Part 17
N--jens droogen (zijn uitgaven bekrimpen:--omdat de visscher, door zijn N--ten te droogen, zich voorbereidt om later daarmede voordeel te behalen).
Neus, z. n. m. -- Benaming, die aan de meest vooruitstekende punt van den voorsteven gegeven wordt. Hy haalt zijn N-- lustig onder. Hy spoelt lustig zijn N-- (van een schip gezegd, dat met den boeg diep onder water gaat). Den N-- in den wind steken (den boeg naar den wind wenden).
Spreekwijze: Zijn N-- in den wind steken (onderzoeken).
Neuskijker, z. n. m. -- Jongen, of bootsgezel, die voor op den boeg op den uitkijk staat.
Neut, z. n. v. -- Houten of holle gegoten yzeren rol, dienende om het verschuiven van twee op elkander geplaatste stukken hout te beletten. Yzeren N--en. Pokhouten N--en. N-- van de ankerschacht. (Zie Ankerneut)
Spreekwijze: Heeft hy N--jens, hy zal wel doppen maken (hy zal van hetgeen hy bekomt wel party trekken).
Een oude N-- (een oude vrijster).
Voor doove N--en zitten (zonder voordeel ergends zitten).
Nevel, z. n. m. -- Damp, mist.
Nevenschip, z. n. o. -- Het schip, dat men, in breede linie zeilende, nevens zich moet houden.
Nippertjen, z. n. o. -- Eigenlijk Nijpertjen, als komende van Nijpen. Dat was op het N-- (dat scheelde weinig). Een plaats op het N--af, by het einde van een gang, te boven zeilen.
N. O., bw. -- Noord-Oost. N. O. ten N. (Noord-Oost ten Noorden).
Nok, z. n. v. -- Uiterste punt of spits; in 't byzonder van een ra of zeil.
Nokbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede het zeil aan de Nok van de ra wordt vastgemaakt.
Nokgording, z. n. v. -- Gording van de Nok. Zie Dempgording.
Nokken, b. w. (veroud) -- De nokbindsels leggen: de razeilen vastmaken.
Nokleuver, z. n. m. -- Boven- of buitenhoek van een vierkant zeil, dat aan een ra is vastgebonden.
Nokooren, z. n. o. mv. (veroud.) -- Stevige, wel met marlijn voorziene oogen, aan de benedenhoeken der vierkante zeilen, waardoor de schoten loopen.
Nood, z. n. m. -- Dit woord duidt in de samenstelling een voorwerp aan, dat bewaard wordt om, in tijd van N-- het ontbrekende of onklare te vervangen. Zoo zegt men N--anker, N--gordingen, N--mast, N--talie, N--want, enz. Zie Borg. Zie Stomp.
Spreekwijze: Die N-- heeft, moet pompen (zie Pompen).
Noodschot, z. n. m. -- Kanonschot, hetwelk, op zee gelost, aankondigt, dat men redding of hulp verlangt.
Spreekwijze: Het is een N-- (het is een laatst, doch veelal hopeloos middel, waartoe men zijn toevlucht neemt).
Noodsein, z. n. o. -- Teeken, waarmede een vaartuig, 't zij door schoten, 't zij door 't hijschen van een vlag, 't zij op andere wijze, te kennen geeft, dat het zich in nood bevindt.
Noord, bw. -- Duidt een strekking aan van of naar de noordzij. De wind is N-- (het waait uit het noorden). Wy moeten N-- houden (wy moeten naar de noordzij koers houden).
Spreekwijze: De wind is N-- (hy is in een kwade luim).
Noord (de), z. n. v. -- 1o. De noordelijk gelegen landen, als Noorwegen, IJsland, enz. Om de N-- varen (het Noorden omvaren).
2o. Wat noordelijk gelegen is. Om de N-- houden (Noordelijk opvaren).
Noordelijk, b. n. -- Wat zich ten Noorden bevindt.
Noordelijken, o. w. -- Wordt van den wind gezegd, als hy naar 't Noorden loopt.
Noorden, z. n o. -- 1o. Het gedeelte der waereld, dat tegen over het zuiden ligt.
2o. Streek, die Noordelijk gelegen is van de plaats waar men zich bevindt. Het waait uit het N--.
Noorden (ten), bw. -- Noordelijk, aan den Noordkant. Denemarken is T--N-- van Duitschland gelegen.
