Part 10
Haringbuis, z. n. v. -- Zie Buis.
Haringpakkery, z. n. v. -- Een plaats in de steden, waar de Haring gepakt, dat is, in tonnen gedaan werd.
Harpoen, z. n. m. -- Yzeren werktuig met een weêrhoek, van achteren met een houten kruk voorzien, waaraan een touw bevestigd is, om het, wanneer het in het lijf van een visch vast zit, terug te kunnen halen.
Harpoender, z. n. m. -- Iemand, die zich op het Harpoenen verstaat.
Harpoenen, b. w. -- Met een Harpoen treffen.
Harpuis, z. n. o. -- Harstachtige stof, waarmede de huiden der schepen bestreken en tegen het gewormte worden vrijgehouden.
Harpuislepel, z. n. m. -- Lepel om 't Harpuis mede te scheppen.
Harpuizen, b. w. -- Met Harpuis bestrijken.
Hart, z. n. o. -- 1o Van een schip: dat gedeelte, waar de planken en ribben het dikst zijn.
2o. Van een touw. Wit gestrengeld garen, dat de binnenste ruimte vult van een vierstrengs-touw.
3o. Werktuig, dat in houten pompen gebruikt wordt.
Hartbindsel, z. n. o. of Kruisbindsel -- Bindsel of sjorring, aangeslagen op de plaats, waar twee lijnen elkander kruisen.
Hartjen, z. n. o. -- Zie Pomphartjen.
Haven, z. n. v. -- Plaats, waar de schepen veilig liggen voor stormen en zeegevaren. ZeeH-- (waar de zee een inham vormt in 't land). RivierH-- (die by de monding ligt van een stroom). KrijgsH--, OorlogsH-- (waar 's Lands oorlogsschepen gehouden worden). KoopvaardyH-- (waar alleen koopvaarders in liggen). Sluip- of VerverschingsH-- (waar geen werven bestaan). OpenH-- (die men beneden winds heeft). Besloten H-- (waar men den mond niet van ziet wanneer men er in ligt, zoodat men er geheel beschut is tegen zee en wind). TijH-- (waar men de werking in voelt van den vloed). VrijH-- (waar de koopgoederen geen rechten betalen). By- of HulpH-- (van den tweeden rang). NoodH-- (waar men uit nood binnenloopt.)
In Rotterdam, Dordrecht enz. geeft men ook den naam van H-- aan wat men elders "gracht" noemt.
Spreekwijze: In behouden H-- zijn (zich buiten gevaar bevinden).
Op een vreemde H-- geweest zijn (gemeenschap gehad hebben met een andere dan de echte vrouw:--omdat by de matrozen vrij algemeen de leus is: "zoo menige H--, zoo menige vrouw").
Daar is geen H-- mede te bezeilen (men kan met hem niet verder komen).
Alle H--s schutten geen wind (niet alles strekt tot eer en voordeel, waar men eer en voordeel van wacht.)
Havenen, b. w. -- 1o. In een Haven bergen. Die goederen worden alleen gelost om Gehavend te worden.
2o. (veroud.) Schoonmaken. Zoo vindt men in oude weeshuis-verordeningen: "de knechtskens en meiskens zullen eenmaal 's weeks Gehavend worden." Hiervan is later H-- in den zin gebruikt van "kammen, onder handen nemen."
Havengeld, z. n. o. -- Geld, dat betaald wordt om een Haven te mogen binnenloopen of er in te liggen.
Havenmeester, z. n. m. -- Opzichter van een Haven, die voor de uitdieping, de kaaien, het paalwerk, het opkorten der schepen, enz., te zorgen heeft.
Havery z. n. v. -- Zie Avery.
De scha van haverye en parken te begraven, In 't onweêr wort met vreught van overwinst begroet.
Vondel, Inwijding van 't stadthuis.
Heien, b. w. -- Palen inslaan. Roemer Visscher, 2e schok 60, bezigt het van een schip, dat diepgaande is, en als in zee wordt ingeslagen. Zie Stampen.
Heiblok, z. n. o. -- Zwaar blok, dat, aan verscheiden touwen vastzittende, op- en nedergelaten wordt om er palen mede in te slaan.
