal heeft de eer onzer V-- gehandhaafd.
Spreekwijze: Hy voert de V-- (hy is de baas).
Hy voert de groote V-- (hy voert het hoogste woord).
Hy laat zijn V-- geweldig waaien, of hy wil de V-- overal voeren (hy wil overal den baas spelen).
Onder iemands V-- varen (onder iemands bescherming staan).
Het met V-- en wimpel winnen (met glans winnen).
Dat staat als een V-- op een modderschuit (die opschik komt niet met de rest overeen).
Veel V--gen, luttel boters (het innerlijke beäntwoordt niet aan het uiterlijke).
De V-- strijken. Zie Strijken.
Men kan aan de V-- zien, hoe de wind waait, of, als Huygens zegt:
Scheepsvlagghe wijst den wint geduurigh waar hy draayt En elcke kabel dient? Wat doen ons jonge Heeren? Met linten op den broek en op den hoet met veeren? Die vlagghe wijst den wint, die in haar hoofden waayt.
Wat voert hy in zijn V-- of in zijn schild--namelijk welk blazoen? (Wat is zijn bedoeling? Welk een man is hy)?
V--en en geen schip (veel geschreeuw, en weinig wols).
Vlaggedoek, z. n. o. of Dundoek. -- Stof, waar Vlaggen van vervaardigd worden.
Vlaggejongen, z. n. m. -- Algemeene naam voor scheepsjongen, ten oorlog.
Vlaggejonker, z. n. o. -- Oude benaming van den oudsten Adelborst aan boord.
Vlaggekaart, z. n. v. -- Kaart, waarop de Vlaggen der onderscheiden Mogendheden zijn afgebeeld.
Vlaggekapitein, z. n. m. -- Kapitein, die het Amiraalschip kommandeert.
Vlaggekist, z. n. v. -- Kist, waarin de Vlaggen geborgen worden.
Vlaggelijn, z. n. m. -- Lijn, waarmede de Vlag wordt geheschen.
Vlaggen, o. w. -- Alle Vlaggen uitsteken. Het is heden Konings verjaardag: alle schepen zullen V--.
Vlaggestok, z. n. m. -- Stok van de Vlag, die midden boven 't hakkebord geplaatst is.
Vlak, z. n. o. -- 1o. Kim, buik, denning van een schip. Dat schip heeft een fraai V-- (een fraai beloop onder de kim). Het heeft een scherp, een plat V-- (heeft veel, heeft weinig opneming in de kim).
2o. Voor "vlakte, watervlak." Het V-- der zee.
Vlak, b. n. -- Effen. De zee is V--. Die kust is V--. V-- water.
Vlak, bw. -- Volkomen, ten eene male. Wy hebben den wind V-- tegen. V-- voor 't lapjen. Zie Lapjen.
Vlakgang, z. n. v. -- Beplanking der kim.
Vlakwegers, z. n. m. -- Zie Weger.
Vleet, z. n. v. -- 1o. Mast- en tuigwerk. Verloren V-- (verloren masten en tuigaadje).
2o. De haringnetten, als zy in zee liggen.
3o. Een net vol, en van daar de ongetelde menigte, waarby de kleine visch wordt verkocht.
Spreekwijze: Garnaal is in geen tel, die koopt men by de V--. (Iemand wiens oordeel weinig opmerking verdient.)
4o. of Vlet, kleine schuit.
Rondom hen op den grond van 't enge slaapvertrek, Lag al het tuig door een, waarmeê hun vlijt zich voedde, Als zetkorf, schakelnet, en riet en angelroede, Met koord en garen, grom en zeegras, boei en fuik En oude vletschuit, lek en niet meer in gebruik.
Bilderdijk, de Visschers.
Vlerk, z. n. m. -- Dat gedeelte van een scheepswand, 'twelk aan den voorkant door de windveeren en aan den achterkant door de hekstutten wordt bepaald.
Vlerken, b. w. -- De boegplanken op kleine vaartuigen over elkander slaan.
Vlet, z. n. v. of Vleet. -- Kleine schuit of schouw.
Vleugel, z. n. m. -- 1o. Windwijzer of kleine gesplitste vlag op een mast.
2o. Afdeeling eener vloot in slagorde. De rechter V--, de linker V--.
Vlieboot, z. n. v. (veroud.) -- Oorspr. een zeeschuit, die de wateren van 't Vlie bevaarde. Later werd de benaming gegeven aan de vaartuigen der Watergeuzen, die niet veel beter of grooter waren.
Vliegen, (laten) b. w. -- In eens losgooien. De bui was zoo hevig, dat wy, om het schip te helpen, genoodzaakt waren, den grooten Schoot te L-- V--.
