Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe

Part 16

Chapter 163,973 wordsPublic domain

Mars, z. n. v. -- Houten vlak, zich rondom den mast uitstrekkende, ter plaatse waar de hoofdtouwen gespannen worden. Het vervangt de oudtijds aldaar aanwezige Mastkorf, die aldus genaamd werd naar de gelijkenis op de korf eens Marskramers. Beiden heetten vroeger Mersche. Zoo zegt Pharao in Vondels Pascha:

Loopt met u mersche loopt,

waar hy op een marskraam doelt; en Cats in de Huisvader:

Een man, die 't seyl noyt soo en stelt, Dat mast en mersche wordt gevelt.

Spreekwijze: M-- boven M-- voeren gold eertijds voor een spreekwoord, even als Bram boven Bram. Zie Bram. Vondel bedient zich op niet onaardige wijze van die uitdrukking in zijn Helden Godes, waar hy, de weelde afschilderende der Jonkvrouwen in Noachs dagen, van haar wel wat anakronistisch vertelt:

Haar halzen blanck als sneeuw zy preuts en opgeblazen, Omkransten, mars op mars, met krauwels portefrazen.

d. i.: Zy droegen dubbele kragen, twee boven elkander.

Marsiliaan, z. n. m. -- Soort van Venetiaansch vaartuig, byna uitsluitend in gebruik op de Adriatische zee. Het is van voren zeer opgezet en heeft een vierkanten spiegel.

Marsschoot, z. n. v. -- Schoot van de Marszeilen.

Marsval, z. n. m. -- Val van de Marszeilen.

Marszeil, z. n. o. -- Zeil, dat op een schip zich boven de benedenzeilen bevindt. Groot M-- (van den grooten mast). VoorM-- (van den fokkemast). Gestreken M-- (dat niet op zijn lijken gespannen is, daar de ra, waartoe het behoort, niet geheschen is). In top staand, in top geheschen M-- (dat gespannen staat). Halver steng gestreken M-- (waarvan de ra halverwege gestreken is van de steng, die haar draagt). M-- op het ezelshoofd of den rand (dat tot op den top van den benedenmast gestreken is). Dicht beslagen M-- (dat geheel op de ra gevouwen is). Een M-- hijschen, byzetten (de ra op het hoogste van de steng brengen). Vliegend, los M-- (waarvan de schoten loshangen). Gereefd M-- (dat gedeeltelijk op de ra is ingenomen). Volgebrast M-- (dat den wind van achteren ontfangt). Killend M-- (waarvan de oppervlakte in de richting van den wind is). Tegengebrast M-- (dat den wind van voren bekomt). Dichtgereefd M-- (waarvan alle reeven zijn ingenomen). M--skoelte (vaste wind). Gereefde M--skoelte (harde wind).

Spreekwijze: Een vrouwenhair trekt meer dan een M-- (zal wel geen verklaring behoeven).

Maskuliet, z. n. v. of Mazuliet. -- Indische Sloep, die met mosch gebreeuwd is.

Mast, z. n. v. -- Eigenlijk "boomstam", en van daar meer bepaaldelijk zoodanige stam, als recht op of schuins aan boord wordt gesteld, om een of meer zeilen op te houden en de werking van den wind op die zeilen aan het vaartuig over te brengen. Gekluchte M--, Gewangde M--, Geschaalde M-- (die uit verscheiden deelen is saamgesteld). M-- uit een stuk (die van een enkelen pijn of den is gevormd). Groote M-- (die omtrent 't midden van 't schip staat). Zie verder BezaansM--, FokkeM--, DruilsM--, PolakkeM--, SloepsM--, EenM--, TweeM--, DrieM--.--Ter halver M-- hijschen (eenig voorwerp, b. v. een vlag, op de helft van de mast hijschen). Den M-- laten vallen (op kleine vaartuigen, wanneer men bruggen onder door moet, enz.) Looze M-- (dien men in voorraad heeft).

Spreekwijzen: Hy mag zien hoe hy den M-- ophaalt (hy mag zien hoe ver hy 't brengen kan, hoe hy aan de kost zal komen. Dit ziet daarop, dat, op kleine vaartuigen, de M-- niet vast staat, maar, als hy neêrligt, moet worden opgehaald, wat soms een zwaar werk is.