Hek, z. n. o. -- Het slot van het achterschip.
Hekbalk, z. n. m. -- Een gedeelte van den wand, dat de beide zijden van het schip verbindt, aan Hek en Wulf tot grondslag strekt, en waarop de enden der buitenboords-planken bevestigd worden.
Hekboot, z. n v. -- De kleinste boot, die aan 't hek opgeheschen wordt.
Hekknieën, z. n. v. mv. -- Knieën, die de hekbalken aan het schip verbinden.
Heksluiter, z. n. o. -- Eigenaardige naam van het laatstkomende schip eener linie.
Hekstut, z. n. m. -- Knievormige stut, met een papegaaisbek, op het einde des Hekbalks geplaatst en daaraan vastgehecht.
Hel, z. n. v. -- 1o. Benaming, die vroeger te Amsterdam werd gegeven aan een pakhuis, waar gesloken goederen in bewaard werden,--waarschijnlijk, om dat zy er niet licht weêr uitkwamen.
2o. Of Blakhel. Hok omlaag op de koebrug, dienende tot berging van onderscheidene dagelijksche behoeften, als olie, pek, enz.
Hellen, o. w. -- Overhangen, overhalen. Dat schip helt zwaar, het hangt veel over.
Helling, z. n. v. -- Soort van glooiend roosterwerk op den vasten grond aangelegd en waarop het vaartuig gebouwd of hersteld wordt. VoorH-- (dat gedeelte der H--, dat door het water is overdekt). Overdekte H-- (die een dak heeft). SleepH-- (om vaartuigen te herstellen).
Spreekwijze: 't Moet op de H-- ('t heeft herstelling noodig).
Helmstok, z. n. m. of Roerpen. -- Staaf of stok, die het roer in beweging brengt. 't Woord is, volgends sommigen, 't zelfde als halm (spriet) wat nog in 't Engelsch voor "roer" gebruikelijk is. Intusschen moet men niet vergeten, dat de stokken, vooral op binnenvaartuigen, tot knop een hoofd hadden met een Helm voorzien, waarop de stuurman zijn hand leî.
't Verstand, door 't dwalen van zijn werktuig, schokt en zwiert, Niet anders dan het roer dat heel de hulk bestiert, Wanneer de helmstok faalt, door stormweer weggeslagen.
Bilderdijk, Ziekte der gel.
Spreekwijze: De een staat aan den H-- de ander aan den boeg, (de een waakt op deze, de andere op gene wijze voor 't algemeen belang).
Helpen, b. w. -- Men wordt gezegd, een schip te H--, wanneer men de werking der zeilen by die van het roer voegt, of, by kalmte, de riemen gebruikt, en aan de eene zijde goed, aan de andere verkeerd roeit, om zoo te wenden.
Hengst, z. n. m. -- Klein zeilvaartuig op onze binnenwateren in gebruik.
Hennegat, z. n. o -- 1o. Eivormige opening, boven den achtersteven gemaakt, om er den kop van 't roer doorheen te brengen.
2o. Achterste gedeelte van de sloep, afgescheiden door het hekkebord, tot een zitplaats voor den kwartiermeester, die aan 't roer zit.
Heude, z. n. v. -- (veroud.) soort van vrachtschip op de binnenwateren.
Ick laet de Binnen-vaert........ Van Heuden, Playten, Boots, Smack-seylen ofte stevens,
zegt Vondel in zijn Lof op de Scheepv.
Hiel, z. n. m. -- 1o. Hoek van den achtersteven met de kiel.
2o. Onderste gedeelte van de steng, waarin de schijf loopt.
Hielen, o. w. -- Met het achtereinde van het schip tegen den grond stooten.
Hieling, z. n. v. -- De verdubbeling onder aan de steng.
Hielingsplaten, z. n. v. mv. -- Platen, aan weêrszijde van het achtereinde der kiel aangebracht en door de kiel en door den steven aan elkander gebout.
Hielingssteek, z. n. m. -- Knoop, dienende om twee lijnen spoedig aan elkander vast te hechten. Zie Mastwerp.
