Waverley

Part 12

Chapter 123,943 wordsPublic domain

Nadat op deze wijze de praeliménairen van het algemeene vredesverdrag vastgesteld waren, vertrok de ambassadeur, om met den heer Mackwheeble eenige ondergeschikte punten te regelen, waarmede men het niet noodig achtte den Baron lastig te vallen. Waarschijnlijk hadden deze betrekking op het uitblijven der subsidie, en denkelijk vond de rentmeester middelen, om hun bondgenoot te voldoen, zonder dat zijn meester beducht behoefde te wezen, dat zijn waardigheid in gevaar zou worden gebracht. Het is ten minste zeker, dat, nadat de plenipotentiarissen al gaandeweg een flesch brandewijn hadden geledigd, hetwelk op zulke daaraan gewoon geworden hoofden niet meer uitwerking had, dan of het geestrijke vocht was uitgegoten over de twee beeren, die aan den ingang der oprijlaan stonden. Evan Dhu Maccombich, die zich alle inlichtingen die er maar te verkrijgen waren, betrekkelijk den roof den vorigen nacht gepleegd, had laten geven, zijn voornemen te kennen gaf, om onmiddellijk het vee te gaan nazetten en opsporen, hetwelk, volgens zijn verzekering, „nog niet ver af was.” „Zij hebben het been gebroken,” voegde hij er bij, „maar geen tijd gehad om er het merg uit te zuigen.”

Onze held, die Evan Dhu zijn onderzoek in het werk hoorde stellen, was niet weinig getroffen door de schranderheid, welke hij aan den dag legde in het opzamelen van berichten, en de juiste gevolgtrekkingen, die hij daar uit wist te trekken. Evan Dhu, van zijn zijde, was blijkbaar gestreeld door de oplettendheid van Waverley, en het belang dat hij in zijn nasporingen scheen te stellen, alsmede door de weetgierigheid, die hij met betrekking tot de gewoonten en zeden der Hooglanders aan den dag legde. Zonder veel complimenten noodigde hij Eduard uit, om hem op een korte wandeling van tien of vijftien mijlen in het gebergte te vergezellen, en de plek te gaan zien, waarheen het vee was gebracht; terwijl hij er bijvoegde, „indien het zoo is als ik veronderstel, dan hebt gij nooit in uw leven zulk een plaats gezien, noch zult gij ze ooit zien, tenzij gij met mij of iemand der onzen gaat.”

Onze held, wiens nieuwsgierigheid sterk geprikkeld was door het denkbeeld om het hol van een Hooglandschen Cacus te bezoeken, verzuimde echter niet zich te vergewissen of zijn gids te vertrouwen was. De Baron verzekerde hem, dat de uitnoodiging zeker niet zou gedaan zijn, indien er het minste gevaar te duchten ware, en dat hij niets anders dan een weinig vermoeienis te vreezen had. En daar Evan hem voorstelde om, bij hunne terugkomst, een dag ten huize van zijn opperhoofd door te brengen, waar hij verzekerd kon zijn van behoorlijk verzorgd en bij uitstek welkom te wezen, scheen er niets zeer verschrikkelijks in de onderneming te zijn. Wel is waar verbleekte Rose toen zij er van hoorde spreken; maar haar vader, die de moedige weetgierigheid van zijn jongen vriend toejuichte, deed geen poging om die te matigen, door een ophef van gevaar, dat inderdaad niet bestond; en nadat er een reiszak met eenige weinige benoodigdheden op de schouders van een soort van jager gebonden was, ving onze held zijn tocht aan met een jachtgeweer in de hand, vergezeld door zijn nieuwen vriend Evan Dhu, en gevolgd door genoemden jager en twee Hooglanders, het gevolg van Evan; een hunner droeg op zijn schouder een bijl met een langen steel, een Lochaber bijl [56] genoemd, terwijl de ander een lang ganzenroer met zich voerde. Evan gaf Eduard op zijn vraag te kennen, dat dit krijgshaftig gevolg in geenen deele voor zijn veiligheid vereischt werd, maar alleen, zoo als hij zeide, terwijl hij zijn plaid met zekere deftigheid ophaalde en schikte, om welvoegelijk en gelijk het Vich Ian Vohr’s zoogbroeder betaamde, op Tully-Veolan te verschijnen. „Ha!” voegde hij er bij, „gij zijt zelf een Saksischen duinhé-wassel (een Engelsch edelman), en gaarne zou ik hebben dat gij het opperhoofd, met zijn sleep aan, zaagt.”

