Part 12
kattespoor, z. n. o. (veroud.) -- Spantvormig samenstel, dwars over het zaadhout tegen de binnenoppervlakte der inhouten geplaatst en zich tot zekere hoogte tegen het boord uitstrekkende. Het diende om de dwarsscheepsche doorzetting tegen te gaan.
kattestaart, z. n. m. -- 1o. Ronde vijl, in eene punt uitloopende en dienende om gaten uit te vijlen en te verbreeden.
2o. Wimpel van een koopvaardyvaartuig.
3o. Losgerafeld touw.
kavelen, b. w. -- In den vloed zeilen om de ebbe af te wachten.
Maar, t'wijl een ander, als hy kan; Ook zyn gety niet t' onrecht kavelt.
Oudaen, Zweedsche hoogmoet.
kayak, z. n. m. -- Esquimoosch vaartuig.
keel, z. n. v. (veroud.) -- Smal toeloopende strook van een plank, eigentlijk geul, (wat 't zelfde woord is, als zijnde beiden 't Lat. gula) en aldus gesneden om beter te voegen.
keep, z. z. m. -- Sleuf, inhaksel, sponning: in 't byzonder de sleuf, rondom in het blok gemaakt, om den strop te laten inloopen.
keerkringen, z. n. m. mv. -- Naam van elk der beide kleinere kringen van den aardbol, die, evenwijdig met de middellijn, door de zonnestanden, d. i. door punten, ongeveer 23 1/2 graad verwijderd van de middellijn, getrokken worden, en tusschen welke kringen de zon haar jaarlijkschen omloop heeft.
keernagels, z. n. m. mv. -- Nagels, waarmede de kiel bevestigd wordt.
keerring, z. n. m. -- Koker, waar de mast van een haringbuis in staat.
keg, keggen, z. n. v. -- Houten of yzeren wig, dienende om voorwerpen mede te splijten of te schoren.
kelder, z. n. v. -- Bergplaats van scheepsvoorraad, doch overdrachtelijk voor al wat beneden is, en dus voor de zee zelve.
Spreekwijze: Naar de K-- zijn (in zee vergaan).
kenten, z. n. m. mv. (veroud.) -- Scheepstimmermans kunstwoord, waardoor verstaan werden eenige latten, die, ter weêrszijden van inhouten werden gespijkerd, tot een schets om het beloop van het schip naar aan te leggen. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als kanten.
kenteren, o. w. -- Letterlijk: herhaaldelijk op zijn Kent (kant), draaien, en dus: omwentelen, veranderen. De stroom K-- (de stroom is aan 't walen.) De mast K-- (rolt om.) Ook het doorkomen van eb of vloed:
Zie daar een derde vloot verschenen, Door 't reeds gekenterd tij geleid.
V. Haren, de Geuzen.
kenteren, o. w. -- Omhalen. Een schip K-- (het op zijde stellen, ten einde het te herstellen).
Kenterhaak, z. n. v. -- Haak, gebezigd tot het Kenteren van vaartuigen.
Kentering, z. n. v. -- Het omslaan, in 't byzonder van het tij.
Kerfbijl, z. n. v. -- Bijl, inzonderheid tot Kerven geschikt.
Kerk, z. n. v. -- Logies onder 't halfdek; ook vóór- of groote kajuit.
Kerven, b. w. (veroud.) voor Kappen.
Kesp, z. n. v. -- Recht stuk hout, waarop men in platte schuiten de vlakgangen spijkert.
Ketel, z. n. m. -- Groote yzeren pot, waarin de spijs voor de manschap gekookt wordt. StoomK-- (groot vat van koper, geslagen of gegoten yzer, waarin het water tot stoom overgaat).
Keten, z. n. v. -- Snoer van in elkander geschakelde ringen of slingers. Dubbele K-- (zoodanig zamengesteld, dat elke schakel twee ringen bevat.) K-- zonder eind (zie Ketenstrop).
Ketenstrop, z. n. m. of Keten zonder end. -- Ketting, waarvan de ringen aan elkander geschakeld zijn, zoo dat men elken ring als den eersten en als den laatsten van de ketting kan aanmerken.
Ketting, z. n. v. -- Zie Keten.
Kettingknijper, z. n. m. -- Zie Knijper.
