Waverley

Part 42

Chapter 423,752 wordsPublic domain

„Heere zegene ons, mijnheer Waverley, zijt gij het? Nu, gij behoeft niet bang voor mij te wezen. Ik zou geen mensch in uw omstandigheden willen verraden! – Wel, wel! dat is me hier een verandering, hoe vroolijk placht kolonel Mac-Ivor en gij in ons huis te wezen!” En de goedhartige weduwe stortte eenige ongeveinsde tranen. Daar het onmogelijk was hare aanspraak op herkenning te loochenen, liet Waverley die van ganscher harte gelden, en beleed onverholen het gevaar waarin hij zich bevond. „Wilt ge, daar het bijna donker is, mijnheer, even bij mij binnenkomen, en een kopje thee gebruiken? en ik verzeker u, dat, zoo gij in het kamertje zoudt willen slapen, ik wel zorgen zou, dat ge niet gestoord wierdt, en niemand zou u herkennen; want Kate en Matty, zijn met twee van O’Hawleys dragonders weggeloopen, en ik heb twee nieuwe meiden in haar plaats.”

Waverley nam haar uitnoodiging aan, en besprak de slaapplaats voor een paar nachten, overtuigd dat hij veiliger zijn zou in het huis van dit goedhartig schepsel, dan ergens elders. Toen hij het spreekvertrek binnen trad, klopte zijn hart op het zien van Fergus’ muts, met de witte kokarde, die naast den kleinen spiegel hing.

„Ach!” zeide vrouw Flockhart met een zucht, toen zij zag waarheen zijn oogen zich richtten, „de arme Kolonel kocht een nieuwe, juist den dag voor dat gij op marsch gingt, en ik heb niet gewild dat men deze hier zou wegnemen, maar stof ze elken dag zelve af, en als ik er naar kijk, is het of ik den Kolonel aan Callum hoor roepen hem zijn muts te brengen, zoo als zijn gewoonte was, als hij uitging. Het is kinderachtig misschien. De buren noemen mij een Jacobiet, maar ze mogen zeggen wat ze willen. Ik weet wel, dat het daarom niet is, maar hij was een vriendelijk heer, als er ooit een bestond, en zulk een schoon man ook! Och, weet ge, mijnheer, wanneer hij terechtgesteld zal worden?”

„Terechtgesteld? Goede Hemel! Hoe, waar is hij?”

„Wat, in ’s Hemels naam! weet gij het niet? Die arme Hooglandsche hals, Dugald Mahony, kwam hier een poos geleden, met den eenen arm afgeslagen en een vreeselijken houw over het hoofd. – Gij zult u Dugald wel herinneren; hij droeg een bijl op schouder. – Welnu, hij kwam hier eigenlijk bedelen, mag ik wel zeggen, om wat eten. Nu dan, hij verhaalde ons, dat het Opperhoofd, zoo als zij hem noemden (maar ik noem hem altijd Kolonel), en vaandrig Maccombich, dien gij u wel herinnert, ergens op de Engelsche grenzen gevangen genomen waren, toen het zoo donker was, dat zijn volk hem eerst heel laat miste, en die menschen werden als razend! En hij zeide, dat die kleine Callum Beg, (hij was een stoute, ondeugende, fiere knaap), en gij dien eigen nacht gedood waart, even als een aantal andere brave kerels. Maar hij zwoer, als hij van den Kolonel sprak, dat hij nooit zijns gelijke had gezien. En nu loopt het praatje, dat de Kolonel zal gevonnisd en ter dood gebracht worden met degenen die te Carlisle gevangen genomen werden.”

„En zijn zuster?”

„O! zij die lady Flora genoemd werd? – wel, ze is weg, naar Carlisle, en woont daar bij een zekere groote Roomsche dame van haar kennis, om dicht bij hem te zijn.”

„En,” vervolgde Eduard, „de andere jonge dame?”

„Welke andere? Ik ken maar éene zuster van den kolonel.”

„Ik bedoel Freule Bradwardine,” zeide Eduard.

„O, ja, de dochter van den Baron, het arme ding! Ze was een lief meisje, maar veel bedaarder dan lady Flora.”

„Waar is ze, om Gods wil?”