„Met zijn sleep aan?” herhaalde Eduard op een toon van verwondering.

„Ja – dat is met al zijn gevolg, wanneer hij zijns gelijken bezoekt, als daar zijn, voer hij voort, terwijl hij stil bleef staan en zich trotsch verhief, en op de vingers de verschillende officieren van zijns chefs hofhouding optelde; „de hanchman of de man die zijn rechterhand is [57]. zijn bard of dichter [58], zijn bladier [59] of redenaar, om aanspraken te doen aan de groote lieden die hij bezoekt; zijn gilly-more [60] of wapendrager, om zijn zwaard en schild en geweer te dragen; zijn gilly-casfliuch, die hem op zijn rug door de moerassen en beken draagt; zijn gilly-comstraine om zijn paard bij den toom te leiden langs steile en moeielijke wegen, zijn gilly-trusharnish, om zijn reiszak te dragen: en de pijper [61] en de pijpersknecht, en misschien nog een dozijn jongelieden, die niets te doen hebben dan den degenriem te dragen, den laird te volgen en de bevelen van hun meester ten uitvoer te brengen.

„En onderhoudt uw opperhoofd al deze lieden geregeld!” vroeg Waverley.

„Al deze,” hernam Evan, „en nog menigen knappen kerel daarenboven, die niet zou weten waar zich te bergen, zonder de groote schuren op Glennaquoich.”

Met dergelijke verhalen van het aanzien van zijn opperhoofd, zoowel in den oorlog als in vredestijd, verkortte Evan Dhu den weg voor Eduard, tot zij meer en meer die trotsche bergen naderden, welke hij tot hier toe slechts op een afstand had gezien. Het was tegen den avond, toen zij een dier schrikverwekkende bergpassen betraden, waardoor de gemeenschap tusschen het hooge en lage land onderhouden wordt. Het pad, dat geweldig steil en ruw was, slingerde tusschen twee ontzettende rotsen, en volgde den weg die een schuimende stroom, welke ver in de diepte bruischte, gedurende den loop der eeuwen zich scheen gebaand te hebben. Eenige flauwe stralen der zon, die juist onderging, beschenen het water in zijn donkere bedding, en maakten het ten deele zichtbaar, verontrust door een honderdtal rotsen, en talrijke watervallen. Het pad liep naar den stroom toe langs een zeer steile helling, en hier en daar zag men een uitstekend stuk graniet of een schrale boom, die zijn uiteengespreide wortelen in de scheuren van de rots had vastgehecht. Aan de rechterhand verhief de berg zich boven het pad, bijna ongenaakbaar; maar aan den overkant was de steile helling met dicht ineen gewassen kreupelhout begroeid, waartusschen hier en daar een enkele pijnboom opschoot.

„Dit,” zeide Evan, „is de pas van Bally-Brough, die in den ouden tijd door tien man van den clan Donnochie tegen een honderdtal Laaglandsche kerels verdedigd werd. De graven der verslagenen zijn nog in dien kleinen kloof aan de overzijde van de beek te zien, – zoo uwe oogen goed zijn, zult gij de groene plekken tusschen de heideplanten kunnen onderscheiden. – Zie, daar is een bruine arend – zulke vogels hebt gij in Engeland niet – hij gaat zijn avondeten van des Barons van Bradwardine’s landen halen, maar ik zal hem een kogel nazenden.”

Dit zeggende brandde hij zijn roer los, maar zonder den trotschen monarch der gevederde stammen te raken, die, zich in het minst niet bekommerende over de mislukte poging om hem te dooden, zijn majestueuze vlucht zuidwaarts voortzette. Duizende roofvogels, haviken, wouwen, gieren en raven, uit hunne nachtrust in hunne schuilplaatsen opgeschrikt, vlogen bij het knallen van het schot op, en mengden hunne schorre en wanluidende stemmen met de echo’s, waardoor ze werden teruggekaatst en met het bulderen der naar beneden schietende bergstroomen. Evan, een weinig verlegen, omdat hij mis geschoten had, terwijl hij juist een bijzondere bekwaamheid aan den dag wilde leggen, verborg zijn verlegenheid onder het fluiten van een pibroch [62], laadde andermaal zijn geweer, en sloeg verder den bergpas zwijgend in.