Vliegend, b. n. -- 1o. Wordt gezegd van de zeilen, waarvan de schoten niet zijn aangehaald.
2o. Is somtijds gelijkluidend met "geweldig." Een V--e storm (een geweldige storm).
Vlieger, z. n. m. -- Zie Middelstagzeil.
Vliet, z. n. m. -- Vloeiend of stroomend water.
Vlieten, o. w. -- Vloeien, stroomen.
Vloed, z. n. m. -- Stroom, en, in 't byzonder, wassend tij. De V-- duurt doorgaands 6 uur 12 min. en voert de hoogte van het water op sommige plaatsen tot 48 voet op. De schepen kwamen met den V-- opzetten. VoorV-- (het begin van den V--). Zie Eb.
Spreekwijze: By hooge V--en, lage Ebben (Zie Ebben).
Al wat men qualyck won of tegen reden nam Dat is maar eb en vloet, het gaat gelyck het quam.
Cats.
Vloot, z. n. v. -- Scheepsmacht, verzameling van schepen, doorgaands van oorlogschepen, die onder het bevel eens Amiraals staan. Al de schepen van de V--. De Engelsche V-- is uitgezeild. De onverwinlijke V-- (die welke in 1588 door Filips II tegen Engeland uitgezonden en byna geheel vernield werd). Zie verder HaringV--, KoopvaardyV--, RetoerV--.
Vlooteling, z. n. m. -- Die tot de Vloot behoort.
Vloothouder, z. n. m. -- Vaartuig, dat, ofschoon geen eerste zeiler, toch by de Vloot kan blijven, en de andere niet noodzaakt zeil te minderen om het in te wachten.
Vlootleider, z. n. m. -- Het schip dat voorzeilt en waarop de overige zich richten.
Vlootvoogd, z. n. m. -- Amiraal, hoofdbevelhebber eener Vloot.
Vlot, b. n. -- Drijvend. Wordt van een schip gezegd, dat, na vast gezeten te hebben, weêr los komt. Wy zijn met het opkomend tij weder V-- geworden, weder V-- geraakt.
Vlot, z. n. o. -- Verzameling van verbonden balken, die een soort van vloer vormen, somtijds dienende om menschen, paarden en goederen te vervoeren. De schipbreukelingen hebben een V-- gemaakt, waarop zy zich gered hebben. Men noemt ook V-- een vereeniging van balken timmer- of brandhout, welke men de rivieren laat afzakken. Een V-- rondhouten, een V-- masten, een V-- scheepstimmerhout.
Vlotgaand, b. n. -- Een V-- schip, dat weinig diepte van water noodig heeft.
Vlotgras, z. n. o. -- Zeegras, of Wier, dat met den vloed rijst, en met de eb daalt. Zie Wier.
Spreekwijze: Ontgaat u de wal, hou u aan 't V-- (verliest gy den sterken steun waar gy op rekenen mocht, klem u aan een geringeren vast).
Vlotten, o. w. -- Drijven.
Spreekwijze: Het wil niet V-- (er is geen voortgang by de zaak).
Vlucht, z. n. v. -- Zie Zeegt.
Spreekwijze: In de V-- zijn (verlegen, bedremmeld zijn).
Vluchten, b. w. -- Om hoog pointeeren. Het kanon V--.
Voeg, z. n. v. -- Voeging, verbinding, lasch, verband, klinkwerk.
Voer, z. n. o. -- Wat mede gevoerd wordt.
Spreekwijze: Het is bootsgezels V-- zijn eigen koopmansgoed mede te brengen.
Voeren, b. w. -- Dragen, houden, laden, opsteken. Dat schip kan zijn heele lading niet V--. Dat oorlogschip is gebouwd om 100 stukken te V--. Dat schip Voert slecht zeil (de zeilen staan slecht by). Twee reeven in de marszeils V--. De Amiraalsvlag V--.
Spreekwijze: Een groot schip V-- (een zaak van gewicht by de hand hebben.)
Voering, z. n. v. (veroud.) -- 1o. Kleine koopmanschap, welke aan de manschappen vergund wordt mede aan boord te nemen, ook garniering.
2o. Voor Voeding. In de oude ordonnantiën komt het woord dikwijls voor, b. v. Drye man voor huyr en V--.
Voert, z. n. v. (veroud.) -- Inham of zeeboezem.
Voet, z. n. o. -- Onderend van een mast, schoor, stut of stijl.
Voetblok, z. n. o. -- Blok, dat omlaag is vastgemaakt.
Voetstuk, z. n. o. -- Benedenste rand der galerij.
Voetyzer, z. n. o. -- Krom kalfaatyzer.
Vol, b. n. en bw. -- 1o. Gevuld. Met V--le zeilen (gevulde, gepannen zeilen). Het schip slaat V-- hout. Zie Hout.
