Part 22
Als de bruid is in de S-- dan zijn de mooie praatjes uit (als de bruid getrouwd [in de huwelijksS--] is, dan houden de komplimenten op: of, overdrachtelijk: als men eens zijn zin heeft verkregen, steurt men zich aan geen beloften meer).
Van de boot komt men in de S--. Zie Boot.
Hy komt in mijn S-- (hy wordt mijn meening, mijn stelsel toegedaan).
Geen S-- zoo dicht, of er komt wel een lek in (het is moeilijk een geheim te bewaren).
Schuitevoerder, z. n. m. -- Schipper, bestuurder van een Schuit.
Schuitjen, z. n. o. -- Kleine Schuit.
Spreekwijze: Wy zijn in het S-- en moeten meêvaren (wy hebben de zaak eens begonnen, en kunnen nu niet terug).
Hy vaart met my in eene S-- (hy is met my van 't zelfde gevoelen).
Hy houdt zich of hy gek was en laat zijn S-- vol loopen (hy slaat als zonder erg den drank naar binnen).
Schuiven, o. w. -- Als met moeite over iets heen gaan. Met het schip over den grond S--.
Schulpen, z. n. v. mv. of Schelpen. -- Schaaldieren, die zich aan de buitenhuid der schepen vasthechten.
Spreekwijze: De S-- wassen op zijn neus (hy heeft lang ter zee gevaren).
Schulpzaag, z. n. v. -- Soort van Zaag, dienende om balken in 't lang te zagen.
Schuren, b. w. -- Wordt het stroomend water gezegd den oever te doen, als het daar met kracht langs gedreven wordt.
D'Eufrates zeker, schoon hy sneller voort komt breken Uit Nisus bergspelonk en schuurt de vruchtbre streken Van 't rijke Armenië.
Antonides, IJstroom.
Schuring, z. n. v. -- De daad, of de uitwerking van het Schuren.
De vogelwijk, de schrik der schelmen, recht in d' oogen Der stad gelegen, heeft op 't water meê vermogen, Dat hier in naauwer kreek geschoten en geparst, Met grooter schuuring weêr in ruimen boezem barst.
Antonides, IJstroom.
Schut, z. n. o. -- voor Geschut. Zoo zingt Huyghens:
Kijck, de takels en de touwen En de vlaggen en het Schutt Staan en pruylen in den rouwen.
Schutschepen, z. n. o. mv. -- Schepen, die Geschut waren (veroud.). Wy vinden die gesteld tegen over "ongemonteerde" in de "ordonnantie der Staten van Holland en Westfriesland, dienende tot versekering van de schepen uyt dese landen de do 6 Maart 1602?"
Schutsluis, z. n. v. -- Sluis, waardoor het water Geschut wordt.
Schutten, b. w. -- Afweeren, stuiten: het water beletten verder te gaan.
Spreekwijze: Dat Schut ik (dat zal ik tegenhouden, zoo lang ik kan).
Dutten; sprak mooi Heintje, dutten! Stilte maats, een poosje min. Dutten! neen, dat moet ik schutten, Bin ik anders die ik bin.
Huyghens.
Schijf, z. n. v. of Blokschijf. -- Houten of yzeren ronde en cylindrische plaat, met een sleuf in haar omtrek, dienende om er een touw in te bergen, wanneer zy binnen een blok vast zit of los draait om een spil, die door haar middelpunt loopt. Pokhouten S--, metalen S--, gegoten yzeren S--.
Spreekwijze: Het loopt over veel Schijven (het is onverschillig wat het kost, dewijl zoo velen er aan betalen:--om dat een touw, dat door veel bloks, en dus over vele Schijven loopt, gemakkelijker te hanteeren is.
Zijn gat gaat op Schijven (hy leeft als een heertjen).
Het S--jen is in 't blokjen (de zaak is in orde).
Sein, z. n. o. -- Teeken, dat in zee of van de kusten gegeven wordt, om bevelen te geven of waarschuwingen te doen of te beäntwoorden. De S--en worden gedaan, 't zij met enkele, 't zij met boven elkander geplaatste vlaggen, 't zij met lantarens, vuurpijlen, schoten, of zelfs met zeilen op een byzondere wijze gesteld. DagS--en (die met vlaggen, wimpels, enz. gedaan worden.) NachtS--en (die met lantarens, vuren, enz. gedaan worden.) MistS--en (die met het lossen van geschut, klokgelui enz. gedaan worden.) Een S-- geven, dat men in nood is. Zie NoodS--, S--toren.
