Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe

Part 14

Chapter 143,912 wordsPublic domain

Kruithoorn, z. n. m. -- Lange hoorn, van boven met een plat deksel gesloten, en dienende tot bewaring van het Buskruit, dat op het laadgat gedaan wordt.

Kruitkamer, z. n. m. -- Rechthoekig, afgezonderd vertrek in het voor- en in het achterruim der schepen, waar het Buskruit in bewaard wordt.

Kruitlantaren, z. n. v. -- Koperen Lantaren, die in het schot van de Kruitkamer staat en achter dat schot wordt aangestoken.

Kruitlepel, z. n. m. -- Kleine blikken of koperen scheplepel, die de maat van het kaliber houdt en waarvan de Kanonniers zich bedienen om Kruit in de kardoezen te doen.

Kruitmaat, z. n. v. -- Koperen maat, welker inhoud berekend is het gewicht te bevatten der lading voor een geweer of stuk geschut van een bepaald kaliber.

Kruittrechter, z. n. m. -- Koperen Trechter, waar men het Kruit laat doorloopen.

Kruitton, z. n. v. of Kruitvat. -- Vat of Ton, dienende om Kruit te bewaren.

Kruitvat, z. n. o. -- Zie Kruitton.

Kruitzeil, z. n. o. -- Zeil, dat over het dek (vloer) van de Kruitkamer ligt.

Krul, z. n. v. (veroud.) -- Ombuiging van het galjoen.

Krijg, z. n. m. -- Oorlog, gevecht. ZeeK--, WaterK--.

Krijgen, b. w. -- Bekomen. Het in den wind K-- (tegenwind bekomen). De loef van hem K--. Zwaar weer K--.

Krijgsraad, z. n. m. -- 1o. Vergadering der Hoofdofficieren eener vloot, om te beraadslagen, welke party men in een gegeven omstandigheid te kiezen heeft.

2o. Rechtbank van Zeeofficieren, die byeenkomt wanneer er een misdrijf heeft plaats gehad aan boord van een Lands-vaartuig.

Krijgsvoorraad, z. n. m. -- Voorraad van krijgsbehoeften.

Kubboot, z. n. v. -- Boot of schuit, waarmede de visschers van Marken en andere zeeplaatsjens aal gaan visschen. Zy wordt aldus genoemd naar de Kub of Kubbe, een soort van fuik.

Kuil, z. n. m. -- Dat gedeelte van het schip, 't welk van onder het halfdek of onder de loopplanken tot onder den bak loopt. Een diepen K--, veel boord hebben (wordt gezegd van een vaartuig, welks reehout meer dan 1.5 el hoog is). Dit schip is zonder K--, het is een gladdeks schip (wanneer het reehout niet meer of weinig meer dan een el boven het dek opstaat).

Kuildek, z. n. o. -- Dek, dat in zijn lengte gebroken is. Zie Dek.

Kuilkorvet, z. n. v. -- Korvet van 28 stukken. Korvet met opper- en kuildek.

Kuilschip, z. n. o. -- Schip, waarin een Kuil is.

Kunstknie, z. n. v. -- Knie, die niet uit een stuk gewassen is, maar waarvan lijf en tak uit afzonderlijke stukken zijn saêmgesteld, met yzeren plaatknieën vereenigd.

Kusiforme, z. n. v. -- Smalle en lange roeischuit zonder dek, welke de Japaneezen tot de watervischvangst gebruiken.

Kust, z. n. v. -- Strook lands langs de zee. Steile K--, Lage K--, Schoone K-- (langs welke de zee een groote diepte blijft behouden en niet met rotsen of klippen bezet is). Vuile K-- (die gevaarlijk is).

Kustvaarder, z. n. m. -- Vaartuig, dat zich by de kustvaart bepaalt.

Kustvaart, z. n. v. -- Vaart langs de kust, van kaap tot kaap, van haven tot haven. De bepalingen aangaande de K-- zijn te vinden in art. 176 der Alg. wet van 26 Aug. 1822.