Noorderbreedte, z. n. v. -- Afstand eener plaats van den Equator Noordelijk op gerekend. Calais ligt op 51 graden N-- (Calais ligt op 51 graden noordelijk van den Equator).
Noorderlicht, z. n. o. -- Lichtverheveling by nacht, welke om de Noord dikwijls zeer sterk is.
Noorderzon, z. n. v. -- Ontstentenis der zon, omdat, voor de bewoners van 't Noordelijk halfrond, zich de zon nooit aan 't Noorden vertoont: alzoo 't zelfde als "stikdonker".
Spreekwijze: Met de N-- vertrekken (zich by duisternis, in 't geheim, wegpakken).
Noordewind, z. n. m. -- Wind, die van de Noordzijde waait.
Noordnoordoost, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en Noordoost. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken tusschen N-- en het N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord.
Noordnoordwest, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en Noordwest. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken, tusschen het N-- en het N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord.
Noordoost, z. n. o. of ten Noordoosten. -- Windstreek, midden tusschen het Noord en Oost gelegen.--Tevens bywoord.
Spreekwijze: Ik gaf hem een opzetter dat hy N-- lag (dat hy niet wist, waar hy te land kwam).
Noordoosten (ten), bw. -- Zie Noordoost.
Noordoosteren, o. w. -- Naar 't N. O. loopen. De wind is aan 't N--.
Noordoostering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar 't N. O.
Noordpool, z. n. m. -- Zie Pool.
Noordsch, b. n. -- Wat uit het Noorden, bepaaldelijk uit Noorwegen of Zweden komt. N-- hout. N-e Deelen.
Spreekwijze: Hy heeft N--e buien (hy is gemelijk, knorrig:--omdat N-- en norsch woorden zijn van eene beteekenis).
Noordstar, z. n. v. -- Star, die in 't N. staat en tot een baak aan de zeevarenden strekt.
De Noortstar streckt aldus by nacht op zee Een heldre baeck voor die de zee bevaren: Zy wijst de streeck, de haven, en de reê En baent den wegh in spoorelooze baren.
Vondel. Danckoffer aan Christine.
Spreekwijze: Hy is de N-- waarop ik my richt (hy is mijn gids, mijn leidsman).
Noordwest, z. n. o. of Noordwesten. -- De windstreek tusschen het Noorden en 't Westen.
Noordwest, bw. -- Wat zich ten N. W. bevindt.
Noordwesten, z. n. o. -- Zie Noordwest.
Noordwesteren, o. w. -- Naar 't N. W. loopen. De wind is aan 't N--.
Noordwestering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar 't N. W.
N. W., z. n. o. -- Beteekent Noord-West.
Nijptang, z. n. v. -- Tang, waarmede spijkers worden uitgehaald.
O.
O., z. n. v. -- Voor Oost, Oostwaarts; ten O. (voor ten Oosten).
Oceaan, z. n. m. -- Waereldzee. De Atlantische O--. By de dichters wordt O-- in 't algemeen voor alle groote zeeën genomen.
Odief, z. n. m. (veroud.) -- Benaming eener soort van schaaf.
Oefening, z. n. v. -- Meer gewoon is, waar het bewegingen van schepen geldt, het uitheemsche woord manoeuvre.
Oever, z. n. m. -- Strand, kust, zee- of rivierkant.
In de engte, die Calais gescheiden houdt van Doever, Laveerde een Spaansche vloot, die wederzijds den oever Met duizend kielen schuurde.
S. Styl.
Spreekwijze: Aan den O-- van 't verderf, aan den O-- van 't graf (aan den rand van 't verderf, enz.).
Officier, z. n. m. -- In 't algemeen ieder, die eenig officie of bediening bekleedt. Zie DekO--, VlagO--, enz.
Om, bw. -- 1o. Voor: over, voorby. De tijd is O--. De nacht is O--.
2o. Veranderd: De wind is O--.
Ombaksen, b. w. -- Zijdelings richten, t. w. een stuk geschut. Zie Baksen.
Ombrassen, b. w. -- De zeilen van richting doen veranderen.
Omgorden, b. w. -- t. w. een schip, waarvan de inhouten dreigen los te gaan, met kabels beleggen om de losse deelen by elkander te houden.
Omhalen, b. w. -- Een andere richting geven. De voorzeilen O-- (de voorraas over de andere zijde brengen, zoodat de wind in het fokkezeil vat).
