Waverley

Part 3

Chapter 33,464 wordsPublic domain

De opvoeding van onzen held, Eduard Waverley, was van eenigzins ongeregelden aard. In zijn kindsheid leed zijn gestel, of werd verondersteld te lijden (hetgeen volmaakt hetzelfde is) van de Londensche lucht. Zoodra derhalve ambtsbezigheden, parlementszittingen of het najagen van belang- en eerzuchtige doeleinden zijn vader naar de stad riepen, waar hij doorgaans acht maanden van het jaar zijn verblijf hield, werd Eduard naar Waverley-Honour gebracht, en had er zoowel eene verandering van meesters en van lessen als van woning plaats. Dit zou men hebben kunnen voorkomen, indien zijn vader hem aan de zorgen van een vasten gouverneur had toevertrouwd. Maar hij begreep, dat iemand van zijne keuze waarschijnlijk niet welgevallig op Waverley-Honour zou geweest zijn, en dat eene keuze, zoo als Sir Everard ligt doen zou, indien de zaak aan dezen overgelaten werd, hem zelven met een lastigen huisgenoot, zoo al niet met een staatkundigen spion, in zijn huisgezin zou bezwaard hebben. Hij haalde daarom zijn secretaris, een jong man van smaak en kunde over, een uur of twee aan Eduards opvoeding te besteden, zoolang deze op Brere-Wood Lodge was, en liet zijn oom verantwoordelijk voor zijne vorderingen in de letterkunde, gedurende het verblijf op het kasteel.

Ook hiervoor werd in zekere mate behoorlijk gezorgd. Sir Everards Kapelaan, van de Oxfordsche academie, die zijn betrekking aldaar verloren had omdat hij, bij de troonsbeklimming van George I, geweigerd had den gevorderden eed af te leggen, was niet slechts een uitstekend beoefenaar der oude letterkunde, maar ook vrij bedreven in de wetenschappen, en in de meeste nieuwe talen. Hij was echter bejaard en toegevend, en de herhaalde tusschenregeering, gedurende welke Eduard geheel van zijne tucht ontslagen was, bracht zulk eene verslapping van gezag te weeg, dat de knaap in ruime mate vrijheid had te leeren, zoo als hij wilde, wat hij wilde en wanneer hij wilde.

Deze ongeregeldheid zou verderfelijk geweest zijn voor een jongen van geringe geestvermogens, die, gevoelende hoe moeielijk het verwerven van kundigheden is, ze geheel en al zou verwaarloosd hebben, zoo hij niet daartoe door zijn meester werd aangezet, en even gevaarlijk zou zij ligt gebleken zijn voor een knaap, wiens levenslust sterker was dan zijn verbeelding of gevoel, daar de onweerstaanbare invloed van vrouw natuur op een krachtig gestel, hem gewis van den morgen tot den avond tot het najagen van veldvermaken zou hebben aangespoord. Maar Eduard Waverleys karakter was van beide evenver verwijderd. Zijn bevatting was zoo ongemeen vlug, dat ze bijna op intuïtie geleek, en de voornaamste zorg van zijn onderwijzer was, om hem, gelijk een jager zich zou uitdrukken, voor het voorbijloopen van het wild te bewaren, dat wil zeggen, voor het verwerven van kunde op eene vluchtige, oppervlakkige en onvoldoende wijze. En hier had de meester nog eene andere neiging te bestrijden, maar al te vaak met een schitterende verbeelding en levendigen geest gepaard, – namelijk die traagheid van aard, welke alleen te overwinnen is door vurige zucht naar voldoening, en die de studie laat varen, zoodra de nieuwsgierigheid voldaan, het genoegen in het overwinnen van moeielijkheden gelegen, voorbij, en de nieuwheid van het onderzoek ten einde is. Eduard legde zich met geestdrift op een of anderen hem door zijn meester voorgelegden klassieken schrijver toe; en maakte zich in zoo verre met diens stijl bekend, dat hij het boek begreep, en als dit hem beviel of belang inboezemde, las hij het uit. Maar het was te vergeefs dat men zijn aandacht op taalkundige fijnheden, op het verschil van tongval, op de schoonheid eener gelukkige uitdrukking of op de kunstmatige verbindingen der syntaxis poogde te bepalen. „Ik kan een Latijnsch schrijver lezen en verstaan,” zei de jonge Eduard, met het zelfvertrouwen en de vermetele lichtzinnigheid van een vijftienjarigen knaap, „en Scaliger of Bentley konden niet veel meer.” Helaas! hij voorzag niet, dat, terwijl hem vrijheid gegeven werd, om slechts voor zijn vermaak te lezen, hij voor altijd de gelegenheid verloor, om zich de gewoonte van gezette en ijverige studie eigen te maken en om de kunst te leeren, al de vermogens zijner ziel op eenig ernstig onderzoek te bepalen – eene kunst veel degelijker dan het opgaren zelfs van die vertrouwde kennis der klassieke letteren, die het voornaamste doel der studie uitmaakt.

