Part 40
De dus geroepen vader kwam spoedig voor den dag; het was een forsche oude boer, met een lederen broek aan en de laarzen over de bloote beenen, die zoo uit het bed gesprongen was; het overige zijner kleeding bestond alleen uit den robe-de-chambre van een Westmorelandschen staatsman, dat wil zeggen: zijn hemd. Zijn gestalte werd verlicht door een kaars, die hij in zijn linkerhand droeg, terwijl hij in zijn rechter een pook zwaaide.
„Wat scheelt er toch aan, deern?”
„O!” riep het arme meisje, bijna flauw vallende, „ik dacht dat het Eduard Williams was, en het is een van de plaidsmannen.”
„En wat hadt ge op dit uur van den nacht met Eduard Williams te maken?” Hierop, daar het misschien een van die tallooze vragen was, die gemakkelijker gedaan dan beantwoord worden, had het roodwangige juffertje niets te zeggen, maar ging voort met snikken en de handen te wringen.
„En gij, borst, weet gij dat de dragonders in het dorp zijn? Weet gij dat, man? Ze zullen je kort en klein slaan, vriendje.”
„Ik weet dat mijn leven in groot gevaar is,” zeide Waverley, „maar zoo ge mij helpen kunt, zal ik u goed beloonen. Ik ben geen Schot, maar een ongelukkige Engelschman.”
„Schot of geen Schot,” zei de eerlijke landman, „ik wenschte maar dat ge aan den anderen kant van de heining waart gebleven; maar nu ge hier zijt, zal Jacob Jopson geen menschenbloed verraden; en de plaids zijn vroolijke jongens, en deden zoo veel kwaad niet, toen ze gisteren hier waren.” Bijgevolg was hij ernstig bedacht, om onzen held, voor den nacht te herbergen en te verkwikken. Het vuur was spoedig weder aangemaakt, en wel met de noodige voorzorg, opdat men het schijnsel er van daarbuiten niet zien zou. De flinke huisbaas sneed een stuk spek, dat Cecilia spoedig braadde, en haar vader voegde er een frisschen dronk van zijn beste bier bij. Men kwam overeen dat Eduard daar zou blijven, tot de troepen des morgens zouden vertrokken zijn, dan zou hij een paard van een boer huren of koopen, en volgens de beste aanwijzingen die men krijgen kon, zijn vrienden pogen in te halen. Een zuiver, ofschoon hard bed verkwikte hem, na de vermoeienissen van dezen ongelukkigen dag.
Bij het aanbreken van den morgen ontving men bericht, dat de Hooglanders Penrith verlaten hadden, en naar Carlisle aftrokken, dat de hertog van Cumberland in het bezit van Penrith was, en dat afdeelingen van zijn leger de wegen in alle richtingen bedekten. Te pogen om zonder ontdekt te worden er door heen te komen, zou dolzinnige roekeloosheid zijn. Williams, de echte Eduard, werd nu door Cecilia en haar vader als raadsman ingeroepen, en daar hij er waarschijnlijk niet voor was, dat zijn knappe naamgenoot te lang met zijn liefje in hetzelfde huis zou blijven, uit vrees voor nieuwe misgrepen, stelde hij voor, dat Eduard, zijn uniform en plaid tegen de landskleeding verruilen, met hem naar zijns vaders boerderij, bij Ulswater, gaan, en in die ongestoorde afzondering blijven zou, zoolang de troepenbewegingen zijn vertrek gevaarlijk maakten. Ook kwam men omtrent den prijs overeen, waarvoor de vreemdeling, zoo hij het goed vond, bij baas Williams kon inwonen. Deze was zeer matig, daar de reddeloosheid van zijn toestand, onder deze brave en eenvoudige lieden, niet als een middel gebruikt werd om hem een hoogeren eisch te doen.
De noodzakelijke kleedingstukken werden bij gevolg aangeschaft, en door het inslaan en volgen van bijpaden die den jongen boer volkomen bekend waren, hoopten zij iedere onaangename ontmoeting te vermijden. Een belooning voor hun gastvrijheid, werd door den ouden Jopson en zijn roodwangige dochter, stellig geweigerd; een kus betaalde de eene, en een hartelijke handdruk den anderen. Beide schenen bezorgd voor de veiligheid van hun gast, en namen afscheid onder vriendelijke wenschen voor zijn welzijn.