Omhalzen, b. w. -- Met storm byleggende, voor-de-wind om, over den anderen boeg gaan byleggen.
Omkenteren, o. w. -- Omkantelen, 't onderst boven keeren. Het O-- van een sloep.
Omlaag, bw. -- Onder het dek; gebruikelijk in komms. O-- allen!
Omleggen, b. w. -- 1o. Op zijde leggen. Een hout O--.
2o. Vastmaken, een ring, een oog, een omgeslagen touw in eenig voorwerp haken. Een slag O-- (het omslaan en vastmaken van een touw om een kruishout, dukdalf, paal, enz).
Omloopen, o. w. -- Wordt de wind gezegd te doen, wanneer hy verandert.
Omscheren, b. w. -- Ververschen. Touwwerk O-- (het van plaats doen veranderen om het niet bestendig aan dezelfde wrijving bloot te stellen).
Omschieten, b. w. -- Omslaan. Een touw O-- (een touw ergends om heen slaan).
Omslaan, b. w. -- Omverwerpen. De wind Sloeg het schip Om.
Omslaan, o. w. -- Omvallen. Het schip Sloeg Om.
Omslag, z. n. m. -- Handvatsel. De O-- van een boor.
Omslooien, b. w. (veroud.) -- Omzwikken, omhalen.
Omsmakken, b. w. -- Omgooien, naar een andere zijde brengen, b. v. in het nu verouderd komm. Smak het zeil Om.
Omspant, z. n. v. -- Afmeting, vorm. O-- van een schip.
Omwaaien, o. w. -- Door de werking van den wind omver gaan.
Omwenden, o. en b. w. -- Thands wordt meer gewoonlijk Wenden gezegd. Zie aldaar.
Omzeilen, b. w. -- Om heen zeilen. Een hoek O--.
Omzwaaien, o. w. -- Zie Zwaaien.
Omzwalpen, b. w. -- Zie Zwalpen.
Geen aardrijk kan zijn kreits bepalen, Geen arm van aard-omzwalpend zout.
Bilderdijk. Ode aan Napoleon.
Onbemand, b. n. -- Zonder bemanning. Het schip is nog O--.
Onbevaren, b. n. -- Ongeöefend, ongewoon aan boord. Het is slecht zeilen met O-- manschap.
Onder, voorz. -- Beneden. O-- de lij, O-- den wind van een ander schip (wordt een schip gezegd te zijn, wanneer de wind komt van de zijde waar dat andere schip ligt.) O-- de kust, O-- den wal (wordt een vaartuig gezegd te zijn wanneer het zich op weinig afstands van die kust of dien wal bevindt.) O-- zeil gaan (wegzeilen.) O-- Engelsche vlag (een Engelsche vlag voerende.) O-- die zeilen, O-- dat zeil loopen (alleen die of dat bepaalde zeil voeren.) O-- den wind laten loopen (afhouden, zoo dat de wind dwars in de zijde komt.) O-- zee gelegd zijn (door een zeeslag op zijde gesmeten en overdekt zijn). O-- water.--Zie Boven.
Onderbarghout, z. n. o. -- Zie Barghout.
Onderdompelen, b. w. -- Geheel onder water brengen. Het Ondergedompeld gedeelte van een schip (dat gedeelte, 't welk onder water is).
Onderdompeling, z. n. v. -- Overstrooming. De geheele O-- van een sloep.
Onderdoorrijden, Onderrijden, o. w. -- Wordt het schip gezegd te doen, als het, voor anker liggende, door hooge zeeën overstelpt, zinkt.
Onderlegger, z. n. m. -- Zie Kiellichter.
Onderloop, z. n. m. -- Zie Voorstuk en Knie.
Onderlijk, z. n. o. -- Onderste gedeelte van een zeil. Dat zeil heeft veel breedte in zijn O--.
Onderlijzeil, z. n. o. -- Het Onderste Lijzeil, als dat van de groote fokkera.
Onderofficier, z. n. m. -- Officier van minderen rang.
Ondernoktaliestopper, z. n. m.--Kleine Stopper, die, op een galei, aan den voet van den mast was gestoken op den strop van den Ondernok, en dezen vasthield.
Onderra, z. n. v. -- Benedenra.
Onderruim, z. n. o. -- Diepste van het ruim.