Deze leidde tot een nauw dal, tusschen twee zeer hooge en met heestergewas begroeide bergen. Zij volgden de beek die altijd langs het pad slingerde, en staken die nu en dan over, bij welke gelegenheden Evan Dhu bestendig de dienst van zijn gevolg aanbood, om er Eduard over te dragen. Maar onze held, die altijd een vrij goed voetganger was geweest, wees die hulp telkens van de hand, en won blijkbaar in de achting van zijn gids, door te toonen dat hij niet bang was voor natte voeten. Hij wenschte inderdaad, zoo veel hij zonder pochen kon, Evan van het denkbeeld af te brengen dat hij van de verwijfdheid der Laaglanders en bijzonder van de Engelschen, scheen te koesteren.

Door de opening van dit dal bereikten ze een zwart moeras van verbazende uitgestrektheid, vol groote kuilen, die ze met vrij wat moeite en niet zonder gevaar overkwamen, langs sporen, welke slechts een Hooglander in staat was te volgen. Het pad zelf, of liever dat reepje meer vasten gronds, hetwelk de reizigers deels over liepen, deels doorwaadden, was ruw, hier en daar afgebrokkeld en op een aantal plaatsen moerassig en niet te vertrouwen. Soms was het zoo slecht, dat ze genoodzaakt waren van het eene heuveltje op het andere te springen, omdat de daartusschen liggende ruimte het gewicht van een mensch niet kon dragen. Dit was een gemakkelijk iets voor de Hooglanders, die dun gezoold voor het doel geschikt schoeisel droegen, en bijzonder vlug ter been waren; maar Eduard begon deze beweging, waaraan hij niet gewoon was, meer vermoeijend te vinden, dan hij verwacht had. De flauwe schemering hielp hen door dit moeras, maar begaf hen bijna geheel, toen zij den voet van een steilen en zeer steenachtigen heuvel hadden bereikt, die door hen moest beklommen worden. De nacht was echter aangenaam en niet donker; en Waverley, die al de veerkracht van zijn ziel te hulp riep, om zijn vermoeid lichaam te schragen, zette zijn marsch moedig voort, ofschoon hij in zijn hart zijn Hooglandsche medgezellen benijdde, die zonder het minste blijk van vermoeienis te geven, den snellen en springenden pas of liever draf volhielden, die hen, volgens zijn berekening, reeds een uur of vijf van hun tocht had doen afleggen.

Na dezen berg overgeklommen en aan de andere zijde naar een dicht woud te zijn afgedaald, beraadslaagde Evan Dhu een oogenblik met zijn Hooglandsche satellieten. Als een gevolg hiervan werd Eduard’s begaadje van de schouders des jachtopzichters op die van een der gillies overgebracht, en de eerste met den anderen Hooglander in een andere richting, dan die der drie overige reizigers, heen gezonden. Toen Waverley naar het doel van deze scheiding vroeg, gaf men hem ten antwoord, dat de Laaglander den nacht in een, omtrent drie mijlen van daar gelegen, gehucht moest gaan doorbrengen; want, indien het geen heel bijzondere vriend was, dan was Donald Bean Lean, de waardige man, dien zij veronderstelden in het bezit van het vee te zijn, er niet zeer opgesteld, dat vreemdelingen zijn schuilplaats naderden. Deze reden scheen allezins billijk, en stilde in Eduard’s hart de opwelling van achterdocht, toen hij zich, op zulk een plaats en zulk een uur, van zijn eenigen Laaglandschen medgezel beroofd zag. En Evan voegde er onmiddellijk daarna bij, „dat het inderdaad best zou wezen, indien hij zelf vooruitging, en Bean Lean hunne nadering aankondigde, daar de komst van een sidier roy (rooden soldaat [63]) voor hem anders een onaangename verrassing zou zijn.” En zonder op antwoord te wachten, liep hij heen, en wel op een drafje, terwijl hij in éen oogenblik uit het gezicht was.

Waverley was nu aan zijn eigene bespiegelingen overgelaten; want zijn nieuwe gids, die met den strijdbijl gewapend was, sprak zeer weinig Engelsch. Zij trokken een dicht, en naar het scheen eindeloos, pijnbosch door, zoodat het onmogelijk was het pad in de hem omringende, zwarte duisternis te onderscheiden. De Hooglander nogtans scheen het, uit instinct, zonder een oogenblik te aarzelen, te kunnen vinden, en Eduard volgde hem zoo dicht hij maar kon.

Na een geruimen tijd stilzwijgend te zijn voortgetogen, kon hij niet nalaten te vragen, „of het einde van hun tocht niet nabij was?”