Seinboek, z. n. o. -- Register, waarin alle dag- en nachtSeinen staan opgeteekend.
Seinen, o. en b. w. -- Seinen doen, teekens geven. Een kust, een klip S-- (door teekens te kennen geven, dat men die heeft ontdekt). Onze voorzeilers Seinden den vyand des morgens ten acht ure.
Seinschip, z. n. o. (veroud.) -- Adviesjacht, snelzeilend vaartuig, dat teekens of lasten overbrengt.
Seinschot, z. n. o. -- Schot, dat tot Sein dient.
Seintoren, z. n. m. -- De torens zijn ook meermalen gebruikt, om daarvan Seinen te geven. Zoo lezen wy o. a. in de Resol. van HEd. Gr. Mog. in do 3 Aug. 1673: "Wanneer eenighe vyandlijcke scheepen voor de wal gesien werden, zal van den toren worden geseint, by nacht met een vuur, by dagh met een mande; ende by dagh soowel als by nacht, vier quartier uurs aan den anderen, een schot geschoten worden enz."
Seinvlag, z. n. v. -- Vlag, waarmede Sein gedaan wordt.
Seinwachter, z. n. m. -- Wachter hoedanige er, van afstand tot afstand op de kusten geplaatst, van de hoogten uitzien wat in zee voorvalt en daarvan bericht geven.
Seizen, b. w. -- Aangrijpen, vatten 't Eng. to seize, 't Fr. saisir. Meer bepaald 't vast maken van touwen. De kabelaring S-- (die door Seizings by de muizingen aan het ankertouw vastmaken).
Seizing, z. n. v. -- Min of meer breede, platte, met een punt uitloopende streng, dienende om eenig voorwerp te Seizen of te vatten. RifS--s, (die dienen om de plooien van een gegrid zeil op de ra te bevestigen. KabelaringS--s (die overal van gelijke dikte zijn en dienen om een ankertouw samen te houden). S--s aanbrengen, aanleggen (er de kabels mede omwinden).
Sent, z. n. v. of Lijst. -- Gording, tijdelijk dienende op het geraamte van een schip in aanbouw, om de spanten op hun plaats te houden. S--en van den aanbouw (algemeene benaming van al die S--en, wier bestemming het is, den omtrek der aanvullingsspanten aan te wijzen en de zeegt zoo van het barghout als van de beplanking, 't zij der kiel, 't zij van het bovenschip, te bepalen--en die weggenomen worden naar mate de beplanking vordert.) S--en aan boord, SpanS--en:--S--en op de mal, malS--en. KimS--, SnijS-- (die, door de uitersten der vrangen loopt). VlakS--, vloerS-- (tusschen de kims- en de kiel geplaatst). ScheerS--. S-- der grootste wijdte (die zich op de grootste wijdte van het schip aansluit) 2e, 3e, 4e S-- (die tusschen de scheer- en kimS-- geplaatst zijn). S--en van het levend gedeelte, verschansingS--en, bovenS--en (die dat gedeelte van een schip omlijsten, 't welk nimmer onder water komt). TopS-- (de bovenste dier S--en). S-- van de gilling, (zie Rahout). Bovenste S--, S-- van het potdeksel. VertuiningS--en, S--en van den bak, van het half dek en de kampanje.--TusschenS--en. Vlakke S--, S-- van enkele kromming. S--en scheren, omscheren, vastmaken, aanspijkeren.
Serving, z. n. v. -- Bekleeding, van strengen gevlochten. 't Woord is van 't Eng. to serve, bewaren.
Sim, z. n. v. -- Touw, snoer:--ook de top van de kurk, die boven den hoek van een hengelsnoer op het water drijft.
Spreekwijze: Iemand onder de S-- hebben: (hem in zijn macht, in zijn bedwang houden).
Simplankjen, z. n. o. -- Plankjen, dat tot klos dient en waar men garen om heen wint om netten te breien.
