Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe

Part 15

Chapter 153,899 wordsPublic domain

Lichter, z. n. m. -- Vaartuig, waarmede groote schepen gelost worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by hun aankomst op de reede van Texel, alle door L--s naar Amsterdam vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent de L--s in artt. 19, 20, 21 en 22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.

Spreekwijze: Een L-- aan boord krijgen (ondersteuning krijgen om door de bezwaren heen te komen).

Lichter, z. n. m. -- Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn.

Lichting, z. n. m. (veroud.) -- De kring of draaijing van het touw rondom den spil.

Lier, z. n. v. -- Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om vrachtgoederen in een schip te hijschen.

Ligdagen, Liggen, enz. -- Zie Legdagen, Leggen.

Ligging, z. n. v. -- Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt.

Linie, z. n. v., Evennachtslijn of Equator. -- Cirkel om den aardbol, die overal even ver van de beide polen verwijderd is. De L-- passeeren (van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd).

Spreekwijze: De L-- gepasseerd zijn (50 jaar oud zijn geworden).

Linie, z. n. v. -- Lijn, slagorde. In L-- geschaard zijn. Gesloten L-- (wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn). Loefwaartsche L--, Lywaartsche L-- (wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen by elkander bevinden).

Linieschip, z. n. o. of Schip van Linie. -- Groot oorlogsvaartuig, vroeger "Schip van oorlog" genoemd.

Lip, z. n. v. -- Keep.

Lipklamp, z. n. v. -- Zie Klamp.

Loef, z. n. v., Loefboord of Loefzijde. -- 1o. In een zeilend schip, de zijde, waar de wind op staat. Aan L-- zitten.

2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts.

3o. Het voordeel van den wind. De L-- afwinnen (het voordeel van den wind bekomen). De L-- houden (het voordeel van den wind bewaren).

Spreekwijze: Iemand de L-- afsteken (voordeel op iemand behalen, iemand voor zijn).

Iets eens L--s doen (iets zonder beraad, zonder aarzelen doen).

Loefbalk, z. n. m., Maststut of Mastschoor. -- Naam van zware stukken hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt.

Loefboom, z. n. m. -- Zie Botteloef.

Loefboord, z. n. o. -- Zie Loef.

Loefbras, z. n. m. -- Bras aan de windzijde.

Loefgierig, b. n. -- Zwaar op het roer. L-- schip (dat gemakkelijk naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven).

Loefhals, z. n. m. -- Hals aan de windzijde.

Loefhouden, o. w. -- Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen.

Loefhouder, z. n. m. -- 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt.

2o. of Bitstuk. -- Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens aangebracht.

Loefpardoen, z. n. o. -- Vliegend Pardoen.

Loefschoot, z. n. v. -- Schoot aan de windzijde.

Loefspant, z. n. v. (veroud.) -- Spant, die in verband staat met de halsklamp.

Loefwaart (Te), bw. -- Zie Loevert (te).

Loefwal, z. n. m. -- Wal, kust aan de windzijde.

Loefzijde, z. n. v. -- Zie Loef.

Loerding, z. n. v. -- Zie Lording.

Loet, z. n. v. -- Spaansche bezem, waarmede een schip onder water geschrobd wordt.

Loeven, o. w. Aanloeven of Oploeven. -- By-de-wind komen, den voorsteven van het schip naar den wind brengen. L-- is het tegenovergestelde van Afhouden. L--! L-- op! Houd de L--! L-- op stijf! (houd dicht by den wind!) L-- op voor de bui! L-- voor de zee!

Loevert (Te), bw. -- Aan de windzijde. Een schip te L-- bespeuren.

Log, b. n. -- Bang, zwaar. L-- in het zeilen. Dat schip ligt L-- op het water.

Log, z. n. v. -- Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche snelheid van een schip te meten.

Logboek, z. n. o. -- Dagregister, scheepsjournaal.

Loggaten, z. n. o. (veroud.) -- Thans Vullingsgaten genoemd. Zie ald.

Loggen, o. w. -- De Log over boord werpen.

Logger, z. n. m. -- Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast, een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd.

