Part 21
Scheepskroon, z. n. v. -- Kroon van scheepssnebben, die by de Romeinen vereerd werd aan den vlootvoogd na 't behalen van een zeetriomf, en hoedanige in de allegorische voorstellingen op grafsteden van zeehelden, op platen enz. veelvuldig voorkomen.
De zee Alciden, die zich wenschen in den brant Te smoren, of bekranst met scheepskroon en laurieren, In 't aanzien van de nijt, te helpen zegevieren,
Antonides Bellone a. B.
Scheepslengte, z. n. v. -- Lengte van het schip als afstandsbepaling gebezigd. Wy liepen hem twee S--n afstand vooruit. De sloep was, toen zy zonk, naauwlijks eene S-- van ons af. Men moet die twee werken een S-- uit elkaêr zeilen.
Scheepsmakelaar, z. n. m. -- Makelaar, die zich met het bezorgen van schepen, bevrachting enz. bezig houdt.
Scheepsofficieren, z. n. m. mv.--Benaming van hen, die, op een koopvaardyschip, onder den schipper met eenig bevel of toezicht belast zijn, als de Stuurlieden, Bootslieden enz. Lees hun rechten en verplichtingen in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV, art 394-452.
Scheepsraad, z. n. m. -- Krijgsraad, die aan boord van een schip belegd wordt. Wy moeten S-- beleggen.
Scheepsrecht, z. n. o. -- Recht, aan boord van een schip gedaan.
Spreekwijze: Drie maal is S-- (alle goede zaken bestaan in drieën): het gezegde is daarvan herkomstig, dat aan boord vele zaken in drieën gedaan worden. Zoo hoort men by het strakzetten van stag en want Een, twee, drie! Zet aan! Zoo wordt een Hoezee driewerf aangeheven. Zoo, wanneer een lijk, dat in zee begraven zal worden, op een plank aan de valreep gelegd is, wordt het met een: een, twee, drie, in Gods naam, over boord gezet. Een onbetamelijkheid gedurende het schaften wordt met drie slagen gestraft: by welke gelegenheid hy die met de kastijding belast is, de volgende formule opzegt:
"Dat 's voor de bak" (meteen een slag op de bakskist gevende).
"Dat 's voor je g--t."
"Dat 's voor je kwaad doen."
"En dat 's op dat je 't niet weer zult doen."
Verspreekt hy zich, dan moet hy de kastijding zelf ondergaan. Deze straf, waarby vooral zout op de bakskist moet gestrooid zijn, wordt genaamd: "een kapjen."
Scheepstimmerman, z. n. m. -- Handwerksman, die 't zij schepen bouwt, 't zij masten, raas, of andere scheepstoebehooren vervaardigt. De Oppertimmerman behoort aan boord tot de scheepsofficieren.
Scheepstoebehooren, z. n. o. -- Masten, raas, enz. al wat tot de tuigaadje van een schip behoort.
Scheepstriomf, z. n. m. -- Overwinning, door Schepen behaald.
Scheepstuig, z. n. o. -- 't Zelfde als Scheepstoebehooren.
Scheepsvaarwater, z. n. o. -- Zie Vaarwater.
Scheepsvolk, z. n. o. -- Zy die dienst doen aan boord van schepen. Zie Manschap, Zeevolk.
Scheepswerk, z. n. o. -- Werk, dat aan boord verricht wordt. S-- doen.
Scheepvaart, z. n. v. of Zeevaart. -- De vaart met schepen. Handel en S-- waren van ouds de bronnen onzer welvaart. Binnenlandsche S-- (die op de binnenwateren wordt uitgeöefend).
Scheer, z. n. v. -- of Schaar. Zoo worden die banken genaamd die in twee verreuitstekende punten even als een geöpende schaar, uitloopen; deze zijn daardoor gevaarlijker, dewijl men zich in een dier punten kan vergissen.
Gesloopt, verzant, gestrant, op riffen en op scheeren.
Vondel, het lof der Zeevaart.
Scheerbout, z. n. m. of Spiebout. -- Bout, die tot scheer of spijl dient.
Scheergang, z. n. v. of Sent. -- Zie ald.
Scheerhaak, z. n. m. -- Benaming voor het hout, de lat, den afstand bevattende van het Scheren der Wevelingen (zie Wevelingen).
