Part 20
Riem, z. n. m. of Roeispaan: -- min of meer lange spaan, tegen het uiteinde waarvan een platte lepel of blad vastgespijkerd is, en met behulp waarvan men het water terugdrijft en een vaartuig doet voortgaan. Met een R-- sturen (door middel van een R-- in plaats van roer, het vaartuig in zijn richting houden.) RoeiR--, StuurR--, met kracht van R--en. Dubbele R--en (korte R--en, wier lengte twee roeiers op denzelfden bank gedoogt). Enkele R--en (waarvan het end binnen boords belet, dat er meer dan een roeier gezeten zij op elken bank.) ScheepsR--en (zeer lange R--en, welke men door de geschutpoorten van het achterschip brengt om brikken en lage vaartuigen by groote stilte in beweging te brengen.) R--en snijden (met het vlak boven water houden.) Vaartuig van N R--en (zoodanig ingericht, dat men N R--en kan gebruiken om het voort te roeien.) Twintig R--en te water! (komm. om 20 R--en uit te brengen.) R--en op! R-- te boord (komm.).
Spreekwijze: Eerst in de boot, keus van R--en (wie eerst komt, die eerst maalt).
Men moet roeien met de R--en die men heeft (men moet zich van de bestaande middelen of werktuigen bedienen, al zijn zy de beste niet).
Hy roeit met zijn eigen R--en (hy beproeft zijn eigen krachten).
Iemand op zijn eigen R--en laten drijven (niet naar hem omzien, hem laten voortsukkelen).
Een R-- onder 't zeil steken (met een R-- aan den lijkant roeien, om het vaartuig meer aan-de-wind te houden: alzoo: meer kracht of vaart aan de zaak byzetten).
De R--en binnenhalen (de zaak laten varen).
De siel is als een boot, die met ons gants vermogen Wort tegen stroom geroeit en krachtig opgetogen Gewis soo ons de riem maar eenmaal stille staat Is 't zeker, dat de schuit in haast te rugge gaat.
Cats.
Riemblad, z. n. o. -- Het blad, of plat van een Riem, waarmede het water in 't roeien geschept wordt.
Riet, z. n. o. -- Biezen, gewas, dat zich in de binnenwateren en ook aan den mond der rivieren veelvuldig voordoet.
Spreekwijze: De boot in 't R-- sturen (iets in de war sturen: omdat een schipper, zijn vaartuig in 't R-- sturende, zeker is, vast te raken).
Rietpark, z. m. o. -- Weer, vischput: soort van omtuining, met staken enz. aan den oever der zee gemaakt, om visch te vangen en te bewaren.
Rif, z. n. o. of Reef, beide in 't mv. Reven. -- 1o. Gedeelte of strook van een zeil, die by te sterken wind moet worden ingenomen. Een R-- insteken, innemen (het zeil in zijn hoogte inkorten). Een R-- uitsteken (de seizings, die het op de ra vasthielden, weder los maken.) Aan het laatste R-- zijn al de Reven inhebben.
Spreekwijze: Een Reefjen inbinden (zijn staat verminderen). Een Reefjen losmaken (als men zich vol gegeten of gedronken heeft, een broek- of vestknoop losmaken, om wat luchtiger te zijn).
2o. In 't mv. Rifs, Riffen: Rei van klippen, koraalbanken, enz., de gedaante hebbende van een Rib, welk woord oorspronkelijk dezelfde beteekenis had als R--. Het Schager R-- (een plaat aan den mond der Oostzee).
Hier keert hy ze achter 't rif van Schagen Daar in het Amelandsche rak.
Oudaan. Zweedse hoogmoed.
Rifband, z. n. m. -- Zie Seizing.
Rifleuvers, z. n. m. mv. -- Zie Leuvers.
Riflijn, z. n. v. -- End touw, dat in het rif van het onderzeil gestoken wordt om het op het onderlijk te reeven.
Riftalie, z. n. v. -- Touw, waarmede het zeil by het reeven aan de nok van de ra wordt uitgehaald.
Riggel, z. n. m. -- Regel, lat; strook houts, die op de naden tusschen de planken gespijkerd wordt.