Kettingpomp, z. n. v. -- Zie Pomp.
Kettingkogel, z. n. m. -- Kogel, die met een ketting aan een anderen is vastgehecht.
Kiel, z. n. v. -- 1o. De grondlagen van een schip, uit den grondbalk en de daarin gewerkte ribben bestaande. 't Woord beteekent waarschijnlijk (even als in den zin van kleed) "overtrek, huid," eens vaartuigs.
2o. By de dichters het schip zelf:
Gewis hem was de ontrefbre borst Met zevendubbeld staal beslagen, Die 't eerst zijn kiel den golven wagen, Zich zelf der kiel betrouwen dorst.
Bilderdijk. Zeevaart.
Het steekt der Grajen niet aan tien of twintig kielen,
zegt Agamemnon in Vondels Palamedes.
Spreekwijze: Kielen!--Wielen!--Rand om 't Land! (Zeeuwsche dronk, waarmede heil gewenscht werd aan de Zeevaart, den Landbouw--men had toen nog gewielde ploegen--en de Dijken).
Kielen, b. w. -- Over zijde halen. Een schip K-- (een schip omwenden, om het van onderen te timmeren, te breeuwen of de koperen huid te herstellen).
Kielhalen, b. w. -- Vroeger gebruikelijke straf aan boord, die daarin bestond, dat de overtreder naakt op het boord van het schip gezet werd, met eenige zwaarte om het lijf, ten einde te sneller te kunnen zinken, en aan een touw gebonden, dat onder de kiel doorging: in dien toestand werd hy over boord gesmeten en aan de andere zijde gezwind weêr opgehaald: welk een en ander, in geval van zware misdaad, eenige malen herhaald werd: een straf, waaraan niet weinig gevaar voor den lijder verbonden was, die, by het minste verzuim, arm of been, ja het leven verliezen kon: waarom het K-- dan ook als halsgerecht werd gerekend.
Een schip K-- (het op zijde leggen om te herstellen).
Spreekwijze: Hy is gekielhaald (hy is door en door nat gemaakt).
Kieling, z. n. v. -- Romp van een schip.
Kielkram, z. n v. -- Kram, waarvan de uiteinden plat en met gaten doorboord zijn om er spijkers in te slaan; zy is van buiten omgekruld, ten einde het hout te vatten.
Kiellasch, z. n. v. of Vlaamsche Lasch. -- Lasch of stuit van vijf of zes voet lang, als die aan de kiel gebezigd worden.
Kiellichter, z. n. m. -- Stevige schuit, plat van bodem, met schuins oploopende zijden, een zwaren mast voerende, voorzien van vier hoofdtouwen, een zwaar gein en twee kiptakels. De K-- dient in de havens tot velerlei gebruik.
Kielstopper, z. n. m. of Stopper van den loefbalk. -- Stopper, die gebruikt wordt om een schip over zijde te winden.
Kielstrop, z. n. m. -- Koperen Strop, dienende tot bevestiging van een lasch.
Kielverscherving, z. n. v. -- Verscherving van de Kiel.
Kielwater, z. n. o. of Zog. -- Spoor, dat een schip in het Water achterlaat.
Spreekwijze: Blijf uit zijn K-- of gy raakt in zijn zog (volg hem in zijn handelwijze niet na, of gy raakt in 't verderf:--omdat het gevaarlijk is in het zog van een zinkend vaartuig te geraken, wegens de sterke zuiging van het water, dat in de gemaakte opening weder samen vloeit).
Iemand in zijn K-- zeilen (hem op de hielen volgen).
Kiezen, b. w. -- Zee K--, de ruimte K-- (zich in zee, zich in volle zee begeven).
Kikvorsch, z. n. v. -- Poeldier.
Spreekwijze: Hy is overladen met geld als een K-- met veêren.
Kil, z. n. m. -- Stroomkuil of stroomkil.
Ja, wat de stroomvliet met zich voert Laat wei en akkers drooger, Maar zinkt in d'engen stroomkil neêr En 't water wordt steeds hooger.
Bilderdijk.
Killen, o. w. -- Wordt een zeil gezegd te doen, dat zich in de luwte van een ander bevindt, en alzoo geen wind kan vatten, maar slap langs den mast hangt. 't Woord is afgeleid van kil (koud), het beteekent dus oorspronkelijk "koud worden," en van daar "trillen, beven, klapperen".