Hy vaart waar de groote M-- vaart (hy volgt waar zijn meerdere hem voorgaat, hy doet wat zijn meester wil).

Geen twee (groote) M--en op één schip (maar één moet de baas zijn).

Hooge M--en vangen veel wind (groote, aanzienlijke personen staan het meest aan haat en laster bloot). Zoo zegt Pers:

Wat hoogh is lijdt te grooter last, Waar 't rijsken buyght, daar schudt de Mast.

Hy maakt van zijn M-- een schoenpen (hy bederft iets goeds om een beuzeling).

Den bezem op den M-- voeren (de zee schoon veegen van zeeroovers of vyandelijke troepen). Deze laatste spreekwijze vond haar oorsprong in een werkelijk gebruik, ook door onze Koopvaarders gevolgd na den oorlog tegen de Hanze-steden in 1433. Zoo zingt Vondel:

Dan voert hy op den mast een bezem tot een wapen.

Zie voorts Bezem.

Mastband, z. n. m. -- Yzeren band om den Mast.

Masteloos, b. n. -- Zonder Mast, of: van Mast beroofd. Het schip dreef M-- heen.

Mastemaker, z. n. m. -- Die Masten vervaardigt.

Mastemakery, z. n. v. -- Plaats, werf, waar Masten vervaardigd worden.

Masten, b. w. -- Bemasten, van Mast of Masten voorzien.

Masthout, z. n. o. -- Hout, geschikt of gebezigd om Masten samen te stellen of er aan gebezigd te worden.

Mastkoker, z. n. m. -- Houtverzameling om den voet van den Mast, hem tot steun dienende.

Mastschaal, z. n. v. -- Zekere maat van de mastemakers.

Mastschoor, z. n. m. -- Zie Loefbalk.

Maststut, z. n. m. -- Zie Loefbalk.

Mastwangen, z. n. v. mv. -- Houten, tot versterking van den Mast aangebracht.

Mat, z. n. v. -- Kleed of dekking van biezen, riet of bladeren gevlochten: aan boord veelal gebezigd tot bekleeding der broodkamer of andere plaatsen, welke men van vochtigheid wil vrij houden. Ook M-- van zeildoek met kabelgarens doorspekt, dienende om daar gelegd of vastgemaakt te worden, waar schavieling gevreesd wordt.

Matroos, z. n. m. -- Zeeman, en meer bepaaldelijk een, die voor gaadje dient. Licht M-- (die 't gewone scheepswerk doet). Vol M-- (bekwaam voor zijn werk, able seaman). Bevaren M-- (die eenige reizen gedaan heeft en des noods den Bootsman, enz. in sommige zaken kan vervangen).--De oorsprong van het woord ligt nog in 't duister. Volgends Bild. in v. is M-- 't zelfde als "matras" of "hangmat", en overdrachtelijk op den bewoner der hangmat toegepast. Zeker wijst de uitspraak, welke men aan 't woord geeft, een uitheemsche afkomst aan.

Mazuliet, z. n. v. -- Zie Maskuliet.

Medegaan, o. w. -- Wordt het anker gezegd te doen, wanneer het over den bodem sliert.

Meerboei, z. n. m. of Verhaalboei. -- Groote, gedubbelde, geteerde en goed waterdichte houten kist, hoedanige men er onderscheidene in een haven aan ankers met kettingen vast legt en met ringen voorziet, om er schepen aan te beleggen.

Meeren, b. w. -- Voor- en achter vastleggen in de haven, aan palen of dukdalven. Zie Maren.

Hoe bedrieght ghy dick uw weerd, Als hy aan uw vlotgras meert.

De Brune. Emblemeta.

Meerring, z. n. m. -- Ring aan een kaai, dienende om er een kabel door te halen en daar een schip aan vast te leggen.

Meertouw, z. n. o., Ankertouw, Vanglijn. -- Touw, waaraan een schip is vastgelegd.

Meesterrib, z. n. v. -- Hoofdrib of zijstuk van een vaartuig.

