Wat tante Dora vertelde

Chapter 6

Chapter 64,281 wordsPublic domain

"Och, dat lamme mensch laat er ophoepelen," antwoordde Krijn. Bart schrok er van; gelukkig dat vader en moeder 't niet hoorden, anders zou hij niet meer met Krijn mogen loopen misschien. "Ze kan het toch niet helpen," antwoordde hij aarzelend. "Is je vader al weg?" vroeg Krijn. "Ja," knikte Bart. "Je moeder ook al?" "Neen, die nog niet." "Nou, weet je wat, dan wachten we tot je moeder weg is en dan kom je stil door de achterdeur. Ze kan je toch niet naloopen.

"Je bent ook zoo'n flauwerd. Ga nou gauw terug, dat je moeder niks merkt; ik wacht met Jaap bij de schuur."

Bart ging schoorvoetend naar huis terug. Zou hij dat doen? Als hij maar terug was vóór vader en moeder. Grootmoe zou 't misschien niet eens vertellen. Ze kon nooit velen, dat vader erg knorde op hem. Zou hij het groot je vragen? Nee, dat toch maar niet; hij mocht niet van vader en moeder, dan zou grootmoe het ook niet willen.

"Waar zat je toch?" vroeg moeder, toen hij de kamer weer binnen kwam. "Toe veeg jij even gauw de keuken aan en je zet om half vijf de aardappels op het stel. De boontjes staan in de pan, die moeten maar binnen op de kachel. Jelui brood staat klaar in de kast. Hoor es, wat steekt de wind weer op. Je mag blij wezen, dat je niet uit bent. De lucht is zoo donker geworden. Je moet maar niet buiten spelen ook, ga maar wat bouwen of lezen."

Bart deed wat moeder zei, zonder te antwoorden.

"Nog iets moe?" vroeg hij, toen hij klaar was. "Neen, jongen. Ik ben ook klaar. Jongens, kijk eens!" Een hevige windvlaag deed het huisje schudden en de regen viel bij stroomen neer. "Kind, wat een weer," zei grootmoeder. "Je mag je wel goed instoppen. Het was zoo mooi bedaard van morgen en nou begint het weer."

"Ja, ik zal maar gauw heengaan. Daar komt net de zon weer. Misschien hou ik het nog droog," antwoordde moeder. "De lucht is anders pikzwart daar in de verte. 't Is mooi lenteweer, hoor," hernam grootmoe.

"Nou, dag moeder, dag jongens. Lief zijn hoor. Misschien breng ik wel wat lekkers voor jelui mee." "Een paaschei moes," vleide Elsje. "Misschien wel, als jelui zoet bent."

"Ik zal heel, heel zoet zijn, dag moesje," zei Elsje.

"Nou Bart en jij doet alles wat grootmoe zegt hoor."

Met hun drieën keken ze moeder na, die op den dijk zich nog eens omkeerde, naar de lucht wees en een leelijk gezicht trok.

"Kijk, Moes rokken," zei Elsje. "Straks waait haar doek nog weg. Zou ons huis niet om kunnen waaien?"

"Wel nee," zei Bart, "dat gebeurt nooit. Wel een pan van het dak." "Dan wordt de zolder nat," zei Elsje.

Bart talmde en draaide wat. Hij durfde toch niet heengaan en ook niet tegen Krijn zeggen, dat hij niet kwam. Zou hij heengaan en grootmoe toch alleen laten met Elsje. En als ze hem zochten en grootmoe wist niet, waar hij was.--Elsje zou hem roepen.--Ze zou misschien naar het huisje van Krijn gaan.--