Sisser, v. n. m. -- Zie Monnik.
Sjampan, z. n. v. -- Klein Sineesch roeivaartuig met een zeil.
Sjappen, b. w. -- Merken, teekenen, b. v. te vellen hout.
Sjorren, b. w. -- Met trossen of lijnen vastbinden.
Spreekwijze: Ergends mee Gesjord zetten (ergends aan vast zijn, op een lastige wijze ergends toe verbonden zijn).
Sjorring, z. n. v. -- Band, vastnajing: daad, of gevolg van het binden, samentrekking van twee kabels door middel van een dunner touw. Gewone S-- van het geschut. S-- van het geschut op dubbele talies.--S-- der stukken met koptouwen en krabbers.--S-- langs boord.--S-- met de keerbroeking of looze broeking, S-- der karronaden, S-- der hangmatten.
Sjort. -- (komm.) t. w., als er vastgemaakt is en men alles een tijd lang stijf moet houden.
Sjortouw, z. n. o. -- Touw, tot Sjorren gebezigd.
Sjouw, z. n. m. -- Ruk, Rol. Vlag in S-. Zie Vlag.
Spreekwijze: Aan de S-- zijn (aan de rol zijn, zwieren).
Sjouwen, o. en b. w. -- Rukken, trekken, zwaar werk doen. Wy moeten dat pak hier heen S--. Er viel wat aan te S--.
Sjouwer, sjouwerman, z. n. m. -- Man, die voor weinig loon, allerlei werk doet. S--s. (Manschappen, die men in daggeld, by 't optuigen, laden of ontladen aan boord neemt, en die niet tot de equipaadje behooren.)
Spreekwijze: 't Is een S-- ('t is een sukkel: ook: 't is een liederlijke vent).
Skoridor, z. n. m. -- Italiaansch vaartuigjen, dat maar een mast en een zeer groot zeil voert.
Slaags, bw. -- 1o. Aan 't vechten. Zy raakten S-- op de hoogte van Kamperduin (zy kwamen in 't gevecht voor Kamperduin).
2o. Klaar, zeilreê. Door de naauwte van het vaarwater kan men te dier plaatse by westelijke winden niet S-- geraken.
Slaak, z. n. o. -- 1o. Stroom, kil. De slag op het S--.
2o. Plaats, waar de zee by onstuimig weer stil en effen is.
Slaan, b. w. -- 1o. Slag leveren, verslaan. Den vyand op de vlucht S--. Die Amiraal heeft zich laten S--.
2o. Roeren, aanraken. De zeilen S-- tegen de mast. Het water Slaat tegen den voorsteven. De trom S-- (de trom roeren, trommelen.) Allarm S-- (door een herhaald geroffel 't volk te wapen roepen.) Appèl S-- (de manschappen doen opkomen.) De veldmarsch, de generale marsch, de stormmarsch S--. De reveille S--.
3o. Omleggen, vastmaken. Een touw om een hout S--.
4o. Vervaardigen. Touw S-- (touw maken).
5o. Geluid geven. De klok Slaat.
Spreekwijzen: Zijn tong Slaat dubbel, of Slaat yzer (men kan aan zijn praat wel hooren, dat hy beschonken is).
Hy heeft de klok hooren S--, (hy heeft er iets van vernomen).
Slabber, z. n. m. (veroud.) -- Buisjen.
Slabbing, z. n. v. of Woeling. -- Bewindsel der kabels in de kluizen.
Slag, z. n. m. -- 1o. Stoot, schok. De S-- van het water (het slaan van het water tegen 't schip of eenig ander voorwerp). Een S-- aan bakboord doen (aan bakboord op roeien).
2o. Strijd, gevecht. Zy zijn aan den S-- geweest. Zie Zeeslag.
3o. Touwbelegging. Ronde S-- (wanneer men een touw om het een of ander heenslaat, zonder het verder vast te maken). Beting S--, S-- om de beting (wanneer men een ankertouw om de beting slaat, ten einde het schip met het anker te verbinden). S-- in het touw (wanneer twee ankertouwen in elkander verward raken).
Spreekwijze: Ergends een S-- in slaan (er naar raden).
Ergends S-- van hebben (iets met handigheid doen, ergends bekwaam toe zijn).