Onderrijden, o. w. -- Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het door hevige stortzeeën overstelpt wordt.
Onderschip, z. n. o. -- Benedengedeelte van een schip.
Onderschoren, b. w. -- Met schoren of stutten ophouden.
De vlietgodinnen zien ontelbare oorloghskielen En schepen toegerust en onderschooren 't vlot.
Vondel. Verovering van Grol.
Onderschoring, z. n. v. -- Hetgeen onder een schip op de helling of onder eenig ander werk op den grond is geplaatst om het te stutten.
Onderstrijken, b. w. (veroud.) -- Met planken van onderen bestrijken of beschieten.
Onderstut, z. n. m. -- Zie Stut, Noodstut.
Onderstutten, b. w. -- b. v. een schip; wanneer het op strand ligt en men er stutten onder zet om het omslaan te beletten.
Onderstuurman, z. n. m. of Stuurmansmaat.
Onderwant, z. n. o. -- Want, dat lager zit.
Onderzeil, z. n. o. -- De Fok en het Grootzeil worden de O--en genoemd. Regel je aan de halzen en schoten van de O--en! O--shalzen toe! Geitouwen en gordings van de O--en inhouden! O--en geien en gorden! (kommandoos). Benedenzeil of benedenste gedeelte van een zeil.
Onder zeil, bw. -- Zeilend. Het schip is O-- Z-- (het zeilt).
Spreekwijze: O-- Z-- gaan (in slaap vallen),--omdat men dan als 't ware het gezelschap verlaat en zich naar een andere waereld begeeft.
Ondiep, b. n. -- Wat laag of niet Diep is.
Ondiepte, z. n. v. -- Plaats, waar minder water staat, terwijl het in den omtrek diep is.
Ongeboeid, b. n. -- Nog niet beplankt.
Ongelden, z n. o. mv. -- Kleine averyen.
Ongemak, z. n. o. -- Schade, avery.
Ongemanierd, b. n. -- Wordt een schip genoemd, dat zijn bewegingen niet naar behooren volbrengt.
Ongestadig, b. n. -- Veranderlijk. Het weer blijft O--. Wy hadden O--en wind.
Ongestuim, Ongestuimig, b. n. -- Dichterl. voor Onstuimig. Zie ald.
Ongeteerd, b. n. -- Niet met teer besmeerd.
Ongezond, b. n. (veroud.) -- Wordt een schip genoemd, waarvan de inhouten vervuurd zijn.
Onklaar, b. n. -- Verward, verwikkeld. O-- anker (roept men, als het anker boven komt met een of meer slagen van de ketting of het touw om den stok of de hand). Dat touw is O-- (dat touw is in een ander verward, is geknoopt).
Spreekwijze: 't Is O-- (de zaak is in de war).
Onlandbaar, b. n. -- Waar men niet Landen kan. Een O--e kust.
Onoverdekt, b. n. -- Zonder Dek. Hy heeft de reis met een O-- vaartuig gedaan.
Onstuim, b. n. -- Zie Onstuimig.
Door barreningen en onstuime wintervlagen,
Antonides IJstroom.
Onstuimig, b. n. -- Ongestuimig, Ongestuim of Onstuim (wild, buijig, stormig).
Ontballasten, b. w. -- Van ballast ontladen.
Ontbinden, b. w. -- Losmaken.
Ontdekken, b. w. -- Bespieden, zien. Land O-- (Land zien, dat men te voren niet bespeurd had).
Ontdekking, z. n. o. -- Onderzoek. Op O-- uitgaan (zich op weg begeven, om b. v. een bosch of landstreek te onderzoeken).
Ontdubbelen, b. w. -- Van dubbeling ontdoen.
Ontkleeden, b. w. -- De bekleeding, b. v. van een touw, wegnemen.
Ontklinken, b. w. -- Het zoom- of klinkwerk van een vaartuig wegnemen.
Ontkuipt, b. n. -- Van banden ontbloot. O--e marsen, masten, enz.
Ontladen, b. w. -- De Lading uitnemen, 't zij van een vaartuig, 't zij van een stuk geschut.
Ontlading, z. n. v. -- De daad van Ontladen.
Ontlijken, b. w. -- De lijken van een zeil afnemen.
Ontmast, b. n. -- Van mast beroofd.
Ontmasten, b. w. -- Van masten ontdoen.
Ontmeeren, b. w. -- Losmaken.