Ik weet, men zal mij hier aan de noodzakelijkheid herinneren, om de jeugd het onderwijs aangenaam te maken, en aan Tasso’s bijvoeging van honig in de voor een kind gereed gemaakte medicijnen; maar in eene eeuw, waarin den kinderen de droogste kundigheden langs den aanlokkelijken weg van onderhoudende spelen worden geleerd, heeft men weinig reden om voor de gevolgen van eene al te ernstige of te gestreng ingerichte studie beducht te zijn. De geschiedenis van Engeland is thans tot een kaartspel gemaakt; de meetkundige voorstellen tot legkaarten en raadsels; en het rekenen kan, naar men ons verzekerd heeft, genoegzaam aangeleerd worden, door eenige uren in de week te besteden aan eene nieuwe en meer ingewikkelde inrichting van het Ganzebord. Er hapert nog maar éene schrede aan, en de artikelen des Geloofs en de Tien Geboden zullen op dezelfde wijze geleerd worden, zonder dat men het deftige gelaat, den deftigen toon en de vrome oplettendheid zal behoeven, tot hiertoe van de welopgevoede jeugd in dit koningrijk gevorderd. Intusschen mag men wel ernstig in overweging nemen, of zij, die gewoon zijn enkel door zulke middelen onderwijs te ontvangen, er niet toe zullen komen, om alles wat hun voorkomt onder de gedaante van studie, te verwerpen; of zij, die de geschiedenis door speelkaarten leeren, er niet toe zullen vervallen, om aan het middel boven het doeleinde de voorkeur te geven, en of, zoo wij de waarheden van de godsdienst spelend onderwijzen, onze kweekelingen niet langzamerhand zullen verleid worden, hun godsdienst slechts als spel te beschouwen. Voor onzen jongen held, wien het vrij gelaten werd zijn onderricht enkel volgens de neiging zijns harten te kiezen, en die, bij gevolg het slechts zoo lang zoekt, als het hem genoegen verschafte, had de toegevendheid zijner opvoeders kwade gevolgen, die gedurende geruimen tijd van invloed waren op zijn karakter, zijn geluk en zijn bruikbaarheid in de maatschappij.

Eduards verbeeldingskracht en liefde voor de letteren, schoon de eerste levendig en de laatste vurig was, ver van een middel tegen deze kwaal aan te bieden, dienden slechts om hare hevigheid te vermeerderen. De boekerij op Waverley-Honour, een ruim Gothisch vertrek, met dubbele bogen en eene gaanderij, bevatte een even gemengde als uitgebreide boekverzameling. Zij was in den loop van twee honderd jaren bijeengebracht door eene familie, die altijd rijk was geweest, en bij gevolg geneigd uit weelde, de kasten te vullen met de letterkunde van den dag, zonder veel onderzoek of nauwgezette beoordeeling. In dit uitgebreid gebied mogt Eduard vrij rondzwerven. Zijn gouverneur had zijne eigene geliefkoosde studiën; en kerkelijke politiek en godsdienstig twistgeschrijf, verbonden met de zucht tot gemak, – ofschoon hij op bepaalde uren zich bezig hield met den vermoedelijken erfgenaam van zijn beschermer, – gaven hem aanleiding om iedere verontschuldiging aan te grijpen, om geen bepaald en geregeld toezicht over al zijn studiën te houden.