Scheerlijn, z. n. v. of Zwichtlijn. -- Zie ald.
Scheerstokken, z. n. m. mv. -- Zie Schaarstokken.
Schef, z. n. m. (veroud.) -- Lange stok, gelijk een ragebol gebezigd om te duiveljagen, of te traven.
Scheg, z. n. v. -- Getimmerte, dat voor den voorsteven uitspringt, en tot steunpunt strekt voor de waterstags en de woeling van den boegspriet.
Scheggelood, z. n. o. -- Strook Lood, die langs den voorkant der Scheggen van het bitstuk wordt gelegd, en zich van den bovenkant der dubbeling tot onder de kiel uitstrekt.
Schelp, z. n. v. -- Zie Schulp.
Schenen, z. n. v. mv. -- Yzeren plaat, waarmede de inlating van een roer of van een kaapstander bekleed wordt.
Spreekwijze: Iets voor de S-- hebben (iets hebben, waar men op steunen kan). Iemand iets voor de S-- smijten (hem een onaangenaam verwijt doen).
Schenkel, z. n. m. -- Zie Schinkel.
Schepeling, z. n. m. -- Al wie zich aan boord bevindt, met uitzondering van de passagiers.
Schepen, b. w. voor Inschepen. -- Zelden meer in gebruik, dan in zijn afleidingen en samenstellingen. Zie Gescheept, Inschepen, Uitschepen enz.
Schepnet, z. n. o. -- Net, waar visch mede geschept wordt.
Scheppen, b. w. -- Eig.: Water putten met een Schepper of lepel.--Oneig. inademen, tot zich nemen. Lucht S--. Een zeil laten S-- (het den wind half laten vatten).
Spreekwijze: Men Schept het hier uit geen sloot ('t is hier zoo ruim niet).
Schepper, z. n. m. -- Hoosvat, lepel, waar men mede Schept.
Scheren, b. w.--De touwen zoodanig stellen, dat zy heen schieten door de bloks en langs de richtingen, welke zy moeten doorloopen. Die looper is goed Geschoren (hy komt waar hy wezen moet). De kabelaring S-- (die om het spil leggen).
Scherp, b. n.--Snijdend, hoekig. Een S--e kant, S--e rotsen. 't Is een S--e wind (een wind die iemand als in 't gezicht snijdt). Een S--e zeiler (die de golven met snelheid klieft).
Scherp, b. w. -- 1o. Snijdend, S--e zeilen. Het waait S--.
2o. Hevig. Er werd S-- gevochten. Het ging er S-- toe.
3o. Bekrompen, als 't ware S-- afgemeten. Wy hadden S-- half wind. Wy kwamen S-- dien hoek om.
4o. Dicht S-- aan-den-wind zeilen.
Scherp, z. n. o. -- Alle yzerwerk aan boord, 't zij kogels, bouten, schroot enz. Met S-- schieten (in tegenoverstelling van "met los kruid") Zet er dubbel S-- op (laadt dubbel).
Scherpen, o. w. -- Tegen loopen. De wind begint te S-- (uit een verkeerden hoek te waaien).
Schets, z. n. v. -- Afteekening, plan. De S-- van een schip.
Scheur, z. n. v. -- Opening, spleet, loslating der deelen. Er is een S-- in 't hout. Er is een S-- in die wolk.--(veroud.) Bui.
Scheurbuik, z. n. v. -- Ziekte, waaraan de zeevarenden by verre tochten zijn blootgesteld, en die zich openbaart door het zwellen en bloeden van het tandvleesch.
Scheut, z. n. v. -- 't Zelfde als Schot of Schoot.
Spreekwijze: Een S-- onder water krijgen. (Een zet of verwijt krijgen, dat die het treft, zeer goed voelt, ofschoon de omstanders 't niet merken).
Scheut geven, b. w. -- Bot geven, Vieren.
Schieman, z. n. m. -- Onderofficier aan boord, die met het opzicht over de tuigaadje enz. van het voorschip belast is.
