Part 24
Steel, z. n. m. -- Handvatsel, van een bijl, hamer enz.
Spreekwijze: Hy wint op een eerlijke wijze met S--en de kost (hy is een handwerksman).
Steengrond, z. n. m. of Steenrif. -- Rif, uit steenachtige zelfstandigheid bestaande.
Steenrif, z. n. o. -- Zie Steengrond.
Steiger, z. n. m. -- Houten getimmerte langs den oever, dat tot aanlegplaats dient aan de vaartuigen. Het schip ligt aan den S--. Men heeft aan den S-- gelost.--Hooft noemt in zijn Ned. Hist. Calais den ZeeS-- van Frankrijk.
Steigeren, o. w. -- Een Steiger maken.
Spreekwijze: Ik heb zoo veel van S-- als van metselen (ik heb zoo veel van 't een te doen als van 't ander).
Steigerschuit, z. n. v. -- Schuit, die gewoon is van denzelfden Steiger af te varen.
Steil, b. n. -- 1o. Recht opstaande: Een S--e kust.
2o. Strak, scherp. Een S--e wind.
Steken, b. w. -- Een Steek doen, of geven. Een knoop S-- (een knoop leggen.) In zee S-- (t. w. het schip); voor: zich in zee begeven, uitloopen De zware touwen S-- (Die uit de kluis steken).
Steker, z. n. m. -- Vorkvormige vrang.
Stel, z. n. o. -- 1o. Volledige verzameling. Een S-- zeilen: een S-- vlaggen: een S-- riemen.
2o. Voor Stal. Op S-- zijn (gereed zijn, klaar zijn).
Stelen, b. w. -- Benemen. Het land Steelt den wind van dat schip.
Stelhout, z. n. o. -- Stelling, dienende om een kanon in goede richting te houden.
Stellaadje, z. n. v. of Stelling. -- Opgerichte planken, op palen rustende en dienende om de bedden te dragen by het bouwen of vertimmeren.
Stellen, b. w. -- Richten. Een stuk geschut S--.
Stelling, z. n. v. -- Zie Stellaadje. S-- van windboomen (driehoek, gevormd van drie met de uiteinden in een punt saamgebrachte boomen, uit welk punt zy hun kracht uitoefenen).
Stelpnet, z. n. o. -- Soort van bun, in den vorm van een kippehok, waarmede men den visch overdekt, die men onder in 't water ziet. Met het S-- visschen.
Stelsel, z. n. o. -- Yzerwerk van het roer.
Stempelbout, z. n. m. -- Zie Drevel, Drijfbout.
Stempelen, b. w. -- Uitdrijven, uitjagen. Een bout S--.
Steng, z. n. v. of Stang. -- Bovenmast. Blinde S--, BoegS-- (mast van den boegspriet.) Groote BramS--, KruisS--, Groote MarsS-- enz. (Stengen, waar het Bram-, Kruis- of Marszeil enz. aan vast zijn.) De vlag ter halver S-- laten zakken (ten bewijs van rouw.) De S-- schieten, (laten zakken.) De S-- om hoog winden (ze op haar plaats brengen.) Met een geschoten S-- varen (voor den storm vluchten).
Steun, z. n. m. of Steunder. -- Stut, schoor.
Steunders, z. n. m. mv. -- Verbindingsstukken in sommige kruisverbanden. Zie Trekkers.
Steunstuk, z. n. o. -- Rechthoekig stuk hout naast elke poort tegen de inhouten geplaatst en zich van den balkweger tot den zetweger uitstrekkende, tegen de doorzetting dienende.
Steunwegers, z. n. m. mv. -- Zware wegers, omstreeks de kim en waar de Steunders op rusten.
Steven, z. n. m. -- De stijving of sterkte van 't schip, waar de deelen zich tot een punt vereenigen. Zie VoorS--, Achter S--, BinnenS-- of looze S--. Den S-- ergends heen wenden (ergends heen varen.) Het schip schiet over S-- (het gaat vooruit.) Wy liepen den vyand op S-- (wy ontmoetten den vyand.) Met den S-- in den wal (naar het land toe leggende).
Stevenen, o. w. -- Den Steven wenden. Wy moeten naar huis S--.
