Part 49
„Amhurst overleefde den val van Walpole’s macht, en had reden een vergoeding te wachten. Indien wij Bolingbroke al verontschuldigen, die slechts het wrak van zijn fortuin gered had, zou het moeielijk vallen Pulteney te rechtvaardigen, die dezen man zoo gemakkelijk een aanzienlijk inkomen had kunnen verschaffen. Zijn edelmoedigheid jegens Amhurst bepaalde zich tot een okshoofd rooden wijn. Men verhaalt, dat hij van verdriet stierf en op kosten van den rijken drukker Richard Franklin begraven werd.” (Overzicht van Lord Chesterfields karakters.)
Aanteekening D, Deel I, bl. 37: Kolonel Gardiner.
Ik heb nu in den tekst den naam voluit gegeven van dezen uitstekenden en dapperen man, en ik laat hier een afschrift volgen van zijn opmerkenswaardig onderhoud, zoo als dit door Dr. Doddridge wordt medegedeeld:
„Deze merkwaardige gebeurtenis,” zegt de vrome schrijver, „greep omstreeks het midden van Juli 1719 plaats. De Majoor had den avond in vroolijk gezelschap doorgebracht (en bedrieg ik mij niet, dan was het een Zondagavond) en had een ongelukkige bijeenkomst met een gehuwde dame, die hem precies te middernacht wachtte. Men scheidde ten elf ure, en de Majoor, die het niet voegzaam achtte vóor het bepaalde uur zijn opwachting te gaan maken, ging naar zijn kamer om den tijd te dooden, misschien wel met een of ander prettig boek of op een andere wijze. Maar het toeval wilde, dat hij een godsdienstig boek greep, dat zijn moeder of tante buiten zijn weten in zijn koffer gestoken had. Zoo ik mij wel herinner, was het „de Christelijke soldaat, of de Hemel stormenderhand ingenomen,” door den heer Thomas Watson geschreven. Daar hij zich, volgens den titel, voorstelde hier eenige zinsneden te vinden, die zijn beroep in een belachelijk daglicht stelden, besloot hij het te doorloopen, maar zonder er veel acht op te slaan. Evenwel maakte dit achteloos in de hand gehouden boek, op zijn geest – de Hemel weet hoe! – zulk een indruk, dat een aantal allergelukkigste en gewichtige gevolgen daaruit voortvloeiden. Eerst meende hij, dat dit boek door een wonderbaarlijk licht beschenen werd, dat hij aanvankelijk geloofde van de kaars te komen; maar, toen bij de oogen opsloeg, scheen het hem tot zijn groote verbazing, alsof hij vóor zich een zichtbaar beeld van onzen Heer Jezus Christus aan het kruis, en door een straalkrans omgeven, zag zweven; het was hem als hoorde hij een stem, of iets dat op een stem geleek, die tot hem zeide (want hij was niet al te zeker van de woorden): „Ach, zondaar! heb ik zoo veel voor u geleden en vergeldt ge mij op deze wijze!” Door zulk een vreemde verschijning getroffen, bleef hij een tijdlang in sprakelooze verbazing zitten, hij viel achterover in zijn stoel en werd geheel bewusteloos, zonder dat hij zich herinneren kon, hoe lang die toestand geduurd had.”
„Wat dit gezicht betreft,” zegt de schrandere Dr. Hibbert, „zoo kunnen de verschijning van onzen Zaligmaker aan het kruis en de indrukwekkende woorden niet anders worden verklaard dan als de herinnering van eenige beelden, die waarschijnlijk hun ontstaan te danken hadden aan deze of geene stichtelijke zaken, die de Kolonel bij eene of andere gelegenheid gelezen of gehoord zal hebben. Hoe het kwam dat deze denkbeelden zoo treffend als werkelijke indrukken werden voorgesteld, kunnen wij, uit gebrek aan bescheiden, niet verklaren. Dit vizioen had echter de gewichtigste gevolgen wat het geloof van den Christen aangaat – namelijk de bekeering van den zondaar. Ook heeft nooit een op zich zelf staand verhaal misschien meer dan dit bijgedragen om het bijgeloof te versterken, dat dergelijke verschijningen niet kunnen plaats hebben, zonder den wil van God.” Dr. Hibbert voegt er in een noot bij: „Korten tijd voor dit vizioen had de Kolonel een geweldigen val van zijn paard gedaan. Hadden zijn hersens dus misschien iets door den schok geleden, waardoor hij een aanleg tot deze illusiën kon verkregen hebben?” (Hibbert’s Philosophie der vizioenen en verschijningen, Edinburgh, 1824, bl. 190).