„O, wie weet waar iemand van die familie is? De arme meisjes, ze zijn wat gehavend, om hare witte kokardes en witte rozen; maar ze is noordwaarts getrokken, naar haar vader, in Perthshire, toen de troepen van het Bewind weer in Edinburgh kwamen. – Daar waren eenige knappe mannen onder, en een zekere majoor Whacker werd bij ons ingekwartierd, een zeer beleefd heer, – maar, o, mijnheer Waverley, hij zag er op verre na zoo goed niet uit als de arme Kolonel.”

„Weet gij, wat er van Freule Bradwardine’s vader geworden is?”

„Van den ouden heer? neen, niemand weet dat; maar men zegt, dat hij heel dapper in dien bloedigen slag te Inverness [175] gevochten heeft en Deacon Clank, de slotenmaker, beweert dat het Bewindsvolk woedend op hem is, omdat hij tweemaal uitgetrokken is; en waarlijk, hij had zich wel mogen laten waarschuwen; maar er is geen erger gek dan een oude gek. – De arme Kolonel is maar eenmaal uitgetrokken.”

In dit gesprek lag alles opgesloten wat de goedhartige weduwe wist mede te deelen omtrent het lot der kennissen en der gasten, die zij onlangs onder haar dak had gehuisvest; maar het was genoeg, om Eduard te doen besluiten, wat het ook kostte, terstond de reis naar Tully-Veolan voort te zetten, waar hij hoopte Rose te zullen zien of ten minste iets van haar te hooren. Hij liet dus een brief voor kolonel Talbot op de afgesproken plaats achter, geteekend met zijn aangenomen naam, en gaf hem op het naaste poststation zijn adres, in de nabijheid van het verblijf des Barons.

Van Edinburgh tot Perth nam hij postpaarden, met het plan om het overige van de reis te voet af te leggen; een wijze van reizen, waaraan hij de voorkeur gaf, en die het voordeel aanbood van een tijdlang van den grooten weg af te kunnen gaan, wanneer zich afdeelingen krijgsvolk op een afstand vertoonden. De veldtocht had zijn gestel aanmerkelijk versterkt, en hem aan vermoeienis gewend. Zijn bagage zond hij vooruit, al naar de gelegenheid zich daartoe voordeed.

Hoe meer hij het noorden naderde, des te meer werden de sporen van den oorlog zichtbaar. Gebroken rijtuigen, doode paarden, van dak beroofde hutten, boomen tot palissaden afgehakt en afgebroken, of slechts gedeeltelijk herstelde bruggen; alles duidde den doortocht der vijandelijke legers aan. In die plaatsen, waar de voornaamste bewoners aanhangers waren van de zaak der Stuarts, schenen de huizen vernield of verlaten; de gewone gang van den tuinbouw, was ten eenemale afgebroken, en men zag de inwoners over het veld sluipen, terwijl vrees, verdriet en neerslachtigheid op hun gelaat geteekend waren.

Het was avond, toen hij de omstreken van Tully-Veolan naderde. Hoe geheel verschilden zijn gewaarwordingen van die, welke hem hadden overmeesterd toen hij hier voor het eerst binnentrad! Toen was het leven zoo nieuw voor hem, dat een eentoonige of onaangename dag een van de grootste rampen was, die hij zich behoefde voor te stellen, en het scheen hem toe, dat zijn tijd slechts aan beschavende oefeningen of vermakelijkheden gewijd, en met gezellige of jeugdige vroolijkheid moest gesleten worden. Thans, welk een omkeer! hoe neêrgedrukt en toch hoe versterkt was zijn karakter geworden in den loop van slechts zeer weinige maanden! Gevaar en ongeluk zijn strenge leermeesters, die ons wel spoedig onderwijzen. Droefgeestiger maar wijzer, gevoelde hij, in zelfvertrouwen en standvastigheid een vergoeding voor de schitterende droomen, die de ondervinding zoo spoedig had doen verdwijnen.