Stevenkroon, z. n. v. -- 't Lat. corona rostralis. Zie Scheepskroon.
Stevig, b. n. en bw. -- Sterk, kras. Een S--en voor-de-wind hebben. Dat schip gaat S-- voor den wind.
Stikgrond, z. n. m. -- Bodem van zware klei.
Stiklijn, z. n. v. (veroud.) -- Beslagseizing, zesdraadslijn.
Stil, b. n. -- Wordt de zee genoemd, wanneer zy noch wassende noch afnemende, of tusschen eb en vloed is. Wy gingen met S-- water onder zeil, om van de eb gebruik te maken.
Stillen, o. w. -- Bedaard worden. De wind begint te S--.
Stilstaand, b. n. -- Dat zich niet van zelf beweegt. S-- water (dat geen stroom heeft).
Stilte, z. n. v. -- Kalmte, rust. Wy hadden vier dagen S-- van wind (vier dagen, dat het niet woei). S-- overal! (komm.)
Stinkpot, z. n. v. -- Vuurpot, vuurdrager. De S--ten plachten in zeeslagen gebruikt te worden, om, by het enteren, den vyand uit de hut, kajuit of andere voordeelige stellingen, door den stank te doen verhuizen.
Stoel, z. n. m. -- Rustplaats. De S-- van den vlaggestut, of het hout, waar de vlaggespil in staat of rust.
Stofregen, z. n. m. of Motregen. -- Fijne regen.
Stok, z. n. m. -- Dun en lang hout. Zie AanzettersS--, HelmS--, KolderS--, LontS--, PompS--, VlaggeS-- enz.
Stokken, b. w. -- Van een Stok voorzien. Een Anker S--.
Stokvisch, z. n. m. -- Gedroogde en gebeukte Kabeljauw.
Spreekwijze: Een drooge S-- (een houten klaas, een stijve hark van een vent).
Iemand op S-- zonder boter onthalen (hem slagen geven).
Stomp, z. n. v. -- Kleine mast of brok van een mast.
Stooken, o. w. (veroud.) -- Hard waaien.
Als door 't langdurigh stoocken 't Plechtancker naulycx vat.
Vondel. Lof der Zeevaart.
Stooker, z. n. m. -- Harde wind. 't Woei een fikschen S--.
Daer nochtans een eyke stam Die hier aen den Hemel quam, Licht ter aerden wort geruckt, Licht ter neder wort gedruckt, Licht daer henen wort gedrayt, Alser maer een stooker waayt.
Cats.
Stoomboot, z. n. o. -- Zee- of Rivier-Vaartuig, dat door Stoom wordt voortgedreven. De S-- op Londen. De S-- op Alkmaar.
Stoomjacht, z. n. o. -- Jacht, dat door Stoom gedreven wordt.
Stoompaket, z. n. o. -- Stoomvaartuig, dat met het overbrengen der maal belast is en op vaste beurten vaart.
Stoomschip, z. n. o. of Stoomvaartuig. -- Vaartuig, dat door Stoom gedreven wordt.
Stoomsleeper, z. n. m. -- Zie Sleepboot.
Stoomvaartuig, z. n. o. -- Zie Stoomschip.
Stooten, o. w. -- 1o. Stampen, bonzen. Dit vaartuig Stoot geweldig (men ondervindt, daarin gezeten, een S--de beweging).
2o. Raken, tegenkomen. Het schip heeft op de Haaks gestooten.
De bodem slorpte 't nat Door 't stooten op een pael,
zegt Vosmeer in den Gysbreght.
Stootgaren, z. n. o. -- Wanneer men de beslagbanden van de marszeils losmaakt, en deze alleen met kabelgarens op de ra samenbindt, zoo dat die maar los te snijden--of als 't ware te Stooten--zijn, noemt men dit: de zeilen op S-- zetten.
Stootkeggen, z. n. v. mv. -- Keggen, op de werven in gebruik.
Stootklamp, z. n. m. -- Klamp, die onder een schoor of stut gezet wordt.
Stootlap, z. n. m. -- Lap of oordubbeling, op een zeil tot versterking aangebracht.
Stootmat, z. n. m. -- Matwerk, ter afweering van 't een of ander ingericht.
Stootschaal, z. n. v. of Brasklamp. -- Zie Schaal.