"Hoor es, grootmoe, hè, alles schudt van den wind. En het is zoo donker," merkte Elsje op.--Hij kon toch wel gauw terug komen. Hij hoefde alleen de aardappels op te zetten; de kachel brandde. Een schepje kolen kon Elsje er wel op gooien. Hij keek eens naar grootmoe. 't Was toch naar, als je niet loopen kon. Hij wist nog, hoe grootmoe met de zware ben met visch liep en altijd in huis werkte. Toen hadden ze grootvader voor 'n paar jaar terug, dood thuis gebracht. Hij had andere menschen van een schip gered en toen een stuk wrakhout tegen zijn hoofd gekregen. Toen was grootmoeder erg ziek geworden en toen kon ze niet meer loopen. Moeder en vader zeien altijd, we moeten maar heel lief voor grootmoeder zijn.--Daar stonden Krijn en Jaap. Ze wenkten hem. "Moet u niet lezen, grootmoe," vroeg Bart. "Ja," zei grootmoeder, "dat is goed" en Bart bracht haar haar bril en haar boek. Elsje speelde met haar pop en wagentje. Het duurde niet lang of grootmoeder zat met het boek op schoot, geheel verdiept in het lezen, bij wijzend met den vinger en halfluid spellend. Bart kon nu best ongemerkt door de keuken weg gaan. Heel zachtjes deed hij de achterdeur open. Bulderend sloeg de wind naar binnen, gauw de deur dicht! Brr, wat was het koud. Krijn liep al op hem af. "Nou vooruit! wat laat je ons lang wachten. Moet je geen jas aan, heb je je brood?" Hij dacht niet anders of Bart ging mee. "Hij heb em stikum gesmeerd, natuurlijk," lachte Jaap. "Heb 't lamme, ouwe wijf 't niet in de gaten gehad?" dat was Bart toch te kras. Hij schaamde zich, dat ze het tegen hem durfden zeggen, draaide zich om en snauwde: "ga jelui maar alleen hoor." "Toe nou, flauwerd," riep Krijn hem nog na, maar hij liep nog wat harder en verdween weer in de keuken. "Mispunt! lafferd!" hij hoorde het haast niet door den wind en trok de deur met een smak dicht. "Wat een slag," zei grootmoe, "was je aan de buitendeur." "Eventjes," antwoordde Bart verlegen. "Nou, blijf maar binnen, hoor, het is veel te slecht weer."

3. De dijkbreuk.

Het was net of de wind weer erger te keer ging. Weer begon het te regenen. "Foei, foei!" zei grootmoe en schudde het hoofd. "Wat spookt het." Bart antwoordde niet meer; hij kreeg de kindercourant uit de kast, ging aan de tafel zitten met zijn handen onder zijn hoofd en zijn vingers in zijn ooren. Hij hoorde niets meer of deed net, of hij niets hoorde. Grootmoeder vervolgde haar lezing. Elsje zat naast haar voor het raam met haar pop op schoot en keek naar buiten, naar de koeien en paarden, die met dekken om al in het land liepen. Er kwam geen mensch meer over den dijk. Het werd maar steeds donkerder. Bart kon haast niet meer lezen bij de tafel. Zwarte wolken pakten zich samen en joegen in groote vaart door de lucht. Weldra kletterde de regen in stroomen neer, zoodat je haast niet in de verte kon zien. De wind nam in hevigheid toe en bulderde en gierde dat Elsje er bang van werd.

Ze trok grootje aan haar mouw. "Grootmoe," zei ze zacht. "Het is hier zoo stil en de wind schreeuwt zoo hard."

Grootmoeder legde haar boek op het tafeltje, dat naast haar stoel stond en trok Elsje naar zich toe. "Zal ik je eens wat vertellen?" zei ze vriendelijk. "Je moet niet bang zijn voor den wind. Jongens, jongens, 't is wel heel erg," vervolgde ze, toen een nieuwe windvlaag alles rammelen deed en de kachel ineens rood verfde.

"Bart, doe het schuifje wat dicht. Bartje!" riep ze.

Bart stond op en temperde de kachel wat. "Het waait ineens weer harder," zei hij en ging ook bij het zijraam staan, om uit te kijken.

Anders zag je nog wel menschen op het land bezig; nu was er niemand. De paarden en koeien waren bij elkaar gekropen, zoo dicht mogelijk tegen den dijk aan onder een groepje boomen, wat hen nog wel niet tegen den regen beschutten kon, maar zeker wel tegen den wind. Niemand op den dijk te zien. Wat joegen die wolken door de lucht, net of ze mekaar achterna zaten. Brr, het was griezelig weer. "We konden de lamp wel opsteken, grootmoe," zei Elsje, "'t is zoo donker. Hè, ik word er bang van." Ze drukte haar hoofdje tegen grootmoe aan en gluurde onder de haren door angstig naar buiten.