Aanteekening E, Deel I, bl. 38: Schotsche herbergen.
Nog in mijn jeugd wachtten zekere oude Schotsche herbergiers altijd een beleefde uitnoodiging om het maal met den reiziger te deelen, of ten minste den drank, dien hij gevraagd had. Ter belooning daarvan was de waard altijd uitstekend op de hoogte van de nieuwtjes van het land en daarbij dikwerf origineel. Bij de herbergiers in Schotland kwamen tamelijk algemeen al de zorgen voor het huishouden en de bediening op de arme vrouw neder. Eertijds leefde er te Edinburgh iemand van zeer goede familie, die zich wel verwaardigde, als middel van bestaan, in naam de eigenaar te zijn van een koffijhuis, een der eersten die in de Caledonische hoofdstad geopend werden. Volgens het gebruik werd het geheel en al bestuurd door de zorgzame en ijverige mevrouw B–, terwijl haar echtgenoot zich met jagen en visschen afgaf, zonder zich in het minst om de zorgen voor zijn huis te bekreunen. Op zekeren dag, dat er brand in het koffijhuis ontstaan was, kwam men den man op straat tegen, met zijn geweer en zijn vischtuig bij zich: hij antwoordde met een kalm gelaat aan iemand, die hem naar den welstand zijner vrouw vroeg, „dat de arme huisvrouw bezig was wat kookgereedschap en voddige boeken te redden.” Deze voddige boeken waren de kasboeken van zijn inrichting.
In de dagen mijner jeugd werd ook nog door een aantal oude Schotten onder de vermaken der reis gerekend, dat van met den waard te kunnen kouten. Deze geleek dikwijls, door zijn geestigheid, op den waard uit den Kouseband in de Vroolijke vrouwtjes van Windsor, of op Blague van „de George” in De Duivel van Edmonton. Somtijds nam de kasteleines deel aan het gesprek. In elk geval was men verplicht haar behoorlijke oplettendheid te bewijzen, uit vrees van een onvriendelijke behandeling, kwinkslag of steek onder water, zoo als uit het volgende blijken zal.
Een flinke vrouw, die, geen zestig jaar geleden, de grootste herberg van Greenlaw, in het graafschap Berwick, hield, had de eer dat een zeer achtenswaardige geestelijke met drie zoons, die hetzelfde herderlijk ambt bekleedden, onder haar dak zijn intrek nam. In het voorbijgaan zij gezegd, dat geen van vieren zeer krachtige redenaren waren. Na het eten vroeg de waardige predikant, in den trots van zijn hart, aan jufvrouw Buchan, of ze ooit zulk een gezelschap bij zich ontvangen had. „Hier ziet ge in mij een predikant in dienst van de kerk van Schotland, en in mijn drie zonen dáar eveneens dienaren dier zelfde kerk. – Ge zult moeten bekennen, moeder Buchan, dat ge vroeger nooit zulk een gezelschap in uw huis gehadt hebt,” Deze vraag was niet voorafgegaan door een uitnoodiging om plaats en een glas wijn of iets anders te nemen, zoodat jufvrouw Buchan hem droogjes antwoordde: „Inderdaad, mijnheer, ik kan niet voor zeker zeggen, dat ik dergelijk gezelschap in mijn huis heb gehad, behalve eenmaal, in het jaar 1745, toen ik een Hooglandschen doedelzakspeler hier had, met zijn drie zonen, ook doedelzakspelers zoo als hij, en wat drommel, ze konden met hun vieren geen enkelen flinken toon er uitbrengen.”
Aanteekening F, Deel I, bl. 42: Huis van Tully-Veolan.
Er is geen bepaald landhuis beschreven onder den naam van Tully-Veolan; maar de bijzonderheden der beschrijving treft men in verscheidene oude Schotsche kasteelen aan. Het Huis van Warrender op Burntsfield Links, en dat van Oud-Ravelston, het eerste het eigendom van Sir George Warrender, het ander van Sir Alexander Keith, hebben beide een aantal punten opgeleverd voor de beschrijving in den tekst. Het huis van Dean, nabij Edinburgh, heeft eveneens eenige overeenkomst met Tully-Veolan. Men heeft den schrijver evenwel bericht, dat het Huis van Grandtully, meer dan éen der hier bovengenoemde, op dat van den baron van Bradwardine gelijkt.