Logglas, z. n. o. -- Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te bepalen, waarin de Loglijn loopt.

Loglijn, z. n. v. -- Lijn, die van den overlooper af met knoopen en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el, de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120ste gedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is een halve minuut.

Logplankjen, z. n. o. -- Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt, van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd.

Logrol, z. n. m. of Logwuit. -- Spil, waar de Loglijn over loopt.

Logtafel, z. n. v. -- Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld, en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd.

Logwuit, z. n. v. -- Zie Logrol.

Lokgat, z. n. o. (veroud.) -- Waterloozing.

Lont, z. n. v. -- Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen ontbranden.

Lontstok, z. n. v. -- Stok, waar de Lont aan gehecht is.

Lontvat, z. n. o. -- Vat voor de Lonten.

Lood, z. n. o., Diep- of Peillood. -- Langwerpig vierkant stuk lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water te peilen. DiepL--, ZwaarL-- (het Lood waarmede groote -), HandL--, LichtL-- (waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste van 't zwaar L-- is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond, te onderkennen.

Looden, o. w. -- Diepte-peilen.

Loodbalie, z. n. v. -- Tobbe, waar de natte Loodlijn by 't binnen halen in wordt geborgen.

Looding, z. n. v. -- Diepte-peiling.

Loodlijn, z. n. v. -- Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is, en door welke de diepte van het water gemeten wordt.

Loodlijnblok, z. n. o. -- Blokjen, dat aan het want van een benedenmast gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker uit de diepte op te halen.

Loods, z. n. m. -- Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om zulks te verrichten. BinnenL-- (die zijn bedrijf op de binnenwateren uitoefent). BuitenL-- (die met het buitenwater bekend is).

Antonides noemt in zijn IJstroom, de Loodsen:

Een volk, in 't peilen van den gront en droogte ervaren.

Spreekwijze: Het zit er niet dieper, zei de L-- en hy peilde in de vleeschbalie (op botterikken toe te passen).

Loodsboot, z. n. v., Loodsschuit of Loodsvaartuig. -- Vaartuig, dat den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. De L-- is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar.

Loodsen, b. w. -- Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met behulp, 't zij van theoretische, 't zij van plaatselijke kennis. InL--, BinnenL--.

Nu scheen zy eens een kleene boot In 't roeien na te bootsen En 't vlot, by 't kronklen van den stroom De bochten in te lootsen.

Bilderdijk, Elius.

Loodsgeld, z. n. o. -- Geld, dat voor het Loodsen betaald wordt. Ontfanger der L--en (ambtenaar, die de L--en ontvangt en aan het Departement van Marine verantwoordt).

Loodsman, z. n. m. -- 't Zelfde als Loods.

Loodswezen, z. n. o. -- Al wat tot het bestuur en de inrichting van het Loodsen betrekking heeft.

Loog, z. n. v. -- Stukken hout, die volgends 't beloop van 't schip moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken.

Loogen, z. n. v. -- Stukken hout nat maken en buigen.

Loom, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is in zijn bewegingen.

Loop, z. n. m. -- 1o. Richting. De L-- van een stroom.

2o. Bus van een schietgeweer.

3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon.

Loopen, o. w. -- 1o. Varen, zeilen. Dat schip Loopt snel. Zie Binnenloopen, Uitloopen.--Achterom L-- (Engeland omzeilen, 't geen vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was te doen).

2o. Zakken. Het zeil laten L-- (het zeil strijken).

Loopend want. -- Zie Want.

Looper, z. n. m., Uithaalder, Wipper. -- Algemeene benaming van alle touwen, die door een blok loopen. L-- die van achteren naar voren vaart (die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip gestrekt is). Doorgeschoven, geschoren L-- (die van voren naar achteren loopt). Beknepen L-- (die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook wordt veelal dat gedeelte van een touw, 't welk men by 't hijschen of halen in handen heeft, de L-- genoemd. KardeelL--, StengewindreepsL--.

Loopgang, z. n. m., of Loopplank. -- Het bak- en stuurboordsgedeelte van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat.

Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. -- Kruitloop, in een Brander aangebracht, om dien aan te steken.