Ontmeert d' ondanckbre vloot om door ons' zee te gaan,
zegt Vondel in de Amst. Hekuba.
Ontnemen, b. w. -- Afnemen. Het bevel aan een Officier O--, den wind aan een ander schip O--.
Ontplanken, b. w. -- Van Planken ontdoen. Het scheepsboord O--.
Ontrakken, b. w. -- De Rakken losmaken.
Ontredderd, b. n. -- Buiten staat om zich te weeren of om behoorlijke bewegingen te maken. De schepen waren O--, waren in O--en staat aangekomen.
Ontroeien, b. w. -- Door kracht van riemen iets, b. v. een gevaar, ontkomen.
Ontrollen, b. w. -- Open rollen. De vlag O--.
Ontschepen, b. w. -- Uit het schip nemen of zetten. Hy liet de lading O--, hy liet de manschap O--. Er werden 1000 man landingstroepen Ontscheept. Ontscheept zijn (niet langer aan boord gehouden worden).
Ontschipperen, b. w. -- Het bevel van het Schip ontnemen.
Ontslaan, b. w. -- Wegzenden, uit de dienst zenden, afdanken.
Ontslag, z. n. o. -- Afscheid, afdanking. Die lieden hebben eervol O-- bekomen. Hy heeft O-- van dat schip.
Ontsluiten, b. w. -- Weder open stellen. Er is bevel gegeven, die haven weder te O--.
Ontsluiter, z. n. m. -- Overdrachtelijk gebezigd door Vondel, in zijn grafschrift op Kortenaar.
De Groote Kortenaer, de schrick van 's vyants vlooten, D' ontsluiter van de Sont ligt in dit graf besloten.
Onttakelen, o. w. -- Zijn tuig kwijt raken. Het schip Onttakelt.
Onttakelen, o. w. -- Van takels en want ontdoen, aftuigen. Dat schip onttakelt zijn stengen (men neemt de ra en 't want van de stengen af).
Onttakeling, z. n. v. -- De daad van Onttakelen.
Onttuid, b. n. -- Wordt gezegd van een schip, dat zijn tuiankers binnen heeft.
Onttuien, b. w. -- Het tuianker binnen halen.
Ontvallen, o. w. -- Verdwijnen: uit het gezicht raken. Het land Ontvalt om de noord of de zuid.
Ontwapenen, b. w. -- 1o. Van geschut ontblooten.
2o. Opleggen, de tuigaadje ontnemen.
Ontwerp, z. n. o. -- Schets, plan.
Ontzeilen, b. w. -- Door kracht van Zeilen ontkomen.
Ontzet, b. n. -- Beschadigd. Een O-- schip (een schip, waarvan eenige deelen hebben losgelaten, ten gevolge van zwaar weer).
Ontzetten, b. w. -- Verlossen, uit den nood helpen. De Atalante stond op het punt genomen te worden, toen de Iris haar kwam O--.
Ontzetten, o. w. -- Inzakken. Dat schip begint te O--.
Ontzetting, z. n. v. -- Nederzakking, inzakking.
Onweer, z. n. o. -- Donder en bliksem. Er broeit een O--, er is O-- op handen.
't Vervaarlijk onweer loeit met weerlicht, blixem, donder En donderkloot, en roert, al buldrend, 't opperste onder. Een donkre orkaan rammeit en snort met slag op slag, Als of weêr de aardkloot in een nieuwen baiert lag.
Antonides. IJstroom.
Wat Onweer datter ruyscht of watter ommegaet, Ziet dat ghy nemmermeer uw eygen post verlaet.
Cats.
Spreekwijze: Er is O-- aan de lucht (er zal braaf gescholden of geroerd worden).
Onweersbui, z. n. v. -- Zie Bui.
Oog, z. n. o. -- Gezicht. Een O-- in 't zeil houden (op alles acht slaan). In het Grafschrift op Kortenaar noemt Vondel dien held:
Verminkt aan Oog en rechter hant En 't echter 't Oog van 't roer.
Oog, z. n. o. -- Opening of gat, aan de kanten van een zeil, aan een strop, of in een bout, en dienende om er iets door te halen en daardoor het voorwerp aan een ander te bevestigen.
Oogbout, z. n. v. -- Bout, met een Oog voorzien.
Ooren, z. n. o. mv. -- Zie Judasooren.