Aanteekening. G, Deel I, bl. 43: Tuin van Tully-Veolan.
Te Ravelston treft men zulk een tuin aan, dien de smaak van den eigenaar, des schrijvers vriend en bloedverwant, Sir Alexander Keith, met zorg heeft onderhouden. De tuin, zoowel als het huis, zijn echter niet zoo groot van omvang als die van den baron van Bradwardine.
Aanteekening H, Deel I, bl. 47: Huisnarren.
Ik weet niet hoe lang het oude gevestigde gebruik van het houden van narren in Engeland reeds in onbruik is. Swift heeft een grafschrift op den nar van den graaf van Suffolk, „Wiens naam was Dickie Pearce.”
In Schotland bleef dit gebruik nog tot op het laatst der vorige eeuw in zwang. Op het kasteel van Glammis heeft men de kleeding bewaard van een der narren, die zeer schoon en met een aantal bellen voorzien is. Het is niet meer dan dertig jaren geleden, dat zulk een wezen naast een edelman van den eersten rang in Schotland stond, en nu en dan zich in het gesprek mengde; tot hij de scherts te ver dreef, door een huwelijksvoorstel te doen aan een der jonge dames van de familie, en de publieke afkondiging daarvan tusschen haar en hem in de kerk.
Aanteekening I, Deel I, bl. 51: Episcopale kerk van Schotland.
Na de omwenteling van 1688, en bij sommige gelegenheden, als de toorn der Presbyterianen op een ongewone wijs tegen hun tegenstanders was opgewekt, stonden de Episcopaalsche geestelijken, die hoofdzakelijk „non-jurors” waren, er aan bloot om door het volk, zoo als wij nu zouden zeggen, of door het janhangel, gelijk de uitdrukking toen luidde, voor hun staatkundige ketterijen te worden gestraft. Maar in weerwil dat de Presbyterianen in den tijd van Karel II en dien zijns broeders tot het uiterste vervolgd werden, werd er geen grooter kwaad bedreven dan soortgelijk gering geweld, als waarvan de tekst gewag maakt.
Aanteekening K, deel I, bl. 54: De afscheidsdronk.
Ik moet hier opteekenen, dat in mijn jeugd de in den tekst vermelde wijze om drinkgelagen te houden, nog altijd in Schotland in gebruik was. Na van zijn gastheer afscheid genomen te hebben, ging men doorgaans den avond besluiten in de herberg of het dorp. Hij, die ontvangen had, vergezelde zijn gasten altijd derwaarts om deel te nemen aan den afscheidsdronk, hetgeen veelal aanleiding tot een zwelgpartij gaf.
De Poculum Potatorium van den braven Baron, zijn welgezegende Beer, vindt zijn prototype op het oude en schoone kasteel van Glammis, zoo rijk aan herinneringen van den ouden tijd. Het is een van massief zilver, vergulde beker, in de gedaante van een leeuw, die ongeveer een halve flesch wijn kan bevatten. De vorm van dezen beker zinspeelt op den naam van de familie der Strathmores Lyon („Leeuw,”) en telkenmale als hij voor den dag wordt gehaald, is men verplicht dien te ledigen op de gezondheid van den graaf. De schrijver moest misschien eenige schaamte gevoelen bij de mededeeling, dat hij de eer heeft gehad den inhoud van den Leeuw te ledigen, en de herinnering aan die heldendaad was de aanleiding tot de geschiedenis van den beer van Bradwardine. In de familie der Scotts van Thirlestane (niet van Thirlestane in het Woud, maar de plaats van denzelfden naam in Roxburgshire) heeft men langen tijd een beker van gelijken aard in den vorm van een laars bewaard. Iedere gast was verplicht dien voor zijn vertrek te ledigen. Indien de gast den naam van Scott voerde, was de verplichting dubbel heilig.
Wanneer de kastelein aan zijn gasten den deoch an doruis aanbood, dat wil zeggen, den dronk aan de deur, of den afscheidsdronk, werd deze niet op de rekening gebracht. Een geleerde baljuw van Forfar heeft omtrent dit punt een zeer kras vonnis uitgesproken.