„Het einde was nog drie, vier mijlen verder; maar als ligt Duinhé-wassel een weinig moede was, kon, dat is mocht, – wilde – Donald den curragh zenden.”

Dit maakte Eduard niet wijzer. De curragh, dien men hem beloofde, kon een man, een paard, een kar of een reiswagen zijn; en meer was uit den man met den strijdbijl niet te krijgen, dan het herhaalde „ja, ja, den curragh”

Maar weldra begon Eduard zijn meening te begrijpen, toen hij bij het verlaten van het bosch, zich op de oevers van een breede rivier of meer bevond, waar zijn geleider hem te verstaan gaf, dat zij zich een poosje moesten nederzetten. De maan, welke nu begon op te komen, toonde hem onduidelijk de groote uitgestrektheid waters, die voor hen lag, en de vormlooze en onbepaalde gedaanten der bergen, waardoor het omringd scheen. De koele en toch zachte zomernachtlucht verfrischte Waverley, na den snellen en moeielijken tocht dien hij afgelegd had; en de geur, dien zij van de zich in den dauw badende berkeboomen [64] aanvoerde, was verkwikkelijk.

Hij had nu overvloedig tijd om zich geheel aan het romaneske van zijn toestand over te geven. Hier zat hij aan den oever van een geheel onbekend meer, onder het geleide van een woesten inboorling, wiens taal hem onbekend was, om een bezoek af te leggen in het hol van een befaamden roover, een tweeden Robin Hood misschien, of Adam o’Gordon [65], en dat wel midden in den nacht, na een aantal bezwaren en vermoeienissen te hebben doorgestaan, gescheiden van zijn knecht, en verlaten door zijn gids. Welk een reeks van omstandigheden, geschikt om voedsel te verschaffen aan een romaneske verbeeldingskracht, nog verhoogd door het plechtige gevoel van onzekerheid, zoo niet van gevaar! Het eenige wat met al het overige niet rijmde, was de aanleiding tot zijn tocht – de koeien van den Baron! Dit prozaïsche feit werd door Eduard zorgvuldig op den achtergrond gehouden.

Terwijl hij zich dus in deze droomen zijner verbeelding verdiepte, werd hij door zijn medgezel zachtjes aangestooten, die hem in eene richting, bijna recht tegenover het meer heen wees, terwijl hij er bijvoegde: „Daar is de plaats!” Waverley zag een klein lichtje in de hem aangewezen richting flikkeren, en, terwijl het langzamerhand in omtrek en kracht toenam, scheen het als een luchtverschijnsel aan den gezichteinder te zweven. Intusschen liet zich in de verte het geplas van roeiriemen in het water hooren. Het regelmatig geluid kwam hoe langer zoo naderbij, en thans werd er een schel gefluit in dezelfde richting vernomen. Zijn vriend met den strijdbijl floot oogenblikkelijk helder en schel, in antwoord op het sein; en een boot, met vier of vijf Hooglanders bemand, stuurde naar een kleinen inham, dicht bij dien waar Eduard gezeten was. Hij ging hun met zijn reisgezel te gemoet, werd dadelijk in de boot geholpen door de gedienstige oplettendheid van twee kloeke bergbewoners, en was nauwelijks gezeten, of ze namen hunne riemen andermaal op en begonnen, met groote snelheid, het meer in een dwarsche richting over te steken.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

HET VERBLIJF VAN EEN HOOGLANDSCHEN ROOVER.

Het diepe stilzwijgen dat in de boot heerschte, werd slechts gestoord, door het eentoonig en murmelend geneurie van een Gaelsch lied, bij wijze van recitatief gezongen door den man, die aan het roer zat, en begeleid door den slag der riemen, welke op de maat het water schenen te doorklieven. Het licht dat ze nu meer en meer naderden, deed zich grooter, gloeiender en vaster voor. Het bleek duidelijk dat het een groot vuur was; maar of het op een eiland of op het vaste land was ontstoken, kon Eduard niet onderscheiden. Zoo als hij het zag, scheen de gloeiende, schitterende kring op de oppervlakte zelve van het meer te rusten, en geleek op het voertuig van vuur, waarin de Booze Geest in een Oostersche vertelling, land en zee doorkruist. Zij naderden het hoe lang zoo meer, en het licht van het vuur was nu voldoende om te doen zien, dat het brandde aan den voet van eene groote, donkerkleurige rots, die zich op den rand van het water loodrecht verhief. De voorzijde dezer rots, door den weerschijn in donkerrood veranderd, leverde een vreemde en zelfs schrikverwekkende tegenstelling op met de omliggende, hooge, klipachtige oevers, die, van tijd tot tijd, flauw en bij gedeelten, door de bleeke maan werden verlicht.