Stoottalie, z. n. v. -- Zie Talie.
Stop, z. n. m. -- 1o. Tap, deuvik, kurk.
2o. Tonnetjen proviand op de vischschuiten.
Stoppegeld, z. n. o. -- Geld voor proviand.
Stoppen, b. w. -- 1o. Doen ophouden. De vaart van een Schip S--. Stop! Stop dat! (komm.).
2o. Tegenstand bieden, gaande houden. Wy wierpen het anker om het tij te S-- (om te beletten, dat wy door het tij uit onzen koers gedreven werden). De vyand bevond zich te loefwaart van ons, hetgeen onzen Amiraal deed besluiten om elke eb tij te S--. De zeilen tegenbrassen om vaart te S--.
3o. Stoppers opzetten, opvangen. S-- om touw te steken wordt gezegd wanneer men de lengte vermeerderen wil van het touw, dat van de beting naar een gezonken anker loopt. Men Stopt alsdan dat touw voor de beting, waardoor het gemakkelijk valt, het ankertouw om de beting te slaan. Het komm. luidt: Stopt en legt beting!
4o. Dicht maken. Een lek S--.
Spreekwijze: Dit lek is niet te S-- (die schuld is te groot dan dat er aan te helpen valt).
Stopper, z. n. m. -- Min of meer kort en stevig touwwerk, dat, met het eene end aan eenig steunpunt verbonden, om een kabel of ander tuig met herhaalde en stijf toegehaalde slagen gewonden wordt, ten einde het gespannen te houden. S-- met een zwieping (S-- die het touw vat, wanneer het schip ten anker ligt).
Stopstuk, z. n. o. -- Stuk, dat in het boord van een schip wordt aangebracht om een gat te stoppen, 't welk men tot het laatste toe open houdt om er de groote stukken door te laten gaan.
Storm, z. n. m. of Stormwind. -- Hevige beweging van de lucht, doorgaands vergezeld van regen, hagel, onweer enz. Schepen, door den S-- geslingerd. De Schepen zijn door S-- beloopen, overvallen. Het woei een zwaren S-- uit het N. W.
Stormgolf, z. n. m. -- Een massa water van meer of minder uitgebreidheid, naarmate van den stroom, opgeheven boven de gewone vlakte des Oceaans door de verminderde dampkringsdrukking en wellicht door andere oorzaken, in haar geheel door den Storm voortgedreven en by het bereiken van baaien, riviermonden en andere engten, door de rijzing ten gevolge der samenpersing, vreeslijke overstroomingen veroorzakende.
Stormfok, z. n. m. -- Voorstagzeil.
Stormhoek, z. n. m. of Stormkaap. -- Landhoek of kaap, waar gewoonlijk zware stormen waaien.
Stormkaap, z. n. m. -- Zie Stormhoek.
Stormkluiver, z. n. m. -- Voorstengestagzeil.
Stormladder, z. n. m. -- Touwladders, die achter over het hek hangen.
Stormstroom, z. n. m. -- Cirkelvormige Stroom in den omtrek van een cirkelvormigen Storm.
Stormweer, z. n. m. -- Harde wind, wiens richting gedurende eenige dagen, ja weken, dezelfde blijft.
Stormwind, z. n. m. -- Zie Storm.
Stormzeil, z. n. o. -- Zie Zeil.
Storten, o. w, -- Nedergaan. De baren S-- (als zy hoog geweest zijn en weder dalen).
Stortgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen of waren, die niet ingepakt worden, als b. v. granen, zout, enz. Met S-- laden. De bepalingen omtrent S--, waarvan by invoer de hoeveelheid in vreemde maat of gewicht is uitgedrukt, zijn te vinden in art. 16 der Alg. Wet van 22 Aug. 1820.
Stortregen, z. n. m. -- Zie Plasregen.
Stortvloed, z. n. m. -- Ondiepe, maar hevige stroom, waarin zich gewoonlijk een schuit niet durft wagen.
Stortzee, z. n. v. -- Hooge zee, die, boven het schip brekende en er op neêrstortende, alles wegspoelt.
Stouwen, b. w. of Stuwen. -- Goederen in het ruim pakken, dicht op elkander drukken. Die kapitein verstaat zich op het S--.