Toen hij het dorp naderde, zag hij met verbazing en angst dat een troep soldaten daar post had gevat, en wat erger was, er ingelegerd scheen te wezen. Hij maakte dit op uit eenige tenten, die hij zag opgeslagen op hetgeen men de gemeente-weide noemde. Om aan het gevaar te ontsnappen van aangehouden en ondervraagd te worden op een plaats waar hij zoo ligt herkend kon worden, nam hij een grooten omweg, vermeed het dorp geheel en naderde weder den ingang van de laan langs een hem welbekend zijpad. Een enkele blik was genoeg, om hem te doen zien, dat er groote veranderingen hadden plaats gegrepen. De eene deur van de poort, die van boven neergehaald en tot brandhout gehakt was, lag op hoopen, gereed om weggedragen te worden, de andere zwaaide nutteloos op de hengsels. Het kanteelwerk bovenop, was afgebroken en ter aarde geworpen, en de uitgehouwen beeren, van welke men verhaalde dat ze gedurende eeuwen den post van schildwacht hadden bekleed, lagen nu, van hun plaats geslingerd, onder het puin. De laan was vreeselijk geteisterd. Verscheidene groote boomen waren geveld, en lagen dwars over het pad zoo als ze omgestort waren, en het vee der dorpelingen, en de nog hardere hoeven der dragonderpaarden hadden het weelderige gras, dat zoo zeer Waverleys bewondering had opgewekt, in zwarten modder veranderd.

Zoodra hij het voorplein betrad, zag Eduard de vrees verwezenlijkt, die het ontwaren dezer eerste verwoestingen bij hem had doen ontstaan. Het huis was door ’s Konings troepen geplunderd, die zelfs, in schandelijken overmoed, gepoogd hadden het af te branden; en ofschoon de dikke muren grootendeels het vuur hadden weêrstand geboden, zoo waren toch de stallen en schuren geheel en al vernield. De torens en kanteelen van het hoofdgebouw waren geschroeid en geblakerd; het plaveisel der binnenplaats verwoest, de deuren neêrgerukt of hangende aan een enkel hengsel; de ramen ingeslagen en vernield, en de grond overdekt met allerhande gebroken huisraad. De kenmerken van aloude grootheid, waarvoor de Baron, in den trots van zijn hart, zoo veel eerbied had gekoesterd, waren met een bijzondere minachting behandeld. De fontein was vernield, en de bron die haar van water voorzag, stroomde nu over het voorplein heen. Het steenen bekken scheen bestemd te zijn tot een drinktrog voor het vee, naar de wijze te oordeelen, waarop het op den grond geplaatst was. De geheele stam der Beeren, groot en klein, had hetzelfde lot ondergaan als die den ingang van de laan bewaakten: en een stuk of wat der familie-portretten die den soldaten, als schijven schenen gediend te hebben, lagen in flarden op den grond. Gelijk men zich verbeelden kan, zag Eduard met een bloedend hart de verwoesting van zulk een eerwaardig gebouw aan. Maar zijn verlangen, om het lot der bewoners te leeren kennen, en zijn vrees om te vernemen, hoedanig dit lot wel zijn kon, namen met iedere schrede toe. Toen hij op het terras kwam, deden zich nieuwe tooneelen van verwoesting voor hem op. De balustrade was neêrgeworpen, de muren vernield, de paden met onkruid bewassen, en de vruchtboomen omgehakt of uitgegraven. In een hoek van den ouderwetschen tuin stonden twee ontzaglijk groote wilde kastanjeboomen, waarop de Baron bijzonder grootsch was: te lui misschien, om ze omver te hakken, hadden de plunderaars, met kwaadaardig overleg, ze ondermijnd, en wat buskruid in het gat aangebracht. De een was door de uitbarsting tot splinters geslagen, en de stukken lagen er rondom heen verstrooid, en overdekten den grond, dien de boom zoo lang had overschaduwd. De andere mijn had zulk een volkomene uitwerking niet gehad. Ongeveer een vierde van den boomstam was van het overige afgescheurd, die dus verminkt en geschonden aan de eene zijde, aan den anderen kant nog zijn zware en ongeschondene takken uitstrekte. [176]

Onder deze algemeene sporen van vernieling, waren sommige die het gevoel van Waverley meer bijzonder troffen. Toen hij den voorgevel van het gebouw op deze wijze verwoest en geschonden zag, zochten zijn oogen natuurlijk naar het kleine balkon, dat tot de vertrekken van Rose behoorde – de derde of liever vijfde verdieping. Het was spoedig gevonden, want daaronder lagen de bloempotten en heesters, waarmede Rose het zoo gaarne versierde, en die men van de fraaie balustrade had afgeworpen. Een aantal harer boeken lag te midden van gebroken bloempotten en andere prullen. Onder deze zag Waverley er een van de zijne, een uitgave van Ariosto, en ofschoon het door wind en regen gehavend was, raapte hij het als een heiligen schat op. Terwijl hij, in treurige overpeinzing verdiept, door het hem omringende tooneel, naar iemand rondzag, die hem het lot der bewoners zou kunnen mededeelen, klonk hem een stem uit het binnenste van het gebouw tegen; deze zong op een toon, dien hij zich zeer goed herinnerde, een oud Schotsch lied:

’k Werd overvallen in den nacht, Mijn tuin vernield, mijn heer geslacht; Geen knecht of hij ontweek den dood, En mij liet men in angst en nood. Mijn meester, aan mijn hart zoo waard, Versloegen zij; men stal zijn paard; [177] De zon of maan blink’ van omhoog, Toch dekt de doodslaap ’s meesters oog.

„Helaas!” dacht Eduard, „zijt gij het? Arm, hulpeloos schepsel! Zijt gij alleen achtergelaten, om te mijmeren en te zuchten, en met uw zonderlinge en onzamenhangende brokken van oude balladen in de zalen te spoken, die u bescherming boden?” Nu riep hij Davie, eerst: zacht, en daarna luider, „Davie, Davie Gellatley!”

De arme hals kwam uit de puinhoopen van een soort van tuinhuis te voorschijn, dat eenmaal aan het einde stond van hetgeen het terras geheeten werd; maar op het zien van een vreemdeling, trok hij zich, door schrik overmeesterd, terug. Waverley, die zich de gewoonte van dezen ongelukkige herinnerde, begon een lievelingsdeuntje te fluiten, waarnaar Davie meermalen met groot genoegen geluisterd, en op het gehoor van hem geleerd had. De zang van onzen held geleek even min op die van Blondel, als de arme David op Coeur-de-Lion; maar de melodie bracht dezelfde uitwerking te weeg, en werd de aanleiding tot de herkenning. Davie kroop weder, maar bedeesd, uit zijn schuilhoek, terwijl Waverley, uit vrees van hem schrik aan te jagen, de meest bemoedigende teekens gaf, die hij slechts bedenken kon. – „Het is zijn geest!” mompelde Davie; doch nader komende, scheen hij zijn levenden vriend te herkennen. De arme drommel zelf scheen een geest, vergeleken bij hetgeen hij geweest was. De bijzondere soort van kleeding, waarmede hij in betere dagen was uitgerust, liet slechts nog ellendige lompen van zijn grilligen opschik zichtbaar, waarvan het te kort komende erbarmelijk aangevuld was door brokken behangsel, venstergordijnen en reepen beschilderd doek, die hij gebezigd had om zijn tooi te herstellen. Ook zijn gelaat had niet meer dat opene en zorgelooze voorkomen van vroeger, en het arme schepsel zag er holoogig en mager, verhongerd en zenuwachtig uit. Na langdurige aarzeling, naderde hij Waverley eindelijk met eenig vertrouwen, zag hem treurig in het gezicht, en zeide: „Allemaal dood en weg – allemaal dood en weg.”

„Wie zijn dood?” vroeg Waverley, die volstrekt niet aan Davies onvermogen dacht, om een aaneengeschakeld gesprek te voeren.

„De Baron – en de rentmeester – en Saunders Saunderson – en Freule Rose, die zoo lief zong. – Allemaal dood en weg – allemaal dood en weg.”

Maar volg, ei volg mijn spoor; De glimworm licht ons voor; Ik wijs u waar, de dooden Het leven zijn ontvloden; Waar ieder rust van zorg en pijn, Terwijl de winden huilen, En zich van achter ’t wolkgordijn, Waar ze eerst zich ging verschuilen; De bleeke maan hun graf verlicht. Dat iedre vreeze zwicht; ’t Moet hem aan moed niet falen, Die in het uur van middernacht, De graven langs gaat dwalen.

Met deze woorden, die hij op woesten en somberen toon zong, gaf Davie aan Waverley een teeken om hem te volgen, terwijl hij haastig naar het uiteinde van den tuin liep, langs den oever der beek, die, zoo als men zich herinneren zal, de oostelijke grens daarvan uitmaakte. Eduard volgde hem, in weerwil van de beteekenis zijner woorden, met een onwillekeurige siddering, maar niet zonder eenige hoop er de verklaring van te zullen erlangen. Daar het huis blijkbaar door de bewoners verlaten was, kon hij niet verwachten onder de puinhoopen daarvan een verstandiger berichtgever te zullen vinden.