Volgends Winschoten zoû het woord eigenlijk Schimman moeten luiden en zoo veel beteekenen als Schim of schaduw van den Hoogbootsman. Volgends Bilderdijk zoû 't Schuimman zijn, omdat hy, toen de schepen lager en kleiner waren, altijd in het schuim stond. Beide afleidingen komen my even gedrongen voor. Waarom behoeven wy zoo ver te zoeken wat, dunkt my, zich als van zelf voordoet. Schiën beteekent volgends Bilderdijk zelf (zie zijn Gesl. in v. Schip) "voortstreven," waarvan Schieten een frequent is. Kan dus niet Schieman eenvoudig "voorganger" beteekenen, 't zij om dat hy de bootslieden voorgaat, 't zy om dat hy zijn werk op de voorplecht verricht? Even zoo beteekent S-- een "voortschietende schuit."
Schiemannen, b. w. -- Opredderen, bepaaldelijk: het tuig.
Schiemansgaren, z. n. o. -- Zie Garen.
Schiemansgasten, z. n. m. mv. -- Matrozen van het voorschip.
Schiemansmaat, z. n. m. -- Hulp, adjunkt van den Schieman.
Schieschuit, z. n. v. -- Soort van trekschuit. Zie Schieman.
Schietbout, z. n. m. -- Yzeren Bout, dienende om het kanon te laden.
Schieten, o. w. -- 1o. Geschut of vuurwapenen lossen. Met gloeiende kogels, met los kruit, met scherp, met kogels, met een blikken doos S--. In het volle hout, in den romp van een schip S--. Met opene geschutpoorten S--.
Spreekwijze: Met spek S--. (Dit werd oudtijds gedaan om schepen in brand te schieten: by goede voorzorgen deed het echter weinig uitwerking, maar gaf des te meer stank. Hiervan werd aan de uitdrukking langzamerhand de beteekenis gehecht van: "iets zeggen, dat heel wat klinkt (riekt) maar in den grond weinig te beduiden heeft."
2o. Zich met snelheid bewegen. De visch Schoot als een pijl door de baren. Een schip voorby S--.
3o. Zich vrij bewegen. Laat dat touw wat S--. (Laat het wat minder gespannen staan).
4o. Van zijn plaats gaan. De ballast Schiet. Zie Ballast.
Schieten, b. w. -- 1o. Uitwerpen, omwerpen, byvieren, losgaan. Een touw rondS-- (een touw in de rondte op den grond oprollen). De netten S-- (uitwerpen). Een steng S-- (laten zakken). Ballast S-- (verwerken).
2o. Treffen. Een walvisch S-- (hem met een harpoen treffen). Een schip reddeloos S--.
3o. Waarnemen. De zon S--, een ster S--.
Gelijk mijn zanggodin, hier eindlijk meê gelant Geen maghtiger gestarnt kan met haar graadboog schieten Als 't geen de heirbaan wijst aan alle zeen en vlieten.
Antonides, IJstroom.
Schietgat, z. n. o. -- Opening, waardoor geschoten wordt; min gebruikelijk dan Geschutpoort.
Schietgeweer, z. n. o. of Vuurwapen. -- Geweer, waarmede geschoten wordt.
Schietschuit, z. n. v. of beter nog Schieschuit. -- Soort van markt- of trekschuit, wellicht dus genoemd, omdat zy door de vaart Schiet.
Schild, z. n. o. -- Wapenbord, dat op den spiegel van jachten en andere schepen prijkt.
Schildbank, z. n. m. -- Zware plank, tot steun dienende aan de enden van het braadspit.
Schildhoofd, z. n. o. -- Hout, dat de gedaante van een Hoofd heeft, dienende eensdeels tot cieraad, anderdeels om touwen aan te beleggen.
Schildknoop, z. n. m. -- Knoop, in een touw, die als een Schild dient om het doorschieten van het touw tegen te gaan.
Schildpad, z. n. v. of Schootbos. -- Plat blok, langer dan de gewone, en voorzien met een yzeren hoekstrop, ten einde er een touw in te doen keeren. De strop kan met een scharnier geöpend en gesloten worden.
Schinkel, z. n. m. of Schenkel. Zie Draairing. -- Kort en dik touw om een mastkop en waarvan de enden op het want hangen. S-- van het sloeptakel. S-- van een bras, brasS--. S--s voor de onderlijzeilsvallen. RiftalieS--. PoortS--. (Touw waarvan de beide enden door 't scheepsboord heenloopen en vast gemaakt zijn aan de ringen van de geschutpoortluiken, welke daarmede kunnen worden opengehaald en opengehouden).