Ring, z. n. m. -- Cirkel van yzer, hout of koord. Zie AnkerR--, RaR-- enz.
Ringbout, z. n. n. -- Yzeren of metalen bout, met een ring er aan, in het boord gedreven en dienende om de rolpaarden tegen boord te halen en vast te maken: ook midscheeps in het dek om het geschut achteruit te halen.
Rob, z. n. v. -- De maag van groote visschen.
Spreekwijze: Hy slokt het al in zijn R-- (hy haalt alles naar zich toe).
Roede, z. n. v. -- Ra, die in schuinsche richting aan den bezaansmast hangt en dient om de bezaan op te houden.
Roef, z. n. v. -- Overdekte plaats in post- of trekschuiten, en andere kleine binnenvaartuigen, waarin zich gewoonlijk de passagiers bevinden of waarin men by slecht weer gaat schuilen. De ingang tot de R-- bevindt zich gewoonlijk tegen over den stuurstoel.
Roei, z. n. m. -- voor Roede (veroud.) voor Riem.
Roeidol, z. n. -- Opstaande pen in het boord van een roeivaartuig geslagen om de riemen tegen te houden.
Roeien, o. en b. w. -- Een vaartuig door middel van Roeien, of Riemen besturen. Met lange slagen R--, overlangs R-- (zoo dat elke riemslag een gelijken cirkel beschrijft en met kracht aangehaald wordt.) In-de-wind R--, op het zeetjen R-- (tegen wind, tegen stroom R--.) Stuurboord, bakboord R-- (zich alleen bedienen van de riemen, die rechts of links geplaatst zijn.) Gelijk R-- (van beide zijden R--en.) R-- die klaar is, ophalen (de eenige riemen, die gereed zijn, gebruiken). Met hangende bladen R-- (R-- zonder het water te doen opspatten.) Komm. Geroeid! (uitscheiden, ophouden met roeien).
Spreekwijze: Men moet R-- met de riemen die men heeft (men moet zich weten te behelpen).
Tegen den stroom is 't kwaad R-- (het is moeilijk, zich tegen de openbare meening, de omstandigheden, of een overmachtigen invloed, te verzetten).
Hy Roeit er aan of onder (hy heeft er de hand in).
Onder het staande zeil is goed R-- (het gaat gemakkelijk als men rijk is, of als men krachtige hulp heeft).
Onder 't zeyltjen is goed roeyen, Want 't sal niemant light vermoeyen.
Cats.
Met tien riemen naar lager wal R--. (Den boel opmaken, zoo dat men 't verderf te gemoet gaat).
Roeier, z. n. m. -- Hy die roeit. Een handig R--. Een sloep met tien R--s bemand.
Roeiklamp, z. n. v. -- Klamp, op het dolboord geplaatst om steun aan den riem te geven.
Roeistrop, z. n. m. -- Strop, aan den roeidol vastgemaakt, dienende om er een riem door te steken.
Roeper, z. n. m. -- of Scheepsroeper. Blikken of koperen spreektrompet, met behulp waarvan men zich op verren afstand kan laten hooren. Enkele R--. SchuifR--. Groote R-- (die ingeschoven kan worden.) GevechtsR--. BatteryR-- (die recht op en neêr de bevelen, die boven gegeven worden, in de batteryen doet verstaan).
Roer, z. n. o. -- Getimmerte, waarvan de beide zijden evenwijdig uitgestrekt en gelijk zijn, terwijl haar dikte onbeteekenend is in verhouding tot haar overige uitgebreidheid. Het R-- is onmisbaar aan elk zeevaartuig, om de werking, welke het ontfangt, daaraan mede te deelen, en er een horizontale wending aan te geven, waartoe zijn stelling aan het achterschip het in staat stelt. Hoek van het R-- (hoek, welken het R-- beschrijft, en die nooit grooter wezen kan dan 34 graden.) Het R-- over een ander boord leggen (de tegenzijde van het R-- aan den aandrang van het water blootstellen.) Het R-- verkeerd aan boord leggen (als het schip deinst of achteruitzet.) Uit zijn R-- loopen (als door hooge zee het R-- uit het water komt.) Goed naar het R-- luisteren, scherp op zijn R-- zijn (wordt een schip gezegd te doen, wanneer het gemakkelijk de werking van het R-- volgt.) Aan het R-- staan (sturen.) Te R-- staan.