Spreekwijze: Hy kan wat S-- (hy kan wat in zijn maag stoppen).
Straat, z. n. v. of Zeestraat. -- Zeeëngte tusschen twee landen. De S-- van Gibraltar: de S-- van Babelmandeb.
Strand, z. n. o. -- De oever die zich langs de zee strekt. Een effen S--. Een zandig S--. De scheepjens steken van 't S-- af. Een schip van het S-- halen. Hy zit met zijn vaartuig op 't S--.
Stranddief, z. n. m. -- Die op het Strand geredde goederen steelt.
Stranden, o. w. -- Op het Strand geraken. Wy vonden een op de kust gestranden walvisch. Ook, eenvoudig, stooten, vastraken. Het fregat Strandde op een rots.
Stranding, z. n. v. -- De daad van stranden. Zie Schipbreuk.
Strandjut of Strandjutter, z. n. m. -- voor Stranddief.
Strandrecht, z. n. o. -- Recht van den eigenaar der kust op gestrande wrakken of goederen.
Strandvonden, z. n. m. mv. -- Aan Strand gespoelde goederen.
Strandvonder, z. n. m. -- Ambtenaar, belast met het beheer der aangespoelde of geborgen goederen uit een gestrand schip.
Strandvondery, z. n. v. -- Het beheer of bestier van den Strandvonder.
Streek, z. n. v. mv. -- 1o. Windstreek, kompasstreek. Eene der tweeendertig afdeelingen, waarin het zwerk wordt verondersteld te zijn afgedeeld, en het kompas werkelijk afgedeeld is. Dat schip zeilt op zes S--en (er zijn maar zes windstreken tusschen de richting van den wind en die van het schip.)
Spreekwijze: Dat (het kompas) houdt geen S-- (dat gaat niet door, dat is niet juist).
Dat woort moet weer berijmt zijn Of 't streeck houdt of geen streeck of 't dicht soud ongelijmt zijn.
Huyghens. Hofwijck.
Hy is van zijn S-- (hy is ongesteld).
Hy heeft werk om weder op zijn S-- te komen (om weder te herstellen).
RechtS--s (recht door zee).
2o. Plaats, uitgestrektheid, omtrek. Wy hebben in die geheele S-- geen schip ontmoet. Die S-- wordt door zeeroovery onveilig gemaakt.
3o. Luchtstreek. Wy komen weldra in een heeter S--.
Streektafels, z. n. v. mv. -- Tafels, die het verschil van breedte en omtrek aanwijzen.
Strekken, o. w. -- Zich richten. Die kust Strekt 4 mijlen zuidwaarts heen.
Strekking, z. n. v. -- Richting, wending, ligging. De S-- eener kust.
Streng, z. n. v. -- Lang verbindsel van in elkander gewerkte draden, geschikt om met dergelijke verbindsels gestrengeld te worden en een dik touw of kabel te vormen. Drie S--s-touwwerk. Vier S--s-touwwerk.
Spreekwijze: De derde S-- maakt den kabel (Zie Kabel).
Striem, z. n. m. -- Zie Binnenrahout.
Strik, z. n. m. -- Zie Strop.
Strook, z. n. m. -- 1o. Smalle band of baan. Een S-- zeildoeks.
2o. Smal vooruitstekend stuk lands.
Strooken, o. w. -- 1o. Zich voordoen. Dat schip Strookt wel.
2o. Overeenkomen. Dit bevel Strookt niet met de gegevene instruktie. Die bepaling van lengte en breedte, waarop die klip is gezien, Strookt niet met die van den kapitein N.
Strooking, z. n. v. -- Vorm, voorkomen. De S-- van een schip.
Stroom, z. n. m. -- 1o. Hoeveelheid water, die zich met meer of mindere snelheid in een bepaalde richting beweegt. Geregelde S--en (die door de beweging des aardbols, of door de bewerking van regelmatige winden, of door de zon ontstaan.) Veranderlijke S--en (die aan wisselingen onderhevig zijn.) Tegen den S--en op- of ingaan. Het bed, de bedding van een S-- (de ruimte, door welke hy gewoonlijk vloeit.) Door den S-- medegevoerd worden, afdrijven. Die S-- loopt N. knoopen (heeft de snelheid van N.) Op S-- liggen.