Spreekwijze: Als de zeilen K-- loopt men gevaar een uil te vangen (den wind van voren te vangen).
Kim, z. n. v. -- Rand, gordel, en van daar:
1o. Gezichteinder: cirkel, die getrokken is waar hemel en aarde aan elkander schijnen te raken en waarvan de persoon, die hem ziet, altijd het middelpunt uitmaakt. OosterK--, WesterK-- (plaatsen, waar de hemellichamen schijnen op en onder te gaan).
2o. Gedeelte der buitenhuid van een schip, tusschen de kiel en den buik.
3o. Uiteinde van een vrang, waar zy gebogen is om in de knie te sluiten.
Kimbedden, z. n. o. mv. -- Houten, waar de Kim of eerste scheepsrondte op rust.
Kimduiking, z. n. v. -- Verschil tusschen den zichtbaren en den wezenlijken gezichteinder.
Kimgang, z. n. m. -- Breede planken onder aan het schip tusschen de kiel en den buik.
Kimlijn, z. n. v. -- Zie Waterspiegel.
Kimschoor, z. n. m. -- Recht op en neder staande schoor, die een deel uitmaakt van de bedding en waarvan men een aantal plaatst onder de kiel van een schip in aanbouw, dat af moet loopen.
Kimsent, z. n. v. -- Sent, die door het uiteinde der vrangen heen loopt.
Kimweger, z. n. m. -- Stevige balk, die de Kim draagt of weegt.
Kin, z. n. v. of Kinnebak. -- Het voorste gedeelte van de kiel.
Kink, z. n. m. -- Kreuk, bocht, die zich in een nat of te nieuw touwwerk vormt. Volgends Bilderdijk en Weiland zoû 't woord eigenlijk krink (d. i. kreuk) moeten luiden. 't Blijft intusschen nog de vraag of kinkhoorn ('t geen volgends hen "geluidhoorn" wezen zoû) niet aldus genoemd is wegends zijn bochtigen vorm, en of dus K-- niet evenzeer "bocht" beteekent.
Spreekwijze: Sta uit de K--en! (sta ruim! sta uit den weg! omdat hy, die in de K--en staat van een touw, dat uitgevierd wordt, gevaar loopt te vallen).
Daar is een K-- in de kabels (daar is zwarigheid).
Kinnebak, z. n. v. -- Zie Kin.
Kinnebaksblok, z. n. o. -- Openstaand Blok, waarin men een paardelijn of looper kan leggen om langs dek te halen.
Kiosk, z. n. v. -- Soort van Turksch vaartuig.
Kip, z. n. m. -- 1o. Zekere hoeveelheid. Een K-- lonten. Een K-- stokvisch.
2o. Blok met een haak even als het katblok, dienende om het anker voor den boeg te halen met zijn armen. K--hoeken! kommando.
Kippen, b. w. -- Grijpen, vatten. Een anker K-- (een anker dwars aangrijpen en de handen langs het boord ophalen).
Spreekwijze: Kip! ik heb je.
Kipstut, z. n. m. -- Zie Jut (Doove).
Kiptakel, Kiptalie. -- Zie Takel, Talie.
Kiptaliehaak, z. n. m. of Penterhaak. -- Groote haak, waarmede het anker, als het uit het water komt, gegrepen en binnengehaald wordt.
Kirlanghish, z. n. v. -- Klein Turksch vaartuig, dat het Amiraalschip vergezelt.
Kits, z. n. v. -- Vaartuig, dat voornamelijk by de Engelschen in gebruik is. Het is gewoonlijk vierkant van vorm, met een galjoen versierd, en twee masten voerende. Het groot zeil heeft den vorm van een bezaan. Boven het groot zeil voert het een marszeil en een bramzeil, en boven het bezaan een kruiszeil.
Klaar, b. n. -- Wordt van een schip gezegd, dat gereed is gemaakt om te vechten; ook van ieder voorwerp, dat by de hand is om gebruikt te worden. Als bw. komt het in verscheiden scheepskommandoos voor: K-- om te wenden! (maakt u gereed, om het schip te doen wenden.) K-- by het anker (om het anker te werpen.) K-- by de marszeilsvallen! K-- by de schoten! (om daarmede het noodige te verrichten.) K-- op de banken (plach het bevel te zijn, vroeger aan boord eener galei aan de roeiers gegeven, om te gaan zitten.)
