Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe

Part 11

Chapter 113,889 wordsPublic domain

Jacht, z. n. o. -- Vaartuig, van vorm en getuigd als een Kits, vroeger hier te lande meer bepaald voor den oorlog bestemd en aldus genoemd, omdat het snel door zee Joeg. Men kende op 's Lands Vloot OorlogsJ--en, (die bepaald ten strijde waren toegerust), en AdviesJ--en (die tijdingen en brieven overbrachten). Voorts had men SpeelJ--en, (zoo op binnen- als buitenvaart, die alleen als vaartuigen van weelde werden gebezigd.) Lands-, Amiraliteits-, Provinciale en Stads J--en, die, met weelde vercierd, met beeld- en snijwerk voorzien, meestal dienden om de Gekommitteerden van het Lichaam, waaraan zy behoorden, op inspektiereizen of by andere gelegenheden over te brengen. By de aanzienlijke Engelschen is de liefhebbery voor SpeelJ--en sterk toegenomen en worden aan die vaartuigen verbazende sommen besteed.

Ginds spoedt een speeljacht over 't meer.

Vondel, Rei van Eubeërs.

Jacht, z. n. v. -- Voor "vervolging." Hy maakte J-- op dat roofschip (hy vervolgde het.)

Jachthaven, z. n. v. -- Legplaats der speeljachten. De AmstelJ--.

Jachtklub, z. n. m. -- Vereeniging van vermogende minnaars van de zeilkunst, tot het houden van hardzeileryen en wedstrijden met Jachten. Dergelijke vereenigingen zijn 't eerst in Engeland ontstaan, en vervolgends elders, ook hier te lande, nagevolgd. Maar wat het vreemdste is, en tot schande voor onze natie, is dat, terwijl men zich in Engeland tot benoeming eener dergelijke vereeniging bediend had van twee echt Hollandsche woorden: Jacht (van jagen) en klub (kluwen, vereeniging), de naäpers alhier, by het noemen eener dergelijke maatschappy, de verbasterde Engelsche spelling gevolgd, en geschreven hebben Yacht-club, wat in 't Neêrduitsch niet te lezen is.

Jachtschip, -- Zie Jacht.

Een Jachtschip, met gezwollen zeil, Het brekend water kneedend.

Bilderdijk, Elius.

Jaffa, z. n. o. -- Stad in Palestina, waar den reizigers en pelgrims dikwijls, tot hun ongemak, by gebrek aan vaartuigen, het terugkeeren belet werd.

Spreekwijze. Hy komt van J-- (hy is, niemand weet waar,--hy ligt in onmacht).

Jagen, b. w. -- Vervolgen.

Jagen, o. w. -- 1o. Zich haasten, met snelheid vorderen. Hy Jaagt goed door (hy maakt veel spoed). In de samenstelling geeft J-- veelal datgene te kennen, wat by een vervolging 't eerst te pas, of met den vyand in betrekking komt. Zoo zijn J--hout de meest vooruitstekende spriet, zoo J--poorten de poorten, waar het eerst uit geschoten wordt, enz.

2o. Op verkenning uitgaan. De Amiraal deed sein voor de Diana om te J-- (om vooruit te zeilen in een gegeven koers). Hy deed sein voor de Vloot om te J--, (ongeordend zoo snel mogelijk in een gegeven koers te zeilen.)

Jager, z. n. m. -- 1o. De man, die het paard of de paarden bestuurt, die voor een jaagschuit gespannen zijn.

Men hoort den Jagerboef zijn ongemack' verfluyten, Of koelen met een lied de bleinen die hy rijdt. Niet nu eens, en eens flus, maar stadigh en altijd, By doncker en by daegh.

Huyghens, Hofwijck.

2o. De betrekkelijke benaming van een vaartuig, dat een ander vervolgt. Loefwaartsche, Lywaartsche J--.

3o. Schip, dat ter ontdekking eens vyands vooruitgaat, J-- van een vloot. De J--s kracht van zeil doen maken.

4o. Naam van den grooten kluiver.

Jagers, z, n. m. mv. -- De twee stukken geschut, die op den boeg geplaatst worden, om vooruit te schieten.

Jagerstukken, z. n. v. mv. -- Zie Jagers.

Jakobsladder, z. n. m. -- Touwen ladder om in het kraaienest te komen.