Op hun tocht doorkruiste Eduard met zijn leidsman de velden, die den avond te voren het tooneel der schermutseling geweest waren. De kortstondige verlichting der Decemberzon straalde treurig over de uitgebreide heidevlakte, welke, naar den kant waar de noordwestelijke landweg de omheiningen van Lord Lonsdales eigendommen doorsnijdt, gesneuvelde mannen en doode paarden te aanschouwen gaf, benevens de gewone medgezellen van den oorlog, een aantal op lijken azende roofvogels en raven.
„En dit was dan uw laatste slagveld,” dacht Eduard, terwijl hem de oogen vol tranen schoten, bij de gedachte aan de vele schitterende punten van Fergus’ karakter, en aan hun vorige gemeenzaamheid, waarbij hij al zijn hartstochten en onvolmaaktheden vergat – „hier viel de laatste Vich Ian Vohr, op een namelooze heide; en in een onbeduidende nachtschermutseling werd die vurige geest uitgebluscht, wien het zoo gemakkelijk scheen, zijn meester den weg tot den Britschen troon te banen! Eerzucht, staatkunde, dapperheid, die er allen naar streefden boven haar aangewezen kring te stijgen, leerden hier wat het lot der stervelingen is. Ook de eenige steun eener zuster, wier geest, trotsch en onbuigzaam, zelfs nog opgewondener was dan de uwe; hier eindigden al uw vooruitzichten voor Flora en de lange en hooggeschatte geslachtreeks, welke het uw roem was, door uw avontuurlijke dapperheid, thans nog tot hooger eer en aanzien te brengen.”
Terwijl deze denkbeelden zich aan Waverley opdrongen, besloot hij de opene heide over te gaan en te zien, of hij, onder de verslagenen, het lijk van zijn vriend kon ontdekken, met het vrome voornemen om zich jegens hem van den laatsten plicht, het bezorgen eener behoorlijke begrafenis, te kwijten. De vreesachtige jonge mensch, die hem vergezelde, wees hem op het gevaarlijke der onderneming, maar Eduard had zijn besluit genomen. De soldaten die tot den legertrein behoorden, hadden reeds de dooden uitgeschud van alles wat ze met zich konden voeren; maar het landvolk, ongewoon aan bloedtooneelen, was het slagveld nog niet genaderd, ofschoon sommigen, vol vrees, op een afstand stonden te kijken. Omstreeks zestig of zeventig gesneuvelde dragonders lagen binnen de eerste omheining, op den straatweg en het open veld. Van de Hooglanders waren op zijn best een dozijn gevallen, voornamelijk de zoodanigen, die, door zich te ver in den weeken grond gewaagd te hebben, den vasten bodem niet weder hadden kunnen bereiken. Hij kon het lijk van Fergus niet onder de verslagenen vinden. Op een geringe hoogte lagen, verwijderd van de andere, drie Engelsche dragonders, twee paarden en de page Callum Beg, wiens harde schedel eindelijk door den sabel eens ruiters werkelijk gekloofd was. Het was mogelijk, dat het lijk van Fergus door zijn clan was medegevoerd; maar het behoorde evenzeer tot de mogelijkheden, dat hij ontsnapt was, vooral, omdat Evan Dhu, die nooit zijn chef zou verlaten hebben, niet onder de dooden gevonden werd; of misschien was hij krijgsgevangen, en de minst verschrikkelijke aankondiging van den Bodach Glas gebleken waarheid te zijn. De nadering van een krijgshoop, gezonden om het landvolk tot het begraven der dooden te dwingen, en die reeds verscheidene boeren tot dat oogmerk bij elkander gebracht had, dwong Eduard thans zich weder bij zijn gids te voegen, die hem met grooten angst onder het geboomte afwachtte.
Na dezen doodsakker verlaten te hebben, volbrachten zij gelukkig het overige hunner reis. Aan het huis van den landman Williams, ging Eduard door voor een jongen bloedverwant, die, tot predikant opgeleid, daar verblijf kwam houden, tot de burgerlijke beroerten hem zouden vergunnen verder te reizen. Dit bracht allen argwaan onder de goedhartige en eenvoudige landlieden van Cumberland tot zwijgen, en scheen voldoende om de deftige manieren en afgetrokken leefwijze van hun nieuwen gast te rechtvaardigen. En deze voorzorg werd noodzakelijker dan Waverley had gedacht, daar een aantal voorvallen oorzaak werden dat zijn verblijf te Fasthwaite, de naam der boerderij, wat verlengd werd.