Klaar staan, o. w. -- Oppassen, uitkijken, zich gereed houden. By een schoot, by een val, by een looper K-- S--.
Klaas, z. n. m. of Klaas Jakobsz. (veroud.) -- Een houten nijptang om planken te buigen en te bedwingen, waarschijnlijk naar den uitvinder aldus genoemd. Ik zoû niet durven beweeren, dat de uitdrukking Een houten K-- aan dit woord ontleend is.
Klaauw, z. n. v. -- Arm, hand. De K--en van een anker. De K-- van den gaffel.
Klaauwhamer, z. n. m. -- Hamer met gespleten pen.
Klamaai, z. n. m. -- Recht sterk hout, dat tot steun der zwalpen dient. In elk zijperk bezigt men drie rijen K--en, die zich van voren naar achteren door de geheele lengte van het schip uitstrekken. De eene rij ligt tegen den watergang, een tweede tegen den schaarstok en de derde op de halve breedte van het zijperk. Ten dienste van het middelperk worden langs de binnenzijden der schaarstokken twee rijen K--en gelegd.
Klamaaien, o. w. -- Zich van het klamaai-yzer bedienen om het werk in de naden te drijven.
Klamaai-yzer, z. n. o. -- Zware geribde yzeren wig, waarop men met een moker slaat, ten einde het werk in de naden der planken te drijven.
Klamp, z. n. m. -- Naam van verschillende houten weêrhaken, waar touwen aan belegd worden. KruisK--en (die aan hun midden ter geschikter plaatse tegen de wanden van een vaartuig, tegen een mast, enz. zijn vastgespijkerd en met haar hoornen of ooren gespannen touwen vasthouden, die er om heen gestrengeld zijn.) WantK--en (die in het Want van een benedenmast vast zitten.) BelegK--en, LipK--en (die maar een oor hebben en zoodanig geplaatst worden, dat zy geschikt zijn touwen vast te houden, die, als zy gespannen staan, van beneden naar boven trekken.) WalreepK--en (weinig uitspringende trappen, buiten tegen 't schip gespijkerd, om er by op te klauteren.) MastK--en (uitgesneden stukken hout, die op de zijden van den fokkemast aangebracht worden op de hoogte der slagkragen, ten einde deze van den mast verwijderd te houden.) SpiltK--en (stukken hout, in de dikte aangebracht op den as van een spil.) HalsK--en (die een hals houden.) NokK--en (die aan de uiteinden der raas vastzitten.) RaK-- (tanden, die aan de raas vast zitten om de buitenbindsels tegen te houden.)
Klampen (aan boord), b. w. -- Zie Boord.
Hy bruist door duizent kogels voort En klampt de Britse magt aen boord.
Antonides. De Teems in Brant.
Klampspijkers, z. n. m. mv. of Knaapspijkers. -- Yzeren spijkers, tot het vasthechten van yzeren bogen of metaalwerk gebezigd.
Klaphuis, z. n. o. -- Kroeg op het strand, waar de visch wordt afgeslagen, en dat den visscher is wat de beurs den koopman.
Klaplooper, z. n. m. -- Schijfblok, dat overal gebezigd wordt waar wat te halen (hijschen) valt.
Spreekwijze: Hy is een K-- (hy is er overal by, waar wat te halen valt).
Klapmuts, z. n. v. of Bovenbovenbramzeil. -- Het hoogste zeil aan den masttop van een groot schip, welk zeil by fraai weer nog boven het bramzeil geheschen wordt. De oorsprong der eigenaardige benaming is te duidelijk om verklaring te behoeven.
Spreekwijze: Dat klinkt als een K--.
Klaren, b. w. -- Uit de war maken. Touw K-- (de ankertouwen weder in orde brengen, als die door 't zwaaien van 't schip in elkander gedraaid zijn).
Klaringsvaartuig, z. n. o. -- Vaartuig, dat ten dienste staat der ambtenaren, met het in- en uitklaren der schepen belast.
Klavaatshamer, z. n. m. -- Verbastering van Kalfaathamer, hamer om te kalefaten.