Janmaat, z. n. m. -- Jan is de naam, waarmede men hier te lande in 't algemeen iedereen noemt, wiens naam men niet kent: en J-- is by uitnemendheid de naam, dien men aan het scheepsvolk kollektief genomen geeft.

Spreekwijze: Maatjan is knap, maar Janmaat is knapper. (Een matroos is vlugger dan een tijger, die in 't maleisch matian heet).

Jein, z. n. m. -- Zie Gein.

Jenevertuig, z. n. o. -- Gemeenzame en zinrijke benaming van noodtuig, hulptuig.

Jol, z. n. v. -- Klein licht vaartuig, doorgaands van klinkwerk gebouwd en gebezigd om boodschappen over te brengen, om in zee gemeenschap met andere vaartuigen te hebben, drenkelingen te redden, enz.

Jongen, z. n. m. -- 1o Knaap die dienst doet aan boord. Zie KajuitsJ--, ScheepsJ--.

2o. Benaming, waarmeê de matrozen somtijds worden toegesproken, bepaaldelijk als men hen tot iets wil aansporen. Toe J--s! Wakker aan J--s! Toont nu, dat je ferme J--s bent! enz.

Spreekwijze: Het zijn J--s van Jan de Wit. (Het oorlogschip, dat dien naam droeg, had in de vorige eeuw een uitmuntende bemanning, doch die bekend was door haar guitenstreken en losbandigheid als zy aan wal kwam).

Jonk, z. n. v. -- Sineesch of Indiesch vaartuig.

Journaal, z. n. o. -- Zie Dagregister.

Judasooren, z. n. o. mv. -- Zie Apostelen.

Juffer, z. n. v. -- 1o. Blok met gaten, beslagen met yzer, en dienende om de hoofdtouwen van buiten aan de schepen te zetten.

2o. Spar, balk. Vergelijk Huygens Sneld. XVIII B. no. 80 en 144.

Jut, (doove) z. n. v. -- Stuk hout, van voren met een klaauw voorzien, 't welk buiten de marsen wordt uitgestoken om de pardoens uit te houden.

Jijn, -- Zie Gein.

K.

Kaag, z. n. v. -- Platboomd vaartuig op onze binnenwateren in gebruik. Het heeft een enkelen schuinschen mast en een halve boegspriet. Het voert een sprietzeil en een of twee fokkezeilen.

Een menigte vertrekt met Kagen, smak en jaght, Naar 't Vlie en Tessel, waar hun de oorlogsvloot verwacht.

Antonides, Ystroom.

Spreekwijze. De K-- is nog niet overgewonden--t. w. van 't eene water in 't andere--('t gelukt nog niet.)

Kaagman, z. n. m. of Kaagschipper. -- Schipper eener Kaag.

Kaagschipper, z. n. m. -- Zie Kaagman.

Kaai of Kade, z. n. v. -- Dijk, dam: oorspronkelijk een zoodanige, die alleen gelegd werd om het zomerwater te keeren: thands meer bepaaldelijk een steenen wal, waar schepen aanleggen. Zoo is te Amsterdam de Geldersche K-- die, waar de schepen, uit Gelderland komende, plachten aan te leggen. Van K-- dat "keer" beteekent, komt bekaaid, d. i. verkeerd.

Kaaiboef, Kaailooper, z. n. m. -- Kruier of kraankind, die aan de Kaai zijn kost zoekt te verdienen.

Kaaidraaien, o. w. -- Met een klein vaartuig by de schepen rond gaan om eetwaren te verkoopen.

Kaaidraaier, z. n. m. -- Het vaartuig, waarmede Gekaaidraaid wordt, of de man, die het voert.

Kaaien, b. w. -- Strijken. De raas K-- (de raas schuins overeinde toppen, om daardoor by het verhalen in een haven niet aan scheepstuig van een ander schip onklaar te raken).

Hoe grote een vlote leght daar met zijn zees Gekaait.

Antonides, Ystroom.

K-- wordt ook in 't algemeen gebruikt, voor: "van richting doen veranderen". Wanneer de bramraas opgebracht worden, staan zy overend: op 't komm. K--! worden zy horizontaal (vierkant) gehaald. De onderraas Gekaaid, d. i. langs scheeps liggende.

Kaaigeld, z. n. o. -- Geld, dat betaald wordt om aan de kaai te mogen liggen.