Meetbrief, z. n. m. -- Verklaring, door beëedigde scheepsmeters of andere bevoegde personen afgegeven, en inhoudende, behalve de handteekening van den scheepsmeter of ijkmeester, en den dag der meting of afgifte, een genoegzame omschrijving ter onderkenning van het schip, en wijders een opgave van lengte, wijdte en holte, tonnenlast, enz.--Zie verder de bepalingen omtrent den M-- in Tabel XVI der Patentwet, gevoegd achter de Wet van 6 April 1823 (Staatsbl. no. 34), en meer bepaald in § 33 en volgg. dier Tabel.

Meeuw, z. n. m. -- Zeevogel.

Spreekwyze:

Een meeuw over 't land Is een storm voor de hand.

Meir, z. n. v. en o. -- Groote oppervlakte water, binnen 't land besloten. By de dichters vindt men het ook voor "zee" genomen, welke beteekenis het ook in de samenstelling, gelijk als in 't Fr. en H. D. heeft behouden.

Meirman, z. n. m. -- In de diepte der zee levende man, half mensch half visch, hoedanige men vroeger geloofde en sommige zeelieden wellicht nog gelooven dat daar werkelijk bestaan.

Meirmin, z. n. v. -- Zeevrouw: 't wijfjen van een Meirman. Bekend is het sprookjen van de M--, die door Hollandsche visschers in het Purmermeir gevangen, na gedoopt, en onderwezen te zijn, langen tijd nog te Haarlem geleefd zou hebben.

Melken, b. w. (veroud.) -- Eigenaardige uitdrukking voor op- en neêrhalen van touwwerk.

Meridiaan, z. n. m. -- 1o. Groote denkbeeldige cirkel, getrokken door de beide polen en door de plaats, waarvan hy de M-- genoemd wordt, en den Equator met de daaraan evenwijdige cirkels rechthoekig doorsnijdende. De Eerste M-- (die, waarmede men, van 't O. naar 't W. gaande, begint te tellen). Algemeene M-- (die, waarin men by 't berekenen der Eklipsen, onderstelt, dat de zon vaststaat). Koperen M-- (cirkel van koper, waarin een aardkloot hangt en ronddraait). Magnetische M-- (groote cirkel, die door de polen van den zeilsteen heen loopt en waarin zich de magneetnaald beweegt).

2o. Gemeene doorsnede van den M-- en van eenig opstaand, horizontaal of schuinsch vlak.

3o. Rechte lijn, van 't N. naar 't Z. getrokken in het vlak van den M--, de M-- van Parijs (de lijn van het meest noordelijke tot het meest zuidelijke punt van Frankrijk getrokken).

4o. M-- van den middelbaren tijd (lijn, die den middelbaren middag aanwijst op den boog, naar de tijdsequatie getrokken.)

Merk, z. n. o. -- 1o. Herkenningsteeken, dat men aan alle voorwerpen geeft, die tot een bepaalde instelling, of die tot het vaartuig behooren.

2o. Teeken op den steven, van afstand tot afstand geplaatst, om den diepgang aan te duiden.

Merkels, z. n. m. mv. -- 1o. Hoepels, dienende om een boven een sloep of schuit gespannen zeil te droogen.

2o. Staven vierkant yzer, waarop de roosters, die tot dekking van den kuil dienen, rusten.

3o. of Scheerstokken: houten, waar de luiken der luikgaten op rusten.

Mes, z. n. o. -- 1o. Snijdend werktuig, 't welk de matrozen steeds op zak hebben, en 't welk in den strijd hun geliefkoosd wapen plach te zijn. Zie Kortjan, Opsteker.

2o. of Messing. Benaming, somtijds aan de scherpe sneden van den lap op den achtersteven gegeven.

Messing, z. n. v. -- Zie Mes.

Meten, b. w. -- Opnemen, nagaan, onderzoeken. De hoogte van de zon of van een ander hemellichaam M--. De ruimte van een schip M--.

Meter of Scheepsmeter. -- Beëedigde ambtenaar, met het meten der schepen belast. Zie de Wet van 6 April 1823, Tab. XVI, § 33 en volgg.

Middag, z. n. m. -- Middel van den dag: tijdstip, waarop zich de zon in den meridiaan bevindt. Ware M-- (de tijd, waarop hy zich werkelijk aldaar bevindt). Middelbare M-- (de tijd, waarop het M-- zijn zoude, indien de zon zich regelmatig in de ekliptika bewoog, en deze met den equator samenliep).