Hobbelen, o. w. -- Freq. van "Hobben" (zich bewegen) en alzoo: "zich herhaaldelijk, zich heen en weder bewegen." Bepaaldelijk wordt de uitdrukking gebezigd van een vaartuig, dat in 't water ligt.
Daer leit de dicke romp en hobbelt zijght en stijght.
Vondel, Scheepv.
Hoek, z. n. m. -- 1o. Uitstekende landpunt. De H-- van Holland.
Spreekwijzen. Den H-- te boven zijn (de zwarigheid overwonnen hebben): om dat H--en altijd hinderlijk zijn voor wie in-de-wind moet oplaveeren en het rondkomen van een H-- den schipper altijd groote blijdschap geeft.
Het H--jen om zijn (dood zijn:--omdat men dan uit het gezicht en voor de nablijvenden weg is).
Uit den H-- komen, (voordeel aanbrengen. Wanneer een baak, toren, enz., die aan de andere zijde van den H-- staat, te voorschijn of uitkomt, dan is dit een bewijs dat men den H-- te boven is, en dus een voordeelig teeken).
2o. Vischangel. Hy heeft den H-- al tot de keel, (de man is al binnen).
Hoeker, z. n. m. -- Groot Noordsch visschers- en transportvaartuig. De H-- heeft twee masten, den eenen in 't midden, den anderen achter; de groote mast voert een groot- en een marszeil, de achterste mast een vierkant zeil boven een klein brikzeil. Nog voert de H-- drie groote kluivers en een blindzeil. De naam van H-- schijnt daarvan afgeleid, dat zoodanige vaartuigen oorspronkelijk uitgingen om met hoekwant te visschen.
Hoekwant, z. n. o. -- Vischwant van hoeken voorzien.
Hoekmannen, z. n. m. mv. -- Beelden, die aan de hoeken van den spiegel tot cieraad gesteld worden.
Hoepel, z. n. m. -- Cirkelvormige lat of ijzeren band, tot omsluiting dienende van eenig rond voorwerp.
Hoezee. -- Uitroep.--Zie Houzee.
Hofmeester, z. n. m. -- De man, die aan boord van de schepen met de kajuitstafel is belast. Op koopvaardy- of beurtvaartuigen zorgt hy ook voor die der passagiers.
Hog, z. n. m. (veroud.) -- Toestel, die gebezigd werd om de buitenhuid van een schip schoon te maken. 't Woord is Saksisch en beteekent "varken".
Hoggen, b. w. of Varkenen. -- Met een Hog schoon maken.
Hol, z. n. o. of Holte. -- Het ruim van de scheepsromp: ook voor de romp zelve gebezigd. Hy komt met het H-- boven water (het schip, waarvan men eerst slechts de masten kon zien is zoo veel genaderd dat men de romp kan zien). Stengen en raas in 't H-- neder strijken.
Hol, b. n., en by. -- H--le of H--gaande zee (onstuimige zee: omdat, hoe zwaarder de zee is, hoe grooter en dieper zich de holten tusschen de baren vertoonen).
Spreekwijze: Het gaat er H-- toe (men ligt er geweldig overhoop).
Holker, z. n. m. (veroud.) -- Soort van Noordsch vaartuig.
Hollander, z. n. m. of Haaksteek. -- Knoop, dien men met het end van een talreep slaat om den hoek van een talie.
Hollander (De vliegende) z. n. m. -- Spookschip, hetwelk de zeelieden beweeren, dat zich in de Indiën beneden de Kaap onthoudt en altijd met volle zeilen tegen den storm instevent. De ontmoeting van den V-- H-- spelt een onvermijdelijke schipbreuk. De reden, waarom de manschap van dit spookschip de straf zoû verdiend hebben om eeuwig over zee te dwalen, wordt verschillend opgegeven.
Holte, z. n. v. -- De H-- of 't Hol van een schip is de afstand, die aanwezig is van het bovenste der kiel tot aan de rechte lijn van het bovenend der balken van het opperdek. H-- in het ruim (de diepte van het ruim, gemeten van boven het zaadhout loodrecht op tot onder de hoofdbalk).