Die tegen stroom zijn schuitje roeit Dient nimmermeer te zijn vermoeid.
Cats.
2o. Vloed, rivier, die in zee uitloopt. De RijnS--; e GangesS-- (de Rijn, de Ganges). De uitleggers zijn gelegd op alle onze S--en.
3o. S--en voor: "de zee." De zilte S--en.
Spreekwijze: Den S-- volgen (denken of handelen gelijk de menigte doet).
't Is doodS-- (er is geen handel, geen bedrijvigheid: om dat een doode S-- gelijk staat met een stilstaand water). Zoo zegt Hooft:
De winden zonder toom Aan 't rennen schut ik kort en maak een dooden stroom.
Stroomen, o. w. -- Met kracht vloeien.
Strop, z. n. m. -- Touw, waarvan de enden aan elkander zijn gesplitst en 't welk men om een blok of kous bindt. S-- met een kous, (om een haakblok in te hangen.) Enkele S-- (die ergends omheen wordt geslagen, om het op te hijschen, strak te zetten enz.) Yzeren S--, (yzeren band, die om het blok is geslagen.) Zoo RoeiS--, RoerS--, WantS--.
Stroppen, b. w. -- Een Strop omleggen. Een blok, een kous, een juffer S--.
Strijken, b. w. -- Neêrhalen, doen zakken. Een ra S-- (een ra langs den mast doen zakken.) Een vlag S-- (de lijn, waar de vlag aan vast zit, om laag halen.) De vlag S-- (zich overgeven, om dat een schip, dat voor zijn vyand de vlag strijkt, daarmede sein doet, dat het zich overgeeft.)
Ter zee is dit gebruik, daer moet de minder strijcken, Te lant is 't even zoo, daer moet de minder wijcken.
Cats.
Dikwijls wordt het voorwerp verzwegen en er by verstaan: Geheel S--. S-- overal, (al de zeilen in eens bergen) of, om by 't in- of uithijschen, de takels tegelijk te vieren. Een schip doen S-- (een schip tot de overgave dwingen.) Met de riemen S--: S-- stuurboord! het tegenovergestelde van roeien, (komm.)
Wy vinden strijken onz. genomen by Cats in 't navolgende gedicht:
Hy is een pijl, die nimmer wijckt, Hy is een zeil, dat nimmer strijkt; Hy is een rots, die nimmer beeft, Wie recht en rond daarhenen leeft.
Stuik, z. n. m. -- Vergaring van een oplanger. Eind, waarin een stuk hout in een ander sluit. Een S-- oprichten. S-- van een lasch, (het schuins gesneden end eener lasch, dat de richting volgt van het stuk, waarin het sluiten moet).
Stuinder, z. n. m. -- Zie Staander.
Stuiten, b. w. -- Stoppen, ophouden. De vaart van een schip S--.
Stuitklamp, z. n. v. -- Driehoekig stuk hout, 't welk men achter de wielen van een rolpaard plaatst, om, by het slingeren van het schip, het kanon vast te zetten.
Stuitwind, z. n. m. -- Zoo noemt men die windvlagen, welke in de Japansche zee tegen de opkomende stormwolken waaien.
Stuk, z. n. o. -- Stuk geschut. Dat schip voert 100 S--ken. De S--ken zijn aan boord gebracht. De S--ken zijn gesjord.
Stukgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen, die Stuk voor Stuk worden ingeladen. Hy heeft een lading S-- aan boord. Ook wordt met S-- laden gezegd, wanneer verschillende afzenders goederen afzonderlijk laden. De bepalingen tot invoer omtrent onbekende S-- worden gevonden in art. 15 der Alg. Wet van 26 Aug. 1827.
Stukschavielen, o. w. -- Zie Schavielen.
Stulpluik, z. n. v. -- Luik, dat over een gat heengestolpt wordt.
Sturen, b. w. -- Een schip of schuit, 't zij volgends theoretische of praktische ervarenis, 't zij alleen met lokale kennis, geleiden. Het schip in behouden haven S--.