Schinkelhaken, z. n. v. mv. -- Strop of leng, met een Haak aan ieder end voorzien en dienende om vaten mede op te hijschen.
Schip, z. n. o. -- Algemeene benaming van alle groote vaartuigen, die in zee gaan. OorlogS--. LinieS-- (die ten oorloge uitgerust zijn). AmiraalS-- (dat de Amiraalvlag voert). VlaggeS-- (dat een kommandant aan boord heeft.) S-- van den eersten rang (dat 120 stukken voert.) S-- van den tweeden rang (van 100 stukken.) S-- van den derden rang (van 90 stukken.) S-- van den vierden rang (van 80 stukken.) VrachtS--, BeurtS--, VeerS--, StoomS-- enz. S-- dat in lading ligt. S-- dat voor anker, dat op de reede ligt. S-- dat onder zeil is. Opgelegd S--. Gehavend, ontredderd S--. Gerazeerd S-- (linieschip, waarvan het bovenste is afgezaagd.) Blank S--, (dat schoon gespoeld is.) Het S-- Argo, Pallas. De zee maakte schoon S-- (spoelde alles van het dek af.) Het gaat over S-- en goed. (De schade raakt niet alleen de reeders, maar ook de eigenaars der ingeladen goederen.) Vrij S-- vrij goed.
Spreekwijze: Dure Schepen blijven aan wal. (Juffers, die haar waar te veel op prijs houden, komen niet aan den man).
Hy reedt mede aan dat S-- (hy is mede in de zaak betrokken).
Het is een diepgaand S-- (hy heeft veel noodig om zijn uitgaven te dekken).
Groot S-- groot Water (hoe meer uitgaven men doet, hoe meer men noodig heeft).
Het S-- aan de zee overgeven (iemand aan zijn lot overlaten, de handen van hem aftrekken).
Het is een S-- daar men de hand aan moet houden (het is iemand, dien men niet veronachtzamen moet).
Het is tusschen Kaai en S-- gevallen (het is weggeraakt).
Het S-- moet op de helling. Zie Helling.
Een S-- op strand, een baken in zee. Zie Baken.
Daar komen zoo groote Schepen aan als er afvaren (er zal zich nog wel een gelegenheid opdoen--meestal tot vertroosting aangewend, als een huwelijk afraakt).
Oude Schepen blijven aan land (oude vrijsters vinden geen man).
Schoon S-- maken (zijn maag van het overtollige ontlasten).
Klein S--, klein zeil (kleine huishouding, kleine zorgen).
Het kan beter van een S-- dan van een schuit (rijken kunnen het beter missen dan behoeftigen).
Het S-- dragende houden (zich in denzelfde staat houden).
Zie verder Scheep, Scheepsch, Scheepjen, Zeeschip, enz.
Schipbreuk, z. n. v. -- Verlies van een Schip dat strandt of vergaat. Het woord wordt zelden anders gebezigd dan als onderwerp van het w. w. lijden of ondergaan. Zy hebben op een bank S-- geleden. De bepalingen van hetgeen by S-- in acht genomen moet worden zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. VII, Art. 545-568.
Spreekwijze: S-- lijden. (Missen, of verliezen wat men beöogd of gewenscht had). Zoo: S-- lijden in zijn verwachting.--Zijn uitzichten leden S-- op den tegenzin des mans, van wien de vervulling daarvan afhing.
Schipbrug, z. n. v. -- Brug, over een rivier, uit nevens elkander liggende platboomsschuiten met planken belegd samengesteld.
Schipper, z. n. v. -- Gezachvoerder op een koopvaardy- of ander schip, dat niet ten oorloge is uitgerust. Ook aan hem, die een schuit voert, wordt de naam van S-- toegekend. BeurtS--, VeerS--, TurfS--, S-- op een trekschuit. Aan boord van een oorlogschip, is de S--, de hoogste dekofficier, belast met het bestier van alle scheepswerk, en het beheer der scheepsbehoeften. Zie Ouwe (de). De rechten en verplichtingen van den S-- zijn aangewezen in het Wetb. van Kooph. Boek I, Tit. V., Afd. III, Art. 91-98, en Boek II, Tit. III, IV Art. 341-452 en in Art. 8, 9, 10, 12, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 37, 38, 54, 55, 59, 60, 61, 62, 69, 153, 205, 209, 210, 211, 212, 221 en 231 der Alg. Wet van 26 Aug. 1802.