Holtertepolter, bw. -- Door elkander verward. Zy vielen H-- (hals over kop) naar lij. Omtrent de afkomst van dit woord wordt het volgende verhaald. Een Zwolsche beurtman, met grasmaaiers geladen, zeilde met een stijve koelte by-de-wind. Eenigen onder de Duitschers, die zeeziek voor op 't dek lagen, gleden telkens naar lij. De schippersknecht, om dit voor te komen, gelastte hun zich aan elkander, en den bovenste loefwaarts, den bolder, daar de fokkeschoot aan belegd wordt, vast te honden. Dit middel om niet aan lij over boord te vallen, maakten de Duitschers aan hun landlieden bekend, en wanneer zy over de Zuiderzee voeren en er doorgaands zeezieken onder hen waren, grepen zy elkander aan en riepen tot den sterkste onder hen: holte Er den Polter (hou gy den bolder vast), wat echter niet belette, dat zy nog dikwijls door elkander tuimelden.
Hommer, z. n. m. -- Schaal op den kop van een voorsteng of voorbramsteng, dienende tot steun van de zalingen of touwen.
Hommergat, z. n. o. -- Het gat in het ezelshoofd, waar de steng doorloopt.
Hondefok, z. n. v. -- Speeltakel of Vierlinger.--Lichte takel, dien men ergends aan vast maakt, b. v. aan de sloep, en dienende om zware voorwerpen op te hijschen uit het ruim.
Hondehok, z. n. o. -- Een houten trap voor een luik, dienende om het zeewater te keeren, en van zijn vorm zijn naam ontleenende.
Hondenend, z. n. o. -- Het achterste end van kabeltouw, waarvan de strengen niet ineengedraaid zijn. Zie Bitterend.
Hondepint, z. n. o. -- Dubbel end touw, tot vastbinden gebezigd.
Hondepunt, z. n. v. -- Vorm, dien men aan het end van een touw geeft, om het gemakkelijker door de katrollen heen te werken.
Hondewacht, z. n. v. -- De wacht aan boord van middernacht tot vier ure, en aldus genoemd, omdat, op 't land althands, deze de gewone tijd is dat ieder zich ter ruste bevindt en het bewaken van huis of erf aan de Honden wordt overgelaten.
Hoofd, z. n. o. -- 1o. Soort van kaai van hout of steen, die in een zee of rivier uitsteekt, 't zij om de kracht van den stroom te keeren, 't zij om het aanleggen gemakkelijker te maken.
2o. Uitstek van een scheepsluik, dienende om het water te keeren.
3o. Het bovenste; als: H-- van den mast, steng, enz.
Hoofd. -- Beteekent in de samenstelling met andere woorden: het voornaamste: zoo zijn de H--zeilen, de zeilen van den fokkemast en boegspriet, H--touwen, de touwen die ter weêrszijden der masten staan, enz.
Hoofdtouwen, z. n. o. mv. -- Het staande want.
Hoofdwinden, z. n. m. mv. -- De winden, die uit de vier hoofdstreken waaien. Aldus door Antonides in zijn Ystroom geschetst:
Het lenteblaezend West, Het kielverdelgend Noort en zijn verwoede buien, Het kruitverzengend Oost en waterzuchtig Zuien.
Hoofdwindstreken, z. n. v. mv. -- Noord, Oost, Zuid en West.
Hoofdzee, z. n. v. Waereldzee of Oceaan. -- Zee, die niet binnen landen geheel of gedeeltelijk besloten is.
Hoogaars, z. n. v. -- Zeilschuit, op Maas, Lek en Yssel in gebruik voor de zalmvisschery. Volgens de benaming zoû zy een hoog achterste moeten hebben; thands is het echter de boeg, die hoog uit 't water ligt.
Hoogbootsman, z. n. m. (veroud.) -- Zoo werd de Opperbootsman genoemd. Thands heet die "Schipper."
D' onwrikbre Noortstar, groote Beer, Daar elk Hoogbootsman koers na richtte. Is zonder glans en straalt niet meer.
Oudaen, Zweedsche hoogmoed.
Hoogte, z. n. v. -- 1o. Opstand van den achtersteven, van den voorsteven van de waterlijn van een schip, gemeten van het onderste der kiel tot aan de uitersten dier deelen.