Loop-in-'t lijntjen, z. n. o. -- Jong matroos.

Loopplank, z. n. v. -- Zie Loopgang.

Loopstags, z. n. o. mv. of Leiers van den Boegspriet. -- Touwen op gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen, en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs dien mast op en neder te gaan.

Loos, z. n. v. -- Losse bocht in een touw.

Loos, b. n. -- Alles wat men waarloos aan boord heeft. Looze stengen, Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt. Looze voorsteven, Looze poorten (borden, waarmede men de geschutpoorten sluit als het geschut te boord staat). Looze (ook Losse) kiel (die aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt).

Lording, z. n. v. of Loerding. -- Driedraads geteerd garen.

Los, bw. -- In verscheidene kommandoos gebezigd. Kluiver en Stagzeilschoten L--, L-- overal! L-- overal in eens!

Losgooien, b. w. -- Snel losmaken.

Losplaats, z. n. v. -- Werf of Kaai, waar goederen gelost worden.

Losbranden, b. w. -- Afschieten. Een roer, een kanon L--. Brandt er op Los! (schiet af!).

Losscherp, z. n. o. (veroud.) -- Allerlei yzerwerk, als staven, schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in 't geschut gestoken werd.

Lossen, o. w. -- Zich van zijn vracht ontdoen. Wy werden genoodzaakt te L--. Reglement op het laden en L--.

Lossen, b. w. -- 1o. Uitbrengen. Goederen L-- (ze uit het vaartuig aan wal brengen). Zie omtrent het L-- van goederen de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152.

2o. Afschieten. Het geschut L-- (schieten).

3o. Bevrijden, ontslaan.

Lossing, z. n. v. -- Ontscheping van goederen.

Lucht, z. n. v. -- 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar is om te leven. L-- maken (de L-- door het openen van luiken, deuren of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen).

2o. Zwerk, uitspansel. Betrokken L--. Dikke, verstopte L--. Heldere L--. Mistige L--. De L-- staat naar regen (er zal regen komen).

3o. Wolk, bui. Er hangen zware L--en.

4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp. De L--en opvullen. L--en tusschen de wegers.

Luchtjen, z. n. o. -- Windtjen, koeltjen, briesjen.

Luchtgaten, z. n. o. mv. -- Vierkante gaten beneden het kolsem door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de buikdenningen worden ook L-- gemaakt om het water te doen schieten dat daar op staat.

Luchtzeil, z. n. o. -- Zie Koelzeil.

Lui, b. n. (veroud.) -- L--hout heette by de scheepstimmerlieden wat niet wel gekromd of gebogen was.

Luien, b. w. -- 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen.

2o. Voor: "de klok luiden," 't geen men by mistig weer doet; ter waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:--alsmede om het volk tot schaften te roepen.

Spreekwijze: De klok L--, maar niet schoften, iets belooven, maar niet volbrengen.

Luik, z. n. o. -- 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als dient om een opening te Luiken of dicht te maken, en van hier, door toepassing:

2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men aan boord van een schip het achterL--, het grootL--, het voorL--, en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden.

Luisteren, o. w. -- Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het roer te L--, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger er aan wenscht mede te deelen.

't Schip luistert naar geen roer, naer Stuurman noch kompas.

Vondel. Lof der Zeevaert.

Luitenant-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal.

Luitenant ter Zee, z. n. m. -- Tytel van den Officier, die op den Kapitein-Luitenant volgt. De L-- ter zee der Eerste klasse heeft den rang van Kapitein by de Landstroepen. 't Woord is Fransch en beteekent letterlijk: "plaats-bekleeder", "stede-houder".

Luiwagen, z. n. m. -- Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over heen en en weêr loopt.

Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) -- Verschansing op het voorkasteel.

Lul, z. n. m. -- Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig.

Lumieren, z. n. v. mv. -- Dageraad, eerste schemering, verhollandschte uitspraak van 't Fr. lumière. Wy moeten morgen met de L-- beginnen (zoodra de dag aanbreekt).

Luns, z. n. v. -- Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een roltuig gestoken wordt om het afloopen van 't wiel te beletten.

Lurken, o. w. -- Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart geen grond raakt.