Sir Everard was zelf nooit iemand van studie geweest, en hield het er voor, even als zijne zuster, Rachel Waverley, dat, als men slechts las, het doet er niet toe wat, men nuttig bezig was. Zij waren beiden overtuigd dat het volgen der letters van het alphabet met het oog op zich zelf, een verdienstelijke arbeid was, zonder dat men angstvallig behoefde te onderzoeken, welke denkbeelden of leeringen uit de schikking der letters geboren worden. Terwijl een betere opvoeding zijn zucht om zich te vermaken al spoedig in dorst naar kennis zou herschapen hebben, dreef de jonge Waverley, gelijk een schip zonder stuurman of roer, in deze zee van boeken rond. Niets groeit wellicht meer door toegevendheid aan, dan deze oppervlakkige en ongeregelde leeslust, vooral wanneer men er zulk eene gunstige gelegenheid toe vindt. Ik geloof, dat een der redenen, waarom men zoovele voorbeelden van geleerdheid in de mindere standen aantreft, hierin te zoeken is, dat de arme student, met gelijke geestvermogens, beperkt is tot een engen kring, als hij zijn lust tot lezen voldoen wil, en genoopt is zich die boeken, welke hij bezit, eigen te maken, eer hij nieuwe kan verkrijgen. Eduard, integendeel, las, evenals die lekkerbek, die zich niet verwaardigde meer dan een klein hapje uit den door de zon gekleurden kant eener perzik te nemen, geen oogenblik langer in een boek als zijne nieuwsgierigheid of belangstelling er niet meer door geboeid werd, en het noodwendig gevolg was, dat de gewoonte, om alleen deze soort van onderhoud te zoeken, het afleeren er van dagelijks moeielijker maakte; tot dat de zucht om te lezen, even als alle andere sterke begeerten, waaraan men te veel toegeeft, eene zekere verzadiging veroorzaakt.

Maar, eer hij tot deze onverschilligheid kwam, had hij zijn geheugen, hetwelk inderdaad allergelukkigst mocht heeten, met een grooten voorraad van wetenswaardige, schoon slecht gerangschikte kundigheden, verrijkt. In de Engelsche letterkunde had hij Shakespeare en Milton, alsmede de oudere tooneeldichters bestudeerd; menige boeiende en belangrijke plaats uit de kronijken kende hij van buiten; terwijl hij bijzonder vertrouwd was met Spencer, Drayton en andere dichters, die zich op het romantische gebied hebben onderscheiden; zeker de verleidelijkste werken voor een jeugdige verbeelding, eer de driften ontwaakt zijn, die een meer sentimenteele soort van poëzij eischen. Hiervoor opende zijne kennis van het Italiaansch hem later de deur. Hij had de tallooze romantische gedichten doorloopen, welke sedert den tijd van Pulci een geliefkoosde oefening zijn geweest voor Italiës schoone geesten, en had bevrediging gezocht in de talrijke verzamelingen der „Novelle,” welke, in navolging van het Decamerone, door het genie van deze smaakvolle, schoon weelderige natie voortgebracht werden. In de oude letterkunde had Waverley de gewone vorderingen gemaakt, en las hij de meest bekende schrijvers; verwijl het Fransch hem een bijna onuitputtelijken voorraad van gedenkschriften had opgeleverd, nauwelijks geloofwaardiger dan romans, en van romans, zoo welgeschreven, dat ze nauwelijks van gedenkschriften te onderscheiden waren. De schitterende bladzijden van Froissart, met zijne hartroerende en prachtige beschrijvingen van oorlog en tournooijen, behoorden tot zijn lievelingslectuur; en uit die van Brantôme en de la Noue had hij geleerd het woeste, losse en bijgeloovige karakter der edelen van de Ligue, met den strengen, stroeven en soms woeligen geest der Hugenooten te vergelijken. De Spanjaard had bijgedragen, om zijn voorraad van ridderlijke en romaneske denkbeelden te vermeerderen. De vroegere letterkunde der Noordsche natiën ontging niet aan de liefhebberij van iemand, die meer las om de verbeelding dan om het verstand te voeden. En echter mocht Eduard Waverley, ofschoon hij veel wist wat slechts weinigen bekend is, te recht voor onwetend gehouden worden, omdat hij weinig wist van hetgeen den mensch waardigheid geeft, en hem in staat stelt een hooge plaats in de maatschappij op eervolle wijze te vervullen.