En zoo lang om Noord en Zuyen By den baas te roer gestaen.
Huyghens.
Het grootst gewelt, de grootste kraght Wort in den haast tot niet gebraght, Ten zy dat wysheit voor en na, Ten zy beleid te roere sta.
Cats.
Spreekwijze: Het R-- in handen hebben (de zaak besturen).
Het R-- van Staat (de regeering, het hoofdbewind).
Hy is aan 't R-- gekomen (aan 't gezach).
Hou uw R-- recht (val niet, waggel niet).
Het R-- is van 't schip (er is geen orde of tucht).
Het R-- ligt er naar (het moet er mede door).
Zijn poos te R-- staan (zijn beurt hebben).
Hy houdt het R-- in het water (hy houdt de zaak aan den gang).
Men luistert niet naar het R-- (men is ongehoorzaam).
Hy steekt het R-- in de heg (hy scheidt uit met varen, hy blijft aan land).
Hy hangt het roer aan de scheg (hy werkt geheel verkeerd).
't R-- aan boord leggen, en vast zetten (binden); dit geschiedt als men voor storm bygedraaid is.--(Men heeft in tegenspoed alles gedaan wat men konde doen, en moet nu op beter hopen.)
Het hoofd is het R-- van 't schip.
't Verstand, door 't dwalen van zijn werktuig, schokt en zwiert Niet anders dan het roer dat heel de hulk bestiert.
Bilderdijk, Ziekte der Gel.
Roerband, z. n. m. -- Yzeren band, waarmede het Roer bedwongen wordt. Ende als sy de anckers opgehaelt hadden, gaven sy het schip de zee over, met eenen de R--en losmakende. Handel. XXVII: 40.
Roerganger, z. n. m. -- Man, die aan 't Roer staat.
Roerhaken, z. n. v. mv. -- Haken, aan het Roer van een schip gehecht, met pennen voorzien, die in de openingen van de vingerlingen komen.
Roering, z. n. v. -- Bewoelingsbekleeding van den ring van het Anker. Zie Ankerroering.
Roerklomp, z. n. m. -- Zogklomp, hak, klik van 't Roer. Stukken eikenhout, aan de schacht vastgeklonken en het buitenste, uitspringende gedeelte van het Roer vormende.
Roerpen, z. n. v. of Inspit. -- Hefboom, die met het eene einde in de schacht vastzit, en met behulp waarvan men het Roer wendt.
Roersleuf, z. n. v. -- Sleuf, welke men gewoonlijk vindt op den smalsten rand van het Roer.
Roerstel, z. n. m. -- Toestel, waarmede het Roer aan het schip hangt en waardoor het draaien kan.
Roertalie, z. n. v. -- Talie, met metalen kettingen aan het Roer bevestigd en dienende om het vast te zetten. Ook Noodtalie genaamd, omdat men er, wanneer de roerpen gebroken is, het roer door moet besturen.
Roezemoezig, b. n. -- Wild, onstuimig. R-- weer.--'t Ziet er R-- uit.
Roezemoezen, z. n. m. mv. -- Yzeren of gegoten banden, die den voorsteven aan de kiel vastbinden.
Roffel, z. n. m. -- Soort van schaaf, waar het ruigste van de deelen of planken meê wordt afgeschaafd.
Spreekwijze: Hy loopt er maar met den R-- over (maar los over heen).
Rog, z. n. v. -- Min geachte zeevisch.
Spreekwijze: Was er slimmer R-- aan zee, die zoû my aan boord komen (slechter kon ik het niet treffen).
Rok, z. n. v. -- Lap prezenning, die ergends over getrokken is.
Spreekwijze: Zijn R-- keeren (zijn huik naar den wind hangen).
Rol, z. n. v. of Monsterrol. -- Algemeene lijst der namen en hoedanigheden van al de personen aan boord, 't zij in dienst van 't schip, 't zij passagiers. Geschutrol, waarby de manschappen aan de batteryen zijn geplaatst. Zeilrol, waarby zy aan de onderscheidene zeilen zijn verdeeld. Allarmrol, waarby ieder zijn plaats in 't gevecht is aangewezen. Baksrol, waarby het volk in bakken is verdeeld.