Luwen, o. w. -- Bedaren, kalm worden. Het begint te L-- (het weer zal bedaren). De storm is aan 't L-- (aan 't verminderen).

Spreekwijze: Het begint te L--, zei de reiziger, en hy zat achter een bies.

Luwte, z. n. v. -- Kalmte, veiligheid. Wy zijn hier in de L-- (buiten den wind).

Lij, z. n. v. -- Van den wind, het tegenovergestelde van Loef. Wie zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aan L-- bevindt, aan de lagere (dus lijdende) zijde van het vaartuig. Roer aan L--! (breng het roer van den wind af).

Spreekwijzen: Iemand in L-- brengen (hem in nood, in lijden brengen).

Iemand in L-- houden (hem bedwingen).

Hy ligt in L-- (hy is overwonnen).

Zich in L-- houden (zich stil, aan lager kant houden).

Lijboord, Lijboelijns, Lijbrassen, enz. -- Het Boord, de Boelijns, enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden.

Lijf, z. n. o. -- Het grootste gedeelte eener knie.

Lijfhout, z. n. o. -- Zie Watergangen.

Lijfknoop, z. n. m. -- Boelijnsknoop, die een man om 't lijf geslagen en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt.

Lijfnaden, z. n. v. mv. -- Naden tusschen de watergangen.

Lijk, z. n. o. -- De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord wordt; alzoo het lichaam of lijk, dat de ziel of het zeil omsluit.

Spreekwijze: Uit de L--en geslagen ('onklaar, in de war':--omdat een zeil, dat uit zijn L--en slaat, gescheurd en onbruikbaar raakt).

Lijken, b. w. -- Een zeil met touwwerk omzoomen.

Lijkgaren, z. n. o. -- Garen, tot het Lijken gebruikt.

Lijknaald, z. n. o. -- Naald, tot het Lijken gebezigd.

Lijn, z. n. v. -- 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van 120 vademen lengte. In de L-- loopen (een schuit trekken). Zie Loop in 't Lijntjen.

Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege, Daer 't treck-gelt op magh staen; aers moeten w'in de lijn En halen 't met den hals; maer dat's een korte pijn.

Huyghens, Hofwijck.

2o. Denkbeeldige Streep. L-- van de kim, waterL--.

3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen waar het Dek moet komen. Zie DekL--.

Spreekwijze: Zachtjens aan, dan breekt de L-- niet (laat uw ontwerp niet door overijling of drift mislukken).

Trek aan dat L--tjen niet (roer die zaak niet aan).

Eene L-- trekken (overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel voorstaan).

Lijnbaan, z. n. v. -- Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt: van daar de touwslagery zelve.

Lijst, z. n. v. of Sent. -- Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.

Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)--Touwen, daar men de bonnetten aan de zeilen meê vast rijgt.

Lijstnaald, z. n. v. -- Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra, uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.

Lijwaart, bw. -- Van den wind af. Aan Lij.

Lijwal, z. n. m. -- Kust, wal onder den wind.

Lijzeil, z. n. o. Zie Broodwinder. -- BovenL-- (dat aan het marszeil), BramL-- (dat aan het bramzeil), Groot bovenL-- (dat aan het grootbovenbramzeil), Groot onderL-- (dat aan de groote ra), KruisL-- (dat aan het kruiszeil), KruisbramL-- (dat aan het Grietjen), Voor-bovenL-- (dat aan het klein marszeil), VoorbramL-- (dat aan het voorbramzeil), VooronderL-- (dat aan het fokkezeil is bygezet).

Lijzijde, z. n. v. -- Zijde onder den wind.

M.

Maak vast, u. -- Kommando om te beleggen of te sjorren. M-- V-- zonder opgaan (zonder dat het touwwerk slap wordt).

Maalstroom, z. n. m. -- Wieling, of draaikolk, die op sommige plaatsen zoo sterk is, dat een klein vaartuig, hetwelk er in raakt, groot gevaar loopt van vergaan.