2o. Open. De V--le zee (de open zee). De hoogste vloed.
Volbrassen, b. w. of Afbrassen. -- De Brassen aanhalen om de zeilen te doen Volstaan.
Vol-en-by, bw. -- Niet te scherp aan-de-wind. V-- en B-- zeilen.
Volhandig weer, z. n. o. -- Weer, dat de Handen Vol geeft.
Volhouden, o. w. -- Vol-en-Byhouden: ook, na bygedraaid te zijn, weder koers zeilen (houden).
Spreekwijze: Men moet V-- (volharden, het niet opgeven).
Volstaan, o. w. -- Wordt een zeil gezegd te doen, wanneer het de Volle werking van den wind ondervindt. Dat zeil Staat Vol, Staat goed Vol, Staat geheel Vol. De zeilen staan Vol.
Spreekwijze: Laat dat V-- (laat het zijn gang gaan).
Voor, bw. -- 1o. Voor den boeg van het schip. Het anker is V-- (het hangt V-- den boeg).
2o. Het voorste gedeelte van 't schip, de bak (Wenk aan V--, (fokke hals opsteken, losgooien).
Voor en achter dicht, bw. Alle zeilen dicht gereefd.
Voorbyloopen, o. w. -- Voorby zeilen, varen. Een haven V-- (wanneer men die wil ingaan, doch by ongeluk, of ten gevolge eener verkeerde beweging, er voorby vaart.) Een schip V-- (een schip, dat gelijken koers houdt, inhalen en vooruitkomen.
Voor-de-wind, bw. -- Den wind recht van achteren.
Spreekwijze: Het gaat hem V-- (het gaat hem voordeelig).
Voor-de-wind, z. n. m. of Voorwind. -- Voordeelige wind. Met een frisschen V-- zeilen.
Hunlieden niets gebrack als voorwind en ghetij,
Vondel, Lofz. op de Scheepsv.
Wat vint men hier een maght die op haar ankers draeit En wacht een voordewint om voort in zee te steken.
Vondel.
Voordwarstouw, z. n. o. -- Touw, waarmede het schip van voren aan eene der zijden is vastgemaakt.
Vooreb, z. n. v. -- Zie Eb.
Voorganger, z. n. m. -- Het voorste end van het touw, 't geen aan het anker vast is.
Voorhoede, z. n. v. -- Zie Voortocht.
Voorkasteel, z. n. o. -- Zie Kasteel.
Voorland, z. n. o. -- Land, 't welk men bezeilen wil.
Spreekwijze: Dat is uw V-- (dat is de omstandigheid, waar toe gy 't eerst vervallen zult).
Voorlast, z. n. m. of Voorlastigheid. -- 't Zelfde als Achter- of Stuurlast, maar met betrekking tot het voorschip.
Voorlastig, b. n. -- Voor te veel Last hebbende: het tegenovergestelde van achter- of stuurlastig.
Voorlooper, z. n. m. -- Klein stuk vlaggedoek, in de draden der loglijn gestoken op een afstand gelijk aan dien van het vaartuig.
Voorluik, z. n. o. -- Luik aan het Voorschip.
Voorlijk, z. n. o. -- Zie Lijk.
Voorman, z. n. m. -- Die de Voorste roeit, enz.
Voormarszeil, z. n. o. -- Zie Marszeil.
Spreekwijze: Met het V-- betalen (zijn schuldenaars ontloopen).
Voormiddagwacht, z. n. v. -- Wacht van 8 uur tot aan den middag.
Vooronder, z. n. o. -- Kleine kombuis of keukentjen voor in een schuit of binnenschip.
Vooroverloopen, o. w. -- Voorby den boeg van een schip heenzeilen: een manoeuvre in 't gevecht, om den vyand de laag langsscheeps te geven.
Voorraad, z. n. o. -- Scheepsbehoeften.
Voorscheen, b. w. -- Zie Klimmen.
Voorschip, z. n. o. -- 1o. Voorste gedeelte van het schip, van den fokkemast tot aan 't galjoen.
2o. Het schip, dat vooruitzeilt. Zich op zijn V-- richten.
Voorslemphout, z. n. o. -- Zie Slemphout.
Voorsteven, z. n. m. -- Verzameling der kromme stukken, die het Voorste gedeelte van een schip uitmaken.
Voortent, z. n. v. -- Tent, die Voor den fokkemast wordt opgeheschen.
Voortocht, z. n. m. of Voorhoede. -- Het Smaldeel eener vloot, dat Vooruitzeilt, en doorgaands onder 't bevel staat van den Hoofd-Officier, die op den Vlootvoogd in rang volgt.
