Part 6
Intusschen werd zijn opvoeding als krijgsman voortgezet. Daar hij reeds goed te paard zat, werd hij ingewijd in de kunsten der hoogere rijschool, die, tot volkomenheid gebracht, de fabel van den Centaurus bijna verwezenlijken, daar het besturen van het paard veeleer alleen van des rijders wil schijnt af te hangen dan van eenig uitwendig teeken of beweging. Desgelijks ontving hij onderwijs in den velddienst. Maar ik moet bekennen, dat, na het bekoelen van het eerste vuur, zijne vorderingen, wat het laatste betreft, niet zoo waren, als hij gewenscht en verwacht had. Het beroep van officier, het eerbiedwekkendste van allen voor een onervaren ziel, omdat het met zooveel uiterlijke pracht gepaard gaat, is in den grond iets zeer droogs en afgetrokkens, daar het hoofdzakelijk op rekenkunstige verbindingen berust, die veel oplettendheid vorderen, benevens een koel en beredeneerd hoofd, om ze in werking te brengen. Onze held was onderworpen aan aanvallen van verstrooidheid, bij welke gelegenheid zijn misslagen gelach, ja somtijds berisping uitlokten. Dit gaf hem een pijnlijk gevoel van minderheid in die hoedanigheden, welke bij oudgedienden van groote waarde schenen en door hen het meest geëerbiedigd werden. Hij vroeg zich zelven te vergeefs, waarom zijn oog niet even goed over afstand en ruimte kon oordeelen, als dat van dezen en genen zijner makkers; waarom zijn hoofd niet altijd slaagde in het ontwarren der verschillende afzonderlijke bewegingen, tot het uitvoeren van een bepaalde verrichting vereischt; en waarom zijn geheugen, in de meeste gevallen zoo vlug, de kunsttermen en kleinere punten van etiquette, of krijgstucht, niet nauwkeurig wist te onthouden. Waverley was zedig van aard, en verviel dus niet tot den groven misslag van te denken, dat zulke kleinigheden van de dienst zijn aandacht niet verdienden, of zich te verbeelden, dat hij voor generaal in de wieg gelegd was, omdat hij slechts een zeer middelmatig ondergeschikt krijgsman was. De waarheid was, dat de ongeregelde en vluchtige wijze van lezen, die hij gevolgd had, op zijn tot afzondering en mijmering overhellenden aard, haar invloed uitoefende, en hem die weifelende neiging had medegedeeld, welke in volslagen strijd is met eigenlijke studie en gestadige oplettendheid. Inmiddels was hij geweldig met zijn tijd verlegen. De adel uit de nabuurschap was ongunstig voor de regeering gestemd, en betoonde den militairen bezoekers weinig gastvrijheid; en de stedelingen, die hoofdzakelijk in den handel hunne bezigheden vonden, waren geen lieden, met wie Waverley wenschte in betrekking te komen. Het begin van den zomer, en het verlangen om iets meer van Schotland te leeren kennen, dan hij op een wandelrid kon waarnemen, brachten hem er toe voor eenige weken verlof te vragen. Hij besloot eerst den ouden vriend en correspondent van zijn oom te bezoeken, met het oogmerk om den tijd van zijn verblijf naar gelang der omstandigheden te verlengen of te bekorten. Hij reisde natuurlijk te paard, en met een enkelen bediende, en bracht den eersten nacht door in een ellendige herberg, waar de waardin schoenen noch kousen droeg, en de waard, die zich een fatsoenlijk man noemde, veel lust had zijn gast onbeschoft te behandelen, omdat deze het genoegen van zijn gezelschap bij het avondeten niet had verzocht. [29] Den volgenden dag trok Eduard een opene, onomheinde landstreek door, en naderde langzamerhand de Hooglanden van Perth, die in het eerst zich als een blauwe streep aan den gezichteinder hadden vertoond, maar nu tot zware reusachtige massa’s aangroeiden, die dreigende op de vlakte onder haar nederzagen. Dicht aan den voet van dezen geweldigen scheidsmuur, echter nog in het Laagland, woonde Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine; en zoo de grijze oudheid eenig geloof verdient, dan hadden zijne voorvaderen, met al hunne erven er gewoond sedert de aloude dagen van den edelen koning Duncan.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
EEN SCHOTSCH HEEREN-HUIS, ZESTIG JAAR GELEDEN.