De boot naderde nu tot dicht aan den wal, en Eduard kon zien dat dit groote vuur, ruimschoots gevoed door pijnboomtakken, (door twee gedaanten, die, in den rooden weerschijn dat het verspreidde, er als duivels uitzagen), aan den ingang van een ruim hol lag, waarin een kleine inham van het meer scheen binnen te dringen; en hij giste, zoo als inderdaad waarheid was, dat dit vuur als baak was ontstoken om den lieden in de boot, op hun terugtocht den weg te wijzen. Ze roeiden recht tot aan den mond van de grot, en terwijl ze de riemen inhaalden, lieten ze de boot met eene door hen berekende vaart, naar binnen schieten. Het vaartuig liep de punt, of het kleine plat der rots, waarop het vuur brandde, voorbij, en na nog omtrent twee bootslengten verder te zijn voortgeschoten, hielden ze stil, waar het hol, (want het was hier van boven reeds overwelfd) uit het water opsteeg, langs vijf of zes breede rotslagen, zoo effen en regelmatig gevormd, dat men ze voor natuurlijke trappen had kunnen houden. Op dit oogenblik werd eensklaps een groote hoeveelheid water op het vuur geworpen, dat met een sissend geraas uitdoofde; en daarmede verdween het licht, dat het tot hiertoe verspreid had. Vier of vijf sterke armen ligtten Waverley uit de boot, zetten hem op zijn voeten neêr en droegen hem bijna naar het binnenste van het hol. Op deze wijze deed hij eenige weinige schreden, in het duister; hij hoorde het verwarde geluid van een aantal menschenstemmen, die uit het midden der rots schenen voort te komen, en, na een scherpen hoek van dit onderaardsche verblijf te zijn omgeslagen, stond Donald Bean Lean en zijn geheele huishouding voor hem.

Het binnenste van het hol, dat hier zeer hoog was, werd verlicht door toortsen van pijnboomtakken, die een helder en flikkerend licht verspreidden, en wier geur, hoewel sterk, niet onaangenaam was. Aan dit licht paarde zich de roode gloed van een groot houtskolen-vuur, waar omheen vijf of zes gewapende Hooglanders gezeten waren, terwijl anderen, door elkaâr op hun plaids in de meer afgelegen hoeken van het hol lagen te slapen. In een ruime holte van de rots, door den roover schertsende zijn provisiekamer genoemd, hingen bij de hielen de rompen van een schaap en twee koeien, kortelings geslacht. De hoofdbewoner van dit zeldzaam verblijf, door Evan Dhu vergezeld, die hem tot ceremoniemeester diende, trad zijn gast te gemoet. Zijn voorkomen en zijn manieren verschilden niet weinig van hetgeen Eduard zich in zijne verbeelding had voorgesteld. Het bedrijf dat hij uitoefende, de wildernis waarin hij leefde, de woeste en oorlogzuchtige gestalten die hem omringden, waren allen wel geschikt om schrik in te boezemen. Daarom verwachtte Waverley ook eene stugge, reusachtige, woeste gedaante te zullen ontmoeten, zoo als Salvator Rosa zou uitgekozen hebben om tot hoofdpersoon voor een zijner bandietenbenden te dienen. [66]

Donald Bean Lean was juist het tegenovergestelde van dit alles. Hij was schraal van persoon en klein van gestalte, met licht, zandkleurig haar en een bleek gezicht, waardoor hij den bijnaam van Bean, of wit had verkregen; en schoon hij ligt van gestalte, goed gebouwd en vlug was, had hij, over het geheel, een min of meer nietig een onbeduidend voorkomen. Hij had langen tijd in een of anderen minderen rang bij het Fransche leger gediend; en om zijn Engelschen bezoeker op een deftige wijze te ontvangen, en hem op zijne wijze, naar hij meende, een kompliment te maken, had hij voor deze gelegenheid de Hooglandsche kleeding afgelegd, om een oude blauwe en roode uniform aan te trekken en een hoed met veeren op te zetten, een opschik die hem niet bijzonder goed stond, daar hij inderdaad zulk een vreemd voorkomen had, in vergelijking met al wat hem omringde, dat Waverley lust zou gehad hebben om te lachen, indien lachen beleefd of, uit een oogpunt van veiligheid raadzaam geweest ware. De roover ontving kapitein Waverley met overdreven Fransche beleefdheid en Schotsche gastvrijheid, en scheen zijn naam en betrekkingen volmaakt goed te kennen, alsmede de staatkundige beginselen van zijn oom. Aan dezen zwaaide hij grooten lof toe, waarop Waverley het voorzichtig oordeelde in zeer algemeene bewoordingen te antwoorden.