A., een tapster in Forfar, had haar bier gebrouwen, en den drank voor de deur gezet om dien te laten afkoelen. De koe van B, een buur van A, kwam er langs, en liet zich op het zien van het brouwsel verlokken, om er van te proeven en dronk het op. Toen A. haar bier kwam halen, vond ze de kuip leêg, en ziende hoe vreemd de koe keek en liep, begreep zij op welke wijze het bier verdwenen was. Zij begon met zich te wreken door, met een stok de ribben der Schotsche Io te streelen. Het loeien der koe deed B., haar eigenaar, toeschieten, die zijn vergramde buurvrouw met geen geringe verwijten overlaadde; de kasteleines beantwoordde dit weder met den eisch van schadeloosstelling voor het bier door de koe opgedronken. B. weigerde, en werd gedagvaard voor C., den baljuw of magistraat. C. hoorde met het meeste geduld het verhaal aan, en vroeg vervolgens aan de aanklaagster A., of de koe was gaan zitten om te drinken, dan wel of ze het bier staande gebruikt had. De aanklaagster antwoordde, dat zij het feit niet had zien bedrijven, maar wel veronderstelde, dat de koe gedronken had, staande op haar pooten, terwijl zij er bijvoegde, dat, indien zij er bij tegenwoordig was geweest, zij haar wel wat anders zou geleerd hebben. Daarop verklaarde de baljuw plechtig, dat de koe de deoch an doruis of den afscheidsdronk had gebruikt, waarvoor men niets kon eischen zonder de oude Schotsche gastvrijheid te schenden.
Aanteekening L, Deel I, bl. 69: Tooverij.
Men verhaalt, dat de laatst medegedeelde gebeurtenis in het zuiden van Schotland heeft plaats gegrepen; maar – cedant arma togæ – en laat de tabberd ook zijn eer! Het was een bejaard geestelijke, die verstand en kracht genoeg bezat om den panischen schrik weerstand te bieden, waardoor zijn collega’s waren aangetast, en die een arm krankzinnig schepsel verloste van het wreede lot, dat haar anders ontegenzeggelijk zou getroffen hebben. De verslagen der heksenprocessen vormen een der betreurenswaardigste hoofdstukken in de Schotsche geschiedenis.
Aanteekening M, Deel I, bl. 71: Sprekende wapens.
Ofschoon het sprekend blazoen algemeen afgekeurd wordt, schijnt het echter in de wapens en deviezen van een aantal aanzienlijke familiën te zijn aangenomen. Zoo is het devies der Vernons. Ver non semper viret, een, volmaakte woordspeling, even als dat der Onslows, Festina lente. Op het Periissem ni per-iissem der Anstruthers kan dezelfde aanmerking worden toegepast. Een lid van dat oude geslacht, bevindende dat een tegenstander, dien hij tot een vriendschappelijke bijeenkomst had uitgenoodigd, besloten had deze gelegenheid waar te nemen, om hem te vermoorden, kwam dit voor, door dezen den schedel met een strijdbijl te klooven. Twee stevige armen, die zulk een wapen zwaaien, vormen het gewone helmsieraad van de familie, met het daarboven geplaatste devies – Periissem ni periissem. („Ik zou gedood zijn, als ik het niet doorgezet had.”)
Aanteekening O, Deel I, bl. 90: Rob Roy.
Bijna hetzelfde avontuur is wijlen den heer Abercromby van Tully Rody, grootvader van den tegenwoordigen lord Abercromby en vader van den beroemden Ralph, overkomen. Toen deze edelman, die een zeer hoogen ouderdom bereikte, zich voor het eerst in het graafschap Stirling vestigde, werd zijn vee verscheidene malen door den beruchten Rob Roy, of eenige manschappen zijner bende weggevoerd. Hij was ten laatste verplicht, nadat hij een vrijgeleide verkregen had, bij den roover een bezoek, gelijk aan het door Waverley aan Bean Lean gebrachte, af te leggen. Rob ontving hem allerhoffelijkst, en maakte allerlei verontschuldigingen over het gebeurde: het was, zeide hij, het gevolg eener vergissing. De heer Abercromby werd evenzeer onthaald op runderlappen van zijn eigen ossen, die bij de pooten in het hol waren opgehangen. Daarop werd hij vrijgesteld, na een overeenkomst te hebben aangegaan om in het vervolg een kleine som bij wijze van schatting te betalen, waartegen Rob Roy zich verbond zijn vee te ontzien, en zelfs datgene wat andere roovers mochten wegvoeren, te vergoeden. De heer Abercromby zeide, dat Rob Roy zich voordeed alsof hij hem voor een aanhanger van koning Jacobus, en een volslagen vijand van de Unie hield. Het een noch het ander was overeenkomstig de waarheid; maar de gast achtte het niet noodig zijn gastheer uit dien waan te brengen, uit vrees van in zulk een toestand in een politieken redetwist gewikkeld te worden. Ik heb deze anekdote uit den mond van den heer Abercromby zelven, die er in betrokken was, eenige jaren geleden (omstreeks 1792) gehoord.