Het was omstreeks den middag, dat kapitein Waverley het wijd uit elkaar gebouwde dorp, of liever gehucht, van Tully-Veolan binnenreed, in welks nabijheid het huis van den heer der plaats gelegen was. De woningen zagen er jammerlijk uit, inzonderheid voor hem, die aan de bevallige netheid der Engelsche boerderijen gewoon was. Zonder dat er eenigen regel bij in acht genomen was, stonden ze aan weerszijde van een soort van slingerenden oneffen weg, waar kinderen, bijna in den oorspronkelijken staat van naaktheid, lagen te spartelen, als om door de hoeven van het eerste het beste voorbijkomende paard vertrapt te worden. Nu en dan, wel is waar, wanneer zulk eene gebeurtenis onvermijdelijk scheen, schoot een grootje, dat het oog op hen hield, met haar kap, spinrokken en klos te voorschijn, stormde, als een bezetene, een der ellendige hutten uit, en wierp zich midden op den weg, terwijl ze uit den hoop van door de zon verbrande bengels den haren oppakte, hem met een duchtigen stomp begroette en in haar hol terugbracht, gedurende welken tijd het witharige knaapje uit al zijne macht schreeuwde en een gillenden tremolo aanhief, tot accompagnement van de grommende bestraffingen van het verwoede wijf. Eene andere partij van dit concert werd uitgevoerd door een twintigtal nut- en werkelooze honden, die onophoudelijk knorrende, blaffende en huilende de paarden vervolgden en aanvlogen; een overlast te dien tijd in Schotland zoo algemeen, dat een Fransch tourist, die, even als andere reizigers, een goeden en redelijken grond voor alles wat hij opmerkte wenschte te vinden, als een der merkwaardigheden in Schotland heeft opgeteekend, dat de Staat in ieder dorp een troep honden er op nahield, die dienen moesten om de chevaux de poste (te uitgehongerd en uitgeput, om zonder zulk een prikkel aan den gang gehouden te worden) van het eene dorp naar het andere te jagen, tot het volgende station. De kwaal en het middel (hoe het ook zij) bestaan nog. Maar dit ligt buiten ons tegenwoordig bestek, en werd alleen aangehaald ten gevalle der inzamelaars van belasting, het gevolg van des heeren Dent’s „Wet op het houden van honden.”
Naarmate Waverley voortreed, strompelde hier en daar een oud man, evenzeer door arbeid als door jaren gebukt, met oogen rood van ouderdom en rook, naar de deur van zijn hut, om de kleeding van den vreemdeling, en den gang zijner paarden aan te gapen, en verzamelde zich dan met zijn buren in een groep bij de smidse, om de waarschijnlijkheid te bespreken, van waar de reiziger kwam en waarheen hij ging. Drie of vier dorpsmeisjes, die van de bron of de beek terugkeerden met emmers en kruiken op hare hoofden, leverden een aangenamer tafereel op, en herinnerden, met hare dunne, korte rokken, haar bloote armen, beenen en voeten, ongedekte hoofden en gevlochten haar, eenigszins aan de vrouwen die een Italiaansch landschap opluisteren. Ook kon geen liefhebber van het schilderachtige, iets afdingen op de bevalligheid van haar kleeding, noch de evenredigheid van haar gestalte, ofschoon, om de waarheid te zeggen, een Engelschman, naar het comfortable zoekende, een woord aan zijne vaderlandsche taal bijzonder eigen, de kleederen minder schamel, de voeten en beenen wat meer gedekt tegen het weder, en hoofd en aangezicht tegen de zon beschermd gewenscht, of zelfs gedacht zou hebben, dat de geheele persoon en kleeding aanmerkelijk winnen konden door een ruime toediening van bronwater, benevens de benoodigde hoeveelheid zeep. Het tooneel in het algemeen was niet opwekkend, want het getuigde op het eerste gezicht, zeker van gebrek aan industrie, en misschien aan verstandelijke ontwikkeling. Zelfs de nieuwsgierigheid, de vurigste hartstocht van den ledigganger, scheen in het dorp Tully-Veolan in een staat van lusteloosheid te verkeeren; – alleen de straksgenoemde rekels legden in dit opzicht eenige bedrijvigheid aan den dag; maar bij de dorpelingen was alles lijdelijk. Ze stonden den knappen jongen Officier en zijn knecht na te gapen, maar zonder dat ze door de levendige bewegingen en begeerige blikken de zucht verrieden, waarmede zij, die te huis aan een eentoonig gemakkelijk leven gewoon zijn, daar buiten naar vermaak uitzien. En toch lag er in het uitzicht van het volk, meer van nabij bekeken, alles behalve onverschilligheid of stompheid; hunne trekken waren ruw, maar opmerkelijk schrander; ernstig, maar niet dof; en onder de jonge vrouwen of meisjes, zou een kunstenaar meer dan éen model hebben kunnen kiezen, in gelaatstrekken en vorm voor eene Minerva. Desgelijks hadden de kinderen, wier huid zwart gebrand en wier haar wit gebleekt was, een levendigen en belangstellenden blik. Het scheen over het algemeen, als of armoede, en luiheid, haar maar al te getrouwe gezellin, zich vereenigden, om den aangeboren aanleg en de verkregen kundigheden van een krachtigen, schranderen en nadenkenden boerenstand te onderdrukken.