Oorlam, z. n. o. -- 1o. Benaming van een ervaren zeeman; het woord is afkomstig van 't Maleische Orang lama (ervaren, handig, bekwaam man).
2o. Rantsoen van jenever, borrel, slok.
Oorliëtblok, z. n. o. -- Blok, dat als een oorhanger of oorliët aan het einde van de ra hangt.
Oorlogschip, z. n. o. -- Zie Schip.
Oorlogsvloot, z. n. v. -- Vloot, die, onder het bevel van een Amiraal, ten Oorloge is uitgerust.
Oor over oor, bw. (veroud.) -- In de spreekwijze O-- o-- O-- bouwen (het schip boven wijd uitbouwen, waardoor het zeer geschikt wordt om te slaan, maar wat rank om goed zee te bouwen).
Ooryzers, z. n. o. mv. -- Yzers ter zijde aan de rampaarden, om die te bestieren en te bedwingen.
Oost, bw. -- Oostelijk, tusschen Noord en Zuid. De wind is O-- (komt van de Oostzijde).
Oost, z. n. v. -- De Oostindische bezittingen. Hy vaart op de O--. Hy heeft zijn fortuin in de O-- gemaakt.
Spreekwijze: O-- west, t'huis best (men moge de O-- en de West bezocht en het er goed gehad hebben, men zal zich nergends beter bevinden dan in het moederland).
Oostelijk, b. n. en bw. -- Wat ten Oosten is.
Oosten, z. n. o. -- De Levant. Die schepen komen uit het O--.
Oosterzon, z. n. v. -- De Zon, als zy zich in 't Oosten bevindt. Hy is van de O-- geroost (hij heeft in Oostindiën een bruine kleur opgedaan.)
Oostindiën, z. n. o. -- De eilanden in de Indische Zee.
Spreekwijze: Men ziet op geen aap, als men uit O-- komt (men kan gemakkelijk wat weggeven als men 't ruim heeft:--omdat hy, die vermogend uit de Oost terug komt, gemakkelijk een aap kan prezent doen).
Oostindische kompagnie of Maatschappy. -- Maatschappy, die voorheen het bewind voerde over de volkplantingen in den Indischen Archipel.
Oostindievaarder, z. n. m. -- Schip, dat op de Oost vaart.
Oost ten Noorden, Oost-Noord-Oost, Oost ten Zuiden, Oost-Zuid-Oost, bw. -- Windstreken aan de Oostzijde, elkander van het Noorden naar het Zuiden opvolgende.
Oostwaart, bw. -- Naar de Oostzijde.
Op-allens, t. w. -- Komm. voor: "alle man boven", verbasterd van 't Eng. up all hands!
Op en neêr, bw. -- Wordt een schip gezegd te zijn, als zijn voorsteven zich vlak boven het uitgeworpen anker bevindt: en ter zelver gelegenheid van het touw. Het touw wijst O--. Het schip is O-- (is gereed om onder zeil te gaan.) De wind is O-- (er is niet genoeg wind om den windwijzer te doen draaien).
Opboeien, b. w. -- De staande boorden van een vaartuig verhoogen.
Opboeisel, z. n. o. -- Vloer, looze stelling, zetplank.
Opborrelen, o. w. -- Koken, brabbelen. Zie ald.
Opbrassen, o. w. -- De raas meer vierkant aanhalen. De wind is ruimer. Wy moeten O--.
Opbreken, b. w. -- De kabelaring dwingen te rijzen.
Opbreker, z. n. m. -- 1o. Houten keg om de kabelaring Op te breken.
2o. Yzeren helling met metalen rollen.
Opbrengen, b. w. -- 1o. Optuigen, b. v. de bramraas.
2o. In een haven brengen. Een prijs O-- (een prijs gemaakt schip in een haven brengen).
Opdoeken, b. w. -- Samenvouwen. De zeilen O--.
Opdoemen, o. w. -- Zich twijfelachtig aan den horizont vertoonen. Wy zagen de kust uit zee O--.
Opdoen (zich), ww. -- Zich vertoonen. De rots aan den mond van Rio Janeiro Doet Zich Op als een suikerbrood.
Opdoening, z. n. v. -- Aanzicht. De O-- van het land.
Opdokken, o. w. -- Het dok ontsluiten, zoodat het schip in de vaart komt.
Spreekwijze: Hy moet O-- (hy moet zijn beurs ontsluiten).