Roller, z. n. m. -- Zware golf. Er loopt een geweldige zee, met gevaarlijke R--s recht de baai in.
Rolling, z. n. v. -- Beweging van het water. Het rif is noch door R--, noch door waterverkleuring op eenigen afstand zichtbaar.
Rolpaard, z. n. o. -- Scheepsaffuit.
Rolrand, z. n. m. -- Zie Kraalrand.
Romp, z. n. m. -- Het lichaam van een schip, van mastwiek en tuigaadje ontbloot.
Ronde, z. n. v. -- Bezoek, 't welk een officier, 't zij aan boord, 't zij in een haven, doet, om te zien of alles in orde is.
Rondgat, z. n. o. -- Schip, waarvan de achtersteven Rond is.
Rondhout, z. n. o. -- Hout, dat rond is, als masten, stengen enz. Al zijn R-- is hem afgeschoten.
Roos, z. n. v. -- 1o of Kompasroos.
Spreekwijze: Onder de R-- (in 't geheim, omdat in de kajuit een kompas van de zoldering plach te hangen en hetgeen daar gesproken werd dus onder de kompasR-- verhandeld werd).
2o. Zie Rozebouten.
Rooster, z. n. m. -- 1o. of Roosterwerk. Verzameling houten, die elkander rechthoekig kruisen en tot grondslag dienen voor een schip in aanbouw.
2o. Zware latten, in 't vierkant gekruist, die voor luiken op de openingen van het dek gelegd worden en licht en lucht binnenlaten. Den R-- klaar maken. De door den krijgsraad veroordeelde, wordt aan een staanden R-- gebonden en met handdagen (zie Dag) afgestraft.
Rosbank, z. n. m. -- Zie Dolbank.
Rots, z. n. v. -- Steenen klip. De St. Paulus R--. Wy stooten op een R--.
Rozebouten, z. n. m. mv. -- Bouten van rond yzer, aan het achtereind met een kop voorzien, en aan het vooreinde gedeeltelijk plat, met dien verstande, dat er eenige dammetjens of neuten, Rozen genaamd, aan gespaard zijn. In het gebruik verschillen zy van de Voorbouten, dat er geen spijkers, maar vierkanten krammen over geslagen worden, waartegen de Rozen steunen.
Rug, z. n. v. -- Wordt het schip gezegd te hebben, of op te steken, als het doorzet.
Ruggeton, z. n. o. (veroud.) -- Net bewerkte inschuifplank, tot ruggesteun dienende aan een officier, die achter in een sloep gezeten is, en hem afscheidende van den man, die aan 't roer zit; thands: Hekkebord.
Ruggegraat, z. n. m. -- Zie Zwanenhals.
Ruggepaarden, z. n. m. -- Touwen, gespannen tot steun van de Rug, en om 't vallen te beletten.
Ruilhandel, z. n. m. -- Handel, waarby koopwaren tegen goederen verwisseld worden. De R-- wordt nog inzonderheid op de kusten van Afrika gedreven, waar men, voor de aangebrachte goederen, olifantstanden, stofgoud, gom, enz. in Ruil aanneemt.
Ruim, b. n. -- By zee of sop gevoegd, heeft R-- de beteekenis van "open, vol." Wy voeren het R--e sop in (de volle zee in). De R--e zee kiezen (zich van de kusten verwijderen).
Ruim, z. n. o. -- Binnenste diepte van een schip, van 't eene einde tot het andere, onder het koebrugdek, of wanneer dit niet bestaat, onder het tusschendek;--of gedeelte daarvan, als VoorR--, AchterR--, WaterR--, WijnR--.
Ruimbalken, z. n. m. mv. -- Zie Lastbalken.
Ruimen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy, eerst minder gunstig zijnde, uit een meer voordeeligen hoek begint te waaien.
Ruimen, b. w. -- Verlaten. De zee R-- (zich uit zee begeven).
Ruimgast, z. n. m. -- Matroos, bekwaam om by laden en ontladen in het Ruim te werken.