Davie, die vrij stevig aanstapte, bereikte welhaast het uiterste einde van den tuin, en klouterde over de brokken van den muur, die dezen eens had gescheiden van het boschachtig dal, waarin de oude toren van Tully-Veolan stond. Nu sprong hij naar beneden in de bedding van den stroom, en ging, door Waverley gevolgd, met rassche schreden voort terwijl hij over eenige rotsbrokken klom, en zich met moeite om anderen heen wendde. Zij gingen onder de puinhoopen van het huis voorbij; Waverley volgde, maar kon zijn leidsman bezwaarlijk bijhouden, daar de duisternis begon toe te nemen. Toen hij den loop van den stroom nog een weinig lager volgde, verloor hij hem geheel uit het oog; maar een flikkerend licht, dat hij nu tusschen het ineengegroeide kreupelhout en de struiken ontdekte, scheen een zekerder gids. Spoedig sloeg hij een weinig gebaand pad in, en bereikte ten laatste de deur eener ellendige hut. Een geweldig hondgeblaf klonk hem in den beginne tegen, maar kwam bij zijn nadering tot zwijgen. Van binnen liet zich een stem hooren, en hij achtte het raadzaam te luisteren, eer hij naderde.

„Wien hebt gij hier gebracht, domme deugniet?” vroeg een oude vrouw, op een toon die haar hevige drift verried. Tot eenig antwoord floot Davie Gellatley het begin van het deuntje, waardoor Eduard hem herkend had, en deze maakte nu geene zwarigheid om aan de deur te kloppen. Er heerschte terstond een doodsche stilte van binnen, die slechts door het doffe geknor der honden werd afgebroken; en vervolgens hoorde hij de meesteres van de hut de deur naderen, waarschijnlijk niet om ze te openen, maar Waverley kwam haar voor en lichtte de klink zelf op.

Voor hem stond een oude, met lompen bedekte vrouw, die hem toeriep: „Wie komt, in den nacht, op deze wijze hier in huis?” Aan de eene zijde legden twee kwade en half uitgehongerde jachthonden hunne woestheid, bij zijn verschijning, af, en schenen hem te herkennen. Aan de andere zijde, half verborgen door de geopende deur, doch blijkbaar met weerzin zich in dezen schuilhoek verbergende, stond, met een overgehaald pistool in de rechterhand, en de linker bezig om een tweede uit zijn gordel te halen, een lange, stevige en magere gedaante, in de overblijfsels eener verschoten uniform, en met een baard die in geen drie weken geschoren was.

Het was de baron van Bradwardine. – Het is onnoodig hier bij te voegen, dat hij zijn wapen op den grond wierp, en Waverley met een hartelijke omhelzing begroette.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WEDERKEERIGE OPHELDERINGEN.