Klaver, z. n. o. (veroud.) -- Drie kringen op de klik van het roer.
Kleed, z. n. o. -- Baan zeildoek.
Kleeden, b. w. -- (De ankertouwen, de kluis, het want, enz.) met doek of schiemansgaren omleggen, ten einde schomling te voorkomen.
Kleedkuil, z. n. m. -- Hamer, tot bekleeding dienende.
Klein, z. n. o. -- Naam, die op sommige visschersdorpen aan een ankertjen met vier klaauwen gegeven wordt.
Klem, z. n. v. of Klemhaak. -- Stuk hout, met een haak aan ieder end, dienende om een gespannen touw vast te houden.
Klemmen, o. w. -- Aan den grond raken.
Kleuren, z. n. v. mv. -- Voor "vlag". Het schip wilde zijn K-- niet toonen (zijn vlag niet toonen). Hy zeilde onder Engelsche K--.
Klieven, b. w. -- Snijden. De golven K-- (er door heen varen).
Klik, z. n. m. -- Naam van een of meer stukken greenen hout, in de richting der schacht van het roer geplaatst en met den voorkant daar tegen aan gevoegd.
Klimstag, z. n. o. (veroud.) -- Stag, dienende om tegen den boegspriet op te loopen.
Klink, z. n. m. -- Omgeslagen end van een ijzeren bout.
Klinkbouten, z. n. m. mv. -- Bouten, die, ingeslagen zijnde, aan het vooreind geklonken worden.
Klinken, b. w. -- Vastslaan, door hameren een verdikking of kop vormen. Een spijker, nagels K--.
Klinker, z. n. m. -- Platboomd kustvaartuig, in gebruik op de Baltische Zee.
Klinknagel, z. n. m. -- Nagel of spijker, waarvan de enden zijn omgeklonken.
Klinknagelshaak, z. n. m. -- Haak van een Klinknagel.
Klinkring, z. n. m. -- Platte ring, die voor het Klinken om de boot wordt gelegd.
Klinkwerk, z. n. o. -- zeer dunne, gedeeltelijk over elkander geklonken planken, dienende tot den bouw van lichte vaartuigen.
Klinkwerksloep, z. n. v. -- Sloep met zoom- of Klinkwerk voorzien.
Klip, z. n. v. -- Algemeene benaming van rotsen in zee of aan de kusten. 't Woord is waarschijnlijk 't zelfde als klif.
Waar drijft het nu, dit moedig schip? Aan lager wal? of is 't gezonken? Of stiet het op een blinde klip?
Oudaen. Koninkl. Gedenkpenning.
Blinde K-- (die door het water bedekt, en dus onzichtbaar is).
Zy (de Almacht) deed zijn boot de blinde klippen De rots die tot den hemel stiet, Geveiligd langs en over glippen En 't onweêr trof zijn stengen niet.
Bilderdijk, Zeevaart.
Spreekwijzen: Tusschen de K-- door (met vermijding der gevaren, die van meer dan eene zijde dreigen). Hy zal die K-- niet te boven komen (hy zal dat gevaar niet ontgaan).
Klipper, z. n. m. of Klipperschip. -- Soort van vaartuig. Zie Tijdschrift van het Zeewezen, XI, bl. 196.
Kloet, z. n. m. (veroud.) -- Schippersboom.
Kloeten, o. w. (veroud.) -- Boomen, met een kloet voortduwen.
Klok, z. n. v. -- Metalen werktuig, dienende om de uren en halve uren te verkondigen, en het volk op de wacht of aan de schaft te roepen.
Klokreep, z. n. v. -- Touw, waarmede de Klok geluid wordt.
Klokkegalg, z. n. v. -- Galg of dwarshout, waar de Klok aan hangt.
Kloot, z. n. m. -- Bal, zoo wel in 't byzonder voor Aard- of WaereldK--, als in 't algemeen voor elken ronden knop. K-- van den mast. K-- van den vlaggestok.
Spreekwijze: De K-- rolt nog (de zaak is nog niet afgeloopen).
Klopzee, z. n. v. of Stortzee. -- Hevige overstorting eener golf op een schip by stormweer.
Klos, z. n. v. -- Blok houts, stut: ook de bril van een Kolderstok. Zie Bril.