Aanteekening P, Deel I, bl. 95: De vroolijke galg van Crieff.
Deze beruchte galg bestond nog, in de vorige eeuw, aan het westelijke uiteinde der oude stad Crieff, in het graafschap Perth. Wij zouden den lezer niet met zekerheid kunnen zeggen, waarom zij den naam van de „vroolijke galg” droeg, maar men beweert, dat de Hooglanders er niet langs gingen zonder de muts af te nemen voor een plaats, die voor zoo velen hunner landgenooten noodlottig was geweest en niet zonder uit te roepen: „God zegene hen en de duivel hale u!” Men heeft haar daarom dus „vroolijke of goed” kunnen noemen, daar zij een soort van natuurlijke of aangeboren plaats des verderfs was voor hen die er stierven, alsof zij daarmede hun natuurlijke bestemming bereikt hadden.
Aanteekening Q, Deel I, bl. 97: De Caterans.
De geschiedenis van den bruigom, die op zijn huwelijksdag door de roovers werd weggevoerd, is gegrond op een verhaal, dat wijlen de heer van Mac-Nab, een aantal jaren geleden, den schrijver mededeelde. Het was een gewone practijk der Hooglanders, lieden uit de Laaglanden op te lichten en een losgeld voor hen te eischen, evenals, naar men zegt, nog heden ten dage, in het zuiden van Italië door de bandieten gedaan wordt. In het bedoelde verhaal lichtte een rooverbende den bruidegom op, en voerde hem naar een hol in den berg Schihallim. De jonkman werd er door de kinderziekte aangetast, alvorens men het over zijn losprijs was eens geworden; en dank zij de frissche berglucht, of wel het volslagen gebrek aan een geneesheer, de gevangene genas. Zijn losgeld werd betaald; hij werd aan zijn betrekkingen en bruid teruggegeven, maar hij beschouwde de Hooglandsche roovers altijd als de redders van zijn leven, door de wijze waarop zij hem gedurende zijn ziekte behandeld hadden.
Aanteekening R, Deel I, bl. 101: Wederinkoop van Schotsche verbeurd verklaarde goederen.
Dit gebeurde bij verschillende gelegenheden. Inderdaad werden er eerst na de geheele vernietiging van den invloed der clans, na 1745 koopers gevonden, die een goeden prijs boden voor de in 1715 verbeurd verklaarde goederen, welke toen te koop werden geboden door de schuldeischers van de Yorksche bouw-maatschappij, die een grooter of kleiner gedeelte tegen een vrij lagen prijs van het gouvernement had gekocht. Zelfs stelden later, even als op het eerst vermelde tijdstip, de vooroordeelen van het publiek, ten gunste van de erfgenamen der familiën, wier goederen waren verbeurd verklaard, den koopers van zulk een eigendom een aantal hinderpalen in den weg.
Aanteekening S, Deel I, bl. 102: Hooglandsche Staatkunde.
De aan Mac-Ivor toegeschreven staatkunde was werkelijk die van de meeste Hooglandsche Opperhoofden, en vooral van den beroemde lord Lovat, die deze sluwheid tot het uiterste dreef. De heer van Mac – was ook kapitein eener onafhankelijke compagnie, maar bij hem woog het goud der soldij veel te zwaar om weggeworpen te worden voor de Jacobietische zaak. Zijn krijgszuchtige echtgenoote riep zijn clan te wapen, en stelde er zich in 1745 aan het hoofd van. Maar het Opperhoofd zelf wilde zich niet met den strijd inlaten, terwijl hij zich voor dien Koning en voor geen ander verklaarde, die den heer van Mac – een guinje daags gaf.
Aanteekening T, Deel I, bl. 105: Hooglandsche krijgstucht.