Ruimschoots, bw. -- Den wind meer achterlijk dan dwars. Zie Schoot. R-- zeilen.
Ruimte, z. n. v. -- Voor: "de Ruime Zee" De R-- kiezen (zich in volle zee begeven, ook: zich verwijderen uit gevaar).
Ruischen, o. w. -- Bruischen: dof geluid, dat de wind of de zee maakt. Hoort gy de golven R--?
Ruitsgewijs, bw. -- Zie Orde.
Rukwind, z. n. m. -- Wind, die plotslings en met felheid waait, zoodat hy verhevenheden omver Rukt.
Rusten, z. n. v. mv. -- Zware breede met yzeren band beslagen planken, die, in hare breedte vlak liggende, aan het buitenboord ter hoogte van het bovendek bevestigd zijn. Aan hare buitenzijde bevinden zich de Rustyzers, die, schuins afloopende, in het boord zijn gehecht en aan wier bovenkant de juffers (doodshoofden) vast zijn, waaraan het staande want door de talreepen wordt vastgemaakt. De R-- dienen ook om aan de onderwanden breeder te doen uitstaan en dus aan de masten meer steun te geven.
Rustyzer, z. n. o. -- Zie Rusten.
Rustlijn, z. n. v. -- Touw, of keten, die het anker ophoudt als het op den boeg ligt.
Ruw, b. n. -- Onstuimig, wild. R--weer.
Ry, z. n. v. -- Rang, gelid. Die schepen lagen in de eerste R--.
Rijbed, z. n. o. -- Schaal, die het voorste van een ondermast bedekt.
Rijden, o. w. -- Een schip wordt gezegd te R--, wanneer het voor anker liggende vaartuig op en neder geslingerd wordt als een paard dat galopeert. Hy is achter zijn anker ondergereden (gezonken).
Wat schaedt een ancker quyt, Soo langh het schip in zee noch op een ander rijdt.
Huyghens, Mengelingen.
Rijgen, b. w. -- Vereenigen, door een klein touw of een raband te halen door gaten, langs de lijken, welke men wil te samen voegen. Een zeil, een lijzeil, bonnet R--.
Rijzen, o. w. -- Zich verheffen, overheengaan. Gemakkelijk op de zee R-- (gemakkelijk over een golf heenglijden).
S.
Saaiem, z. n. o. -- Zeer naauw gebreid net, gebruikelijk voor de garnalenvisschery.
Saiek, z. n. v. -- Soort van Levantijner vaartuig, met twee masten voorzien en geen bramzeil voerende.
Welaen dan, zeit den Turk, met Saiken en Tartanen En Roofgaleien, trots beschaduwt met zijn manen.
Antonides, Bell. aen bant.
Salueeren, b. w. -- Zie Begroeten. Met het geschut S--.
Saluut, z. n. o. -- Begroeting, eerbewijs, welke vaartuigen of vloten elkander doen. Zie Begroeten. Het S-- weigeren. Het S-- beäntwoorden.
Saluutschot, z. n. o. -- Schot, dat als groet of eerbewijs gelost wordt.
Samenvloeing, z. n. v. -- Plek, waar twee rivieren in elkander vloeien.
Samoreus, z. n. v. -- Groote aak, aldus genoemd omdat zy oorspronkelijk op de Sambre en Maas voeren, zijnde S-- een samentrekking van Sambre et Meuse.--Het afkomen in grooten getale van dergelijke vaartuigen te Amsterdam deed aan de groote brug over den Amstel (den zoogen. Hoogesluis) waar zy onder door kwamen, den naam geven van Samoreuzenbrug, 't welk in den Franschen tijd door misverstand vertaald werd met le pont des amoureux.
Samkyd, z. n. m. -- Turksch kustvaartuig.
Sampan, z. n. m. -- Klein Sineesch of Japansch kustvaartuig, zonder spijkers of bouten, en alleen met houten nagels vastgezet.
Sandaal, z. n. m. -- Lichterschuit aan de noordkust van Afrika.
Sas, z. n. v. -- Kom of bassin, in de lengte van een vaart uitgegraven, om er het water in te vergaderen, dat men naar vereischten door de sluis, boven welke het gebouwd is, laat afloopen. S-- van Gent.