Spreekwijze: Hy is S-- te voet geraakt (hy is afgezet, van zijn bediening ontslagen).
Hy is S-- en stuurman tevens. (Hy neemt de besluiten en voert ze uit. Zoo zegt Hooft van Prins Willem I "dat Godt hem wijsheid en wakkerheid verleende, om als Schipper en stuurman tevens, in d' uiterste raet, zoowel heilsame order te geven, als gedurighlijck aen 't roer te staen.")
S--s pozen niet wanneer zy onder zeil zijn. (Knappe lieden laten een zaak niet varen die zy begonnen hebben.)
Schipperen, b. w. -- Uitvoeren, verrichten: alleen gebruikelijk in de
Spreekwijzen: Iets S-- (iets klaren, beredderen.)
Ik zal dat wel S-- (wel zorgen, dat de zaak te recht kome).
Schippersboek, z. n. o. -- Inventaris van aan boord zijnde scheepsbehoeften.
Schippershut, z. n. v. -- Hut op de koebrug, tot logies voor den Schipper.
Schoen, z. n. m. -- Zie Smeerhouten.
Schoener, z. n. m. -- Zie Schooner.
Schoffels, z. n. m. mv. (veroud.) -- Golven, baren, als over elkander Schoffelende of schuivende.
Schoft, z. n. v. -- Werktijd. Hoeveel S-- heeft dat werk geduurd?
Schok, z. n. o. -- Een twintig- of zestig tal. Een S-- bloks. Een S-- klaphout.
Schokken, o. w. -- Stooten, aanstooten. De ra Schokt tegen den mast.
Schol, z. n. m. -- Zekere zeevisch.
Spreekwijze: Hy droomt van S-- en hy eet platvisch (hy stelt zich vrij wat voor; maar het komt sober uit.)
"Wat breeder dingen zijn dat?" vroeg Jan Oom, en hy zag drie S--len in een schotel liggen (ziet op de dwaze verwondering, die sommigen over de meest gewone zaken aan den dag leggen).
Schol, z. n. v. -- 't Zelfde als Schor, maar meer bepaaldelijk voor ijsklomp genomen.
Scholen, o. w. -- Zich in groote menigte verzamelen: wordt van visschen gezegd. De haringen S-- omtrent die kust.
Scholken, o.w. (veroud.) -- Hol gaan. De baren beginnen te S-- (onstuimig te worden).
Schommel, z. n. m. of Wipper. -- Hangend touw, waar een matroos in zit of hangt als hy aan 't werk is.
Schommelen, o. w. -- Heen en weder slingeren. Het S-- van een schip.
Schoof, z. n. v. -- 1o. Verzameling van al de deelen, waaruit een sloep is samengesteld, en welke men somtijds in een schip brengt, om ze, wanneer het noodig is, weder in elkander te zetten.
2o. Duigen tot vaatwerk.
School, z. n. v. -- Verzameling. Een S-- visschen. De haringen zwemmen by S--en.
Schoon, b. n. -- Fraai, rein, helder. Van de zee gezegd, beduidt het: zonder klippen. De zeestraat is vrij breed en volmaakt S--.
Spreekwijze: S-- schip maken. Zie Schip.
Schooner, z. n. m. -- Klein tweemastvaartuig. KoopvaardyS--, OorlogsS--; S--brik (brik van zes tot acht stukken).
Schoor, z. n. m. -- Stijl, stut: meer bepaaldelijk stuk houts, dienende 1o. tot ondersteuning of stut van een schip, dat in aanbouw is of hersteld wordt.
2o. Tot vorming van kruisverbanden.
Schooren, b. w. -- Stutten, onderschragen.
Schoot, z. n. m. -- Touw, aan den benedenhoek van ieder zeil vastgemaakt en dienende om het te spannen. De S--en zijn van elkander onderscheiden door de namen der zeilen, waar zy aan vast zitten. Groote S-- (van het grootzeil.) Bezaan-, marszeil-, bramzeil-, kluiverS--. Aangehaalde S-- (die zoo strak mogelijk staat.) Tusschen twee S--en zeilen (voor de wind zeilen.) Op de S-- halen, de S--en voorhalen (ze stijf halen.) Den S-- geheel op zijn gat aanhalen (dien geheel toehalen.) Zie Ruimschoots.