Eenige oplettendheid van de zijde zijner ouders, had ligt kunnen strekken, om de ontaarding van den geest, het gevolg van zulk een ongeregelde wijze van studie, te voorkomen. Maar zijne moeder stierf in het zevende jaar na de verzoening tusschen de broeders, en Richard Waverley zelf, die na dezen tijd meestal in Londen woonde, was te zeer vervuld met zijn plannen om rijkdom en onderscheiding te verwerven, om zich niet tevreden te stellen met de verzekering dat Eduard zeer op boeken gesteld en wellicht bestemd was om Bisschop te worden. Had hij de wakende droomen van zijn zoon kunnen nagaan, hij zou dan tot eene geheel andere gevolgtrekking gekomen zijn.

VIERDE HOOFDSTUK.

LUCHTKASTEELEN.

Ik heb reeds een wenk gegeven, dat de grillige en ziekelijke wansmaak, door overdaad van beuzelachtige lectuur aangekweekt, onzen held niet slechts ongeschikt maakte voor ernstige en gezette bezigheid, maar hem zelfs eenigermate een weerzin had ingeboezemd in hetgeen tot hiertoe zijn liefhebberij was geweest.

Hij had zijn zestiende jaar bereikt, toen zijn afgetrokken aard en zijn zucht naar eenzaamheid zoo sterk in het oog vielen, dat Sir Everards bezorgdheid opgewekt werd. Hij poogde deze neiging tegen te gaan, door zijn neef uittenoodigen tot allerhande jachtvermaken, waarin de voornaamste uitspanning van zijn eigen jeugd bestaan had. Maar, schoon Eduard voor een enkel saizoen het jachtroer gretig opnam, verloor hij, zoodra hij geleerd had er zich met eenige behendigheid van te bedienen, alle genoegen in deze tijdkorting.

In het volgend voorjaar bracht des ouden Izaäk Walton’s „Volmaakte hengelaar” hem er toe, om een ijverige beoefenaar van diens kunst te worden. Maar van alle uitspanningen, welke het vernuft ooit heeft uitgevonden om ledigheid te verdrijven, is het visschen het allerminst geschikt om iemand te vermaken, wiens traagheid zijn ongeduld evenaart, en de hengelroede van onzen held werd spoedig ter zijde gelegd. Goed gezelschap en voorbeeld, waardoor onze driften sterk beteugeld en beheerscht worden, zouden wel hunne gewone uitwerking op onzen jeugdigen dweeper hebben kunnen uitoefenen; maar de buurt was dun bevolkt, en de te huis opgevoede jonge lieden, die men er aantrof, behoorden niet tot de klasse, waaruit makkers voor Eduard konden gekozen worden, en nog veel minder waren ze in staat om zijn naijver op te wekken bij die veldvermaken, welke zij als het hoofddoel van hun leven beschouwden.