"Grootmoe, kijk u eens," riep Bart opeens. "Wat is dat daar tusschen het gras. Kijk, allemaal kletsnat van den regen, 't lijkt wel een sloot."

"Ja," antwoordde grootmoe, "het regent ook zoo, 't lijkt wel groote schoonmaak daarboven. De grond kan het niet ineens verzwelgen." "Kijk grootmoe, er komen golfjes in, hè, hoor es!" "Kom hier maar," zei Grootmoe verschrikt door de vreeselijke windvlaag.--"De ruit kon wel eens inwaaien. Ga er niet zoo dicht bij staan. Hier kan je ook kijken."

"Het water komt al verder. Straks kan moeder er niet eens door als ze thuis komt," merkte Bart op.

"Welnee," zei grootmoe, "dat duurt nog zoo lang. Als de regen temet ophoudt, trekt het wel weer weg."

"Anders moet ze maar een schuitje nemen, er zijn wel bij vader op de werf," zei Bart weer, schertsend.

"Het zakt zóó wel," stelde grootmoeder gerust.

"Maar nou nog niet. Het komt verder. Kijk die koeien, 't is net of ze wegzinken in den grond. Ze probeeren weg te loopen, maar ze kunnen niet. Kijk, het paard wil tegen den dijk op. Wat spat dat water. Het gaat er onder, Grootje, ze verdrinken geloof ik." Bart drong weer naar het raam, om beter te zien. "Het water staat tot aan het straatje en het golft tegen den dijk op, het komt al dichter bij."

"Och, jongen, 't is toch niet zoo?" vroeg grootje wat angstig en zachtjes zei ze: "Er zal toch geen gat in den dijk geslagen zijn." "Ga es kijken door het keukenraam," vervoegde ze tegen Bart, "of het aan den anderen kant ook zoo is, bij Krijn zijn huis." Donderend geweld in den schoorsteen, gieren en blazen, rammelen van de ruiten, allerlei onheilspellende geluiden. Elsje begon te snikken. "Lieve Heer!" stamelde grootmoeder, "het zal toch niet zoo zijn!"

"Ik hoor schreeuwen," zei Bart, "hoort u het ook?"

"Dat is de wind," antwoordde grootmoe. "Neen," zei Bart, "toch niet" en hij ging naar de keuken, om daar door het raam te kijken, waar hij Krijns huis zien kon. Daar zag hij Krijns moeder met de rokken hoog opgeschort, op iederen arm een kind, ze trachtte tegen den wind op te komen en waadde tot de knieën door 't water. "Vrouw Lubbe! vrouw Lubbe!" gilde ze, zoo hard ze kon. "Kom dan! het water!" meer kon Bart niet hooren. Daar kwam Jaaps moeder ook met kleine Koosje op den eenen en den hond onder den anderen arm. Ze gleden haast uit, maar ze liepen toch door en gingen naar den dijk toe. Bart trilde van angst. Wat moest hij doen. Grootmoe! zijn bloed stond stil van schrik. Het was vast niet van den regen. Het leek wel een rivier en het bruiste en golfde en kwam hooger en hooger. Bart keerde zich om. Was het verbeelding? Nee, toch niet, daar door de keukendeur, daar kwam het water met kleine golfjes naar binnen. Gauw, gauw, hij moest naar grootmoe. Nog was het droog tot bij de deur van de kamer; hij gooide de deur open. Rillend stond hij daar en kon haast niet spreken.

"Grootje, grootje," snikte hij, "het water staat in de keuken. Krijn en Jaap hun moeders zijn weggeloopen en wij zijn hier alleen," snikkend viel hij grootmoeder om den hals. "Och Heere, Heere!" bad de oude vrouw, "loop gauw, neem Elsje mee, misschien kan je er nog door, gauw! gauw dan! Het is toch een gat in den dijk."