Kustwachter, z. n. m. -- Vaartuig, dat de kust bewaakt.

Kwadraat, z. n. o. -- Werktuig, gebezigd om aan de spil van een stuk geschut de richting te geven, die het schot vereischt.

Kwart, z. n. o. -- 1o. By het uitbetalen aan boord van een oorlogsschip, wat om de drie maanden gebeurt, krijgt een matroos het vierde gedeelte van zijn traktement; terwijl het overige door het Gouvernement voor hem bewaard wordt tot aan het einde van zijn diensttijd. Als de tijd nadert, waarop het K-- betaald wordt, is de matroos onrustig, en, heeft hy het geld op zak, lastig, tot dat het weêr verteerd is; wanneer men met hen doen kan wat men wil.

2o. Wacht, verdeeling van 't etmaal. K-- slaan. 's Nachts als het laatste kwartier uurs van de wacht genaderd is wordt er een slag aan de bel gedaan en het kwartier opgepord, dat de wacht moet aflossen. Dan wrijven zy, die op wacht zijn en naar hun kooi verlangen, de handen, en denken: "het K-- heeft geslagen: de wacht is op een oor na gevild". Vroeger was het een algemeen gebruik, dat een der gasten alsdan het K--lied zong, by het einde waarvan de vervangende wacht op het dek moest staan. Dit K--lied luidde zeer deftig, als men uit het navolgende fragment kan oordeelen:

Zoo raakt ge niet over de fokkeschoot; Want Kaïn die sloeg Abel dood, Al met een kakebeen bequaam, Reis uit Kwartier in Godes naam.

Kwartier, z. n. o. -- Wacht: de helft der manschap, die beurtelings de wacht heeft en verdeeld wordt in stuurboords- en bakboordsK--. Van daar het lied, dat 's avonds by 't wacht opzetten door den Provoost wordt opgedreund:

Stuurboords kwartier heeft de eerste wacht, God verleene haar goeden nacht.

Vroeger heetten zy Prinsen- en Graaf Maurits kwartier.

Kwartiermeester, z. n. m. -- Jongste Onderofficier: ieder K-- heeft het bestuur over eene der sloepen.

Kwartiervolk, z. n. o. -- Het gedeelte der manschap, dat tot een Kwartier behoort.

Kwartslang, z. n. v. (veroud.) -- Soort van geschut.

Kwast, z. n. v. -- 1o. Soort van dik penceel, waarmede men teert, of den teer uitstrijkt op een blok, touw, of de buitenhuid.

Spreekwijze: Hy loopt met de TeerK-- (hy is een pluimstrijker, een vleier).

2o. Knoop in een stuk hout.

L.

Laadgat, z. n. o. -- Zie Zundgat.

Laadpriem, z. n. m. -- Zie Ruimnaald.

Laag, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Zog, Kielwater.

2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn. Bovenste GeschutL--, Onderste GeschutL--.

3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig gelost. De volle L-- geven (uit al de stukken, die zich aan ééne zijde bevinden, tegelijk schieten). Hy heeft een geduchte L-- ontfangen (hy is hevig beschoten).

Spreekwijze: Iemand de volle L-- geven (hem geducht de waarheid zeggen: ook: hem ruw bejegenen).

Laars, z. n. v. -- End dag, waarmede men iemand afstraft.

Laarzen, b. w. -- De schepelingen met een end dag op de natte broek kastijden. Volgends Bild. op Laars zoû 't woord oorspronkelijk Leerzen zijn en beteekenen "met lederen riemen slaan". Doch Kiliaan stelt leersen synonium met bot-aersen (met schoenen of laarzen slaan).

Labber, b. n. -- Lui, flaauw, naar.

Labberen, o. w. -- Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd.

Labberkoelte, z. n. v. -- Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen staan, maar alleen labberen en fladderen.

Labberlot, z. n. v. -- Naam van eene der sloepen.