Kaailooper, z. n. m. -- Zie Kaaiboef.

Kaaimeester, z. n. m. -- Beämbte, die voor het onderhoud der Kaaien, voor het innen van het Kaaigeld en de legplaats der schepen zorgt.

Kaairing, z. n. m. -- Ring, aan de Kaai bevestigd, en waar de schepen aan worden vastgesnoerd.

Kaak, z. n. v. -- 1o. Ton; 2o. Harde wind;--doch in beide beteekenissen verouderd.

Kaal, b. n. -- Ontbloot. Een K--le ra (een ra zonder zeilen). Een K--le boeg (een boeg zonder ankers), enz.

Kaan, z. n. v. (veroud.) -- Licht vaartuig.

Kaap, z. n. m. of Voorgebergte. -- Van 't Spaansch Cabi en dit van 't Lat. Caput, d. i. hoofd, als zijnde een stuk lands of hoofd, dat in zee uitsteekt. Den K-- te boven komen (hem omzeilen).

Spreekwijze: Hy zal den K-- niet halen (hy zal van zijn ziekte niet opkomen). Door den K-- wordt hier verstaan de K-- de Goede Hoop, waar de schepen die naar O. Indiën varen, zich plachten te ververschen.

Kaap, z. n. m. -- Houten gevaarte op het land, dienende tot baken by peilingen.

Kaap, z. n. v. -- Roof, alleen gebruikelijk in de uitdrukking ter K-- varen (ter roof, om buit varen).

Kaapstander, z. n. m. -- Zie Spil, gangspil, aardewind.

Kaapvaarder, z. n. m. -- 1o. Een vaartuig dat op den Kaap de Goede Hoop vaart.

2o. Een vaartuig, of

3o. De Kapitein van zoodanig vaartuig, die voor eigen rekening ter Kaap vaart en buit gaat halen op de vyanden van den Staat.

Kaapvaart, z. n. v. -- Koopvaardersbedrijf. Een schip ter K-- uitrusten. De K-- drijven.

Kaart, z. n. v. -- Van 't Ital. carta (blad) en daarom by uitnemendheid een blad, een bord of rol papier of andere zelfstandigheid, waarop de ligging van eenig land, zee, plaats of hemelstreek is uitgedrukt. Zie Paskaart, Waereldkaart, Zeekaart, Platte K-- (waarop alleen breedte is afgeteekend en die dus alleen voor de Noord-, Oostzee, enz. dient). Ronde K-- (waarop ook lengte is afgeteekend).

Spreekwijze: Hy heeft de K-- niet (hy mist den noodigen leiddraad of de inlichtingen, hoe zich in die zaak te gedragen).

Hy vaart maar op een platte K-- (zijn begrip reikt niet ver).

Kaaskamer, z. n. v. -- Plaats, waar de kaas bewaard wordt.

Kabas, z. n. v. (veroud.) -- Fuik.

Kabbeljaauw, z. n. m. -- Bekende zeevisch.

Spreekwijze: Een spiering uitwerpen, om een K-- te vangen (een klein geschenk geven om er een grooter te bekomen: een kleinigheid wagen om een belangrijke winst te doen, enz.).

De spiering doet den K-- afslaan (de hoeveelheid van slechte waar is somtijds oorzaak, dat de goede voor een spotprijs moet verkocht worden).

Er kan nog een K-- onderdoor (er is nog genoeg water onder de kiel; er is nog geld, wijn enz. genoeg).

Kabel, z. n. m. of Kabeltouw. -- Zwaar touw, uit drie ineengedraaide touwen samengesteld, en voornamelijk strekkende om het schip aan een uitgeworpen anker bevestigd te houden. K-- insteken (het K-- in den ankerring vastmaken). K-- korten (het inhalen of inwinden om het spil). K-- uitsteken (het uitvieren, bot geven). K-- om (wind het anker!). Aan boord is echter over 't algemeen het woord zwaar Touw meer in gebruik dan dat van K--. Volgends Bild. zou K-- van Oostersche afkomst zijn en "Verdubbeling" beteekenen. Zie zijn Gesl. in v.

Spreekwijzen: Zoo grof als een K-- (ruw, onbehabbeld).

De derde streng maakt den K-- (de derde man brengt de praat aan).