Een vreeselijke menigte gevallen sneeuw maakte zijn vertrek gedurende meer dan tien dagen onmogelijk. Toen de wegen een weinig bruikbaar begonnen te worden, ontvingen ze achtereenvolgens bericht van den terugtocht des Prinsen naar Schotland; dat hij de grenzen verlaten had, op Glasgow terug was getrokken, en dat de hertog van Cumberland Carlisle belegerd had. Het leger der Engelschen ontnam dus aan Waverley alle mogelijkheid, om in die richting naar Schotland te ontsnappen. Langs de oostelijke grenzen trok de maarschalk Wade, met een aanzienlijke macht, op Edinburgh aan; en overal op de grenzen des lands waren afdeelingen soldaten, vrijwilligers en partijgangers onder de wapens, om het uitbreken van den opstand te beletten en de achterblijvers van het Hooglandsche leger, die men in Engeland vinden mocht, te vatten. De overgave van Carlisle, en de gestrengheid, waarmede de bezetting der rebellen behandeld werd, gaf welhaast een reden te meer aan de hand om alle denkbeeld te laten varen van zich alleen door een vijandelijk land en een uitgebreid leger op reis te begeven, om den bijstand van éen enkel zwaard te brengen aan een zaak, die ten eenemale hopeloos scheen.
In dit eenzaam en afgezonderd toevluchtsoord, verstoken van allen gezelligen omgang met lieden van beschaafden geest, riep zich Waverley de redeneeringen van kolonel Talbot voor den geest. Een nog benauwder herinnering verontrustte zijn slaap – het was de stervende blik en het laatste gebaar van kolonel Gardiner. Op het hartelijkst bad hij, zoo dikwijls de schaars aankomende post tijding van schermutselingen met verschillenden uitslag, bracht, dat het nooit weder zijn lot mocht wezen, zijn zwaard in een burgeroorlog te trekken. Vervolgens dacht hij aan den vooronderstelden dood van Fergus, aan den verlaten toestand van Flora, en met nog teederder deelneming aan die van Rose Bradwardine, die de hooge mate van geestdrift voor het koninklijke huis niet bezat, welke den tegenspoed voor hare vriendin heilig en verheven maakte. Aan deze mijmering kon hij zich overgeven, ongestoord door lastige vragen of tusschenkomende gesprekken; en het was op menige wandeling, door hem gedurende den winter aan de oevers van de rivier Ulswater afgelegd, dat hij een volkomener heerschappij verwierf over een door het ongeluk getemden geest, dan zijn vroegere ondervinding hem nog gegeven had, en dat hij zich gerechtigd vond, om met vastheid, hoewel misschien met een zucht, te verzekeren, dat de roman van zijn leven ten einde was, en dat de werkelijke historie thans een aanvang ging nemen. De rede en de wijsbegeerte riepen hem weldra op om te toonen dat zijn gevoelens in dit opzicht wel gegrond waren.
ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN REIS NAAR LONDEN.
Het gezin te Fasthwaite was spoedig aan Eduard gehecht. Hij bezat inderdaad die minzaamheid en beleefdheid, welke bijna algemeen wederkeerige genegenheid uitlokken, en bij deze eenvoudige lieden boezemde zijn kunde ontzag in, en wekte zijn lijden belangstelling op. Zijn neêrslachtigheid schreef hij, om in geen nadere verklaring te komen, aan het verlies van een broeder toe, die in de schermutseling bij Clifton gesneuveld was; en onder deze goede menschen, die heel ouderwetsch waren en veel hechtten aan familie-banden, verwekte zijn aanhoudende droefgeestigheid medelijden, maar geen verbazing.
Op het laatst van Januari werd zijn gewone levendigheid weder opgewekt door de gelukkige vereeniging van Eduard Williams, den zoon van zijn waard, met Cecilia Jopson. Onze held wilde over het huwelijksfeest van twee personen, aan wie hij zoo veel verplichting had, door geen treurigheid van zijn zijde een schaduw werpen. Hij spande zich derhalve in, danste, zong, speelde allerlei spellen mede, en was de vroolijkste van het gezelschap. Maar den volgenden morgen had hij ernstiger zaken om aan te denken.