Labberlottig, b. n. -- Zie Belabberd.

Labzalven, b. w. -- Zie Lapzalven.

Ladder, z. n. m. -- Samenstelling van planken of van touw, waarmede men op- of afstijgt. TouwL--, ScheepsL--.

Laden, b. w. -- Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit en lood, die in het geschut gebracht worden. Het schip is Geladen (heeft zijn lading ontfangen). De goederen zijn Geladen (zijn binnen boord gebracht). De kanonnen zijn Geladen (zijn gereed gemaakt om afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen in de Alg. wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152.

Spreekwijze: Ik heb Geladen waar ik meê over moet (ik heb my een ongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven).

Lading, z. n. v. -- 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke in een vaartuig worden overgevoerd. In L-- liggen (wordt een schip gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden). L-- stukgoederen, L-- stootgoederen.

Wanneer de morgenstar zal rijzen, Zal 't licht de rijke lading wijzen.

Van Haren, de Geuzen.

2o. De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt.

3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen in een vuurmond gebracht wordt.

4o. De daad zelve van het Laden (Gezwinde L--, L-- in 4, in 11 tempoos).

Lagerwal, z. n. m. -- De oever, waar de wind op staat en alzoo het tegenovergestelde van Opperwal of Oppert.

Spreekwijze: Aan L-- zitten, aan L-- zijn (zich in slechte omstandigheden bevinden:--omdat een vaartuig, 't welk aan L-- ligt, geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld en dikwijls gevaar loopt van stranden).

Laken, z. n. o. (veroud.) -- Oneig. voor Zeil. Voor het L-- gaan (voor-de-wind zeilen).

Lampion, z. n. o. -- Blikken ring, waar binnen de pit gevat is, wier licht het kompas beschijnt.

Land, z. n. o. -- Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water is. Beneveld L-- (wat men niet goed onderscheiden kan). Groot L-- (het vaste L-- met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met betrekking tot een kleiner). Gesloten L-- (Landpunten of Eilanden, tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander verward worden). Hakkelig L-- (waarvan het bovenste gedeelte zich dor en heuvelachtig voordoet). Hoog L-- (dat zich hoog boven de zee verheft). Verkenbaar L-- (dat licht te kennen valt). Vast L-- (dat tot het vaste L-- behoort). L-- dat ontvalt (kust, die zich naar de regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen). L-- zien, L-- hebben (in de nabyheid van het L-- zijn). Daar is L--! L-- vooruit! L--! L-- in het gezicht! L-- te loefwaarts! L-- aan stuurboord! L-- kraanbalksgewijze te loefwaarts! L-- dwars over bakboord! enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan). Over L-- zeilen (veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend had L-- te moeten vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). Zie Boterland.

Spreekwijze: Ik zie L-- (de bak is byna ledig, ik zie den boôm).

L-- voor den bak slaan (aannemen, alleen den bak ledig te eten.)

Daar sla ik L-- voor (dat is voor my alleen.)

Er is geen L-- met hem te bezeilen (er is geen middel om met hem te recht te komen).

Het zal hier op het L-- waaien (daar is wat kwaads naby).

Hy kan wel zien, hoe na by L-- (hoe het met een zaak gelegen is).

Hy durft niet van L-- (hy durft het niet wagen).

Ik heb het L-- (ik ben gemelijk--als een zeeman, die zich aan wal verveelt).

Iemand het L-- opjagen (iemand uit zijn humeur brengen).

Landen, o. w. -- Zich aan Land begeven, aan Land komen. Een geschikte plaats om te L-- (om aan wal te komen). De troepen zijn Geland (zyn aan land gekomen).

Zoo blinckt de zon op 't schoonst, die aanbreeckt uit den damp, Zoo lant de vloot, na storm, gelukkigst in de haven.

Vondel, Inw. van 't Stadthuis.

Landganger, z. n. m. -- Een die van scheepsboord zich aan Land begeven heeft.