Hy heeft een K-- maar die ligt op zolder (hetgeen men noodig heeft is niet by de hand).

Daar is een kink in de K-- (er is een zwarigheid in den weg gekomen). Zie Kink.

Zich in een K-- laten beschieten (zich buiten schoots houden).

Kabelaring, z. n. o. of Kabellarga. -- Een, van kabelslag gedraaid, van afstand tot afstand van muizings, en aan de beide enden van oogen voorzien touw, waarvan het middel voor tusschen de kluizen en de enden langs stuur- en bakboordsbattery tot aan het achterspil gebracht met drie slagen om dat spil gelegd, en dus de beide enden door die oogen aan elkander gebonden worden; voorts met seisings op het ankertouw vastgemaakt en dienende om het anker te lichten. Kommando: Maakt klaar de K--! Smijt de K-- op het spil! K-- naaien! Spiltuigen. d. i. K-- op het spil te doen.

Kabelen, b. w. -- Aan kabels vastmaken.

De minder Booten Gekabelt aen den rugh van die haer vorens gaen.

Huyghens, Spiegel.

Kabelgaauw, b. n. -- Die vlug met de kabels kan omgaan. Aardig is de woordspeling van Huygens, die in zijn Zedeprinten een matroos noemt

Een Kabeljauws genand, van wegen 't Kabel-gauw.

waaruit op nieuw bewezen wordt, wat ik elders herhaaldelijk heb aangevoerd omtrent de immer zachte uitspraak der g bij onze vroegere schrijvers.

Kabelgaren, z. n. o. -- Uit het hondenend van 't zwaar of ander dienstig touw gehaald, dient voor schiemansgaren, platting en andere losse bindsels.

Kabelgast, z. n. o. -- Zie Kapitein van het kot.

Kabelgat, z. n. o. -- De scheepsruimte, waar de ankertouwen en ander waarloos touwwerk geborgen worden.

Spreekwijze: Hy kruipt in 't K-- (hy is een bloodaart).

Kabelketting, z. n. v. -- Yzeren kabel.

Kabellarga, z. n. v. -- Zie Kabelaring.

Kabellengte, z. n. v. -- Lengte van een Kabel, of 120 vademen. Het schip ligt op twee K--n van den wal.

Kabelslaan, o. w. -- Een kabel vervaardigen.

Kabelslag, z. n. o. -- Touw, waarvan de garens by 't slaan rond zijn ineengedraaid.

Kabeltouw, z. n. o -- Zie Kabel.

Kade, z. n. v. -- Zie Kaai.

Kadet, z. n. m. -- Aspirant, kweekeling, die voor Officier wordt opgeleid.

Kadraaier, z. n. m. -- Zie Kaaidraaier.

Kaïck, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Benaming, die gegeven plach te worden aan de sloep eener galei.

2o. Klein vaartuig, in gebruik op de Zwarte Zee.

Kajuit, z. n. v. -- Kamer voor den Kommandeur; op schepen, die geen westergang hebben, is zy het achterste gedeelte van het kuildek, bevattende tot aan den bezaansmast of onder de kampanje. De Voor K-- is op 't kuildek, van den bezaansmast tot aan het voorste van den rooster van 't halfdek. Op de Koopvaardyschepen is zy--gelijk het woord aanduidt--oorspronkelijk "stookplaats" van Kaîen (branden, stooken) en meer bepaald, de stookplaats op een vaartuig. Deze werden langzamerhand ruimer en gemakkelijker; doch de naam bleef bewaard, en thands verstaat men door K-- een met slaapstede en andere gemakken voorziene kamer aan boord. Groote K-- (de grootste dier kamers, waar de hutten der Officiers of passagiers op uitkomen en het middagmaal gehouden wordt).

Spreekwijze: Zie Hut.

Kajuitsjongen, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen de kajuit en meer byzonder den Kapitein bedient.

Kajuitswachter, z. n. m. -- Knaap, die op Koopvaardyschepen den Kapitein ten dienste staat.

Kaken, b. w. -- De haring in kaken of tonnen slaan.

Kalderstok, z. n. m. -- Zie Holderstok.

Kalefaten, b. w. Kalfaten of Kalfateren.-- Een schip breeuwen by de timmering. Zie Breeuwen. 't Is van 't Ital. Calfatare.