De predikant, die het jonge paar getrouwd had, was zoo ingenomen met den zoogenaamden student in de godgeleerdheid, dat hij den volgenden dag van Penrith kwam, om hem een bezoek te brengen. Onze held zou zich in een tamelijk moeielijke positie bevonden hebben, indien de predikant de diepte van zijn vooronderstelde kennis had willen peilen; maar gelukkig hield hij er meer van om het nieuws van den dag te hooren en te vertellen. Hij bracht twee of drie oude dagbladen mede, in een van welke Waverley een bericht aantrof, dat hem spoedig doof maakte voor ieder woord, hetwelk de eerwaarde heer Twigtythe mocht in te brengen hebben omtrent de tijdingen uit het noorden, en het vooruitzicht dat de Hertog de rebellen wel spoedig zou inhalen en tot den laatsten man uitroeien. Het was een artikel in deze, of nagenoeg in deze woorden:
„Den tienden dezer overleed te zijnen huize, in Hillstreet, Berkeley-Square, de heer Richard Waverley, tweede zoon van sir Giles Waverley van Waverley-Honour enz. enz. Hij stierf aan een kwijnende ziekte, verergerd door het onaangename bewustzijn van verdacht te worden, waarin hij zich bevond, daar hij verplicht was geweest om borg te stellen voor een groote som, als beschuldigd van hoogverraad. Een beschuldiging van dezelfde zware misdaad rust op zijn ouderen broeder, sir Everhard Waverley, het hoofd dier oude familie; en wij vernemen, dat hij voor de rechters zal gebracht worden in het begin van de volgende maand, tenzij Eduard Waverley, zoon van den overleden Richard, en erfgenaam van den baronet, zich in handen der justitie stelt. In dat geval, verzekert men ons, is het Zijner Majesteits goedgunstig voornemen, alle verdere vervolgingen tegen sir Everhard te staken. Het is gebleken, dat deze ongelukkige jonge edelman de wapens heeft opgevat in dienst van den Pretendent, en dat hij met de Hooglandsche troepen Engeland is binnengerukt. Men heeft niets van hem gehoord, sedert de schermutseling van den 18den December l. l.”
Dus luidde de paragraaf, die hem zoo geweldig trof. – „Goede God! ben ik dan de moordenaar van mijn vader? – Onmogelijk! Mijn vader, die nooit de genegenheid van een vader blijken liet, zoo lang hij leefde, kan niet zoo aangedaan zijn geweest door mijn vooronderstelden dood, dat het den zijne zou verhaast hebben; neen, ik kan dit niet gelooven, – het zou dwaasheid zijn slechts éen oogenblik zulk een verschrikkelijk denkbeeld te voeden. Maar het zou zelfs erger zijn dan vadermoord, te dulden, dat een of ander gevaar mijn braven en edelmoedigen oom zou bedreigen, die altijd meer dan een vader voor mij geweest is, als zulk een ramp door een offer van mijn kant af te wenden is!”
Terwijl deze gedachten, als bliksemschichten Waverleys brein doorkliefden, werd de waardige geestelijke, in een uitvoerig verhaal van den slag van Falkirk gestuit door de doodelijke bleekheid van zijn gelaat, en vroeg hem, of hij zich niet wél bevond? Gelukkig kwam de bruid, met den blos der vreugde op het gelaat, het vertrek binnen. Vrouw Williams was geen van de slimste vrouwen; maar zij bezat een goed hart, en daar zij terstond begreep, dat Eduard geschokt was door onaangenaam nieuws in de papieren, kwam zij met zoo veel oordeel tusschenbeide, dat zij, zonder eenige achterdocht te wekken, des heeren Twigtythes oplettendheid afleidde, en hem bezig hield tot hij, kort daarop, afscheid nam. Waverley verklaarde terstond aan zijn vrienden, dat hij in de noodzakelijkheid was, om naar Londen te gaan, en wel zonder het minste uitstel.