Middagkring, z. n. m. -- Zie Meridiaan.

Middaglijn, z. n. v. -- 't Zelfde als Meridiaan.

Middelbaar, b. n. -- Zie Tijd.

Middellijn, z. n. v. -- Lijn, die door het midden loopt.

Middelperk, z. n. o. -- Het middelste der drie vakken waarin het Dek in de breedte is afgedeeld en 't welk door de schaarstokken begrensd wordt.

Middelpunt, z. n. o. of Midden. -- Punt in een cirkel, van hetwelk al de punten van den omtrek even ver verwijderd zijn.

Middeltocht, z. n. m. of Centrum. -- Het gedeelte van de vloot, dat zich by een zeeslag of by een onderneming, tusschen de voor- en achterhoede bevindt en onder bevel van den Vlootvoogd staat.

Middenboords, bw. -- Naar het midden van het boord of schip.

Het Roer light midden-boords, de Vlagghe wijst voor uyt.

Huyghens, Hofwijck.

Midscheeps, bw. -- In of naar het midden van het schip. M-- het roer (zoodat de roerpen en de steven in ééne lijn staan. Zie Middenboords.

Mik, z. n. m. -- Staander, steunsel. 't Woord duidt oorspronkelijk de kruk aan, waarop men de schietroers lei om te mikken, en van daar alle dwarshout dat tot steunsel dient, alsmede dat steunsel zelf. M-- van den zeilboom. M-- van de pomp, enz.

Minderen, b. w. -- Verminderen. Zeil M-- (door het wegnemen of inbinden van sommige zeilen, de vaart van het schip doen verminderen).

Minuutglas, z. n. o. -- Zandglas, dat eene minuut loopt. Sedert lang gebruikt men, om de snelheid van een vaartuig te meten, by de loglijn, alleen het half en kwart Minuutglas.

Minuutlijn, z. n. v. (veroud.) -- Benaming van de Loglijn.

Misgissing, z. n. v. -- Verschil tusschen het waar en het gegist bestek.

Mist, z. n. v. -- Dikke damp, doorgaands koud, en waardoor de lucht verduisterd wordt.

Ik zal u met een mist en dicken nevel decken;

zegt Rafaël tegen Gijsbreght in Vondels treurspel.

Mistiek, z. n. v. -- Driemastschip, op de Middellandsche Zee in gebruik.

Miswijzer, z. n. m. of Miswijzend Kompas. -- Kompas, waarvan de naald ten Oosten of ten Westen afwijkt van het ware Noord.

Miswijzing, z. n. v. -- Hoek die de afwijking van de Magneetnaald, 't zij ten Oosten, 't zij ten Westen van 't Noorden bepaalt.

Mitis, z. n. v. (veroud.) -- Touwwerk aan den Mast.

Modder, z. n. m. -- Aarde met water vermengd, en een kleevende zelfstandigheid vormende, die zeer belemmerend is voor alle soorten van vaartuigen.

Modderen, o. w. -- Zich in den Modder bewegen, in den Modder, en in 't algemeen over den grond, voortgaan. Het schip Moddert (het schuift over den grond).

Te vaak bedriegt men zich in 't kiezen van zijn streek, Verzaakt den ankergrond en moddert in een kreek.

Bilderdijk, Ziekte der gel.

Moelje, z. n. v. -- Steenen hoofd, dat de kracht der golven breken en aan de schepen een landingsplaats verschaffen moet. De M-- van Genua, van Napels.

Moerzee, z. n. v. -- Onstuimige zee, die tot voorbode strekt van zwaar weer.

Moesson, z. n. m. -- Passaatwind, die, na gedurende een bepaalden tijd van het jaar uit denzelfden hoek gewaaid te hebben, de tegenovergestelde zijde opwaait. OostM--, WestM--.

Spreekwijze: Ik ben in een slechten M-- (het loopt my tegen, ik doe niet als verliezen).

Moer, z. n. v. -- Stuk metaal, spiraalswijze doorgestoken om er een bout in te wringen.

Moeren, b. w. -- 't Zelfde als Meeren, doch min gebruikelijk. Zie Meeren.

Moertouw, z. n. o. -- 't Zelfde als Meertouw. Zie ald.

Moerzee, z. n. v. -- Geweldig onstuimige zee. Zie Hoofdzee.