Landing, z. n. m. -- Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke inzichten. De L-- der Engelschen in Noord-Holland. Wy konden ons voordeel niet doorzetten by gemis aan L--troepen.

Landingboot, z. n. v. -- Boot, waarmede een Landing verricht wordt.

Landingsplaats, z. n. m. -- Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen: ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om er te Landen.

Landkrab, z. n. m. -- Schimpnaam, door 't zeevolk aan de Landsoldaten gegeven.

Landmerk, z. n. o. -- Wordt in 't algemeen genomen voor elk vast voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven, klippen en banken te mijden, enz.

Landontdekking, z. n. v.-- 1o. Het Ontdekken van een te voren onbekend Land.

2o. Verkenning van land. Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de Amiraal een brik uit op L--.

Spreekwijze: Op L-- uitgaan (zich van een zaak vergewissen).

Landslot, z. n. o. (veroud.) -- Haven, die door bergen of hoogten ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.

Landstreek, z. n. v. -- Gewest, landouw.

Landtong, z. n. v. -- Strook Lands, die als een Tong in zee uitsteekt. Wy liepen langs eene met boomen begroeide L-- die ons in de rivier bracht.

Landvalling, z. n. v. (veroud.) -- Ontdekking, opdoeming van eenig Land.

Landverkenning, z. n. v. -- 1o. Het verkennen, onderzoeken eener landstreek.

2o. Men noemt ook L--en zekere merken, als torens, molens, enz., van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of van een haven enz. herkent.

Landwind, z. n. m. -- Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.

Landziekig, b. n. -- Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier: langzaam, traag, verveelend. Wy hadden een L--e reis. (wy waren lang onderweg).

Spreekwijze: Een L--e redevoering (die te lang duurt, verveelt).

Landziekte, z. n. v. -- 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is, wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land nog ongewoon is.

2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.

Langeveld, z. n. o. of Mondstuk. -- Het gedeelte van een mortier, van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.

Langs, bw. -- Bezijden, voorby. L-- een kust heenzeilen (een kust voorbygaan). Dicht L-- den wal loopen. Een schip, een eiland L-- zeilen.

Langsdennen, z. n. v. mv. of Langshouten. -- Leggers eener helling.

Langshouten, z. n. v. mv. -- Zie Langsdennen.

Langscheepsch, b. n. -- Van voren naar achteren. Een L-- verband (een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).

Langszalings, z. n. m. mv. -- Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal, aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der topmasten geplaatst.

Langs zijde, voorz. voor langs de zijde van. L-- de Argo.

Laning, z. n. v. -- Planken brug, overloop.

Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) -- De laagste Onderofficier. 't Woord is afgeleid van 't Ital. lancia spezzata (gebroken of geknotte lans). In 't Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave van krijgsonkosten den Landtspassaet tusschen den Korporaal en den Tamboer geplaatst. Zie De Vries op Hoofts Warenar, bl. 109.

Lantaarn, z. n. v. -- Verschillend in grootte en gebruik. Zie DieveL--, GeschutL--, KruitL--, SeinL--. 't Woord wordt ook meer bepaald genomen voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven wordt.

Lantaarngat, z. n. o. -- Hok achter de kruitkamer, waarin de kruitlantaarn wordt ontstoken.

Lantaarnvuur, z. n. o. -- Vuurbaak, in een haven geplaatst om de binnenkomende schepen te lichten.

Lantaarnstander, z. n. m. -- Stijl of Stander, waar de Lantaarn op rust.

Lantione, z. n. v. -- Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal riemen voorzien.

Lap, z. n. v. of Lap tegen den achtersteven. -- 1o. Stuk hout, dat tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten der vingerlingen en het maken van de messing.

2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. Zie Lapjen.

Alle L--pen uithangen (alle zeilen byzetten). Voor de L--pen afloopen (voor-de-wind afloopen).

Spreekwijze: Hy laat het onder de L-- hangen (hy verteert veel geld).