Een oorzaak van uitstel deed zich echter op, waaraan Waverley weinig gewend was. Zijn beurs, ofschoon wél voorzien, toen hij eerst te Tully-Veolan kwam, had sedert dien tijd geen versterking ontvangen; en hoewel zijn latere leefwijze niet van den aard was, om ze spoedig uit te putten – hij had zich toch voornamelijk bij zijn vrienden en bij het leger opgehouden – zoo bevond hij toch, dat hij, na met zijn huiswaard te hebben afgerekend, te arm zou zijn, om de kosten van een reis met postpaarden te bestrijden. Het scheen dus beter te zijn, zich naar den noordelijken landweg over Boroughbridge te begeven, en daar plaats te nemen op den Noorderpostwagen, een lompe ouderwetsche kast, met drie paarden, die de reis van Edinburgh naar Londen („zoo God wil,” zegt de advertentie) in drie weken volbrengt. Onze held nam derhalve een minzaam afscheid van zijn Cumberlandsche vrienden, wier goedheid hij beloofde nimmer te zullen vergeten, en stilzwijgend hoopte te eeniger tijd door wezenlijke blijken van dankbaarheid te erkennen. Na enkele geringe bezwaren en eenig lastig oponthoud, en na zijn kleeding in een staat te hebben gebracht, meer overeenkomstig zijn rang, ofschoon uiterst eenvoudig en bescheiden, volbracht hij zijn tocht langs de landwegen, en bevond zich in den postwagen, tegenover mevrouw Nosebag, de vrouw van den luitenant Nosebag, adjudant van de **sche dragonders, een ongegeneerd vrouwtje van ongeveer vijftig jaar, die een blauw met rood afgezet kleed en een met zilver beslagen karwats droeg.
Deze dame was een dier werkzame leden der maatschappij, die op zich nemen à faire les frais de la conversation. Zij was juist uit het noorden terug gekomen, en berichtte Eduard, hoe weinig het gescheeld had, of haar regiment had het rokkenvolk, te Falkirk, in de pan gehakt; „dit werd alleen belet,” zeide zij, „door zoo’n akelige moeras, waar men in Schotland nooit buiten kan, geloof ik, en daardoor leed ons arm regiment ietwat, gelijk Nosebag zegt, in dit nietsbeteekenend gevecht. Gij, mijnheer, hebt gij bij de dragonders gediend?” Waverley was zoo onverwacht overvallen, dat hij dit bevestigde. „O, ik wist het meteen; ik zag aan uw houding, dat gij militair zijt, en ik was verzekerd dat gij niet tot de zandhazen behoordet, zooals Nosebag ze noemt. Van welk regiment, als ik u vragen mag?” Dit was een onaangename vraag. Waverley maakte er echter te recht het besluit uit op, dat deze goede dame de geheele ranglijst van buiten kende: en, om ontdekking te ontgaan, door zich dicht bij de waarheid te houden, antwoordde hij: „Gardiners dragonders, mevrouw, maar ik heb eenigen tijd geleden de dienst verlaten.”
„O, die dragonders, die de voorsten waren bij den terugtocht van Preston, zooals mijn Nosebag zegt. Wat zegt gij, mijnheer, waart gij daarbij?”
„Ik had het ongeluk, mevrouw,” antwoordde Eduard, „om getuige van dat gevecht te zijn.”
„En het was een ongeluk, dat weinige van Gardiners dragonders stand hielden om er getuigen van te zijn, geloof ik, mijnheer – ha! ha! ha! Ik vraag verschooning; maar een soldatenvrouw houdt van een grap.”
„De duivel hale u!” dacht Waverley, „welk een helsch toeval heeft mij, met deze nieuwsgierige heks opgesloten!”
Gelukkig bleef de goede dame niet lang bij één stuk stil. „Nu komen wij te Ferrybridge,” zeide zij, „waar een afdeeling van de onzen gelaten werd, om de deurwaarders en dienders en vrederechters en dat soort van wezens te ondersteunen, bij het onderzoeken der papieren, het tegenhouden der rebellen en wat dies meer zij.” Zij waren nauwelijks in de herberg, of zij sleepte Waverley naar het raam, met den uitroep: „Ginds komt korporaal Bridoon, van ons arm escadron; hij komt met den deurwaarder; Bridoon is een mijner lammeren, gelijk Nosebag ze noemt. Kom, mijnheer – A – a, – maar, hoe is uw naam, mijnheer?”
„Butler, mevrouw,” zeide Waverley, die besloot liever gebruik te maken van den naam eens voormaligen mede-officiers, dan gevaar te loopen van ontdekt te worden, door het opgeven van een anderen, die niet in het regiment gevonden werd.
„O ja, gij hebt onlangs een escadron gekregen, toen die gemeene kerel Waverley naar de rebellen overliep. Heer! ik wenschte wel dat onze oude plaag, kapitein Cramp, tot de rebellen overliep, dan zou Nosebag het escadron krijgen. – Maar! waarom staat Bridoon daar op de brug te slenteren? Ik wil mij laten hangen, als hij niet „buiten westen is,” gelijk Nosebag zegt. Kom, mijnheer, daar gij en ik tot de dienst behooren, zullen wij den rekel tot zijn plicht brengen.”