Er waren eenige andere jongelieden, die eene betere opvoeding ontvangen hadden en van veel minder bekrompen aard; maar onze held was eenigermate van hun kring uitgesloten. Sir Everard had, na den dood van koningin Anna, zijne plaats in het Parlement opgegeven, en, met de klimmende jaren, terwijl het aantal zijner tijdgenooten verminderde, zich langzamerhand uit de zamenleving teruggetrokken; zoodat, wanneer Eduard weleens met knappe en welopgevoede jonge lieden van zijn stand en vooruitzichten in aanraking kwam, hij zijn minderheid gevoelde, niet zoo zeer uit gebrek aan onderwijs en kennis, als uit gemis aan oefening, om hetgene hij wist voor te dragen en te pas te brengen. Eene sterke, dagelijks toenemende gevoeligheid deed dezen afkeer van het gezellig verkeer aangroeijen. De vrees van het minste vergrijp tegen de wellevendheid begaan te hebben, was voor hem ondragelijk; want misschien veroorzaakt de schuld van het kwaad zelf bij sommige gemoederen zulk een pijnlijk gevoel van schaamte en wroeging niet, als een zedig, gevoelig en onervaren jongeling ondervindt, bij het bewustzijn, dat hij de maatschappelijke vormen uit het oog verloren of zich belachelijk gemaakt heeft. Waar wij niet op ons gemak zijn, daar kunnen wij niet gelukkig wezen; en daarom is het niet vreemd, dat Eduard Waverley in den waan verkeerde, dat hij onbemind was en ongeschikt voor het gezellig verkeer, alleen omdat hij de gave nog niet verkregen had, er zich met gemak te bewegen, en anderen genoegen te geven of het zich zelven te verschaffen.

De uren door hem bij zijn oom en tante gesleten, werden verbeuzeld met telkens herhaalde vertellingen van den praatzieken ouderdom. Doch zelfs daarbij werd zijn verbeelding, het overheerschend vermogen van zijn geest, menigmaal opgewekt. Familie-overlevering en geslachtkundige historie, waarover Sir Everard meestal sprak, is juist het tegenovergestelde van den barnsteen, die, schoon op zich zelven een kostbare zelfstandigheid, toch doorgaans vliegen, stroohalmpjes en andere prullen bevat; terwijl de genoemde studiën, op zich zelve hoogst onbeduidend en beuzelachtig, nogtans dienen, om zeer veel van hetgeen in de oude zeden zeldzaam en belangrijk is, voor de vergetelheid te bewaren, en een aantal wetenswaardige kleinigheden in herinnering te houden, die door geen ander middel te bewaren, of tot ons over te brengen zouden zijn. Zoo derhalve Eduard Waverley van tijd tot tijd geeuwde bij het oplezen van den droogen catalogus van de namen zijner voorvaderen, en bij het opsommen hunner onderling aangegane huwelijken, en in zijn hart de koude en langdradige nauwkeurigheid verwenschte, waarmede de waardige Sir Everard de onderscheidene trappen van verwantschap naging, die er bestonden tusschen het huis van Waverley-Honour en de dappere baronnen, ridders en heeren, met welke het vermaagschapt was; zoo hij (in weerwil zijner verplichting aan de drie hermelijnen) soms met al de drift van een Hotspur, in zijn hart vloekte op de poespas der wapenkunde, hare griffioenen, hare monsters en hare draken verwenschte, waren er echter oogenblikken, waarin zijn verbeelding opgewekt en zijne oplettendheid geboeid werd.