2o. De verhevenheid van de zon of van elk ander gesternte boven den horizon, op het oogenblik, dat het den meridiaan doorgaat.
Spreekwijze: H-- nemen (onderzoeken, in 't algemeen). Ik heb van die zaak geen H-- (zy gaat boven mijn begrip).
3o. Nabyheid, meer bepaaldelijk gelijkheid van stelling met betrekking tot de breedte. Op de H-- van deze of gene haven, zeestraat, enz. gekomen zijn (zich op dezelfde breedte als gemelde plaats bevinden).
Hoornklamp, z. n. v. -- Zie Klamp.
Hoos, z. n. v. -- 1o. Waterschepper, Waterstorter. Zie Hoosvat.
2o. Waterkolom, die door een wervelwind of andere oorzaak opgetrokken, zich in de gedaante van een omgekeerden kegel uit zee verheft en zich oplost in een wateruitstorting of in een felle windvlaag: vandaar WaterH--, WindH--. 't Is het oude oos, dat "water" beteekent. Wanneer men een H-- ziet naderen, tracht men er een kanonskogel doorheen te schieten, opdat zy zich voor 't naderen ontlade; daar het zeer gevaarlijk is er mede in aanraking te komen.
Hoozen, b. w. -- Met water begieten: ook voor uithoozen gebezigd. Zie Uithoozen.
Hoosgat, z. n. o. -- Het onderste van de kiel, waar het water samenloopt en naar buiten wordt geloosd. Men vindt dit niet op dek- of kuilschepen, maar alleen op kleine vaartuigjens.
Hoosvat, z. n. o. -- Langwerpige, smalle, uitgeholde en gekromde schepper, waarmede het water geschept en uitgeworpen wordt.
Horizon, z. n. m. of Gezichteinder. -- Streep, die de afscheiding maakt tusschen lucht en zee.
Hospitaalschip, z. n. o. -- Stilliggend vaartuig, ingericht tot verpleging van zieken.
Houden, b. w. -- 1o. Wederstaan, volharden. Zee H-- (in zee blijven). By-de-wind H-- (met zeilen by-de-wind zijn koers vervolgen). Dwars; dwars zees H-- (stroom of wind de zijde bieden). De ruimte H-- (op zekeren afstand van de kust blijven). Een zeil levendig H-- (de wind er uit houden.) Koershouden. (in de opgegeven streek zeilen). komm. Houdt wat ge hebt. De kust H-- (haar langs zeilen). Zie Houzee.
2o. Vatten, grijpen. Het anker houdt (het vat in den bodem).
Geen anker houdt; geen kabel doet hier baat;
Bilderdijk, Krijgsmuzyk.
Spreekwijze: Het was Hou en beleg. (Zie Beleggen.)
Hout, z. n. o. -- 1o. Al wat van boomen afkomstig is en tot de timmeraadje dient. Goed H--, Deugdzaam H--, Vervuurd H--, Gezaagd H-- enz. H-- voorscheen (het boord van het schip). Het schip staat vol H-- (de kiel, stevens en inhouten zijn aangebracht en geplaatst).
2o. Naam, die aan de rollen en planken gegeven wordt, waarop een visschersschuit geplaatst wordt om haar in zee te brengen. De man is op het H-- geholpen (de schuit is op rollen gezet).
Houtverband, z. n. o. -- Verband, dat van Hout is saamgesteld.
Houvast, z. n. m. --- Zie Balkhaak.
Houzee, of Hoezee. -- Echte Hollandsche uitroep, doch verdrongen door 't Hoogduitsche of liever Kozaksche Hoera, waarop het geestige vaersjen van Staring slaat:
Is 't hoêra, is 't hoerá? Brul, spreek ik, geen Kozakken na, Als Willems batteryen spelen, Als Fredriks oorlogstrommen slaan. Blijve onze kreet val aan! Als jong en oud in 't heil der overwinning deelen, By Quatre-Bras trofee, Blijve ons gejuich: hoezee!