Het verhaal van den Baron was kort, wanneer men er de spreekwoorden en gemeenplaatsen in het Latijn, Engelsch en Schotsch, waarmede zijn geleerdheid het opsierde, wegliet. Hij stond lang stil bij de droefheid, die hem getroffen had over het verlies van Eduard en Glennaquoich, schetste de veldslagen van Falkirk en Culloden, en verhaalde, hoe hij, nadat alles in het laatstgenoemde gevecht verloren was, naar huis was teruggekeerd, in de meening van gemakkelijker een schuilplaats te zullen vinden onder zijn eigene boeren, en op zijn eigen landgoed, dan ergens elders. Een afdeeling soldaten was uitgezonden om zijn eigendommen te verwoesten; want barmhartigheid was niet aan de orde van den dag. Hun vernielingswerk was echter gestuit door een bevel van het Civiele Hof. Men erkende dat het landgoed niet vervallen verklaard mocht worden aan de Kroon, ten nadeele van Malcolm Bradwardine van Inch-Grabbit, den erfgenaam in de mannelijke lijn, wiens aanspraak op de baronie niet lijden mocht door de handelingen van den tegenwoordigen eigenaar, daar hij zijn recht van dezen niet ontleende, – en die dus, gelijk een aantal andere erfgenamen van leengoederen, in denzelfden toestand, er het bezit van erlangde. Maar, geheel verschillend van velen in soortgelijke omstandigheden, toonde de nieuwe heer spoedig, niet te zullen dulden dat zijn voorganger het minste voorrecht of voordeel trok van de goederen, die hem hadden toebehoord, en dat het zijn voornemen was, zich het ongeluk van den ouden Baron in zijn geheele uitgestrektheid ten nutte te maken. Dit was te onedelmoediger, daar het van algemeene bekendheid was, dat de Baron, met het romantische denkbeeld bezield, om het recht van dezen jongeling, als mannelijken erfgenaam, niet te benadeelen, de erfopvolging op zijn dochter niet had willen overdragen. Deze onrechtvaardige zelfzucht stiet de dorpelingen geweldig tegen de borst, die hun ouden meester hartelijk lief hadden, zoodat zij niet weinig verontwaardigd waren over het gedrag van zijn opvolger. In des Barons eigen woorden, „strookte deze zaak niet met het algemeen gevoelen op Bradwardine, mijnheer Waverley; en de boeren waren traag en onwillig in het betalen van het verschuldigde; en toen mijn neef in het dorp kwam, met zijn nieuwen rentmeester, den heer James Howie, om de huur in te vorderen, loste, men weet niet wie, – ik vermoed echter, John Heatherblutter, de oude jagermeester, die in het jaar vijftien met mij uittrok – een schot op hem in het donker, waardoor hij zoo bang werd, dat ik met Cicero in Catilinam wel mag zeggen, abiit, evasit, erupit, effugit [178]. Hij liep, mijnheer, om mij zoo uit te drukken, in éen adem naar Stirling. En nu heeft hij het landgoed ten verkoop aangeslagen, daar hij zelf de laatste mannelijke erfgenaam van het leen is. En indien men mij door zulke zaken grieven kon, zou dit mij meer grieven, dan de overgang van het goed uit mijn eigen bezit, dat toch, volgens den loop der natuur, binnen weinige jaren zou moeten plaats hebben; daar dit nu overgaat uit handen van het geslacht, dat het in sæcula sæculorum moest bezeten hebben. Maar, Gods wil geschiede, humana perpessi sumus [179]. Sir John van Bradwardine – Zwarte Sir John, zoo als men hem noemde – die de algemeene stamvader van ons huis en der Inch-Grabbits was, dacht weinig dat zoo iemand uit zijn geslacht zou voortkomen. Intusschen heeft hij mij beschuldigd bij den een of ander van de primates, de tijdelijke bewindhebbers, alsof ik een aanvoerder van bravo’s en sluipmoordenaars was. En er zijn soldaten hierheen gezonden, om op mijn goederen te verblijven, en jacht op mij te maken als op een veldhoen in het gebergte, gelijk de H. Schrift zegt van den goeden koning David, of als onzen dapperen Sir William Wallace, – zonder daarom mijzelven met een van beiden te vergelijken. – Ik dacht, toen ik u aan de deur hoorde kloppen, dat zij het oude wild ten laatste in zijn leger hadden overvallen; en daarom nam ik mij voor, mijn leven ten duurste te verkoopen. – Maar nu, Janet, kunt gij ons niet wat avondeten bezorgen?”

„Ja wel, mijnheer, ik zal het waterhoen braden, dat John Heatherblutter heden morgen medegebracht heeft, en gij ziet, de arme Davie is al bezig met de eieren van de zwarte kip te bakken. Ik durf zeggen, mijnheer Waverley, dat gij nooit geweten hebt dat al de eieren die zoo goed in het groote heerenhuis gebakken werden, door onzen Davie waren klaar gemaakt. Niemand haalt bij hem, die zoo knap is om met zijn vingers in de heete asch te werken en de eieren te keeren.” Davie lag gedurende al dien tijd met zijn neus bijna in het vuur, terwijl hij in de asch blies, met de hielen schopte, bij zichzelven mompelde, en zijn eieren in den gloed keerde, als ware het om het spreekwoord te weêrleggen, „dat er verstand toe noodig is om eieren te bakken,” en de lofspraak te rechtvaardigen, die Janet uitstortte

„Over hem, haar lieveling, haar arm onnoozel kind.” [180]