Sturen, o. w. -- Het roer besturen. Het is zijn beurt te S--, (aan 't roer te staan.) Er is verkeerd Gestuurd. N. S--, op N. streken S--, (aan een schip een zekeren afstand doen afleggen, evenredig aan zijn snelheid op een gegeven windstreek.) By-de-wind S--, (het schip zoodanig richten, dat de wind, er voorlijk inschietende, met het schip van een hoek 46° tot 34° make.) In den koers S--, op de zee, op 't zeetjen S--, (den voorsteven zoo keeren, dat hy zoo min mogelijk de werking der golven ondervinde.) In het kielwater van een ander schip S--, (het schip in het zog van een voorgaand schip doen volgen.) Met een stuurrad, met een rad S-- (het roer door middel van een rad in beweging brengen.) Met een inspit, met de roerpen S-- (het roer door middel der handen in beweging brengen).
Sturen, b. w. -- Door stuurmanskunst geleiden. Hy nam de taak op sich, het schip in behouden haven te S--.
Spreekwijze: Een zaak verkeerd S--, in de war S--, (voor: haar verkeerd leiden, in de war brengen).
Het schuitjen in 't riet S-- (de zaak verknoeien).
Iemand om een boodschap naar een ander toe S-- (voor: zenden: omdat men hem als 't ware den koers voorhoudt, opgeeft, dien hy volgen moet).
Stut, z. n. m. -- Hout, balk, stijl, die een voorwerp Stut of schoort. S-- aan den mast, verkeerde S--, (kromme rib aan het achterschip).
Stutten, b. w. -- Ondersteunen. Stut zoo! Stut voor vallen, (komm. aan den stuurman, om niet voor den wind te laten vallen).
Stuur, z. n. o. -- Hetzelfde als Roer. S-- hebben, S-- in het schip hebben, (gang hebben, zoo, dat het schip naar al de bewegingen van het roer luistert).
Spreekwijzen: Hy is het S-- kwijt, (hy weet zich niet meer te helpen).
Hy raakt over S-- (hy raakt achteruit, in de war).
Er is niets over S-- (er is niets aan verbeurd).
Stuurboord, z. n. o. -- Het rechter boord van het schip, wanneer men van den achtersteven naar voren ziet. Over S-- liggen. S--s halsen toe hebben, (met de zeilen op het rechter boord liggen.) Over S-- met bakboordshalzen toe liggen, (over S-- by-de-wind zeilen.) Dat schip ligt over S--, (het helt naar de rechterzijde over.) S-- het roer, of eenvoudig S--: (komm. aan den roerganger, om de roerpen rechts te draaien.) Zie voorts Bakboord.
Spreekwijze: Iemand van S-- naar Bakboord zenden. (Zie Bakboord.)
Stuurboordswacht, z. n. v. -- Zie Wacht.
Stuurlast, z. n. m. of Stuurlastigheid. -- Het verschil in diepgang van den voor- met den achtersteven van het schip. Op zijn S-- gebracht worden, (wanneer de S-- overeenkomstig de berekeningen des bouwmeesters wordt aangebracht, om het schip wel naar het roer te doen luisteren).
Stuurlastig, b. n. -- Geeft het verschil van den Stuurlast te kennen. Dat schip is S--. De diepte is van achteren grooter.
Stuurman, z. n. m. -- Oorspronkelijk de man die Stuurde, in welken zin thands het woord Roerganger gebezigd wordt: vervolgends hy, die met het toezicht over het Sturen belast was. Thands verstaat men door S-- den persoon, die, op koopvaardyschepen, onmiddellijk in rang volgt op den schipper of kapitein. Eerste S--, tweede S--, derde S--. Bepalingen aangaande de verplichtingen des S--s vinden wij in art. 398, 406, 407, 408 en 409 Wetb. v. Kooph. In sommige zaken rust de verantwoordelijkheid des kapiteins mede op den S--. Zoo is hy volgends art. 210 der algemeene Wet van 16 Augustus 1822 voor een derde boetschuldig in geval van ontdekte overtredingen, en aan de meeste der verplichtingen, op den schipper rustende, mede onderworpen. Zie art. 8, 10, 12, 16 en 59 der voormelde wet.