Spreekwijze: Ik zal dat wel K-- (ik zal dat gat wel stoppen).

Kalenboeg, z. n. m. (veroud.) -- Schip, dat zijn ankers verloren heeft en welks boeg dus kaal is. Zie Kaal.

Kalf, z. n. o. -- 1o. Een stop- of aanvullingsstuk; vanwaar het ook in gebruik raakte voor kleine briefjes in grootere gestoken. Het was zoo een K--jen, in een brief der Staten aan Neyen en Verreycken door Oldenbarneveldt gestoken, 't welk hem later zuur opbrak.

2o. Een inkeep in de zijplanken van de rampaarden, waar de stelhouten op worden vastgelegd, om het geschut naar tijdsgelegenheid daarmede te doen rijden of dompen.

Kalfaatshamer, z. n. m. -- Hamer, waarvan men zich by 't kalfaten bedient.

Kalfaattang, z. n. v. -- Tang om by het zware breeuwen, het kalfaatyzer mede vast te houden.

Kalfaatyzer, z. n. o. -- Yzeren beitel, van onderen met een ronden kant, waarin een sleuf is.

Kalfateren, b. w. -- Zie Kalefaten.

Kalfatering, z. n. v. -- Het kalfateren.

Kaliber, z. n. o. -- Betrekkelijke zwaarte b. v. van den kogel, die uit een stuk geschoten moet worden. Stuk van 30, van 24 ponds K--. Een schip van het zwaarste K-- (een driedekker).

Kalken, b. w. -- De buitenhuid van een schip (vooral in de West-Indiën) met een dikke kalkpap besmeeren tegen den invloed van den worm in 't aangroeien.

Kalmte, z. n. v. -- Windstilte.

Kam, z. n. m. -- Smalle strook houts onder aan den uitlegger, hebbende de gedaante van een kam, en met twee gaten voorzien, die tot het toezetten der holgen dienen.

Kammen, z. n. m. mv. (veroud.) -- Twee lange houten met ronde gaten, die onder de raas gespijkerd worden, om de zeilen daaraan te rijgen.

Kameel, z. n. o. -- Groot gevaarte van byzonderen vorm, in 1698 te Amsterdam door Bakker uitgevonden, en dienende om schepen te lichten, om die over Pampus te brengen.

Kamerband, z. n. m. -- Ring of astragaal van het Bodemstuk.

Kamerstuk, z. n. o. -- Zie Steenstuk.

Kamhout, z. n. o. -- Opvulling tusschen de slooiknieën tegen de scheg, somtijds met snijwerk voorzien.

Kampanje, z. n. v. -- Licht dek, dat op groote schepen gebouwd wordt boven het halfdek en van den bezaanmast tot aan het achterschip loopt: onder de K-- is de kajuit, doch op linieschepen, die geen westergang hebben, zijn de hutten voor de Officieren onder de K-. Antonides gebruikt het woord onzijdig.

Klim op dit schip omhoog, Dit oorlogsslot, en laet van 't steil Kampanje 't oog Uitstrecken over 't vlak, van daer de witte duinen Zich schijnen in de lucht te heffen met hun kruinen.

Antonides Ystroom.

Kanaal, z. n. o. -- Zeestraat, zeeëngte. Meer byzonder wordt by ons door het K-- verstaan de zeeëngte tusschen Frankrijk en Engeland. Er hebben veel aanzeilingen plaats in 't K--: wy werden door tegenwind belet door 't K-- te komen.

Kanbeitel, z. n. m. -- Soort van beitel.

Kanetas of Kanevas, z. n. o. -- Van 't Ital. canavaccio, dat weder van 't Lat. cannabis (hennip) afkomt. Grof doek, zeildoek.

Kanon, z. n. o. -- 't Ital. canone, pijp, buis.--Stuk geschut.

Kant, z. n. m. -- Zoom, zijde, byzonder van 't Land.

Spreekwijze: Het raakt K-- noch wal (het komt er in 't geheel niet by, het heeft zin noch slot.)

Kant (over) b. w. -- Een schip O--K-- (over zijde) halen, om te koperen.

Kant zetten, b. w. -- In orde stellen: De zeilen K-- Z--, (ze stellen gelijk ze wezen moeten).

Spreekwijze: Kant en klaar (in behoorlijke orde).

Kanterstok, z. n. m. -- Zie Kolderstok.