Satie, z. n. v. -- Soort van Levantijnsch vaartuigjen.
Schaaf, z. n. m. -- Werktuig dienende om de oppervlakte van het hout gelijk te maken. Met den S-- over een plank gaan.--De S-- bijt niet. Het huis, het blok van den S--, BoogS--, BoorS--, PlatS--, RondS--, VlakS-- enz.
Schaal, z. n. v. -- 1o. Lijn, die in deelen wordt afgedeeld, waarmede strepen, ellen, roeden, graden, minuten, mijlen, enz. worden voorgesteld, en die op een plan of teekening gesteld, dient om de betrekking der afstanden en hoegrootheden, op de kaart ons aangewezen, met de wezenlijke afstanden en hoegrootheden aan te duiden, 't Woord is van 't Lat. of Ital. scala (ladder, trap) en geheel iets anders als scala, waar 't "schotel of schedel" beteekent. S-- van tien uur gaans, S-- van tien mijlen. S-- van een lijn op de roede, van een Ned. duim op de Ned. el. Die kaart is op een groote, op een middelbare, op een kleine S-- vervaardigd.
2o. Hier 't zelfde als schedel of Wang.--Stuk hout, van meerdere of mindere lengte, een weinig hol aan de eene en bol aan de andere zijde, en dat men tegen een ander aanbrengt om dit laatste te versterken. BalkS-- (op een balk.) Waarlooze S--en (die aan boord zijn om in geval van nood te dienen.) ZijS--en (die tot de samenstelling van een mast dienen.) Hoofd-- (stuk hout, dat, op het achterste gedeelte eener onderra gewangd, strekt om het verwijderd te houden van den mast, waar het aan hangt).
3o. De eerste en de laatste plank, die uit een ruwen balk gezaagd wordt.
Schaar, z. n. v. -- Snijdend werktuig, dienende om iets af te knippen of van een te scheuren. De tongen van dien bank steken uit als een geöpende S--.
Schaarstokken, z. n. m. mv. -- Boordplanken, die hooger dan de overige planken van het dek en op de balken gekeept zijn; zy begrenzen het middel perk.
Schacht, z. n. v. of Stander. -- Spier, steng. S-- (of koning) van het roer (zwaar stuk hout, dat zich uitstrekt van den boven- tot den onderkant van het roer en gelijk met den onderkant der kiel eindigt).
Schade, z. n. v. -- Zie Zeeschade.
Schadeloos, Schaêloos, b. n. -- Beteekent niet "zonder schade," als men uit de gewone beteekenis van 't woord loos zou opmaken, maar "met groote schade". Die schepen zijn S-- geschoten, zijn S-- binnengeloopen, (zoo, dat zy geen schade meer kunnen doen).
Schaffen, b. w. -- Opdisschen. Wat Schaft de kok van daag?
Schafmeester, z. n. m. -- Die gesteld is, om voor de proviand te zorgen.
Schakel, z. n. m. of Schalm. -- Ring van een ketting.
Schaken, b. w. -- Vieren, botvieren. Zie Afschaken.
Schalen, b. w. -- Met Schalen voorzien, sjorren.
Schalm, z. n. m. -- Ring van een ketting. Ketting van 100 S--en.
Schalmen, b. w. -- Men noemt: De luiken S-- (de prezennings, waarmede men die by ruw weer overdekt, met latten vastmaken).
Schampdek, z. n. o. -- Zie Schandek.
Schampen, o. w. -- Affluiten. Zie Afschampen.
Schampscheut, z. n. o. -- Schot, dat afschampt.
Spreekwijze: Het is maar een schampscheut. (Het heeft niet veel te beduiden).
Schandek, z. n. o. -- Ook wel schampdek genoemd, doch waarschijnlijk Schansdek, als zijnde het Dek nevens de Schans of verschansing.
Schans, z. n. v. of Verschansing. -- Het dek van het staande boord des voorstevens wordt ook wel S-- genoemd.
Schanskleed, z. n. o. -- Gekleurde strook laken, waarmede men de schepen by feestgelegenheden bekleedt. In de masten zijn aan de achterzijde twee yzeren staanders, waardoor een yzeren leider loopt, aan welken de S--en gespannen zijn.