Dergelijke gedachten doorkruisten het hoofd van Waverley, terwijl hij zijn paard langzaam door de oneffene met steenen bezaaide straat van Tully-Veolan liet stappen, in zijn bespiegelingen slechts gestoord door de kromme sprongen, waartoe zijn ros herhaaldelijk gedreven werd door de aanvallen van die jankende kozakken, – de voornoemde keffers. Het dorp was omtrent een kwartier gaans lang; want de onregelmatig verspreid liggende woningen waren door tuinen, of „erven,” gelijk de inwoners ze noemden, van elkander gescheiden, waarin, want het is zestig jaar geleden, de nu algemeene aardappel onbekend was, maar die bepoot waren met reusachtige koolplanten, omringd door heggen van brandnetels, waartusschen hier en daar een hoog opgeschoten dolle-kervel-steng of de nationale distel, die een deel der geringe omtuining overschaduwden wiessen. De ongelijke grond, waarop het dorp gebouwd was, was nooit geëffend: zoodat deze omheinde veldjes hellingen van allerlei steilte opleverden, hier rijzende als terrassen, daar weder diep dalende als looierskuilen. De steenen muren, welke deze hangende tuinen van Tully-Veolan beschutten, of schenen te beschutten, want ze waren vol gaten, waren gescheiden door een nauwen-gang, die naar de gemeente-weide heenvoerde, waar door den gemeenschappelijken arbeid der dorpelingen strooken rogge, haver, garst en boonen gekweekt werden, elk van zulk eene geringe uitgestrektheid, dat de wonderlijke verscheidenheid der oppervlakte op een geringen afstand, op het stalenboek van een kleermaker geleek. Het was eene gunstige uitzondering, zoo hier of daar achter de hut een ellendig afdak gevonden werd, uit aarde, losse steenen en zoden bijeengebracht, waar de vermogende een uitgehongerde koe of een kreupel paard kon stallen. Maar bijna iedere hut was van voren beschut door een grooten, zwarten hoop turf aan de eene zijde van de deur, terwijl aan de andere de mesthoop zich in edelen naijver verhief.