Lapjen, z. n. o. -- Zeiltjen. De wind is vlak voor 't L-- (is voordeelig).

Spreekwijze: Het gaat hem voor 't L-- (het gaat hem voorspoedig).

Iemand voor 't L-- houden (iemand voor den mal houden: oorspronkelijk; iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).

Lappen, b. w. -- Tijdelijk herstellen.

Lapzalven, b. w. -- Is eigenlijk: "Lappen met zalf bestrijken," waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als scheepsterm neemt men het voor: "scheepstuig nazien en teeren".

Lasch, z. n. m. -- Vereeniging van twee of meer in dezelfde richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd blijft. Platte L-- (wanneer de enden der deelen schuins op elkander sluiten). Zie HaakL--, TandL--, enz.

Laschyzer, z. n. o. -- Soort van dubbele spijker, voor de deksverbindingen in gebruik.

Laskaar, z. n. m. -- Indiaansche matroos.

Last, z. n. o. -- Gewicht van twee ton of 4000 Pond. Dat schip voert N. L--. Een vaartuig van 100 L--.

Last, z. n. m. -- 1o. Vracht, lading. Het schip heeft zijn L-- in. Het schip is wel by L-- (is behoorlijk geladen). Zie Lastbreker.

2o. Bevel, kommando.

3o. In 't mv. voor "belasting." Zijn L--en opbrengen.

Lastaadje, z. n. v. (veroud.) -- Scheepstimmerwerf of plaats, waar die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te Amsterdam plach er haar naam van te dragen. Bild. leidt den naam van 't Deensch af: zie zijn Gesl. in v.

Lastbalken, z. n. m. mv. of Ruimbalken (veroud.) -- Balken, die tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek gevormd wordt.

Lastbreken, o. w. -- Een gedeelte van de lading lossen.

Lastgeld, z. n. o. (veroud.) -- Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid der zwaarte van het schip geheven werd.

Lastlijn, z. n. v. of Eerste Waterlijn. -- Denkbeeldige lijn, welke men zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.

Lat, z. n. v. -- Dun, lang en plat stuk hout of yzer.

Laten, b. w. -- 1o. Verlaten. Zijn ankers L-- (voor achterlaten).

2o. Hulpwerkwoord. Een schip L-- loopen (het zijn koers doen houden). Het anker L-- vallen (het anker uitwerpen). Een onderzeil L-- vallen (het byzetten). Een touw L-- vliegen (het in eens losgooien).

Latijnzeil, z. n. o. of Emmerzeil. -- Driehoekig zeil, aldus genoemd, omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was.

Laveeren, o. w. -- 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken.

2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet.

Hetzij wy zeilen of laveeren, Is Godt met ons, niets kan ons deeren.

Cats.

Lazaret, z. n. o. -- Gesticht in eenige havens, voornamelijk der Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden, 't Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis.

Leeftocht, z. n. m. -- Voorraad van spijs en drank.

Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling, Ligdagen. -- Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip.

Leggen, o. w. of, naar de latere spelling, Liggen, -- 't welk men echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen als: De wind gaat L-- (het wordt stil weer). Voor anker L--.

Leggen, b. w. -- De kiel L-- (haar op blokken stellen). Het geschut in de rolpaarden L-- (het op zijn plaats brengen). Het Land L-- (zich verwijderen van het Land, zoodat het in 't water schijnt te verzinken).

Legger, z. n. m. -- 1o. Geteerd watervat.

2o. Stutbalk.

3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de hand heeft liggen om 't een of ander te bergen.

4o. Waker op een ledig schip. 't Schip is opgelegd en heeft een L-- aan boord.

Leguaan, z. n. m. -- Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter vervanging van het bindwerk der raas. SloepsL-- (Gordel van touwwerk, voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van beschadiging vrij te waren.)

Legwaring, z. n. v. -- Lijfhouten op het dek langs het boord.

Leider, of meer gebruikelijk Leier, z. n. m. -- 1o. Touwwerk, dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt. Staande L-- (zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt, om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken).