Kanthaak, z. n. m. -- Zie Balkhaak.

Kantimaroen, z. n. m. -- Zoo noemt men twee of drie saêmverbonden kanoos, welke men op de kust van Koromandel tot de vischvangst bezigt.

Kap, z. n. v. -- Beschot van lichte planken, dat aan boord van koopvaardyschepen den achtertrap, op oorlogschepen den kop van het roer bedekt.

Kapen, b. w. -- Rooven.

Kaper, z. n. m. -- Vaartuig, door byzondere personen uitgerust om afbreuk te doen aan de vyanden van den Staat.

Spreekwijze: Er zijn K--s op de kust, (er zijn er, die ons zouden benadeelen). De uitdrukking wordt veelal gebezigd door een minnaar ten opzichte van zijn medevrijers.

Kapitein of Kaptein, z. n. m. -- 1o. De eerste gezachvoerder aan boord van een oorlogschip. K-- van de vlag (de gezachvoerder aan boord van het Amiraalschip.) By de manschap gaat de K-- doorgaands onder den naam van den Ouwe door.

2o. De gezachvoerder aan boord van elk vaartuig, 't zij koopvaardyschip, 't zij trekschuit. In het eerste geval is de benaming door 't gebruik gewettigd, in het laatste wordt zy alleen beleefdheidshalve of uit scherts gegeven.

Spreekwijze: Booi is K--; zie Booi.

Kapitein-Luitenant, z. n. m. -- Zeeofficier, in rang volgende op den Kapitein ter zee, en gelijkstaande in rang met den Luitenant-Kolonel der Landtroepen.

Kapitein ter zee, z. n. m. -- Zeeofficier, den rang voerende van Kolonel.

Kapitein van het kot, z. n. m., Kabelgast of man in het kabelgat. -- Matroos, die voor de dagelijksche behoeften, als kaarsen, touwwerk, enz., zorg draagt.

Kaplaken, z. n. o. -- Geschenk, aan den gezachvoerder van een koopvaardyschip verzekerd by volbrachte reis.

Kappen, b. w. -- Doorhakken. Het anker K-- (het touw doorhakken waar het anker aan vast is, als men geen tijd meer heeft het te winden).

Zy kappen d' anckers buiten hoop, En drijven d'een op d'ander.

Vondel, Neerlaeg der Turksche Vloot.

Kapseizen, o. w. -- Omslaan. Wy liepen gevaar van te K--. De uitdrukking is zeldzaam in gebruik.

Karak, z. n. v. -- Zie Kraak.

Karakor, z. n. m. -- Borneoosch vaartuig.

Karavaanschip, z. n. o. -- (veroud.) Marseljaansch vaartuig, dat van haven tot haven met koopwaren op de Levant plach te varen.

Karavel, z. n. v. -- Zie Karveel.

Karbeel, z. n. v. -- Zie Karveelhout.

Kardeel, z. n. m. of Val. -- Touw, dat gebezigd wordt om een zeil, vlag of wimpel op de begeerde hoogte te brengen.

Kardeelbloks, z. n. mv. -- Bloks, dienende om de onderraas op hare plaats te hijschen en in de rakken te hangen.

Kardoes, z. n. v. -- 1o. Zakjen van papier waarin een lading kruit voor een vuurmond geborgen wordt. 't Woord is verbasterd van kaartedoosjen, 't welk nog letterlijk in 't Fr cartouche gehoord wordt. De eerste K--zen waren namelijk kokers van kaartblad, en hingen aan de bandelieren der schutters.

2o. Stuk hout, onder den verbindingsklos onder elken balk recht op en neder geplaatst en van achteren tegen de wegers gesteund.

Kardoeskist, z. n. v. -- Kist, waarin de Kardoezen bewaard worden.

Kardoeskoker, z. n. m. -- Ronde koker van dun hout, geschikt om een Kardoes te bevatten.

Kardoesstok, z. n. m. -- Vorm, waar de Kardoezen, volgends de bepaalde maat, op genaaid worden.

Karga, z. n. v. -- Lading, vracht.

Kargadoor, z. n. m. -- Spaansch woord, bevrachter, doch by ons ongeveer 't zelfde als konvooilooper beteekende. Zie Konvooilooper.

Kargalijst, z. n. v. -- Zie Ladingsbrief.