Op een afstand van nog geen tweehonderd el van het einde des dorps ontwaarde men de omheiningen, met vrij wat ophef de parken van Tully-Veolan genaamd. Ze bestonden uit eenige vierkante velden, omringd en afgescheiden door steenen muren ter hoogte van vijf voet. In het midden der buitenste omheining was de groote poort, bestaande uit een boog met kanteelwerk van boven, en versierd met twee verweerde en verminkte steenbrokken, welke, indien men aan de dorpsoverlevering geloof mag slaan, eens twee staande beeren, het familiewapen van Bradwardine verbeeld hadden, of althans hadden moeten verbeelden. De rijweg achter de poort was recht en tamelijk lang; hij liep tusschen een dubbele rij zeer oude wilde kastanjes, om den anderen afgewisseld door ahornboomen, welke tot zulk eene verbazende hoogte waren opgeschoten, en zoo weelderig groeiden, dat hunne takken boven den breeden weg een dicht gewelf vormden. Achter dit eerwaardig geboomte, en daarmede evenwijdig, bevonden zich twee hooge schijnbaar even oude muren, met klimop, kamperfoelie en andere soortgelijke gewassen begroeid. De laan scheen zeer weinig begaan, en dan nog alleen door voetgangers; zoodat, daar ze zeer breed en aanhoudend beschaduwd was, ze met dik en welig gras was begroeid, uitgezonderd waar een pad, door enkele voetgangers gebezigd, den weg van de buiten naar de binnenpoort aanwees. Deze ingang bevond zich, even als de voorgaande, in het front van een muur, met eenig ruw beeldhouwwerk, en van boven met kanteelwerk versierd, waaroverheen de door het geboomte van de laan half verborgene, hooge, steile daken en smalle trap gevels van het heerenhuis uitstaken, en de hoeken met kleine torentjes voorzien waren. Een der groote deuren van deze poort was open, en daar de zon haar volle licht op het plein naar binnen wierp, drong een lange, schitterende straal door de opening in de donkere lommerrijke laan. Dit leverde een dier effecten op, welke de schilders zoo gaarne wedergeven, en het schitterende licht vermengde zich bevallig met de schemering, die zich een weg door de dichte takken baande, welke de breede, groene laan overwelfden.
De eenzaamheid en stilte van het geheele tooneel hadden iets kloosterachtigs: en Waverley, die zijn paard aan zijn knecht bij het binnenkomen der eerste poort gegeven had, wandelde de rijlaan zachtkens af, terwijl hij de aangename en koele schaduw genoot, en zóo ingenomen was met de vreedzame denkbeelden van rust en afzondering, die dit stille tooneel opwekten, dat hij de ellende en de morsigheid van het pas verlaten dorp vergat. Het binnenste van het geplaveide binnenplein stemde met het overige van het tooneel overeen. Het huis, dat uit twee of drie smalle, hooge gebouwen, met steile regthoekig van elkander uitgaande daken, scheen te bestaan, maakte de eene zijde der binnenplaats uit. Het was gebouwd in een tijd, toen er geen kasteelen meer noodig waren, en de Schotsche architectuur de kunst nog niet verstond om een gezellig verblijf te ontwerpen. De vensters waren talloos, maar zeer klein: het dak was met rondloopende kanteelen voorzien en op elken hoek verhief zich een torentje, dat eer naar een peperbus dan naar een Gothischen wachttoren geleek. Nogtans getuigde het front geenszins eene volkomene gerustheid in tijden van gevaar. Er waren schietgaten voor geweren, en ijzeren traliën vóor de onderste ramen, waarschijnlijk om de zwervende benden van heidenen te verjagen, of weerstand te bieden aan een stroopend bezoek van de veedieven uit de naburige Hooglanden. Stallen en andere bergplaatsen besloegen de overzijde van het vierkant. De eerste waren lage gewelven, met nauwe spleten, in plaats van vensters, volgens eene opmerking van Eduard’s bediende, „eer gelijkende op een gevangenis voor moordenaren, dieven, en soortgelijke boosdoeners, dan op eene plaats voor Christenvee.” Boven deze kerkerachtige stallen waren korenzolders, en andere bewaarplaatsen, die men langs een buitentrap van lomp metselwerk bereiken kon. Twee muren met kanteelen, waarvan een aan den kant der oprijlaan, en de ander het binnenplein van den tuin scheidde, voltooiden de afsluiting.
Ook deze plaats had hare sieraden. In een hoek stond een lompe, ronde duiventil, in omvang en lompheid op het merkwaardige gesticht, Arthursoven geheeten, gelijkende, dat de hoofden van alle oudheidkenners in Engeland in de war zou hebben gebracht, zoo niet de waardige eigenaar er van het gedenkteeken tot herstelling van een bijgelegen dijk, had afgebroken. Deze duiventil, of columbarium, zoo als de eigenaar ze noemde, had geene geringe waarde voor een Schotschen land-edelman van dezen tijd, wiens schamele inkomsten vermeerderd werden door de heffingen, welke deze vlugge fourageurs op de boerderijen legden, en door de conscriptie onder hen ten behoeve van zijn tafel geheven.