Na op een behoorlijken afstand van het houtskolen-vuur geplaatst te zijn, welks hitte door het saizoen drukkend werd, zette een groot Hooglandsch meisje voor Waverley, Evan en Donald Bean drie bakken of houten tobbetjes, uit duigen en hoepels saamgesteld, met eunaruich [67], een soort van krachtige soep uit een bijzonder gedeelte van de ingewanden van een os gereed gemaakt. Na deze verkwikking, die, hoewel niet zeer fijn, door vermoeienis en honger smakelijk gemaakt werd, werden osselappen, op een kolenvuur gebraden, in ruimen overvloed opgezet, die bij Evan Dhu en hun gastheer verdwenen met een vlugheid, welke naar tooverij zweemde en Waverley verbaasd deed staan, daar hij niet weinig verlegen was, hoe hunne vraatzucht te rijmen met hetgeen hij van de matigheid der Hooglanders gehoord had. Hij wist niet dat deze matigheid bij de lagere klassen geheel gedwongen was, en dat zij, die ze beoefenden, even als sommige roofdieren, met het vermogen begaafd waren, om zich behoorlijk schadeloos te stellen, wanneer de gelegenheid bestond om in overvloed te brassen. Opdat er niets aan het feest zou ontbreken, werd de brandewijn op kwistige wijze rondgediend. De Hooglanders dronken dien in groote hoeveelheid en onvermengd; maar Eduard, die hem een weinig met water had aangelengd, vond dien niet smakelijk genoeg om de proef nog eens te wagen. De gastheer betuigde zijn leedwezen, dat hij hem geen wijn kon voorzetten: „Had hij het maar vier-en-twintig uren te voren geweten, hij zou er voor gezorgd hebben, al had hij dien ook veertig mijlen ver moeten zoeken. Maar wat kon iemand meer doen, om zijn erkentelijkheid voor de eer eens bezoeks te toonen, dan het beste aan te bieden, dat zijn huis opleverde. Waar geen boomen zijn kunnen geen noten groeien, en men moet zich naar hen schikken, met wie men leeft.”

Hij wendde zich vervolgens tot Evan Dhu, en jammerde zeer over den dood van een bejaard man, Donnacha an Amrigh, of Duncan met de Kap, „een begaafd ziener, die, door middel van het tweede gezicht, terstond kon voorzeggen, of een vriend of vijand op weg was, om hun een bezoek te brengen.”

„Is zijn zoon Malcolm geen taishatr?” [68] vroeg Evan.

„Hij haalt niet bij zijn vader,” hernam Donald Bean. „Hij voorspelde ons onlangs, dat een groot heer te paard ons zou komen bezoeken, en er kwam den ganschen dag niemand opdagen dan Shemus Beg, de blinde harpspeler, met zijn hond. Op een anderen keer kondigde hij ons eene bruiloft aan, en zie, het liep op een begrafenis uit; en op een strooptocht, toen hij ons voorzeide, dat wij honderd stuks vee zouden te huis brengen, vingen wij niets dan een vetten baljuw uit Perth.”

Het gesprek liep vervolgens over den staat- en krijgskundigen toestand des lands; en Waverley stond verbaasd, en was zelfs verontrust, dat iemand van dezen stempel zoo nauwkeurig bekend scheen met de sterkte der onderscheidene garnizoenen en regimenten, die ten noorden van den Tay lagen. Hij gaf zelfs het juiste getal rekruten op, die Waverley van zijns ooms goederen gevolgd waren, en maakte de aanmerking, dat het schoone mannen waren, waarmede hij geen mooie, maar stoute, wakkere knapen bedoelde.

Hij herinnerde Waverley een of twee kleine voorvallen, die plaats hadden gehad bij een revue van het regiment, waardoor hij overtuigd werd, dat de roover er een ooggetuige van was geweest; en nu Evan Dhu zich aan het gesprek onttrokken en in zijn plaid gewikkeld had, om wat rust te nemen, vroeg Donald aan Eduard op een veel beteekenende wijze, of hij hem niets bijzonders te zeggen had?