Maan, z. n. v. -- Planeet, die in ongeveer 27 dagen om de aarde wentelt, en door wier invloed ebbe en vloed geregeld wordt. Volle M-- (als zich haar schijf geheel verlicht vertoont). Nieuwe M-- (als zy nog moet wassen). Wassende M-- (als zy dag aan dag voller wordt). Afnemende M-- (als haar schijf telke nacht vermindert). KwartierM-- (als zy in haar eerste of laatste kwartier is). Pissende M-- (Halve M-- die zich met den bovensten hoorn voorover gebogen vertoont: zy is volgends de zeelieden een voorbode van regen). Scheppende M-- (Halve M-- wier onderste hoorn vooruit steekt). Maandagsche M-- (op welken dag geen visscher zoû afvaren, naar 't oude rijmpjen:

Een maandagsche maan, Kan iets (een vaartuig) zonder wind of regen vergaan.

Maas, z. n. v. -- 1o. Knoop van een net.

2o. Opening, tusschen de knoopen ingelaten.

Spreekwijze: Door de Mazen kruipen (de gelegenheid waarnemen om een gevaar te ontkomen, waar anderen licht in zouden geraken).

Maat, z. n. m. -- 1o. Iemand, die een ander behulpzaam is of ter zijde staat. KoksM--, BotteliersM--, BootsmansM--, SchiemansM--.

2o. Makker, kameraad. Zie Baksmaat.

Magazijn, z. n. o. -- Bergplaats, pakhuis. Het Oost-Indisch M--, het West-Indisch M-- (waar Oost- of West-Indische waren werden opgeslagen). Zie Zeemagazijn.

Magazijnmeester, z. n. m. -- 1o. Hoofdopzichter van een Magazijn.

2o. Viktualiemeester.

Mager, b. n. -- Schraal, gebrekkig. M-- water (ondiep water).

Magermannen, z. n. m. mv. -- Boelijns van de fok.

Magneet, z. n. m. -- Zie Zeilsteen. Natuurlijke M-- (die uit zijn aart het yzer aantrekt). KunstM-- of artificieele M-- (die met zeilsteen bestreken is). Beslagen of geladen M-- (die met yzer bekleed is). Mededeelzame M-- (die zijn werking gemakkelijk doet). Sterke M-- (die in evenredigheid met zijn grootte een zwaar gewicht torscht).

Magneetnaald, z. n. v. -- Naald, met yzer beladen of voorzien.

Magneetsteen, z. n. m. -- Zie Zeilsteen.

Mal, z. n. m. -- Vorm, uit dunne planken vervaardigd, hetzij van 't geheel, of ter samenstelling van eenig onderdeel. De scheepstimmerlieden werken naar den M--, moeten zich houden aan den M--, den M-- minnen. 't Woord is 't zelfde als 't Fr. moule, doch echt Hollandsch een wortel van Malen.

Spreekwijze: Iemand voor den M-- houden (hem bezigen als een voorwerp, waar men nut van trekt.)

Malder, Maller, z. n. m. -- Naam, die men op de scheepstimmerwerven geeft aan bekwame werklieden, die den Mal weten te stellen, of de stukken er voor samen te brengen.

Mallen, o. w. -- Naar den Mal werken.

Malzolder, z. n. m. -- Ruim vertrek, waarvan de vloer volkomen gaaf en horizontaal is en tot bord dient, waarop de spanten, de senten enz. van het vaartuig, dat men bouwen wil, worden afgeteekend.

Mamiering, z. n. v. -- Geleibuis van leder, zeildoek of andere zoo veel mogelijk ondoordringbaar gemaakte stof, en dienende om vocht of gas van de eene naar de andere plaats te doen wegvloeien. M-- van de spygaten, van de pomp.

Kruitstampers, akerkloots, mammierings en kardeelen.

Antonides Ystroom.

Man, z. n. m. -- Benaming, welke de visschers op sommige zeedorpen aan de schuit geven. De M-- is op het hout geholpen (het vaartuig, dat op 't zand tegen 't duin aanstond en er ingezakt was, is gelicht en op rollen en planken gebracht om het in zee te brengen).

Man, z. n. m. mv. -- Verkorting van Mannen. Hoe veel M-- hebt gy aan boord? Het schip is met M-- en muis vergaan (met al wat er zich op bevond).