Klouwen, b. w. (veroud.) -- Eigenlijk krabben; vandaar in 't byzonder breeuwen, kalfaten, herstellen.
Spreekwijze: Daar valt wat aan de K-- (wat aan te doen).
Klouwer, z. n. m. (veroud.) -- 1o. Breeuwer; 2o. Kalfaathamer.
Spreekwijze: Dat is een K-- van een jongen, een K-- van een os (een baas van een jongen, enz.).
Klucht, z. n. v. -- Mast, die uit vele op elkander geplaatste stukken is samengesteld.
Kluchten, b. w. -- Op elkander stellen. Een gekluchte mast. (Zie Klucht.)
Kluft, z. n. v. -- Driehoekige uitlating in de geheele diepte van een stuk hout gemaakt om er het uiteinde van een ander stuk in te voegen.
Kluiffok, z. n. v. -- Zie Fok.
Kluifhout, z. n. o. -- Boom van den Kluiver.
Kluis, z. n. o. of Kluisgat. -- Naam van ronde, een weinig schuins liggende openingen, rechts en links van den boeg onder het galjoen geboord, en waardoor men de ankertouwen heenbrengt als men ten anker gaat.
Kluisband, z. n. m. -- Zwaar stuk hout, dat zich op de hoogte der kluisgaten met het galjoen en de kluisplaten kruist.
Kluisgat, z. n. o. -- Zie Kluis.
Spreekwijze: Daar de K--en, even als de oogen in 't hoofd, vlak voor aan staan, worden de oogen by 't zeevolk doorgaands K--en genoemd.
Kluishout, z. n. o. of Kluisplaat. -- Stukken houts, schuins boven elkander in den boeg gebracht, om de hoogte van het schip te verkrijgen.
Kluisplaat, z. n. v. -- Zie Kluishout.
Kluisprop, z. n. v. -- Prop, waarmede een kluisgat gesloten wordt.
Kluiszak, z. n. m. -- Lange, met werk of krullen gevulde zak, die by zwaar weer in de Kluis gestopt wordt om het binnendringen van het water te beletten.
Kluiver, z. n. m. -- Driehoekig zeil, dat op het kluifhout uitgehaald en langs den leier wordt opgeheschen. Volgends Winschoten zoû het woord daaraan zijn naam ontleenen, dat dit zeil, by stil weer gebruikt wordende, het minste windtjen als 't ware opslorpte of "opkloof". Bilderdijk op Kluiffok, leidt het van luif of luifel af.--K--bakstag (bakstag van den K--). K--ring, K--beugel (ring of nagel, waar de K-- door loopt).
Kluizen, o. w. (veroud.) -- Stormen.
Klutsen, b. w. (veroud.) -- Houtwerk herstellen.
Knaap, z. n. m. -- Klampjen, in het timmeren gebruikelijk, om iets by voorraad vast te slaan.
Knaapspijkers, z. n. m. mv. -- Zie Klampspijkers.
Knecht, z. n. m. -- 1o. Soort van windas, op éénmastkustvaarders, dienende om zeilen of goederen uit het ruim te hijschen. Groote K--, Bezaans K--, Fokke K--.
2o. Hout om een touw aan vast te leggen.
Knepeling, z. n. v. (veroud.) -- Soort van geschut.
Kneppelkogel, z. n. m. -- Zie Boutkogel.
Knevel, z. n. m. -- Houten nagel, die, tusschen een bindsel gestoken en rondgedraaid, dient om het nog sterker toe te halen.
Knie, z. n. v. -- Zwaar gekromd stuk hout, dienende tot verbinding van een balk met een vlak, of met een anderen balk. De K-- bestaat uit twee gedeelten, waarvan het grootste het lijf, het andere de tak genoemd wordt. De plaats, waar beide deelen zich vereenigen, heet de Neb. Houten K--en, zie Yzeren K--en, Opgezette K--en, KunstK--en.
Kniehals, z. n. m. -- Hoek, samenloop van twee schotten of wanden; bocht van een Knie.
Knikstag, z. n. o. -- Hulp- of bystag.
Knits, z. n. v. of Knitsel. (veroud.) -- Touw, dat maar van twee kabelgarens gevlochten is. Zie Knuttel.