Opdraaien, b. w. -- Naar omhoog draaien.
Opdraaien, o. w. -- Zich Draaiend bewegen. Voor het anker O--. Van hier--omdat men met Draaien niet vordert--mislukking in zijn poging. Wy dachten in de bocht van Anjer te loopen, maar Draaiden voor de Marakbaai O--. Parker dacht onze koopvaardyschepen te nemen, maar Draaide voor Zoutman op.
Spreekwijze: Hy is er voor Opgedraaid (hy heeft het niet kunnen gedaan krijgen).
Opdrijven, o. w. -- Wordt een vaartuig gezegd te doen, wanneer het met den vloed drijft, in tegenstelling van afdrijven, als het met de ebbe drijft.
Opdwarsen, b. w. -- Opknappen, afschrappen.
Open, b. n. -- O-- wal (dien men vrijelijk kan naderen.) O-- zee (buiten de banken.) O-- wind (waar men een plaats meê bezeilen kan).
Openen, b. w. -- 1o. Open maken. De kluizen O--, de luiken O--.
2o. Uitbreken. De buitenhuid O--.
Openhouden, b. w. -- (veroud.) Men wordt gezegd een schip Open te houden, als men te loevert of boven den wind er van is en blijft, om het althands te kunnen bezeilen: zoo ook een haven, ree, rivier O--, als men er bovenwinds van komt om er te kunnen binnenzeilen.
2o. Voor: uit elkander houden t. w. de landmerken. Den molen en den toren O-- (zoodanigen koers te houden, dat men uit het schip tusschen die beide voorwerpen doorzeilt).
Op-enteren, o. w. -- Opklimmen, in het want langs de stormladders, tegen de puttings. Enter Op! (komm).
Openzeilen, b. w. -- Uit elkander zeilen.
Opgaan, o. w. -- 1o. Aan het spil O-- (het touw om het spil vieren).
2o. Oprijzen. Het O-- van de zon.
Opgeärmd, b. n. -- (veroud.) Werd gezegd van bezaan en fok, als zy op een ongewone wijze ter windvang staan, het eene als men bylegt, het andere, als men voor-de-wind zeilt.
Opgegeid, b. n. -- Hetzelfde als Gegeid; het zeil is O-- wanneer zijn schooten door de geitouwen naar binnen zijn opgehaald, zoodat de wind er uit is.
Opgeien, bw. -- 't Zelfde als Geien. Vlak voor-de-wind zeilende met alle zeilen bygezet, geit men het grootzeil, om den wind niet te benemen aan het fokkezeil.
Ophalen, b. w. -- 1o. Oplichten, naar boven halen. Een bocht van een touw O--. Het roer O--. De riemen O--.
2o. Met laveeren vooruit komen, als men door terug zeilen te laag vervallen is, of als men door misgissing in de verkeerde passaat is gekomen. Het onder de kust van Sumatra O--. Het by de boelijn O-- (scherp by-de-wind). Het onder den wal in de neer O-- (oproeien).
Ophaler, z. n. m. of Kraallijn. -- Lijn, dienende om de halzen der noktakels Op te Halen.
Ophielen, b. w. -- Twee touwen door lusknoopen verbinden.
Ophouder, z. n. m. -- Touw, dienende om eenig blok (by voorbeeld van de noktakels, zoolang die niet gebruikt worden) tegen de ra aan te houden.
Ophijschen, b. w. -- Met touwen of kabels een voorwerp loodrecht ophalen.
Opkatten, b. w. -- Onder de kraanbalk halen, t. w. een anker.
Opkikken, b. w. -- Zie Kikken.
Opklaren, o. w. -- Helder worden; wordt het weer of de lucht gezegd te doen.
Opknappen, b. w. -- Redderen, schoonmaken.
Opknijpen, o. w. -- Zijn best doen om by-de-wind zoo veel mogelijk op te werken.
Opkomen, o. w. -- Verschijnen, opgaan. Het O-- van de maan.
Oplanger, z. n. m. -- Stut der kattesporen, hanger boven de poort. Naam van de verlengstukken der inhouten.
Oplaveeren, o. w. -- Al laveerende vooruit komen.
Opleggen, b. w. -- 1o. Bezeilen: Een punt bereiken of een hoek omzeilen zonder laveeren.
2o. Ontwapenen en buiten gebruik stellen. Dat schip is oud: men moet het O--.