Waverley zag zich, met gewaarwordingen, die zich gemakkelijker laten begrijpen dan beschrijven, verplicht zijn manhaftige vrouwelijke bevelhebber te volgen. De dappere korporaal geleek zoo veel naar een lam, als een dronken korporaal van de dragonders, van omtrent zes voet hoog, met zeer breede schouders en zeer dunne beenen, om niet te spreken van een houw dwars over het gezicht, bij mogelijkheid daarop kon gelijken. Mevrouw Nosebag begon het gesprek, zoo al niet met een vloek, dan ten minste met eenige woorden, die er vrij wat naar geleken, terwijl zij hem beval zijn plicht te doen. „Loop jij maar naar de verd....” begon de moedige ruiter; en sloeg de oogen op om meer kracht te voegen aan het woord dat hij er op meende te laten volgen, en verder een bijvoeglijknaamwoord te zoeken dat hij zou kunnen toepassen op de persoon die hij aansprak, maar zoodra hij de spreekster herkend had, salueerde hij eerbiedig en veranderde van toon. – „God zegene uw schoon gezicht, mevrouw Nosebag, is u dat? Wel, als een arme drommel bij ongeluk eens ’s morgens een klein tikje weg kreeg, zijt gij er toch nooit de vrouw naar om hem in het ongeluk te helpen.”
„Kom, kom, deugniet, doe uw plicht; deze heer en ik behooren tot den dienst; maar zie terdeeg naar dien schuwen vogel met den grooten hoed, die in den hoek van den wagen zit. Ik geloof dat het een verkleede rebel is.”
„De drommel hale haar stekelige pruik,” gromde de korporaal, toen zij hem niet meer hooren kon. „Die grijze feeks van een moeder-adjudant, zoo als wij haar noemen, is een grooter plaag voor het regiment, dan de provoost-geweldige en de Sergeant-Majoor, en de oude Kolonel, op den koop toe. Kom, mijnheer de diender, laat ons zien of die schuwe vogel, zoo als zij hem noemt, (die, in het voorbijgaan gezegd, een kwaker van Leeds was, met wien mevrouw Nosebag een kleinen twist had gehad over het geoorloofde van de wapens te dragen) een slok voor ons over heeft; want die Yorkshire ale ligt me koud in de maag.”
De levendigheid dezer goede vrouw had Eduard hier uit de verlegenheid geholpen, maar daarentegen was zij meer dan eens op het punt hem andere lasten op den hals te halen. In elke stad waar zij ophielden, wenschte zij het corps de garde te zien, zoo er een was, en eens scheelde het maar weinig, of zij had hem bij een werf-officier van zijn eigen regiment gebracht. Daarenboven gaf zij hem den naam van Kapitein en van Butler zoo druk, dat hij bijna razend werd van verdriet en angst; en nooit was hij blijder bij het einde van een reis, dan toen de aankomst van den postwagen te Londen hem van de oplettendheden van mevrouw Nosebag bevrijdde.
ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAT NU TE DOEN?
Het was schemeravond toen zij de stad binnen reden, en na zich van zijn medereizigers te hebben ontdaan, en een heel einde omgeloopen te hebben, ten einde de mogelijkheid te voorkomen van door hen nagespoord te worden, nam Eduard een huurkoets en reed naar het huis van kolonel Talbot, op een der voornaamste pleinen in het Westeinde der stad. Sedert zijn huwelijk was de Kolonel, door den dood van naastbestaanden, erfgenaam geworden van een groot fortuin, bezat niet weinig staatkundigen invloed, en leefde, zoo als men het noemt, op een grooten voet.
Toen Waverley aanklopte, vond hij het aanvankelijk niet gemakkelijk om toegang te verkrijgen, maar werd eindelijk in een vertrek gelaten, waar de Kolonel aan tafel zat. Lady Emilia, wier zeer schoon gelaat nog bleek was na hare ongesteldheid, was tegenover hem gezeten. Zoodra hij Waverley’s stem hoorde, sprong hij op en omhelsde hem. „Francis Stanley, mijn beste jongen, hoe vaart gij? – Emilia, mijn beste, dit is de jonge Stanley.”