2o. Leuning. L-- van het galjoen, L-- van de verschansing, L-- rondom het boord, L-- van de helling, L-- van de wieg.

Leissels, z. n. o. voor Lei-zeels. -- Stroppen van de raas.

Leizeil, z. n. o. -- Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen uitvoert.

Lek, b. n. en bw. -- Open, zoo dat het vocht uitloopt. Dat vat is L-- (het houdt geen water). Met een L--ke boot is 't slecht varen.

Lek, z. n. o. -- Toevallige opening in een vaartuig, waar het water door binnen dringt, veroorzaakt door 't stooten op een klip, baak of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar slingeren, enz.

De bodem slorpte 't nat Door 't stooten op een paal; waardoor een yeder zat In 't water tot de knie en vreesde te versticken, Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken. Doch 't Leck geraeckte dicht en stopte wonderbaer Van zelf.

Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.

Dat schip heeft een L--, Dat L-- moet gestopt. Ook opening van een vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt. In dat vat is een L-- gesprongen. Cats bezigt het woord vr.

Ziet door een kleine lek zoo komt een schip te zinken, Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.

Spreekwijze: Het L-- stoppen (het verlies vergoeden).

Lekkaadje, z. n. v. -- Wegsypeling van het vocht, gevolg van een Lek. Er is zware L-- geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken voor L--.

Lekken, o. w. -- Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen.

Lelie, z. n. v. -- De punt der kompasnaald, die den vorm eener lelie heeft.

Schoon zegt Vondel, Lof der Zeevaart:

De leli doelt naar d' as, en dwaalt en is ontrust Tot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.

Leng, z. n. o. -- Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of andere zware voorwerpen op te hijschen.

Lengen, b. w. -- Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst in gebruik. Doorgaands wordt het L-- van de eerste vleet (21 netten) door vrouwen verricht.

Lengte, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats en den eersten meridiaan. Die stad ligt op N. graden Wester- of Ooster L--.

2o. Astronomische L-- eener planeet (boog der ekliptika, begrepen tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt).

3o. Geocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt).

4o. Heliocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien werd).

Lens, bw. -- Ledig. Een schip L-- pompen (het door middel van pompen van het ingezwolgen water bevrijden). De pomp L-- pompen (pompen, tot dat het water, dat zich in 't ruim bevindt, lager staat dan het benedeneinde der pomp).

Spreekwijze: De beurs is L-- (het geld is op).

Lenspomp, z. n. v. -- Pomp, die in een stoomvaartuig door de stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen, weder weg te werken.

Lens (ter) gaan, o. w. (veroud.) -- De zeilen met ruime schoten ter windvang stellen. Thands zegt men daarvoor "van den wind loopen."

Lenzen, o. w. -- By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den wind of de zee weg loopen. Het voor tip en takel L--de houden.

Leuning, z. n. v. -- Borstweering. L-- van het galjoen.

Leunstag, z. n. o. -- Stag, waar een schip in aanbouw op steunt.

Leuvers, z. n. m. mv. -- Oogen met yzeren kousen in de lijken der zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt.

Levendig (De zeilen) houden, b. w. -- De zeilen laten wapperen, op den wind brassen, doen hellen.

Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) -- Rechten op den in- en uitvoer gesteld. Zie Konvooien.

Licht, z. n. o. -- Voor kunstlicht, vuurbaak.

Licht, b. n. -- By vaartuig gevoegd, geeft daaraan doorgaands de beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder de L--e vaartuigen genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten dienste staan.

Lichten, b. w. -- 1o. Ophalen. Het anker L--.

2o. Uit zijn plaats nemen. Het roer L--.

3o. Ontlasten, Lichter maken. Een schip L-- (er een deel der lading of der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen geschieden.

Spreekwijze: Het anker L-- (vertrekken).

Alle beetjens helpen, alle vrachtens L--, zeî de schipper, en hy smeet zijn vrouw over boord.