"'t Kan niet grootmoe, en u dan," vroeg Bart, en klemde zich aan haar vast. "Ga, Bart, voor het te laat is," antwoordde grootje met trillende lippen. Maar het was al te laat. Daar kwam het water ook door de andere deur het kamertje in. "O Hemelsche Vader, help ons," kreet de arme oude vrouw, "de kinders, de kinders! mijn arme Marijke, mijn goeie jongen, wat een verdriet!" en wanhopig vouwde ze haar handen. Elsje was op haar schoot geklommen, Bart zat op een stoel. Half versuft keken ze naar het water, dat maar aldoor naar binnen liep en al hooger en hooger steeg.

"Grootje, kan het zoo hoog komen, dat we--dat we verdrinken?" vroeg Bart opeens en wachtte vol angst op het antwoord. "Ik weet 't niet, jongen, 't is in korten tijd zoo gestegen. Ik weet het niet. Mijn arme kinders!"

4. Een flinke jongen.

"Grootje, we moeten naar den zolder," riep Bart, "zoo hoog komt het vast niet." Meteen trok hij zijn kousen uit en stroopte zijn broeken op. "Gauw Elsje op mijn rug." "Neen, neen, grootmoe nee!" kreet Elsje, maar nu zei grootmoeder streng. "Elsje moet met Bart mee gaan en zoet zijn." "Komt grootmoe dan ook?" vroeg ze nog en liet zich wegdragen, door de kamer en de keuken naar het laddertje, dat naar den zolder voerde. "Ik ben zoo bang," schreide Elsje, "ik durf niet op den zolder." "Stil nou," zei Bart, "grootmoe komt ook. Wees nou zoet, ga even zitten, ik kom zoo terug." Maar Elsje was bang, ze trapte op den vloer en gilde van angst en wilde de ladder weer af met Bart mee. "Ga je weg," zei Bart, "je blijft daar, hoor!" en hij duwde haar weg en holde de ladder af, weer naar de kamer terug. "Grootmoe, ga op mijn rug zitten, gauw, ik ben sterk. Kijk het water is al zoo hoog. U zal verdrinken, toe dan," smeekte hij. "Nee jongen, het is te zwaar, je zou omvallen en zelf omkomen, ga naar Elsje. God behoede je, mijn jongen." Ze zoende Bart op beide wangen. De tranen sprongen in zijn oogen.

"Het moet grootmoe, wat zouden vader en moeder zeggen? Gauw dan, voor het te laat is." Hij pakte grootmoeders beenen en zij gaf zich eindelijk gewonnen. "Mijn beste jongen," stamelde ze, "'t zal niet gaan, het zal niet gaan." "Goed vasthouden, zoo, ja, vasthouden hoor, daar gaat het." Grootmoeder zat op zijn rug, hij; wankelde even, maar bleef toch staan, boog zich voorover en voorzichtig, voetje voor voetje, ging hij naar de keuken met zijn lieven last. Grootmoeders rokken bengelden in het water, werden drijfnat, daar kon hij niets aan doen.

"Goeie jongen, mijn lieve jongen," mompelde grootje. "Gaat 't wel? het is te zwaar." Bart kon niet antwoorden. Hij zag vuurrood, maar kwam toch bij de ladder. Grootje pakte nu zelf de sporten beet en Bart hield zich ook stevig vast.

"Grootmoe, grootmoe," stond Elsje te roepen en stak haar handjes al uit, om ook te helpen. Daar was zij bij het luik. Nog een flinken zet. Grootmoe was op den zolder, waar Elsje dadelijk haar armpjes om grootmoeders hals sloeg.

"Wat ga je doen Bart, blijf hier!" riep grootmoe buiten adem van de inspanning. Bart ging de ladder weer af. "Ik kan er nog door, ik haal nog een paar dekens en kleeren, anders heeft u het te koud." "Och jongen, je verdrinkt, kom terug."