En te recht! Hoera is een bloote schreeuw, waar zich geen denkbeeld ter waereld aanhecht. Hou-zee daarentegen (zoo als de oude zeelui nog roepen) geeft te kennen: "blijf in zee, al splijt de mast, al kraakt de kiel, al scheuren de zeilen, blijf in zee, al bulderen de orkanen, al ratelt de donder, al zocht elk de haven!"--maar ook op de levenszee--"laat u niet afschrikken, door tegenspoeden, door onheilen, door laster, door volksgeschreeuw--Hou-zee! hou moedig zee!"
Huid, z. n. v. -- Zie Dubbeling.
Huidspijkers, z. n. m. mv. -- Spijkers, die tot aanhechting der dubbeling worden gebezigd.
Huis, z. n. o. -- 1o. Het lichaam van een blok, waar een schijf in besloten zit.
2o. Het schip zelf, b. v. in de uitdrukking: het anker te H-- halen, (het anker opwinden).
3o. Het vaderland. Een te H-- vaarder (een schip, dat naar 't vaderland keert.) De te H-- reis, (de reis naar 't vaderland).
Spreekwijze: Oost, West, t' H-- best.
Hulk, z. n. v. -- Vaartuig, by onze voorouders in gebruik, en waarvan de gedaante nog voorkomt op het oude Amsterdamsche wapen.
Ten lesten ick mijn Hulk, op 't vlacke van den stroom, Voor anker ryen zie,
zegt Vondel, Lof der Zeevaart.
Hut, z. n. v. -- Vertrek tot logies der officieren: op sommige koopvaardyschepen is er een H-- op 't bovendek, tot byeenkomst voor de passagiers.
Spreekwijze. Als het in de kajuit regent, druipt het in de hut, (als meerderen er van lijden, krijgen minderen ook hun deel:--of wel: als de kapitein bromt, knorren de mindere officieren).
Hijschen, b. w. -- Met touwen ophalen. Een marszeil in top H--. De sloepen H--. Met alle kracht H-- (met schokken en geweld van handen). Langzaam, gestadig aanH--. (met levendigheid en terwijl de handen elkander beurtlings vervangen).
I.
In, voorz. -- Tegen. I-- de zee, in den wind.
Inhalen, b. w. -- 1o. Naar zich toe Halen. Haal de zeilen In, (vouw ze op.) Zie Halen.
2o. Op zijde komen. Het kostte ons geen moeite, dat schip In te halen.
Inham, z. n. m. of Kreek. -- Binnenwaartsche wending van de zee in de kust.
Inhout, z. n. o. -- Algemeene benaming, waaronder begrepen worden alle staande Houten, die tot den bodem en de wanden, en alle liggende Houten, die tot den bodem van een schip behooren en geen deel uitmaken van het lange scheepsraamvormige samenstel.
Spreekwijze. Sterk van I-- zijn, (gezond zijn, krachtig zijn.)
Inkeeping, z. n. v. -- Insnijding, in een steen of hout gemaakt, 't zij om een ander stuk er in te doen vatten, 't zij uit anderen hoofde.
Inklaren, b. w. -- Op de uiterste wacht de verklaring des gezachvoerders van een binnenkomend schip aannemen, omtrent de goederen, welke hy aan boord heeft.
Inkrimpen, o. w. -- Dichter samendringen. De wind Krimpt In, (de wind gaat tegen den loop der zon, b. v. van 't Westen naar het Zuiden).
Spreekwijze: zich I-- (zijn leeftrant verminderen).
Inbinden, b. w. -- Naauwer binden, en alzoo verminderen. Het zeil en reef I--. Zie Innemen.
Hy wist geen wind In zeil te binden.
Bilderdijk, Zeevaart.
Spreekwijze: Hy moet een reef I-- (hy moet zijn staat wat verminderen:--ook wel: hy moet zoo veel praats niet hebben).
Inbreken, o. w. -- 1o. Geweldig instorten, b. v. van de zee in het schip.
2o. Bochten, rondte in een touw maken.
Indompelen, b. w. -- In 't water zakken, diep liggen. Dat schip is N. voet In het water Gedompeld. (Het gaat N. voet diep). Het is van voren te veel Ingedompeld, ligt in den neus.
Inkeepen, b. w. -- Door middel van een keep een stuk hout of steen in een ander doen vatten.
Inladen, b. w. -- Bevrachten. Ik heb 100 balen rijst Ingeladen.