Moet, z. n. o. -- Rand, overblijvend merk, en wel bepaaldelijk het slijmachtige vuil, dat het zeeschuim op het strand achterlaat: 't wordt ook genomen voor de Waterlijn. Zie ald.

Moeten, b. w. (veroud.) -- Een schuit M-- (een schuit zachtjens voortduwen). Het roer M-- (het zachtjens schuiven). Waarschijnlijk is 't woord van 't Fr. mou (week).

Moker, z. n. m. -- Zware yzeren hamer. Zie Hooft, Geer. v. Velz. III.

Naeckt armde reusen Op aenbeeld souden 't met geen logge mookers kneusen.

Molenaar, z. n. m. -- Yzeren bout, om wier midden men een touw bevestigt, en die men dwars in den band van een ledig stuk plaatst, om dit in 't ruim te hijschen.

Mond, z. n. m. -- Opening. De M-- van een rivier. De M-- van een baai. De M-- van een stuk geschut. Onnutte M--en (overtollige personen aan boord, die mede eten).

Monding, z. n. v. -- Zie Mond.

Mondkost, z. n. v. -- Eetwaren, voorraad.

Monnik, z. n. m. of Sissen. -- 1o. Benaming van kleine kogeltjens buspoeder met azijn gemengd, welke men tusschendeks brandt om de lucht te zuiveren.

2o. (veroud.) Betingbalk.

Monsteren, b. w. -- Het volk in oogenschouw nemen. Revue houden.

Monstering, z. n. v. -- Het opmaken der monsterrol: 't welk ten overstaan van een bevoegd ambtenaar geschiedt. De verplichtingen tusschen den schipper en zijn Equipaadje beginnen eerst van het oogenblik, dat de M-- gedaan is. Zie voorts betreffende dit onderwerp artt. 396, 397, 399, 340, Wetboek van Koophandel.

Monsterrol, z. n. v. -- Rol of lijst, waarop de namen staan opgeteekend van hen, die zich aan boord bevinden, 't zij als tot de uitrusting behoorende, 't zij als passagiers. De M-- strekt ten bewijze van de voorwaarden der verbintenissen tusschen den schipper en de schepelingen aangegaan. Wat de M-- moet bevatten wordt geleerd in art. 397, Wetb. van Kooph. Zie voorts art. 396 en 393.

Morrelen, o. w. -- Iets in het ruim of hol van het schip zonder licht en alzoo by den tast verrichten.

Mortepaie, z. n. v. -- 1o. Los stuk geschut.

2o. Persoon, die zich aan boord bevindt zonder op de monsterrol te staan.

Mortier, z. n. o. -- Bomketel, steenstuk.

Mosch, z. n. v. -- Gedroogde plant, die gebezigd wordt tot het stoppen der naden aan de buitenhuid.

Moschpapier, z. n. v. -- Soort van papier, uit Mosch vervaardigd, en ten zelfden einde dienende.

Moschsponning, z. n. v. -- Sleuf, die voor de helft in een stuk hout en voor de wederhelft in het daartegen geplaatste stuk gemaakt is, en dienende om met Mosch of moschpapier te vullen.

Moskuil, z. n. m. -- Soort van grooten houten hamer.

Kardoezen, moskuils en kruitkokers wijt van keelen.

Antonides. Ystroom.

Mosselman, z. n. m. -- 1o. Een vaartuig, dat Mosselen vischt.

2o. De man, die ze verkoopt.

Spreekwijze: Daar veel volks is, valt veel te verkoopen: dat wist de M-- ook, en liep met mosselen de kerk binnen.

Mosselwagen, z. n. m. -- Ruimte tusschen de twee beetings.

Motse, z. n. v. -- Wijde schippers overbroek.

Motten, onp. w. -- Stofregenen. Het regent niet, het mot slechts.

Motterig hout, z. n. o. -- Eikenhout met kleine vlekjens, als de vlerken van Motten, ongeschikt om onder water te dienen.

Muide, z. n. v. -- Mond of monding, waarvan ons Muiden, Arnemuiden, IJsselmuiden, de Engelsche steden Pleimuiden, Jaarmuiden, enz.

Muis, z. n. v. -- 1o. Knoop, in een touw gelegd om het doorschieten te beletten.