"Neen, ik kom terug, dadelijk, ik ben nou toch nat," zei Bart en waadde door de keuken naar de bedstee. Twee dekens en een kussen haalde hij er uit en laadde het op zijn hoofd. Toen greep hij zijn jas en grootmoe's Zondagsche japon. Allemaal op zijn hoofd, zoo ging hij terug. Het water kwam nu over zijn middel. De blokken van zijn bouwdoos dreven er op en grootmoeders stoel hobbelde heen en weer. "Bart! Bart dan toch!" riepen grootmoeder en Elsje. "Ja, ik kom." Daar was hij weer bij de ladder. Elsje pakte al wat aan en sleepte het naar boven.

"Niet weer--naar--beneden," hakkelde grootje, al bibberend van koude en angst. "Doe dat natte goed uit." "Ja, ik heb mijn jas en hier is uw japon." Bart deed zijn natte goed uit en trok de jas aan, toen hielp hij grootmoeder en legde de natte kleeren in een hoek. Hij spreidde één deken op den grond, legde het kussen er op en samen trokken de kinderen grootmoe op de deken. Toen dekten ze haar met de andere deken toe.

"Kruip u er maar goed onder, dat u warm wordt."

"Jelui ook," klappertandde grootje en de kinderen kropen dicht tegen haar aan onder de deken.

De wind bulderde maar door en beneden hoorde je het klotsen van het water.

"Nou komt het water toch niet meer," zei Elsje, "neen hè?" "Wel nee," zei Bart, "zoo hoog niet. Wat zullen moeder en vader wel denken. Ik zal wat uit het raam hangen, dan zien ze, dat we hier zijn. Zoo'n handdoek, hè grootmoe," vroeg Bart.

De oude vrouw kon niet praten, ze knikte maar.

Bart trok een handdoek van de drooglijn. Er lag een stukje touw, dat deed hij in de lus. Heel voorzichtig, maakte hij het openslaande raam een eindje los en liet den handdoek naar buiten waaien, het touwtje deed hij in den ring van het haakje. Toen gauw het raam weer dicht.

"Trek--zoo'n--paar--kousen aan," hakkelde grootmoe weer, "en zoo'n broek, die zijn wel droog." Ja, ze waren droog. Gelukkig maar. Bart trok den broek en kousen van de lijn aan en kroop weer bij grootmoe onder de deken. Nu waren ze een poos stil.

"Ik heb honger," zei Bart. "Jongen," grootmoe aaide hem liefkoozend over het hoofd. Als hij nu toch eens weggegaan was met Krijn en Jaap. Dan zouden grootmoeder en Elsje zeker verdronken zijn. Hij rilde er van.--"Komt vader nog niet," vroeg Elsje.

"Ja, vader komt straks. Hij komt ons vast halen."

"Ja, ja," knikte grootje, "vader komt ons halen."--

5. Voldoening.

Bart had geen rust. Hij ging weer eens naar het venster. Het regende niet meer, maar je zag alleen water en hier en daar stak een punt of een boom een eindje uit. Het was een troosteloos gezicht. Een schuitje zag hij niet. Toen ging hij naar het luik. "Hier blijven," riep grootje.

"Ja, ik ga niet naar beneden, eventjes kijken." Nog één sport van de ladder kwam er uit. Als het nu toch nog eens tot den zolder kwam. "Och nee, dat mocht niet. Toe vader kom dan toch." Weer naar het venster. De wind leek wel wat te bedaren. Wat was dat in de verte. Hoorde hij klokken luiden. Ja, en dat daar, was 't een schuitje. "Ja, ja! grootje daar komt vader! Ik zie een schuitje," juichte Bart. Hij gooide het venster open en riep zoo hard hij kon: "Vader, vader!"

Ze konden hem nog niet hooren in het schuitje en hij kon niet zien, of het vader was. Nu zag hij drie menschen. Eén stond overeind, twee roeiden heel hard. Ja, het was vader! en moeder stond.

"Moeder! Vader!" gilde hij. Elsje stond nu naast hem en riep ook mee en moeder stak de armen omhoog on riep: "Bartje, Elsje!" "Alle drie," riep Bart terug. "Grootje!" riep vader. "Ja, ook, grootje ook!"