Inlader, z. n. m. -- Zie Bevrachter.
Inlaten, b. w. -- 't Zelfde als Inkeepen. Zie ald.
Inlating, z. n. v. -- 't Zelfde als Inkeeping. Zie ald.
Inloodsen, b. w. -- Zie Binnenloodsen.
Inloopen, b. w. -- Binnenloopen, b. v. een haven. Het water begint In te Loopen, (de vloed komt door).
Innemen, b. w. -- 1o. Aan boord nemen. Hy heeft tabak ingenomen. 2o. Inbinden. Een rif I--.
Inpalmen, b. w. -- Een touw of lijn hand over hand naar zich toehalen.
Spreekwijze: Iets I-- (by stukjens en brokjens terug krijgen).
Inpennen, b. w. -- Een Pen in een gat slaan.
Inpikken, b. w. -- Inhaken. Het Kiptakel I-- (den haak van het katloopersblok door den ankerring slaan). De slingertaliën I-- (de haken dier taliën aan het scheepswand bevestigen om tot steun te dienen tegen het slingeren van 't vaartuig).
Inschepen, b. w. -- Een lading of vracht aan boord brengen. De waren zijn ingescheept (zijn aan boord).
Inschepen, (zich) o. w. -- Aan boord gaan met het doel om met het schip te vertrekken. Zich I-- voor de Oost.
Inscheping, z. n. v. -- Daad van Inschepen. Sedert onze I-- zijn wy een maand op zee geweest. I--s troepen (troepen, bestemd om in de Koloniën of waar ook over zee gebezigd te worden).
Inspit, z. n. o. -- Zie Roerpen.
Insteken, b. w. -- Induwen, doorduwen. Een kabel I-- (te weten, door den ankerring.) Ook vastmaken: Een blok In een strop Steken (er in vastmaken).
Intrekken, b. w.-- Inhalen, naauwer maken. Dat schip is boven Ingetrokken, (naauwer gemaakt). Zie Intrekking.
Intrekking, z. n. v. of Invalling. -- Het Intrekken, of de invulling der spanten, d. i. het verschil tusschen de grootste halve breedte der spanten, en die, welke met de uiterste einden hunner armen overeenstemt. De I--, het invallen der boorden van een schip, (de hoeveelheid spanten, welke het boord vermindert van den frontdrempel der onderbattery afgerekend). Dit schip heeft te veel of te weinig I-- (is veel, is weinig ingebouwd).
Invallen, o. w. -- Tegelijk halen, hijschen, enz. Val in! (komm. voor: hijsch haal gelijk!)
Invallen, (het) z. n. o. -- Zie Intrekking.
Invalling, z. n. v. -- Zie Intrekking.
Invoer, z. n. m. -- De bepalingen omtrent den I-- van goederen aan de zeezijde zijn te vinden in de Algem. Wet van 26 Aug. 1822. Derde Hoofdst. Art. 6-24: die omtrent den I-- langs de rivieren, in het Zesde Hoofdst. Art. 37-51: die omtrent heimelijken of strafbaren I-- in Art. 205, 206, 207.
Inwateren, o. w. -- Iets, door water, dat er binnendringt of sypelt, bederven. Dat hout is Ingewaterd (dat hout is doortrokken met water en alzoo bedorven).
Inwijk, z. n. v. -- (veroud.) voor Inham.
Inzeilen, b. w. -- 1o. Al zeilende binnenkomen. Die schepen zijn 't kanaal Ingezeild.
2o. Achterhalen. Wy konden dat schip niet I--.
J.
Jaaghout, z. n. o. -- Spriet, die tot verlenging dient van den boegspriet, om dezen verder buiten den Voorsteven te doen uitspringen en waarop de kluiver wordt uitgehaald. Zie Jager.
Jaagpad, z. n. o. -- Plaats, welke men langs de rivieren of vaarten laten moet om tot weg te dienen voor de menschen of paarden, die vaartuigen voorttrekken.
Jaagpoorten, z. n. v. mv. -- De voorste poorten van een schip. Zie Jagen.
Jaagschuit, z. n. v. -- Schuit, die aan een lijn wordt voorgetrokken door een of meer paarden.