Ter verklaring der krijgshaftige oefeningen op het kasteel van Glennaquoich, verzoekt de schrijver verlof om op te merken, dat de Hooglanders niet slechts de behandeling van sabel en geweer kenden, benevens al die oefeningen, waarbij kracht en vlugheid een vereischte zijn, even als in geheel Schotland, maar daarenboven nog in een andere soort van excercitie bedreven waren, overeenkomstig hun kleeding en hun wijze van oorlogvoeren. Zij hadden, bij voorbeeld, een aantal wijzen om hun plaid te dragen: éen wanneer zij rustig voorttrokken; een andere wanneer zij geloofden dat er eenig gevaar te duchten was; nog weder een andere om er zich in te wikkelen, wanneer zij meenden in te kunnen slapen zonder gestoord te worden; en wederom een andere wijze om bij het minste alarm te kunnen oprijzen met pistool en zwaard in de hand.
Vóor 1720, of daaromstreeks, was de plaid en ceintuur die, welke het meest algemeen werd gedragen; het was een plaid, waarvan dat gedeelte, hetwelk om het lijf sloot, en dat hetwelk over den schouder werd geworpen, uit éen stuk waren. Bij een wanhopigen aanval werd de plaid weggeworpen; dan rukte de clan voorwaarts zonder andere bedekking dan het buis en een kunstige schikking van het hemd, dat, even als dat der Ieren, altoos zeer ruim was, en de sporran-mollach, of tas van geitenvel.
De behandeling van den dolk en het pistool maakte ook een deel uit der krijgsoefeningen van den Hooglander, die de auteur door lieden heeft zien ten uitvoer brengen, welke het in hunne jeugd geleerd hadden.
Aanteekening U, Deel I, bl. 107: Afkeer der Schotten van varkensvleesch.
Varkensvleesch, onder welken vorm ook, werd nog niet veel jaren geleden door de Schotten veracht; heden is het evenmin een geliefkoosd voedsel bij hen: Koning Jacobus bracht dit vooroordeel naar Engeland over, en men weet van hem, dat hij even grooten afkeer van varkensvleesch had als van tabak. Ben Jonson heeft deze bijzonderheid aan de vergetelheid ontrukt, waar de gemaskerde heiden, terwijl hij de hand van den Koning onderzoekt, zegt:
„maar o, ’t spreekt uit deez lijn: Gij houdt veel van een paard en hond, maar geenszins van een zwijn.”
Het door Jacobus aan den Duivel toegedachte maal bestond uit een stuk spek en den kop van een stokvisch, met een pijp tabak voor de spijsvertering.
Aanteekening X, Deel I, bl. 107: Een Schotsche tafel.
Door het verzamelen van zulk een groot aantal personen van alle rangen aan dezelfde tafel, die echter allen niet dezelfde spijzen nuttigden, leefden de Opperhoofden een gebruik na, dat eertijds algemeen in Schotland in zwang was. „Ik zelf,” zegt een reiziger, Fynes Morrison, die op het einde der regeering van koningin Elizabeth leefde, waar hij van de Laaglanden gewaagt, toen hij er zich in die dagen bevond, „ik zelf werd bij een ridder genoodigd, die een aantal knechts had om hem te bedienen. Zij brachten het eten binnen, met hun blauwe mutsen op het hoofd. De tafel was voor meer dan de helft met groote schotels soep bedekt, waarin ook een klein stuk gekookt vleesch aanwezig was. Toen alles opgezet was, namen de knechts naast ons plaats; maar aan het boveneinde van de tafel had men een kip met eenige pruimen in de soep.” (Reizen. bl. 155).
Tot op het midden der vorige eeuw gebruikten de pachters, zelfs die van de hoogste klasse, het maal met hun daglooners. De meesters en hun ondergeschikten waren van elkander gescheiden door het zoutvat, of dikwijls ook door een met krijt getrokken lijn over de tafel. Lord Lovat, die de kunst verstond om de ijdelheid zijner onderhoorigen te vleien en hun eetlust te beteugelen, stond iederen onbeschaamden Fraser die aanspraak op den titel van Duinhé-wassel maken kon, de eer toe van aan zijn disch aan te zitten; maar tegelijker tijd zorgde hij wel dat zijn jeugdige bloedverwanten niet al te veel verzot werden op uitheemsche lekkernijen. Milord had altijd eenige geldige verontschuldigingen bij de hand, om tot op zekere grenzen het rondgaan van de Fransche wijnen en brandewijn te beperken, een gastronomische weelde, volgens hem, geschikt om den moed zijner neven te verzwakken.
Aanteekening Y, Deel I, bl. 114: Conan de Hofnar.