4o. of Gang. Korte, lange S--en doen. Een S-- voortzetten. Zie Gang.
Slagbed, z. n. o. -- Bedding, gelegd of geslagen voor een schip, dat af zal loopen.
De scheepsboukonstenaer helpt dus het oorlogsvlot Eerst aen 't bewegen, viert weerzijts het slagbed bot.
Antonides. IJstroom.
Slagboog, z. n. m. of Slag, gang. -- Een goeden S-- doen (by 't laveeren.)
Slagvaardig, b. n. -- Gereed tot het gevecht.
Slagverband, z. n. m. -- Plaats op de Koebrug, waar de gekwetsten worden verbonden.
Slagwater, z. n. o. -- Zogwater, opborreling.
Slagwind, z. n. m. -- Schrale, onbestendige wind.
Slagzij, z. n. v. -- De zwakke zijde van een schip: de zijde, waar het zonder bepaalde aanleiding, naar overhelt. Dat schip heeft een S--, dat schip loopt scheef.
Slaken, b. w. -- Losmaken, lossen. De zeilen S--. Het geschut S-- (veroud.).
Slang, z. n. v. -- 1o. Soort van geschut.
2o. Zeildoeksche of lederen buis tot waterleiding voor de pomp, den brandspuit, enz.
Slap, b. n. -- Wordt een schip genoemd als het niet luistert naar den wind,--een touw, als het niet gespannen is,--en een wind, die zwak is. Dit schip is S-- op zijn roer (is lafwindig.) Dat touw hangt S-- (los.) De wind is S-- (waait niet door).
Slapers, z. n. m. -- Stukken hout, die met hun lengte min of meer langsscheeps en in de voor- en achtervoegen tegen de binnenoppervlakte der inhouten geplaatst worden. By het stampen, doen zy de dienst van bogen, door de indrukken der achterbogen tegen te gaan. Men kan aan elke zijde des stevens twee, drie of meer S-- plaatsen, die aan de deelen, waarop zy liggen, worden vastgebout. Ook de stutten van de beting, en die van 't braadspil worden S-- genoemd. Oorspronklijk is Slaper de eigenaardige benaming van hetgeen alleen in tijd van nood dient en behulp kan verleenen. Zoo wordt een binnendijk een S-- genoemd; om dat hy, zoo lang de buitendijken de zee af keeren, van geen dienst is en eerst dan van nut is, of als 't ware wakker wordt, wanneer het water door de buitendijken heen gedrongen is.
Slapping, z. n. v. -- Oud touwwerk, dienende tot bekleeding van kabels.
Slavenhaler, z. n. m. -- Schip, dat ingericht en bestemd is om Slaven van de Westkust van Afrika af te Halen en naar de Slavenmarkten te vervoeren.
Slecht, b. n. -- Glad, effen, waarvan Slechten, S-- water (effen water).
Slechten, o. w. -- Vlak, effen worden. De zee wordt gezegd te S--, wanneer zy valt en de windstreek volgt.
Slechten, b. w. -- Effenen, gladmaken. Een plaat S--. Den ballast S-- (dien gelijk pakken).
Slechtjen, z. n. o. -- Tusschenpozing tusschen zee en wind. Wy zullen van het S-- gebruik maken.
Slede, z. n. v. -- Werktuig, waarmede of waarvan iets gesleept wordt. KaronnadeS--, S-- waarop een schip afloopt. Zie Bedding.
Sleepboot, z. n. v. of stoomsleeper. -- Stoomboot, tot het in- of uitboegseeren van vaartuigen dienende.
Sleepen, b. w. -- Trekken, op 't sleeptouw nemen. Die schepen konden niet verder komen. Zy moesten zich laten S--.
Sleeper, z. n. m. -- Benaming, die aan de waterschepen en aan de schippers daarvan gegeven plach te worden, omdat zy doorgaands elkander voortsleepten.
Sleephelling. Helling, waar de schepen worden opgesleept tot herstelling.
Sleeptouw, z. n. o. -- Touw, waarmede Gesleept wordt. Een vaartuig op het S-- hebben (het aan een kabel voorttrekken).
Spreekwijze: Iemand op 't S-- hebben (met zich mede voeren).