"God zij dank," zei vader en liet de riemen los. Ze waren nu met het bootje vlak voor het zoldervenster.

"Voorzichtig nou, wacht even," riep vader tegen moeder, die schreiend naar boven greep en niet bemerkte, dat het bootje opzij ging. Toen heesch vader zich tegen het raam omhoog en sprong naar binnen. Hij drukte de kinderen in zijn armen, terwijl hij den zolder rond keek. "Moeder," riep hij, "ik kom." Hier pak aan! vervolgde hij tot den anderen man en reikte Elsje uit het raam aan, die dadelijk in moeders armen vloog.

"Mijn schat, mijn engel," zei moeder. Bart klom zelf naar beneden en werd ook opgevangen.

"Jongen, beste jongen," zei moeder en zoende hem.

"Kalm aan," zei de man "ga zitten, achteraan. De oude vrouw moet hier in het midden." "Hier, doe om," zei moeder en pakte beide kinderen in doeken, die ze bij zich had. Daar stond vader al met grootje in de deken gewikkeld.

"Voorzichtig aan nu. Hou het schuitje wat tegen, vrouw Lubbe. Wacht, eerst het touw daarom! Zoo! Ja, geef haar nu maar aan. Zitten blijven, jongens! Wees maar niet bang, het gaat goed zoo." Eén schok, daar zat grootje, tegen moeder aan op het middelste bankje. Vader gooide de andere deken ook in het schuitje, sprong er toen zelf in en nam de riemen weer. "De Heer zij gedankt," stamelde grootmoeder, terwijl moeder de haren uit haar oogen streek en snikte, "Arme moeder, hoe bent u boven gekomen?"

"Bart," zei grootmoeder. "Bart heeft me gedragen."

"Goed zoo," zei vader. "Brave jongen," zei de andere man, en moeder knikte hem toe, maar Bart zei niets. Hij hield Elsje stijf vast en keek naar het huisje, en dacht: "Als ik toch eens was weg geloopen."

Heel voorzichtig stuurden de beide mannen de kleine boot die soms stootte tegen een boompje of een paal.

Uitstekende boomen wezen den weg naar de sloot. Toen ze die eenmaal bereikt hadden, ging het sneller voort. Moeder schreide en aaide grootje af en toe en knikte haar en de kinderen toe. Daar zag het zwart van menschen in de verte. "Hoo ie hoo!" schreeuwde vader en zwaaide met zijn pet. Een luid gejuich steeg op, uit de menigte. "Ze zijn gered," riep men elkaar toe. "De oude vrouw ook," zei Krijns moeder die vooraan stond en dadelijk Elsje aanpakte. Meteen staken allen de handen uit. Iedereen wilde helpen en grootje aanpakken. "Nee," zei vader, "dank jelui wel hoor. Ik zal moeder dragen." Bart werd ook opgetild; een man droeg hem het dorp in. Als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond. "Hij heeft zijn grootmoeder gered!" en in menig oog blonk een traan. Vergezeld van een groote menigte ging het in optocht naar het huis van den burgemeester. De goede burgervader liep vooruit en opende de deur. "Hierheen met je moeder, Lubbe. Breng haar naar boven, ze moet naar bed, anders wordt ze nog ziek.--Droge kleeren," antwoordde de burgemeester, toen het dienstmeisje, dat met een warme kruik kwam aandragen, hem vroeg of er nog iets anders moest zijn. "Ga jelui gauw aan moeder zeggen, dat ze allemaal gered zijn," vervolgde hij tegen zijn jongens, die ook kwamen kijken, en op dit gezegde dadelijk vroolijk naar binnen vlogen. Grootmoeder en Bart werden naar boven gedragen, van droge kleeren voorzien en in bed gestopt. Toen bracht het dienstmeisje hun een kop heerlijke bouillon en een paar boterhammen met koffie, wat ze zich allemaal best lieten smaken. Daarna moesten ze wat slapen, "dat was goed voor de schrik en alles," zei moeder, die eerst met Elsje bij de Burgemeestersche was binnen geweest en nu kwam kijken bij grootje en Bart. Ze stopte haar jongen er eens goed onder en zoende hem hartelijk. "Mijn beste jongen," zei ze. Plotseling sprong Bart overeind, sloeg zijn armen om moeders hals en hevig snikkend bracht hij er hortend en stootend uit. "Ik-had-stil-met Krijn en Jaap-willen-meegaan. Ik zal-het-nooit weer doen." Eerst begreep moeder het niet en dacht, dat hij wat in de war was van alle angst. Ze was al vergeten, dat hij naar dien oom van Krijn zou gaan, maar toen werd het haar opeens duidelijk en ook zij stelde zich plotseling voor, wat er dan van moeder en Elsje had moeten worden. Ze werd er bleek van, maar zei alleen: "Gelukkig jongen, dat je het niet deed. Alles is nu goed. Ga gauw wat slapen, grootmoeder is al onder zeil." Nogmaals kuste ze hem en met de tranen nog op de wangen viel hij in slaap.