Van de taak, aan dezen betrouwd, gewaagt Vondel in zijn Lof der zeevaart op navolgende wijze:
Wat sterfelijcke lippen Oit melden stuurmans zorgh, de blinde en ziende klippen, De staerten, hard van steen, de bancken onder zee, Daer menigh eicken zwaert zijn bodem stoot aan twee, Charybden, Scylles, die nu braecken, dan weêr slorpen, Afgronden, die geen loot kan peilen noch beworpen, En platen, stijf van rugh, draeistroomen diep van kolck, En rotsen, dick ontzien van 't zeebevaren volck. Der winden dwarrelingh, de blixems, donderslagen, Onmatigheit van hitte, en koude, en wintervlagen, De naerheit van de nacht, langdurigh, zonder licht Van sterren, zon van maen, den nevel, die 't gezicht Der baecken hem beneemt, het waken en het braken, Des waters vochtigheit, het klocken en het kraken, Der golven tuimeling, de broosheit van het hout Daer hy zijn leven op onzeker heeft vertrout, De veerheit van de reis, van magen afgescheiden, Van vrou en kinders, die met wenschen hem geleiden, Nootdruftigheit van kost, van takel en van tou, Het spillen van zijn volck door ongemack en kou, Weerbarstigheit van weer, des roovers dreigementen En wat angstvallig brein kan schrick en vrees inprenten.
Aan boord van een oorlogschip is de S-- een dekofficier, belast met het waarnemen van lengte en breedte, met het houden van den koers, met het peilen van de diepte, het berekenen van vooruitgaan, het opmaken van 't bestek, het naauwkeurig houden van 't journaal, enz.
Spreekwijze: De beste Stuurlui staan aan wal, (het valt gemakkelijk de daden van anderen te beoordeelen, wanneer men zelf niet in hun plaats verkeert).
Zoo zegt Cats:
Voorwaer het is so licht geseyt: De lieden hebben geen beleyt De schipper of de man te roer, Dat is voorwaer een rechte loer, Wis, soo ick stuurman wesen mocht, Ick stierd het schip in gene bocht, Ick stierd het schip in genen kolck, Soo hield ick 't schip en al het volck.
Stuurrad, z. n. o. -- Rad, dienende om de roerpen, 't zij rechts, 't zij links te bewegen.
Stuurreep, z. n. v. -- Lijn, waarvan het middelste gedeelte om het stuurrad gerold is; terwijl de beide enden door touwhozen heenloopen naar de boorden van het schip boven het tusschendek, om op het uiteinde van de roerpen tot elkander te komen. Op schepen, waar de roerpen op het bovendek is, loopen de S--en door bloks, die ter wederzijden aan het staande boord bevestigd zijn.
Stuurriem, z. n. m. -- of Wrikriem. Riem, die, in een ronde keep achter aan een licht vaartuig geplaatst, gebezigd wordt om dat vaartuig voort te krijgen of te besturen.
Stuurstoel, z. n. m. -- Bank, waarin de schipper eener trekschuit gezeten is en waar de roerpen overloopt.
Stuwaadje, z. n. v. -- Lading, en al wat verder in het ruim van een schip is samengestouwd.
Stuwen, b. w. -- Samenpakken, bergen. Die lading valt zwaar te S--. Een goed Gestuwd schip. Meer gebruikelijk is Stouwen. Zie ald.
Stijfhalen, b. w. -- Strak aanhalen. De loosbrassen S--.--Een slap geworden touw weêr S--.--In de broekings S--.
Stijl, z. n. m. -- Zie Stut.
Superkarga, z. n. m. -- Opzichter eener lading: zaakgelastigde des bevrachters, die met de koopwaren medereist en zich met den verkoop belast.
Sultane, z. n. v. -- Soort van Turksche galei.
T.
Taan, z. n. v. -- Verwstof, van run of eiken schors gekookt, en waarmede de zeilen geel geverwd worden.
Spreekwijze: Hy ziet zoo geel als T--.
Tafelgeld, z. n. o. -- Geld, dat aan de zeeofficieren wordt uitbetaald boven hun wedde, om er zich levensmiddelen voor te verschaffen.
Tak, z. n. m. -- Het kleinste gedeelte van een knie.
Takbout, z. n. m. -- Bout met een weêrhaak, zoodat die, eens ingedreven zijnde, niet weêr kan worden uitgehaald.