Vooruit, bw. -- Waarmede de betrekkelijke stelling van een persoon of van een vaartuig wordt aangeduid. V-- zijn (zich op de voorhelft van een schip, of eener vloot bevinden).
Voorvloed, z. n. m. -- Zie Vloed.
Voorvoet, z. n. m. (veroud.) -- Voorrang. Den V-- hebben (vooruit zijn).
Voorwaarts, t. w. komm. -- Om Vooruit te gaan.
Voorwind, z. n. m. -- Zie Voor-de-wind.
Voor-wind maeckt rechte streken.
Huyghens. Hofwijck.
Voorzeiler, z. n. m. -- Schip, dat vooruitzeilt, dat de overigen geleidt. Zoo de Loodsboot, of ander vaartuig, dat, by het in- of uitloopen van een naauwen doortocht voorzeilt.
Voorzien, b. w. -- Helpen, steunen, beschutten. Een touw V-- (het bekleeden). De booten van roeiers V-- (bemannen).
Vracht, z. n. v. -- 1o. Lading: goederen, welke het schip bestemd is over te brengen. Op V-- varen (varen, om lading, om V-- te bekomen). Een schip, dat V-- zoekt.
2o. Hetgeen voor de overvaart, 't zij van goederen of personen, betaald wordt. Voor halve V-- meêvaren. Hoe veel is de V--?
Spreekwijze: Hy heeft de vracht beet (hy heeft geld gewonnen).
Hy heeft de vracht in (hy is dronken).
Alle vrachtjens helpen (veel kleintjens maken een groot).
Vrachtbrief, z. n. m. -- Zie Cherteparty.
Vrachtlijst, z. n. v. -- Lijst, waarop de ingeladen goederen staan vermeld.
Vrachtschip, z. n. o. of Vrachtvaarder. -- Schip, dat goederen overbrengt.
Vrachtvaarder, z. n. m. -- Zie Vrachtschip.
Vrachtvaart, z. n. v. -- De vaart met Vrachtschepen. De V-- op dat land is zeer uitgebreid.
Vrang, z. n. v. -- Het middel- of buikstuk van elk spant, dat in de kiel en binnenkiel rechthoekig sluit. Halve V-- van het groot spant. De voet, hiel, onderkant van een scherpe V--. Vlakke, platte, scherpe V--en. Half scherpe V--en, ingetrokken V--en. V--en van het vlak, middelV--en. V--en van een kattespoor. Halve V-- der kattesporen. Gemaakte halve of heele V--. Gelaschte halve of heele V-- (die uit twee stukken is saêmgesteld).
Vredevlag, z. n. v. -- Zie Vlag.
Vreetschepen, z. n. o. mv. -- Eigenaardige benaming, welke men aan de konvooischepen plach te geven.
Vreevuur, z. n. o. -- Zie Dwaallicht.
Vriezen, o. w. -- Tot ijs stollen.
Vroegkost, z. n. v. -- Ontbijt.
Vrijbuiten, o. w. -- Op roof uitgaan.
De Britten afgericht op rooven en vrybuiten, Braveerden lang ter zee met zwakke leere schuiten.
Vondel, Zeevaert.
Vrijbuiter, Zeevrijbuiter, z. n. m. -- Zeeroover. Antonides bezigt in zijn IJstroom den min gewonen vorm: Vrijbuitenaar:
De zeevrybuitenaars verdelgende in hun vlucht.
Vrijhouden, b. w. -- Ontslaan, ontdoen, vrijwaren. Een schip van water V--. Zie Lens. Een anker V-- (beletten dat het, by 't ophalen, tegen het schip stoote).
Vrijzetten, b. w. -- Nagenoeg 't zelfde als Vrijhouden.
Vuil, b. n. -- Wordt een schip genoemd, als zijn kiel met schelpen of andere onreinheden begroeid is, die zijn loop vertragen: of een kust, die met verborgen klippen is bezet.
Spreekwijze: V--e gronden bederven de kabels. Zie Kabel.
Vuilebras. z. n. v. (veroud). -- De tobbe of kuip, waar de varsebalie het vleesch in plach te ververschen.
Spreekwijze: Hy trekt aan de V-- (hy werkt door, of verkeerd, tot eigen schade)--om dat, wie aan de V--B trok, het vuile water over 't lijf kreeg.
Vuilen, z. n. m. mv. -- Vuile gronden, gevaarlijk om over te zeilen, of waarin het anker niet houdt.
Vuil water maken, o. w. -- Door den modder zeilen zonder vast te raken.
Vuist, z. n. v. -- Zware hamer, by 't scheepssmidgereedschap.
Vulhout, z. n. o. -- Hout, gebezigd om de luchten te vullen.
Vullen, b. w. -- De wind wordt gezegd de zeilen te V-- als hy die doet volstaan.