Hij droomde van water en nog eens water. Zag grootje er in zakken, zooals de koeien en paarden Elsje riep om hulp, maar hij kon niet bij haar komen want Krijn en Jaap hielden hem vast en riepen; "Wat geef je er om, ga mee!" Hij wilde zich losrukken en vloog overeind. Met verwilderde oogen keek hij rond niet dadelijk beseffend, waar hij was.

Moeder stond met een heer voor zijn bed.

"Zoo, heb je lekker geslapen, ventje? Ik zou er hem maar een dagje in houden." Het was de dokter, zag hij nu. Hij werd beklopt en beluisterd en moest toen weer gaan liggen.

Toen moeder den dokter had uitgelaten en weer bij het bed kwam, vroeg hij, hoe lang hij had geslapen.

"Het is goede Vrijdag," zei moeder, "gisteren middag ben je in slaap gevallen en morgen mag je er weer uit." "En grootmoeder?" "Is ook in bed gebleven vandaag, maar ze is best hoor. Kijk ereis wat ik hier voor je heb. Een paar heerlijke boterhammen, een groot stuk taart en een glas lekkere melk."

Dat smaakt overheerlijk. "Gaan we nu niet weer naar huis, moeder. Hoe is het met ons huis?" vroeg Bart.

"O, het water daalt al, maar we zullen er vooreerst niet in kunnen. Wij zijn zoolang bij Jansen in en morgen komen Grootje en jij er ook en met Paschen gaan we met ons allen naar tante Mijntje, waar grootje zal blijven, totdat ons huis weer in orde is."--"Het is jammer van alles. Zou het allemaal bedorven zijn?" vroeg Bart.

"Dat hindert minder," antwoordde vader, die ook eens naar hem kwam kijken. "Jelui bent allemaal gered en er is niemand omgekomen. Alleen eenige koeien en paarden. Arme dieren! en een paar varkens nog. We hebben den geheelen nacht doorgewerkt, maar nu is de dijk ook gestopt. Het zal nog wel een tijdje duren, eer we weer in huis kunnen en er zal misschien wel een en ander bedorven zijn, maar wij zijn nog allemaal bij elkaar. En wat ik ook zoo heerlijk vind, onze Bart heeft bewezen, dat hij een flinker jongen is, dan hij zelf heeft gedacht."

Ook vader zoende zijn jongen en Bart voelde zich gelukkig. "Die lieve, beste grootmoeder" mompelde hij.

INHOUD.

I. De trouwe kameraden 5

1. Broer en zus 5 2. Emy's ridder 8 3. Haar geheim 14 4. Een prettige verjaardag 16 5. Désiré en Emy 25 6. De landlooper 31 7. Uit logeeren 38 8. In gevaar 45 9. De redding 50 10. Désiré overwint 55

II. Treintje spelen 62

III. De goudklomp 65

1. Orleman en Soliman vinden den goudklomp 65 2. Wie zal hem hebben? 71 3. Wat de dwergen verder zagen 76 4. Gevonden 81 5. De opdracht wordt volbracht 85 6. Weer gelukkig 90

IV. De theevisite 96

V. Bart's Grootmoeder 100