2o. Opgeschoten touw.

3o. Beslag van een riem.

4o. Knoop of beslag van de kabelaring.

Muizen, b. w. -- De kabelaring beslaan.

Muizing, z. n. v. mv. -- Verdikkingen, die van afstand tot afstand op de kabelaring gemaakt zijn en dienen om die door de seizing aan het zwaar touw te doen houden tot aan het spil.

Mulet, z. n. m. -- Soort van Portugeesch vaartuig, dat veel sprong heeft en sterk voorover gebogen masten met latijnzeilen draagt.

Murgpijp, z. n. v. -- Triviale benaming van de looden of houten koker, die aan het vuil, de flesschen enz. tot doortocht naar zee strekt.

Musket, z. n. o. -- Schietgeweer. Zie Roer.

Mutsjen, z. n. o. -- Blikken maatjen, het zestiende deel vormende van een pint, en het rantsoen van een man aan sterken dank voor één maal bevattende. Een M-- jenever. Het wordt ook voor de hoeveelheid zelve gebezigd. Ik zou nog wel een half M-- lusten.

N.

N, z. n. v. -- Beteekent: 1o. Noord, Noorden. De wind is N. (is noord). Texel ligt ten N. van Holland.

2o. Een onbepaald getal. Dat schip ligt op N. mijl afstand (op een getal mijlen, onverschillig welk).

Na, bw. -- Dicht, naby. Het zeil staat te N-- aan den wind. Wy liggen te N-- aan den wal.

Naad, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen twee nevenplanken. Opene N-- (verwijdering van dien afstand, ten gevolge van de droogte of van de beweging van 't schip).

2o. Vereeniging der banen van een zeil. Platte N-- (welke de zeilemakers maken, wanneer zy de banen een duim over elkander doen kruisen). Ronde N-- (eenvoudige N--, die de banen van het zeildoek baan aan baan verbindt).

Naadhaak, z. n. m. -- Yzeren werktuig, waarmede men het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de Naden der planken haalt.

Naadprezennings, z. n. v. mv. -- Smalle strooken Prezenning, om de Naden en luiken op kleine vaartuigen te dekken.

Naaien, b. w. -- 1o. Met de naald vasthechten.

2o. Aanslaan, beleggen. Een blok N--.

Naaibouten, z. n. m. mv. -- Zie Koppelbouten.

Naald, z. n. v. -- 1o. Puntig werktuig van een oog voorzien en dienende om voorwerpen met een draad aan elkander te hechten.

2o. KompasN--, MagneetN--: plat stalen lemmer, in 't midden met een spil bevestigd op de roos van 't kompas, en de windstreken aanwijzende. Doode N-- (die haar kracht verloren heeft). Walende N-- (die zich niet dan langzaam richt). Zie Lelie.

De Naelde wijckt noch wraeckt en alle gissingh sluyt.

Huyghens. Hofwijck.

Naald, z. n. v. -- Strook houts, die somtijds tusschen het rahout en den zitgang wordt aangebracht.

Nachtglas, z. n. o. -- Zandlooper, die acht glazen of vier volle uren loopt eer hy ledig is.

Nachthuisjen, z. n. o. -- Houten kast, gewoonlijk in drie nevens elkander gestelde vakken verdeeld, waarvan het middelste een lamp bevat, bestemd om de beide anderen, die ieder van een kompas voorzien zijn, te verlichten. Het N-- is vlak tegenover den roerganger geplaatst.

Nachtschot, z. n. o. -- Schot, dat aan boord van groote schepen gelost wordt, om aan te kondigen, dat het werk van den dag verricht is. Elken avond te acht ure doet de vlootvoogd het N--.

Nachtschuit, z. n. v. -- Veerschuit, die 's avonds afvaart, om 's morgens op haar bestemmingsplaats te komen.

Spreekwijze: Hy komt met de N-- (hy komt laat: hy brengt nieuws, dat ieder reeds weet).

Nachtwijzer, z. n. m. -- Werktuig, waarvan men zich aan boord plach te bedienen, om 's nachts het uur te weten, door de hoogte der Noordster boven den pool te meten.

Naderen, b. en o. w. -- Naby komen. 't Is gevaarlijk, die kust te veel te N--. Het vaste land begint reeds te N-- (wy komen reeds in de nabyheid van het vaste land).