In een anderen hoek was eene fontein, waar een verbazend groote beer, in steen uitgehouwen, voor een ontzaglijke steenen kom stond, waarin hij het water door zijn muil ontlastte. Dit kunststuk wekte de bewondering der landstreek, tien mijlen in het rond op. Ik moet niet vergeten, dat allerlei soort van beeren, klein en groot, half of geheel, uitgehouwen waren boven de ramen, op de gevels aan het uiteinde der goten en de torentjes ondersteunende, met het oude familiemotto, „Wacht u voor den beer,” dat onder elk dezer dieren te lezen stond. De plaats was ruim, wèl bestraat en zindelijk, daar er waarschijnlijk nog een ingang achter de stallen was, om de mest weg te ruimen. Alles in het rond had iets verlatens en zou, zonder het aanhoudende plassen der fontein, dood stil zijn geweest, terwijl het gansche tooneel wel geschikt scheen om aan Waverley’s verbeelding het denkbeeld van een klooster op te dringen. – Doch hier vragen wij verlof tot het sluiten van een hoofdstuk, waarin niets dan stil leven geschilderd werd. [30]
NEGENDE HOOFDSTUK.
NOG IETS OVER HET HEEREN-HUIS EN DE OMSTREKEN.
Nadat Waverley zijn nieuwsgierigheid bevredigd had, door eenige oogenblikken rond gekeken te hebben, greep hij den massieven klopper der slotdeur, wier architraaf het jaargetal 1594 te lezen gaf. Maar antwoord volgde er op zijn geklop niet, ofschoon het geluid door een aantal kamers klonk, door de muren der binnenplaats van buiten herhaald werd; en het de duiven van de grijze rotunda waar ze verblijf hielden, opjoeg en op nieuw de verwijderde dorprekels in rep en roer bracht, waarvan ieder zich op zijn mesthoop had te slapen gelegd. Vermoeid door het verwekte rumoer, en de tergende antwoorden, die hij daarop ontving, begon Waverley te denken, dat hij op het kasteel van Orgoglio was aangekomen, zoo als dit door den overwinnenden prins Arthur werd betreden.
Hij ving nu aan met kracht te roepen in het huis; Maar niemand was er wie zijn kreten mochten wekken. Er ademde overal slechts stilte en dof Gesuis; Geen stem weêrklonk, geen mensch liet ergens zich ontdekken.
Daar hij niets anders verwachtte dan „een oud, oud man te zien, met een baard zoo wit als sneeuw,” dien hij zou kunnen ondervragen over het verlatene woonhuis, keerde onze held zich naar een klein eiken zijdeurtje, rijkelijk met ijzeren spijkers beslagen, en dat in den muur van het plein aan den hoek van het huis werd aangetroffen. Dit deurtje was, in weerwil van het versterkte voorkomen, slechts op de klink, en bracht Eduard, nadat het geopend was, in den tuin, die een aangenaam gezicht opleverde. [31] De zuidzijde van het huis, met vruchtboomen, en hier en daar met hoog langs de muren groeiende klimplanten bewassen, strekte den onregelmatigen en grijzen voorgevel langs een, deels bestraat deels met zand bestrooid, deels met bloemen en uitgezochte heesters omzoomd, terras uit. Dit terras leidde langs drie verschillende trappen, waarvan een in het midden was, en twee aan de beide einden geplaatst waren, naar den tuin, en was omgeven door een steenen borstwering met eene zware ballustrade, van afstand tot afstand versierd met logge, groteske figuren van dieren, op de hurken gezeten, waaronder de geliefkoosde beer herhaaldelijk voorkwam. Midden op het terras, tusschen een vleugeldeur in het huis en den middelsten trap, droeg een dezer dieren op zijn kop en voorpooten een zonnewijzer van grooten omvang, met meer meetkundige figuren bezet, dan Eduard in staat was te ontcijferen.
De tuin, die met de grootste zorg scheen onderhouden te zijn, en een overvloed van vruchtboomen bevatte, leverde een groote hoeveelheid bloemen, en palmstruiken in allerlei zonderlinge figuren geschoren op. De aanleg bestond in verschillende terrassen, die trapsgewijze van den westelijken muur naar een breeden vliet afdaalde, die zich stil en effen vertoonde, in zoo verre hij den tuin tot grens diende; maar dicht aan het einde liep hij bruisend over een sterken dam, de oorzaak van zijn schijnbare kalmte, en terwijl hij daar een waterval vormde, was er aan den oever een achthoekig koepeltje, met een vergulden beer, bij wijze van weerhaan op den top. Achter dit kunstwerk verloor men de beek uit het oog, terwijl ze haar natuurlijk, snel en stout karakter hernam, en een diepe en met boschjes bezette vallei instroomde, uit wier midden een zware, maar vervallen toren, de voormalige woning der barons van Bradwardine, zich verhief. Langs den oever van de beek, aan de andere zijde, strekte zich een smalle weide of uiterwaard uit; ze was tot een klein bleekveld ingericht, terwijl de hoogte daarachter met oude boomen bedekt was.