De zaken op 't S-- houden (ze slepende houden, ze onafgedaan laten).
Sleeptros, z. n. m. -- Sleeptouw, boegseertouw. Wy vierden een end met een boei af om den S-- aan onzen prijs te geven.
Sleetsch, b. n. -- Wat versleten of wrak is. Dat touw is half-S--.
Slemphout, z. n. o. -- Opstapeling van hout, aan den voor- en achtersteven, dienende tot vulling der hoeken, door kiel en steven gevormd, en tot verband van beiden. VoorS--. AchterS--.
Sleng, z. n. v. -- Koromandelsch vaartuig.
Sleuf, z. n. v. -- Smalle gootswijze loopende inkeeping. S-- van het roer, S-- van de hieling van een steng.
Steutelstuk, z. n. o. -- Wigvormig aanvullingsstuk, dat met kracht tusschen de vrangen der verschillende spanten zoo in 't midden als aan de uiteinden wordt ingedreven, om ze op vereischten afstand te houden. S--ken op de vergaring der vrang. Kalven, S--ken van de kiel (veroud.). De S--ken vormen ook een deel van sommige kruisverbanden.
Sleutel van het tuig, z. n. m. -- Naam, die zeer eigenaardig aan den boegspriet gegeven wordt.
Slib, z. n. v. -- Kroos, modder.
Spreekwijze: S-- vangen: (niets vangen, zijn oogmerk niet beschieten, een verkeerde uitkomst hebben).
En krijge we dun slip En wroete leegh naar huys, dat moete we verdrage.
Huyghens, Hofwijck.
Slieren, o. w. -- Doorslieren, wegglijden, doorglijden. Het touw Sliert door de seizings.
Sliersteek, z. n. m. -- Zie Slipsteek.
Slimmering, z. n. v. -- Bederf of vermindering van koopwaren.
Slingeren, o. w. -- Zich beurtelings over bak- en stuurboord bewegen, ten gevolge der persing van de golven tegen het scheepsboord.
En recht gelijk een schip op 't water, door 't vergissen Des stuurmans, heen en weer geslingerd wordt.
Vondel, Faëton.
Slingeren, b. w. -- Smijten, slaan. Het schip werd door de golven tegen de rots Geslingerd.
Slingerpardoen, z. n. v. -- Zie Pardoen.
Slingerslag, z. n. m. -- Wijze om een touw of looper om den mast of om een kruishout zoodanig vast te houden, dat men het door een Slinger los kan gooien.
Slippen, o. w. -- Wegglijden, doorglijden. Zy lieten het touw S--. Zy lieten het uit het kluisgat wegglijden: 't geen gebeurt, wanneer men, een goed heenkomen zoekende, geen tijd heeft om het anker te winden en liever het touw laat S-- om los te komen.
Spreekwijze: Iets laten S-- (iets opgeven, er van afkomen).
Slipper, z. n. m. -- Gebezigd in de uitdrukking een S-- maken (laten slippen).
Spreekwijze: Hy maakt een S-- (hy maakt zich ongemerkt uit de voeten).
Slipsteek, z. n. m. -- Sliersteek, Schuifknoop: Soort van open strik, gebezigd om een voorwerp onder water te vatten. Met een S-- naar het anker visschen.
Sloep, z. n. v. -- 1o. Oorlogsvaartuig met schoenertuig. 2o. Roeivaartuig, dat aan boord gehouden wordt, ter dienste van het schip op zee of op de reede. Groote S--, WeikS--. De S-- in orde brengen. De S-- strijken (haar te water laten). De S-- aan boord halen. Een Groenlandsche S--. Sloep uit! (komm. om die uit te zetten). S-- in! (om ze binnen te halen).
Sloeproeier, z. n. m. -- Matroos, die by de bemanning eener Sloep behoort.
Sloeren, b. w. -- Meten.
Spreekwijze: Het moet zoo wat heen S-- (het moet zoo maar wat gaan).
Slof, z. n. v -- Stuk onder tegen de klit van 't roer aangebracht.
Slofstukken, z. n. o. mv. -- Rechthoekige eikenhouten stukken plank, die somtijds onder de wielen der rolpaarden worden ingelaten, om te voorkomen dat by slijting het geheele dek vernieuwd moest worden.