De daden van Wilibert van Waverley in het Heilige Land, zijn lange afwezigheid en gevaarlijke avonturen, zijn veronderstelde dood en zijn terugkomst op den avond, toen zijn geliefde den held gehuwd had, die haar tegen beschimping en verdrukking had beschermd; de edelmoedigheid, waarmede de kruisridder zijn aanspraken opgaf en in het naburig klooster den eeuwigen vrede zocht, [20] – naar deze en soortgelijke verhalen kon hij luisteren tot zijn hart gloeide en zijn oog glinsterde. En niet minder was hij aangedaan, wanneer zijn tante Rachel, van het lijden en de dapperheid van Alice Waverley, gedurende den grooten burgeroorlog, verhaalde. De vriendelijke gelaatstrekken van de bejaarde jonkvrouw namen een verhevener uitdrukking aan, als ze verhaalde, hoe Karel, na den slag van Worcester, voor een dag toevlucht vond op Waverley-Honour, en hoe, toen een troep ruiterij naderde, om het huis te doorzoeken, Lady Alice haar jongsten zoon uitzond, van een handvol huisbedienden vergezeld, met het bevel, om ten koste van hun leven, een uur uitstel te bewerken, ten einde den Koning den tijd te verschaffen om te ontvluchten. „En, God zij haar genadig,” dus placht Freule Rachel voort te gaan, terwijl zij hare oogen op de beeltenis der heldin vestigde, en er bijvoegde, „wel kocht ze het behoud van haar koning duur met het leven van haar meest geliefd kind. Hij werd hier heen gebracht als gevangene, doodelijk gewond; en gij kunt nog de sporen van zijn bloed zien, van de groote zaaldeur, langs de kleine gaanderij en verder op naar de kamer waar hij werd nedergelegd, om aan de voeten zijner moeder te sterven. Maar ze troostten elkander; want hij zag aan het schitteren van zijn moeders oog, dat het doel zijner wanhopige verdediging bereikt was.” „Ach! ik herinner mij,” ging zij voort, „ik herinner mij nog iemand gezien te hebben, die hem kende en beminde. Om zijnentwil leefde en stierf Lucie St. Aubin ongehuwd, schoon een der schoonste en rijkste partijen in dit koninkrijk; het geheele land liep haar na, maar geheel haar leven lang droeg ze den zwaren rouw, om den armen Willem; want zij waren verloofd, ofschoon niet getrouwd, en ze stierf in – ik herinner mij den datum niet; maar wèl, dat in November van datzelfde jaar, toen ze gevoelde dat hare krachten begonnen af te nemen, ze nog eenmaal verlangde naar Waverley-Honour gebracht te worden. Ze bezocht toen al de plaatsen waar ze met zijn oudoom geweest was, en liet de tapijten opnemen, om het spoor van zijn bloed te zien, en als tranen in staat waren geweest het uit te wisschen, zou het er niet meer aanwezig zijn; want er was geen droog oog in het geheele huis. Gij zoudt gemeend hebben, Eduard, dat zelfs de boomen om haar treurden; want naast haar vielen de bladeren af, zonder dat het geringste koeltje zich bewoog; en waarlijk ze zag er uit als iemand, die ze nooit weder groen zou zien.”

Na het hooren van zulke legenden sloop onze held doorgaans weg, om zich aan de mijmeringen over te geven, daardoor opgewekt. In den hoek van de uitgestrekte en sombere boekerij, bij geen ander licht, dan hetgeen de smeulende blokken op den breeden haard verspreidden, kon hij uren lang die inwendige tooverij uitoefenen, waardoor gebeurtenissen uit het verledene of die welke de verbeelding oproept, voor het oog van den droomer als het ware leven. Nu eens zag hij voor zich een langen en rijken sleep van schitterende vizioenen verrijzen: het bruiloftsfeest binnen het kasteel van Waverley; de ranke en vermagerde gestalte van den rechtmatigen heer in zijn pelgrims gewaad, als een onopgemerkt toeschouwer der vreugde van zijn gewaanden erfgenaam en van zijne bestemde bruid; den elektrieken schok door de ontdekking veroorzaakt; het grijpen der vazallen naar de wapenen; de verbazing van den bruidegom; de schrik en verwarring van de bruid; de bittere smart waarmede Wilibert opmerkte, dat zij van ganscher harte in het huwelijk toestemde; de houding die getuigde van waardigheid, en diep gevoel, waarmede hij het half ontbloote zwaard weder in de schede stak, en het huis zijner voorvaders verliet om het voor altijd den rug toe te keeren. Dan liet hij wederom het tooneel veranderen, en de fantazie moest hem gehoorzamen en tante Rachels treurspel vertoonen. Hij zag Lady Waverley zitten in het prieel, geheel en al oor om het minste geluid op te vangen, terwijl haar hart van angst klopte, nu eens luisterende naar de wegsmeltende klanken van den hoefslag van ’s konings paard, en toen deze verstierven, in elk windje, waardoor de boomen in het park bewogen werden, het geraas der verwijderde schermutseling hoorende. Een geluid in de verte wordt vernomen, als het ruischen van een bergstroom; het komt nader, en Eduard kan duidelijk het draven der paarden, het getier en geschreeuw der manschappen, en daaronder het knallen van pistoolschoten onderscheiden; alles hoe langer hoe meer het kasteel naderende. De dame springt op – een ontsteld bediende stort binnen. – Maar waartoe zulk eene beschrijving vervolgen?