Man te roer, u. -- Kommando om den roerganger te doen vervangen.

Mangat, z. n. o. -- Opening aan boord van een stoomvaartuig, door welke men in den stoomketel komen kan.

Manifest, z. n. o. -- Gewaarmerkte Vrachtlijst: een dubbel daarvan kan volgends art. 12 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 voor generale verklaring gelden.

Mannen, b. w. -- 1o. Bemannen, van manschap voorzien. De vloot M--.

2o. Van hand tot hand, en alzoo van Man tot Man aangeven, gelijk by 't lossen en laden met kleine voorwerpen plaats heeft.

Mannetjens, z. n. m. of Tarmen. -- Steunsels der regelingen van het galjoen, tevens de zijwanden van dit laatste vormende en helpende om de balkjens in de vloer te dragen.

Manoeuvre, z. n. v. (bastertw.) -- Beweging, wending, verandering van front of richting. Een fraaie M--. De M--s kommandeeren. Een stoute, gezwinde, voordeelige M--.

Manoeuvreeren, o. w. -- Bastertwoord, gebezigd, als men van een schip spreekt, dat de stelling zijner zeilen verandert om de beweging te volgen, welke het roer hen mededeelt. Dat schip kan by windstilte niet M--. Een vloot wordt gezegd te M-- als de schepen zich, naar de gegeven bevelen, in verschillende richtingen begeven, van linie veranderen, enz.

Manschap, z. n. v. -- Bemanning, Equipaadje. Wie daartoe behooren, verhaalt Vondel in 't Lof der zeevaart.

't Is koopman of kommijs, De Schipper, Stuurmansmaet en Stuurman, die om prijs En winningh, 't roer bewaeckt; Hoogbootsman, Schimman, Gieter, Seilmaecker, Bottelier, Barbier, en Busseschieter, De Wachter van 't kajuit, de Putjer, de Provoost. En 't statigh aengezicht dat zieltjes zalft en troost. De Timmerman, de Kock, die voedsel schaft om 't leven, En op gesette tijdt elck een sijn spijs te geven. By deze komt Matroos, doch hondert in 't getal, Twee vanen kryghsvolck oock als 't ergens gelden sal.

Manschappen, z. n. v. mv. -- Mannen, Lieden tot de Manschap behoorende. Hy zond de boot met tien M--.

Manshoofd, z. n. o. of Manskop. (veroud.) -- 1o. Blok, om eenig touw aan te beleggen.

2o. Koppen aan de roers van jachten en zeilschuiten.

Mantel, z. n. o. -- Takel in het groote en fokkewant, gebezigd om zware lasten mede over te hijschen.

Maren, o. w. (veroud.) -- 't Zelfde als Meeren. Zoo Vondel:

Matroos, gemoedigt door sijn winst, begroet alreê Sijn jonge vrouw, die t' huis gesmoort in hartewee, Den hemel smeekt, dat hy zoo lang de wilde baren In toom hou, tot het schip komt voor de paelen maeren.

Marine, z. n. v. -- 1o. Zeemacht. Hy dient by de M--. Engeland heeft een sterke M--.

2o. De Administratie, het Bestuur van het Zeewezen, in welken zin het woord altijd zonder Lidwoord wordt gebruikt. Het Ministerie, het Departement van M--. Hy is ambtenaar by M--.

Marinier, z. n. m. -- Zeesoldaat. Het korps M--s. Luitenant van de M--s.

Marlen, b. w. -- De onderlijken der zeilen omwinden met Marlijn.

Marling, z. n. v. -- Zie Marlijn.

Marlpriem, z. n. m. -- Yzeren of houten Priem, een weinig gebogen, en gebezigd om de strengen te lichten van het touwwerk dat men splitsen wil.

Marlreep, z. n. v. -- Lichte hanepoot op het onderlijk der fok, dienende om deze op te lichten als men er onder door wil zien.

Marlijn, z. n. v. -- Tegenwoordige naam van Marling of Meerling, zijnde touw, geschikt om iets te Meeren of vast te binden.