Knitsel, z. n. o. -- Zie Knits.
Knoeien, o. w. -- Verkeerde of nuttelooze bewegingen doen.
Knoeier, z. n. m. -- Zoo wordt een vaartuig wel genoemd, waarmede men niets kan uitrichten.
Spreekwijze: Een boeier is een ZeeK--, (met een boeier kan men slecht zee bevaren).
Knoop, z. n. m. -- 1o. Samentrekking van een of meer touwen. Platte of ZeemansK--, door middel waarvan de enden, de rifseizings en rabanden om een ra gehecht worden.
2o. Uiteinde van een touw, strekkende om het doorschieten te beletten.
3o. Knoest of slechte steê in het houtwerk.
4o. K-- van de loglijn (dienende om den afstand te berekenen, die in een gegeven tijd door een zeilend vaartuig wordt afgelegd).
Spreekwijze: Een K-- draaien (met mooie praatjens bedriegen).
Knoopen, o. en b. w. -- Een knoop leggen.
Knoopstopper, z. n. m. -- Stopper, die den Knoop aan 't eind Stopt (weêrhoudt) en alzoo belet door te schieten.
Knuttel, z. n. m. -- Strafwerktuig van gedraaid touw, by de Engelschen kat genoemd. Het wordt ook gebezigd voor "kluwen". Een K--tjen marlingsgaren.
Knijper, o. w. -- Wordt van een vaartuig gezegd, als het zich zoo na mogelijk aan de windstreek opwerkt.
Knijper, z. n. m. -- Stuk hout, dienende om iets te vatten en op zijn plaats te houden.
Knijper (ketting), z. n. m. -- Yzeren toestel om aan een ketting het doorschieten te beletten.
Koebeis, z. n. m. -- Een opgecierd vaartuig, op de rivieren van Japan gebruikelijk.
Koebrug, z. n. v. of Koebrugsdek. -- Soort van dek, onder het benedendek. Het verdeelt de ruimte tusschen de onderbattery en het scheepsdek in ongelijke deelen. In de K-- is het verblijf van de aide-chirurgijns; ook is er de hut van den schipper en die van den konstabel-majoor; gedurende den slag heeft men er het slagverband voor de gekwetsten.
2o. (Veroud.) Traliewerk boven het middelschip, bestemd om soldaten te dragen gedurende een zeegevecht.
Koebrugsdek, z. n. o. -- Zie Koebrug.
Koekkoek, z. n. m. -- Soort van open luik, dienende om licht in de hutten te geven.
Koelbalie, z. n. m. -- Tobbe, met water gevuld, dienende om gedurende een slag de kanonnen te begieten.
Koelte, z. n. v. -- Wordt op zee altijd genomen in den zin van "wind". Het waait een frissche K-- (het waait goed door). MarsK--, stijve MarszeilsK--, gereefde MarszeilsK--, dubbel gereefde MarszeilsK--, dicht gereefde MarszeilsK--, stijf gereefde MarszeilsK--, BramzeilsK--, Bram- in MarszeilsK--, worden alle genomen voor min of meer harden K--, LabberK-- voor flaauwen wind.
Koeltjen, z. n. o. -- Windtjen, briesjen. Er stak een lief K-- op.
Koelzeil, z. n. o. -- Groote en breede buis van zeildoek, van boven met twee vleugels voorzien, die tot windleider dient en van het groot stag boven het groot luik opgeheschen, hangt om aldaar verkoeling aan te brengen.
Koelzwabber, z. n. m. -- Zwabber, waarmede men by groote hitte de planken vochtig houdt.
Koeralijn, z. n. m. -- Soort van platboomde West-Indische praauw.
Koers, z. n. m. -- Richting, weg, loop. Het schip is uit zijn K-- geraakt (uit zijn weg). Wy moeten dien K-- houden. Zy hebben K-- naar Engeland gezet (zy zijn naar Engeland gezeild).
Hy wist van koers noch streek te houden Noch 't reven van 't gespannen doek Maar zeilde met een blind vertrouwen. Onwetend naar wat wareldhoek.
Bilderdijk, Zeevaart.
Spreekwijze: Hy is van den K-- of hy is den K-- kwijt (hy is in de war). Welken K-- zullen de zaken nemen? (hoe zullen zy afloopen?)