Spreekwijze: Met vaste S-- in zeilen (volharden in vooruitstreving). De S-- in tijds los gooien (zich tijdig voor gevaar hoeden). Hy is S-- gegaan (hy is weggeloopen).
Schootblok, z. n. o. -- Het Blok van den Schoot.
Schoothoorn, z. n. m. -- Onderste hoek van een zeil, waar de Schoot aan vast zit.
Schootknechten, z. n. m. mv. -- Het hout, waar de Schoten aan verbonden worden.
Schor, z. n. v. -- Droogte, zandbank, buitendijks gelegen strand.
Schorten, b. w. -- Ophouden, in elkander sluiten. Dat schip is wel Geschort (het zit van achteren goed in een).
Schot, z. n. o. of Beschot. -- Planken afsluiting in een schip, waardoor de bestaande ruimte wordt afgedeeld. Los S--, loos S-- (dat weggenomen kan worden.) Vast S-- (dat niet te bewegen is). Men begint de S--en van dat schip te zetten.
Spreekwijze: Ik zal daar wel een S--jen voor zetten (ik zal dat wel beletten).
Schot, z. n. o. -- Voortgang. S-- geven (bot geven, laten schieten).
Schot, z. n. o. -- De daad van schieten, de ontploffing, de lading, en het gevolg van het schieten. Daar valt een S-- (daar wordt geschoten). Het eerste S-- trof den mast van het vyandelijk schip. Hy kreeg het geheele schot in zijn borst. Hy is aan dat S-- bezweken. Zie voorts DagS--, AvondS--, NachtS--, SaluutS--, SeinS--, NoodS--.
Schot, z. n. m. -- Voortgang. Wy raakten door dien S-- vrij van het havenhoofd.
Spreekwijze: Er is geen S-- in 't werk (het gaat niet vooruit).
Schotbout, z. n. v. -- Gekromd yzeren werktuig, dienende om planken te buigen en te voegen. Een plank door middel van S--n aanbrengen.
Schots, z. n. v. -- Drijvende ijsklomp.
Schotsch, bw. -- Scheef, verkeerd.
En hoe het S-- of scheef moog gaan,
zegt Bild. ergends.
Schotspijker, z. n. m. -- Soort van Spijker met een ronden kop, 00,54 el lang.
Spreekwijze: Er een handvol S--s onder smijten (beuzelingen in 't gesprek mengen.)
Schout by nacht, z. n. m. -- Hoofdofficier by de Marine, in rang volgende op den Vice-Amiraal. Schout komt van schouwen, toezien, in 't oog houden, en zoo was de S-- oudtijds de bevelhebber, wiens plicht het was, by nacht toe te zien;--gelijk de Vlootvoogd zulks by dag deed. De S--b--N-- beveelt de voorhoede en geleidt de vloot in de opgegeven koers. Hy voert by nacht een lantaarnlicht onder de kruismars. Het oude scheepsrijmpjen zegt, van den S--b--N-- sprekende:
Om by nacht goed vloot te houen. Moet ge 't licht vooruit beschouwen.
De naam van S--b--N-- werd vroeger schertsender wijze ook wel aan vroedvrouwen gegeven.
Schout by nachtschip, z. n. o. -- Schip, dat den Schout by Nacht aan boord heeft. Hy diende op het S--.
Schout by nachtsvlag, z. n. v. -- Wordt aan de kruissteng gevoerd.
Schouw, z. n. v. -- Bak, hengst, pont of praam. Eigenlijk open bak, die over 't water geschouwd, d. i. "getrokken" wordt. Haagsche S-- (benaming eener plaats aan den Rijn, waar vroeger een overhaal of S-- was). Later gebezigd voor allerlei kleine open schuiten. ModderS--, MistS--, MolenS--.
Schraag, z. n. v. -- Stut, steun.
Schraal, b. n. -- Sober, weinig bevorderlijk, en van daar: ongunstig, bar, guur. De wind was maar S-- (was niet zeer gunstig). 't Is S-- weer ('t is bar, guur weer).
Schraapyzer, z. n. o. -- Zie Schraper.