Schanskleed, z. n. m. of Schanslooper (veroud.) -- Roerkleed, dat hy aandoet, die by nacht of guur weer, de verschansing op en neder gaat.
Schanslooper, z. n. m. -- zie Schanskleed.
Schansnet, z. n. o. -- Net van lijnen, 't welk men aan boord van oorlogschepen op yzeren leiders, die op staanders met dubbele armen rusten, langs het staande boord spant en waartusschen zich geteerd zeildoek bevindt. Daarin worden de kooien (hangmatten) gestuwd om zich tegen het geweervuur van een vyandelijk schip te verschansen.
Schaven, b. w. -- Met een schaaf arbeiden, Effenen.
Schavielen, o. w. -- 1o. of Stukschavielen. Door gestadige wrijving of schaving slijten en bederven. Dat touw begint te S--. 't Woord is waarschijnlijk afkomstig van Schaven.
2o. Het S-- van den wind (het langzamerhand veranderen van den wind).
Scheep, bw. -- voor te scheep op of naar het schip. S--gaan, S--komen.
Scheep! Scheep! nu zijt getroost mijn lief! de tijt is kort,
zegt Gijsbreght tegen Badeloch.
Spreekwijze: Die voor hond S-- komt, moet knoken eten (men wordt geëerd al naar dat men zich voordoet). 't Zelfde beteekent:
Daar men voor S-- komt moet men voor varen.
Ga niet S-- zonder beschuit (neem by het aanvangen uwer onderneming de behoorlijke voorzorgen in acht).
Scheepjen, z. n. o. -- Klein Schip. Een net gebouwd S--.
Spreekwijze: Op het wel afloopen van 't S-- (is een oud Hollandsche dronk, ingesteld op de voorspoedige bevalling eener aanstaande kraamvrouw).
Zijn S--s op het drooge hebben (wat waarschijnlijk de oorspronkelijke lezing is van het spreekwoord, in plaats van schaapjens, en met de oude uitspraak van laatstgemeld woord overeenkomt). Zie Droog.
Scheeprijk, z. n. v. -- Rijk aan Schepen. Een S--e Haven (een haven, waar zich veel Schepen bevinden).
Waarby den welstant groeyt van de Scheeprijcke steden,
zegt Vondel in zijn Lofzangh op de Scheepvaart.
Scheepsbehoeften, z. n. v. mv. -- Al wat tot de uitrusting van een schip behoort.
Scheepsbeschuit, z. n. v. -- Soort van harde Beschuit, die lang bewaard kan worden, en daarom inzonderheid voor zeereizen wordt medegenomen.
Scheepsbestier, z. n. o. -- 1o. Bestier over een Schip.
2o. Bekwaamheid om een Schip te bestieren.
Scheepsboord, z. n. o. -- Boord van het schip.
Scheepsbouw, z. n. m. -- Kunst om Schepen te bouwen of het bouwen zelf. De S-- heeft aanmerkelijke vorderingen gemaakt. Die stad heeft haar meeste vertier van den S--.
Scheepsch, bw. -- Is naauwelijks meer in gebruik dan in de volgende
Spreekwijzen: Geen S-- verstaan (de taal der zeelieden niet verstaan: overdrachtelijk: geen kennis van de scheepvaart hebben).
Op zijn groot S-- (op zijn rijke-luis).
Scheepsgebruik, z. n. o. -- Gewoonte aan boord der schepen heerschende.
Scheepsgelegenheid, z. n. v. -- Gelegenheid om met een schip te gaan. Hy is met S-- vertrokken. Hy moet aldaar lang verwijlen, by gebrek aan S--.
Scheepsgevecht, z. n. o. -- Gevecht tusschen schepen.
Scheepsgezellen, z. n. m. mv. -- Manschappen. Hun rechten en verplichtingen zijn vervat in het Wetb. van Kooph. Boek II Tit. IV, art. 394-452.
Scheepsjongen, z. n. m. -- Knaap, die aan boord het geringe werk verricht.
Scheepskist, z. n. v. -- Kist, die men aan boord noodig heeft.
Scheepskok, z. n. m. -- Kok van een schip.