Hoe bevallig dit tooneel ook was, kon het evenwel met met de tuinen van Alcina vergeleken worden; ondertusschen ontbraken er de „due donzelette garrule” [32] van dat betooverd paradijs niet; want op het genoemde bleekveld volbrachten twee meisjes, die ieder in eene groote tobbe stonden, met hare ontbloote voeten de taak van eene patent-wasch-machine. Ze bleven echter niet, gelijk de nimfen van Armida staan, om den naderenden gast met haar welkomstgroet te verheugen; maar, verschrikt door de verschijning van een knappen vreemdeling aan de overzijde, lieten ze hare kleederen (om geheel juist te spreken, zou ik kleed moeten zeggen) over die ledematen neervallen, welke ze om den wille van hare bezigheid een weinig te veel ontbloot hadden; en onder den uitroep van een schel: „Heere mijn tijd!” geuit op een toon die het midden hield tusschen zedigheid en coquetterie, sprongen ze als herten in verschillende richtingen weg.
Waverley begon reeds te wanhopen, dat hij toegang tot dit eenzaam en schijnbaar betooverd verblijf zou verkrijgen, toen hij een man zag naderen langs een der lanen van den tuin, waar hij was blijven toeven. In de meening dat dit een tuinman, of een andere tot het huis behoorende bediende, wezen zou, liep Eduard eenige trappen van het terras af, om hem te ontmoeten; maar, toen de gedaante naderde, en lang voor dat hij de gelaatstrekken onderscheiden kon, stond hij versteld over het zonderlinge voorkomen en de gebaren van den man. Nu eens hield dit wonderlijke wezen de handen boven het hoofd ineengeslagen, gelijk een Indiaansche Jogue die boete doet; dan weder zwaaiden ze heen en weer als de slinger van een uurwerk; waarna hij ze snel en bij herhaling kruiselings over zijn borst sloeg, gelijk een huurkoetsier, om het gemis van het gebruik der zweep te vergoeden, als hij, op een kouden winterdag met zijn beesten op de gewone standplaats staat te wachten. Zijn gang was niet minder vreemd dan zijne gebaren, want eene poos lang hinkte hij, met groote volharding op den rechter voet, waarna hij dezen steun verwisselde, om op dezelfde wijze op den linker voort te gaan, en ze vervolgens weder dicht aan elkander sluitende, sprong hij op beide te gelijk voort. Zijn kleeding was ouderwetsch en buitengewoon. Ze bestond uit een soort van grijs wambuis, met scharlaken roode opslagen, en halfopen mouwen, waaronder een voering van gelijke kleur zichtbaar werd; de andere deelen zijner kleeding kwamen hiermede wat de kleur betreft, volkomen overeen; een paar roode kousen en een scharlaken muts niet tevergeten, sierlijk opgeschikt met de veer van een kalkoen. Eduard, dien hij niet scheen op te merken, bespeurde nu dat de trekken van zijn gelaat bevestigden, wat zijne bewegingen reeds hadden doen vermoeden. Naar het scheen, was het noch onnoozelheid noch zinneloosheid, welke die woeste, gejaagde steeds verwonderlijke uitdrukking aan zijn van natuur niet leelijk gelaat gaf, maar veeleer iets dat eene vereeniging van beide was, daar het stompe der onnoozelheid met de buitensporigheid eener gekrenkte verbeelding, vermengd was. Hij zong met grooten ernst, en niet zonder eenigen smaak, een stuk uit een oud Schotsch lied:
Valsch lief, en speelt ge mij deez’ trek, Bij ’t lachend zomergroen? ’k Betaal hem u met woeker weêr In ’s winters bar saizoen; Zoo gij u niet bekeert, mijn lief, Bekeert, uw ontrouw moê: Als gij met andere meisjes stoeit, Lach ’k andere mannen toe.