Schragen, b. w. -- Stutten, steunen.
Schralen, o. w. -- Inkrimpen: wordt de wind gezegd te doen, als hy minder gunstig begint te waaien ter bevordering van den koers van het vaartuig. De wind begon merkelijk te S--.
Schrapen, b. w. of Schrappen. -- Afkrabben: met een krabber of Schraper schoon maken.
Spreekwijze: Alles naar zich toe S-- (alles tot zich halen, zonder op de middelen te letten).
Schraper, z. n. m. -- Schrapper of schraapyzer, krabber. Klein driehoekig, dun en overal scherp yzer, waarmede het pik van de schepen wordt afgehaald.
Schrappen, b. w. -- Zie Schrapen.
Schrapper, z. n. m. -- Zie Schraper.
Schrikken, b. w. -- Byvieren, een gespannen touw voorzichtig vieren. De kabelaring S-- (haar ophouden, ten einde die los te krijgen wanneer een bocht daarvan om het spil onder de andere bocht is vastgemaakt). Vier een el of wat by! S--! steek een el of vier! S--! laat gaan en stop! (kommandoos).
Schrikrollen, z. n. v. mv. -- Rollen, in de klampen van den kaapstander geplaatst.
Schrobben, b. w. -- Van vuiligheid bevrijden. Een schip S-- (de buitenkant ontlasten van het vuil, dat er is aangegroeid).
Schrobber, z. n. m. -- Werktuig, waarmede geschrobd wordt.
Schrobnet, z. n. o. -- Soort van vischnet, waarmede de zee als geschrobd wordt.
Schrobtijd, z. n. m. -- De tijd van February tot September, wanneer de tarbot en schol gevangen wordt, waartoe men zich van Schrobnetten bediende. Zie Overloopen.
Schrobvisschery, z. n. v. of Korde-Visschery. -- Visschery, die met Schrobnetten geschiedt, en uithoofde zy het voortteelen van den visch belemmert, by herhaalde plakkaten verboden is.
Schrobzaag, z. n. m. -- Soort van handzaag met een recht handvatsel, by de scheepstimmerlieden en kuipers in gebruik om ronden te zagen.
Schroef, z. n. m. -- Houten of metalen staafjen, spiraalswijze gesleufd en dienende om in een op gelijke wijze gesleufd gat of moer te worden ingelaten.
Schroefbouten, z. n. v. mv. -- Bouten, aan het vooreind met een schroefdraad voorzien, waarop een moer geschroefd wordt.
Schrooien, b. w. -- Slieren, ergends over heen halen. Weinig meer gebezigd dan in
Schrooitouw, z. n. o. -- Touw, gebezigd om een vat of ander cylindrisch gevormd lichaam over een helling te doen rollen.
Schroot, z. n. o. -- Allerlei brokken oud yzer, dat in blikken bussen in 't kanon geladen wordt. Met S-- laden.
Schrijver, z. n. m. -- Beämbte aan boord, die met het houden der registers, enz. belast is.
Schuifblinde, z. n. o. -- Byzonder soort van zeil, dat op den kluiffok gezet en binnen het vaartuig geborgen wordt.
Schuifknoop, z. n. m. -- Zie Slipsteek.
Schuim, z. n. o. -- Zie Zeeschuim. By de dichters ook wel voor de zee zelve genomen.
Schuimen, z. n. o. -- Schuim opwerpen. De zee is hevig aan 't S--.
Schuinsch, b. n. -- 't Zelfde als Dwarsch. Zie ald. S--e linie: (wanneer ieder schip van een eskader gelijk met de loefbil van het voorschip zeilt).
Schuit, z. n. v. -- Algemeene benaming van alle kleine vaartuigen. Zie BunS--, VischS--, TrekS--, enz. Een open S--. Een lekke S. De Leydsche S-- (de veerS--, die op Leyden vaart).
Spreekwijze: Het kan beter van een Schip dan van een S--. Zie Schip.
Ga uit mijn S-- gy bederft de vracht (verlaat mijn gezelschap; want gy bederft mijn genoegen, of mijn voordeel).
Ontzeg geen vracht, eer de S-- vol is (sla geen voordeelige kansen af, zoo lang gy niet van uw fortuin verzekerd zijt).
De S-- lek varen. Zie Kooi.