Kargazoen, z. n. o. -- Spaansch woord, voor vracht en lading.

Karmoezaal, z. n. m. -- Turksch koopvaardyvaartuig, met hoog achterschip: het voert een grooten mast, een boegspriet en een kleinen bezaan, het draagt een marszeil boven 't groote zeil, een klein achterzeiltjen en een stagzeiltjen voor.

Karreldoek, z. n. o. of Noyaalsch Doek. -- Soort van zeildoek, dat voornamelijk te Noyalle, dorp in de nabyheid van Rennes in Bretanje, gefabriekt wordt.

Karronade, z. n. v. -- Metalen stuk geschut, aldus genoemd naar Karron, eigenaar der gietery in Schotland, waar de eerste stukken van die soort in 1774 gegoten werden.

Karronadeslede, z. n. v. -- Soort van affuit.

Kartélschip, z. n. o. -- Schip, dat gevangenen vervoert, die uitgewisseld moeten worden.

Kartouw of Kortouw, z. n. v. -- Zwaar stuk geschut. 't Woord beteekent volgends Bild. kar-toge (kartrekking). Zie Bld. Gesl. in v.

De Sultan dondert zonder nut Met zwangere kortouwen

Vondel, Neerlaegh der Turksche vloot.

Karveel, z. n. v. of Karavel. -- 1o. Portugeesch vaartuig van middelbare grootte, en met latijnzeilen getuigd.

2o. Vracht of scheepslading.

3o. (Veroud.) Soort van zwaar blok, van een koperen of palmhouten schijf voorzien, en dienende om raas en stengen op te hijschen.

Karveelhout, z. n. o. of Karbeel. -- Balk of stang, die tot stut of verbinding strekt onder de ribben langs scheeps.

Karveelnagel, z. n. m. of Knevel. -- Houten of yzeren nagel om touwwerk aan te beleggen.

Karveelswerk, z. n. o. -- Houtwerk, waarvan de planken of balken met de kanten over elkander heen schieten: welke betimmering de krapschuitsgewijze betimmering verving.

Karveelschip, z. n. o. (veroud.) -- Benaming van schepen, waarvan Velius gewach maakt in zijne Beschrijving van Hoorn als volgt: "In het jaar 1460 werden hier te Hoorn de eerste Karvielschepen gemaakt, daar men te voren niet hadde als Hulken, Razeilen en Krajers en die altemaal gewrocht crapschuitswijze met de planken op malcander."

Karwylnagel, z. n. m. -- 't Zelfde als Karveelnagel. Zie ald.

Kassen, b. w. -- Elkander door het slaan van water nat maken.

Kasteel (voor of achter) z. n. o. -- (veroud.) Getimmerte op den voor- of achtersteven opgericht.

Daer praelt de goude Leeu manhaftig op 't kasteel Van 't zware zeegevaerte.

Antonides, IJstroom.

Kat, z. n. v. -- 1o. of Katankers. Werpanker, dienende om een zwaarder anker te katten.

Spreekwijze: Hy heeft de K-- op het anker gezet (zie Anker).

Het Katjen van de baan (de voorste om aan te grijpen; even als de K-- het anker 't eerst grijpt).

2o. Anker met maar eene tand.

3o. Geitouw onder de kraanbalk, waarmede het anker wordt voorgeheschen.

4o. Paal of stut in 't algemeen, en in 't byzonder een paal, op de kaai geslagen, en waar de ankerstok aan gehecht wordt.

5o. Soort van klein vaartuig, tot lichter in de havens gebruikt.

6o. Met negen staarten, zweep van touwen om mede te slaan.

Kathaak, z. n. m. -- Zware ijzeren haak, dienende om den ring van 't anker te vatten.

Katrol, z. n. v. en o. -- Voor katte-rol: 't zelfde als Blok, doch aan boord min gebruikelijk. Zie Blok.

Katten, b. w. -- 1o. Twee ankers op elkander uitwerpen, ten einde het eene by zwaren wind niet medega.

2o. Palen slaan voor een anker, dat op den wal ligt.

Kattekop, z. n. m. -- 1o. Houten spaak, die in de gaten van een windas gestoken wordt, om op een klein vaartuig aan een touw tot beting te strekken.

2o. Korte houwitser, op kanonneer- en bombardeerbooten in gebruik.