Nadir, z. n. o. -- Het punt, dat loodrecht onder een aangegeven plaats of voorwerp en alzoo tegenover het Zenith staat.

Nagels, z. n. m. mv. -- Houten, ronde, langwerpige cylinders, die gebezigd worden tot het vastmaken van buitenhuidsplanken. Zy behooren gekloofd te worden uit taai hout, dat niet vatbaar is voor zwelling. N-- over N-- schieten (werd vroeger van het vooruitsteken van den steven gezegd).

Nagelbank, z. n. m. -- Smalle plank, van bouten voorzien en horizontaal in het want geplaatst om tot steunpunt by onderscheiden kleine verrichtingen te dienen.

Nageldraaibank, z. n. m. -- Bank, waarop Nagels vervaardigd worden.

Nagelen, b. w. -- Een Nagel inslaan.

Namiddagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord van 's middags tot 4 uur 's avonds.

Naschip, z. n. o. of Achterblijver. -- Schip, dat trager dan de overigen aankomt.

Spreekwijze: Hy komt met de Naschepen (hy brengt een tijding, die aan iedereen bekend is).

Nasleepen, b. w. -- Op 't sleeptouw hebben, achter zich trekken. Het fregat Sleepte de gemaakte prijzen achter zich Na.

Nat, z. n. o. -- Wat vloeibaar is.--Door de dichters wel eens voor zee gebezigd, doch dan immer met een b. n. Het zoute N--, het peilloos N--.

Langs 't golvend nat naar de Oosterkust getogen.

K. W. Bilderdijk.

Spreekwijze: Geen N-- of droog hebben (niet te eten noch te drinken hebben).

Hy lust zijn N--jen wel (hy is een drinkebroêr).

Nathals, z. n. m. -- Zuiplap, drinkebroêr.

Natten, b. w. -- Nat maken. De zeilen N-- (die bevochtigen, om het doek te doen krimpen, en, wanneer het ontplooid wordt, de spanning te vermeerderen). Het geschut N-- (bekoelen).

Navette, z. n. v. -- Indiaansch scheepjen.

Navloed, z. n. m. -- Zie Achtervloed.

Neb, Nebbe, z. b. v. -- 1o. De bovenarm van een knie, die tegen een balk komt.

2o. 't Zelfde als Sneb. Zie ald.

Nebschuit, z. n. v. -- Schuit, van een Neb of snuit voorzien.

Neer, z. n. v. -- Sterke rafeling of kabbeling in het water, veroorzaakt door de ontmoeting van een tij met een byzonderen stroom: en in 't algemeen de tegenstroom, die langs den wal loopt. Met de N-- wegdrijven (van de deining gebruik maken om voort te komen). In de N-- oproeien (uit den stroom blijven).

Spreekwijze: Hy is in de N-- geraakt (het loopt hem tegen).

Neêrgaan, o. w. -- Van de hoogte naar de laagte gaan. N-- noemen onze strandbewoners "in zee steken", omdat zy hun vaartuigen van het hoogere strand af moeten brengen.

Neêrhalen, b. w. -- Naar beneden halen. De vlag N--. Zie Strijken.

Neêrhaler, z. n. m. -- Touw.

Neêrlaten, b. w. -- Laten zakken. Een mast N--, de jol N-- (in zee strijken).

Neêrtrekken, b. w. -- Het vlot brengen der visschuiten of bommen.

Nering, z. n. v. -- De vrije N-- doen plach gezegd te worden voor: "zeeschuimen, op zeeroof uitgaan."

Net, z. n. o. -- Gebreid of geknoopt samenstel van garen. VerschansingsN-- (dat langs het boord loopt). MarsN--ten (die aan den achterkant der marsen zijn). Zie verder EnterN--, VischN--. Ook N--, gebezigd om visch te vangen. De N--ten schieten (ze uitwerpen). De N--ten boeten (ze herstellen).

Ziet dat gy hierop naarstig let, De groote visschen scheuren 't net.

Cats.

Spreekwijzen: Achter het N-- visschen (te laat komen om zijn voordeel te doen).

Iemand in 't N-- krijgen (iemand verschalken).

Iemand het N-- over 't hoofd halen (hem met geweld verongelijken).