Slooien, o. w. -- Zijdelings van het schip afwijken.
Slooiknieën, z. n. v. mv. -- Lange hoekige en gekromde stukken hout, dienende om het galjoen aan den voorsteven te verbinden, en aan de scheg het Slooien te beletten.
Sloot, z. n. v. -- Watertjen, dat het eene land van het andere scheidt en dus afsluit.
Spreekwijze: Iemand van den wal in de S-- helpen (hem geheel verkeerden raad geven).
Sloopen, b. w. -- Uit elkander nemen, van stuk tot stuk losmaken. Een schip S-- (het afbreken).
Slotgang, z. n. m. -- Zie Scheerstok.
Slotgat, z. n. o. -- Opening in de hieling van den steng, waar het Slothout doorgaat.
Slothout, z. n. o. -- Vierkante yzeren bout, die door het lichaam van een steng gaat om deze op de langzalings staande te houden. Een steng wordt gezegd, het S-- in te hebben voor: zijn hoogte te hebben, te staan. De naam van S-- wordt schimpenderwijze aan de soldaten gegeven, om dat deze niet langs de pattings, maar door de zwierlings (ook "'t soldaten-gat" genoemd) in de mars klimmen.
Sluiken, o. w. -- De belastingen ontduiken.
Sluiker, z. n. m. of Smokkelaar. -- Die verboden waren invoert of op andere wijze de belastingen ontduikt.
Sluikery, z. n. v. of Smokkelhandel. -- Handel in verboden goederen, of verboden handel.
Sluiper, z. n. m. -- Soort van spijker.
Sluiphaven, z. n. v. -- Door rotsen en geboomte bedekte Haven, waar zeeroovers of sluikers zich bergen. Wy verbrandden eenige rooversprauwen, die wy in een S-- ontdekten.
Sluis, z. n. v. -- Sluiting, ophouding van het water. Een steenen S--, de S-- openen. De schepen liggen voor de S--.
Sluitbout, z. n. m. -- Bout, dienende om iets af-, in- of vast te sluiten.
Sluiten, b. w. -- 1o. Met een slot verzekeren, ook eenvoudig: dicht maken. De geschutspoorten S--. Het luik S--. De haven S--.
2o. Besluiten, beëindigen. De laatste plank, rib of balk, ergends invoegen.
Sluiten, o. w. -- Zich met iets vereenigen. Die houten S-- in elkaâr: de planken doen S--. Dat luik wil niet S-- (de kanten vereenigen zich niet met de randen om de opening).
Spreekwijze: Dat Sluit als een tang op een varken (dat sluit niet).
Sluithout, z. n. v. -- Knie, geplaatst in den hoek, gevormd door het achterslemphout en den achtersteven.
Sluitplank, z. n. v. -- Plank, waarmede de laatste opening gedicht wordt.
Sluitstuk, z. n. o. -- Sluiting, vullingstuk. Stuk, dat volkomen ergends in past.
Sluittuig, z. n. n. v. -- Zie Sluitstuk.
Slurp, z. n. m. -- Ineengedraaide punt. De strengen van het zwaar (anker) touw worden aan het einde er van losgedraaid en afgepluisd, zóó dat ze spits toeloopen, dit dient om de zware touwen op elkander te kunnen splissen. De S-- van het daagschtouw, van het Tuittouw. Ook de loopers worden Geslurpt, om die gemakkelijker in de blokken te steken.
Slurpen, b. w. -- Een Slurp leggen.
Slijtaadje, z. n. v. -- Al wat door 't gebruik Slijt. Men moet zoo veel afrekenen voor S-- (voor 't geen door 't gebruik in waarde vermindert).
Smak, z. n. v. of Smakschip. -- Vaartuig, dat zich in de Noordzee met de kustvaart en vischvangst bezig houdt. In een S-- wordt alles ingeladen, wat te gering is voor groote scheepsbevrachting. Wanneer het een marszeil voert, haalt het dit aan op het dek: het heeft geen onderra. Bild. in V. leidt het woord van Som-aak, d. i. "vrachtaak" af. Winschoten van Smakken, als zijnde het een vaartuig, waarop het zeil van het eene boord naar 't ander gesmakt wordt. Men kieze.
Smakken. b. w. -- Smijten, werpen. Iets Buiten boord S--.
Men smack' hem buiten boort Die de gezelligheit der sterfelicken stoort.
Vondel.
Smack dan het tou af, Kees.
Huyghens.
S-- wordt ook genomen in den zin van Schoiren. Zie ald.
Smakker, z. n. m. -- 't Zelfde als Sukkelaar.
Spreekwijze: Hy is een rechte S-- (hy neemt alles aan, alles is hem goed).
Smakschip, z. n. o. Zie Smak.
Smakzeil, z. n. o. -- Zeil van een Smak.
Smal, z. n. o. -- Dun, rank. Dat schip is te S-- van onderen.
Smaldeel, z. n. o. of Eskader. -- Gedeelte eener vloot: of getal schepen, onder het bevel van een Vice Amiraal of minderen hoofdofficier.
Smaldeelen, b. w. -- Verdeelen. De vloot moet Gesmaldeeld worden: (in Smaldeelen verdeeld).
Spreekwijze: Daar veel kinderen zijn, daar Smaldeelt het zoo (daar wordt de erfportie geringer).
Smaldoek, z. n. o. -- Doek, dat Smaller is dan zeildoek, en tot bekleeding der naden van de luiken dient.
Spreekwijze: Meenje dat het S-- is? (dat het uit een bekrompen beurs is gedaan?)
Smarten, b. w. -- Met zeildoek bekleeden.
Smarting, z. n. v. -- Geteerd zeildoek, waarmede men een kabel of het rondhout bekleedt om schavieling te voorkomen, S-- op het zwaar touw in de kluis.
Smeeren, b. w. -- Met Smeer bestrijken.
Smeergording, z. n. v. -- Looze Gording, dienende om het onderlijk van een zeil te beslaan, en om de gewone gordings by sterken wind te steunen in het ophalen van het zeil naar het midden van de ra. Een zeil met de S--s geien (dichthalen).
Smeerhouten, z. n. o. of Schoen. -- Stukken dennenhout, die hol aan de oppervlakte zijn en waar men een mast op legt, om dien te vervoeren.
Smeerlap, z. n. v. -- Lap, waarmede gesmeerd wordt: overdr. gebezigd: matroos, of, in 't algemeen al wie er Smeerig uitziet. De arme Duitsche voetreizigers wikkelen zich een lap met kaarssmeer om de voeten, tegen het doorgaan; dit werd dan ook zoo bevonden by eenige tot scheepssoldaat verronselde mofjens; van daar is het aan boord een scheepsnaam gebleven.
Smeerplank, z. n v. -- Plank, waar de lijken worden gelegd om ze, daarvan af, in zee te doen glijden.
Smeerprop, z. n. m. -- Zware gelijkvormige Prop van dennenhout, gewikkeld in werk, dat met kaarsvet besmeerd is, welke Prop dient om gaten te stoppen, die door een kogel of op andere wijze in het scheepsboord gemaakt zijn. Een schip met S--pen dicht maken. S--pen inslaan, insteken.
Smeerrak, z. n. o. -- Zie Byvoet.
Smeersel, z. n. o. -- Mengel van harpuis, zwavel en kaarsvet, dat men heet maakt en waar men de buitenhuid van een schip mede insmeert. S-- voor zeeschepen. S-- voor opgelegde schepen.
Smetsen, b. w. -- Eten, schranssen. Van het leven aan boord sprekende, zegt Vondel, Lof der Zeevaart:
Men smetst er viermael daeghs.
Smokkelaar, z. n. m. -- Zie Sluiker.
Smokkelen, o. w. -- Zie Sluiken.
Smokkelhandel, z. n. m. -- Zie Sluikhandel.
Smooren, o. w. -- Diep in de golven duiken, waardoor de vaart wordt belet. Het schip is achter zijn ankers Gesmoord (in den grond gereden, gezonken).
Smijten, b. w. -- Wenden. Wy moeten het over een anderen boeg S--.
Spreekwijze: Hy smijt het over een anderen boeg (hy verandert van maatregel, van verdediging, van gedrag enz.)
Smijter, z. n. m. (veroud.). -- Zie Hals.