Wat tante Dora vertelde

Chapter 5

Chapter 54,301 wordsPublic domain

De dwergen zaten doodstil in hun hoekje in het donker van de hooge leuning. Hij zag hen niet, maar rustte, stil om zich heen ziende. Toen hief hij eensklaps zijn hoofd omhoog, naar den hemel, vouwde de handen en snikkend boog hij het hoofd. Daar ritselde iets en met een doffen klank viel een steen voor zijn voeten neer. Hij keek er naar en bleef kijken. Niettegenstaande de vallende duisternis glinsterde de steen hem tegen.

Hij wreef zich over het voorhoofd. "Wat heb ik nu?" mompelde hij. "Dat heb ik vannacht gedroomd. Ik slaap toch niet meer." Hij stampte op den grond.

Hij kneep zich in zijn arm. Hij beproefde op te staan, maar zonk weer terug op de bank; zijn beenen voelden loodzwaar. Hij raakte met zijn voet den steen aan.--"Kom, ik ben een dwaas," zei hij tot zich zelf. "Het is natuurlijk een steen. Het komt door dien droom. Ik moet verder, of ik kom te laat aan den trein."

Met inspanning gelukte het hem weer overeind te komen, maar hij kon zijn oogen niet van den steen afhouden. Hij wilde er om heen loopen, maar bleef staan. "Och, wat is dat dan toch. Het lijkt net goud. Waarom zou ik hem niet meenemen? 't kan toch geen kwaad, al is het een dwaasheid." Hij bukte zich, raapte den steen op en stak hem in den zak, die hij weer op zijn rug hing. Toen ging hij verder.

Orleman en Soliman kwamen nu van hun zitplaats.

"Zie zoo--hij begrijpt het nog niet," zei Soliman.

"Maar hij zal het wel zien en ik wil er bij wezen. Ga je mee, dan zijn we er eerder dan hij."

Weer stampte hij driemaal op den grond. Andermaal ging deze vaneen en de dwergen verdwenen in de diepte, terwijl Liesjes vader zijn reis vervolgde naar huis.

6. Weer gelukkig.

Voor dat een uur voorbij was, waren Orleman en Soliman weer bij het huisje van Liesje in het bosch.

"Aha!" riep Orleman, "ik zie het al. Kijk eens naar boven. Ons mooie plaatsje is weg. Er ligt vuur in den haard." "Jammer, jammer," antwoordde zijn vriend. "Welneen, niets jammer; nu hebben zij het warm. En wij gaan door de deur."

Orleman deed heel voorzichtig de deur open en ze stonden meteen in het eenige vertrekje van het huis.

Wat zag het daar anders uit dan den vorigen avond. Op de tafel lag een wit servet en daarop stond een bord met brood en boter en kaas. Een kan melk stond er naast en een blad met een theeservies. In den grooten haard brandde een houtvuur en daarboven hing een ketel, waarin het water een vroolijk liedje zong. Voor het bed zat Liesje, maar nu keken haar oogjes niet meer zoo bedroefd. Op haar schoot lag het kleine broertje en genoot van de warme flesch, die ze hem voerde. Met verrukking keek ze naar het zuigende kereltje.

"Moes, kijk, kijk, ziet u wel, hij kan heel goed zuigen. Hij is niet te zwak. Hij lustte het niet, omdat de melk koud was, maar nu lust hij het wel. Kijkt u eens, wat is er al een boel uit."

En de zieke moeder zat overeind in bed, gesteund door kussens. Op de deken stond een bordje met pap en ze was bezig met eten, Een lach kwam op haar gezicht, toen ze broertje zoo zag genieten.

"Heerlijk, kindlief. Wat is het een zegen. Als hij nu toch eens een flinke jongen werd, wat zou vader blij zijn. Kon hij hem maar zóó zien."

"Vader komt toch gauw, 't wordt nu alles weer goed."

"Ja, vader schreef het laatst: Woensdag en nu is het al Zaterdag. Hij zou vrij komen, omdat zijn schuld niet bewezen kan worden en dat kan ook niet, omdat hij onschuldig is. Wat de menschen ook zeggen Liesje, wij weten het wel. Je weet wel, die man, hij heeft hem het geld afgenomen dat van andere menschen hoorde en, dat hij moest bewaren. Maar eens zal alles wel uitkomen. Vader wil hem niet beschuldigen. Gelukkig, dat wij hem nu niet zoo in armoede ontvangen zullen. Misschien hebben we wel genoeg om zoolang hier te blijven, totdat ik beter ben en dan zal vader voor ons werken en wordt alles weer anders. O, kind, ik ben zoo dankbaar. Die, lieve, beste aardmannetjes. Ik wou, dat ik ze ook eens kon bedanken." "Ja," zei Liesje, "die lieve aardmannetjes!"

Soliman en Orleman hoorden het wel en wreven zich in de handen van pleizier, omdat ze het allemaal hoorden, zonder dat moeder of Liesje het bemerkte, maar ze hielden zich doodstil.

Daar klonk buiten een stap.

"Stil," zei moeder en wierp de lepel op haar bord, "pak eens aan Liesje. Daar is hij!" en doodsbleek viel ze in de kussens. Liesje greep het bordje, legde broertje in moeders arm en wilde naar de deur loopen, maar deze werd zachtjes geopend en daar stond hij, druipend van regen.

Vragend zag hij naar binnen: "Vader!" gilde Liesje en wierp zich in zijn armen. Snikkend nam hij haar op en bedekte haar gezichtje, haar haren, haar oogen met kussen, terwijl hij naar de bedstee liep.

"Leendert!" stamelde de zieke en vader boog zich nu over haar en zeide schor van het schreien: "Ben je ziek, Elsje, ziek en--" toen zag hij het kleintje in haar armen.

"Een jongen. Leendert, die jouw naam draagt." En vader nam ook dit kind in zijn armen en kuste het. Toen ging hij voor het bed zitten met de hand van de zieke in de zijne en Liesje klom op zijn knie en vleide zich tegen hem aan en aaide hem in het gezicht en veegde met haar zakdoek zijn tranen af. Toen begonnen ze te vertellen, heel zacht, maar de dwergen wisten wel wat ze vertellen zouden en wachtten totdat ze kwamen aan het verhaal van de stukjes goud.

"Och kom," zei vader, "was het goud?"

"Ja, heusch, de mijnheer in het witte huis zei het ook en hij heeft me er geld voor gegeven en ik heb nog meer." Ze sprong van vaders schoot en haalde de goudklompjes uit de kast. Vader stond nu ook op en greep den zak, die hij achteloos op de tafel geworpen had.

"Zou het toch?" prevelde hij, hij greep er in en haalde den anderen klomp goud er uit, dien hij onder de lamp bekeek.

"Dit lijkt ook goud, maar--dan moet ik te weten komen, wie dat in het park verloren heeft. Nu begrijp ik er niets meer van." Hij bekeek de kleine stukjes en dan weer den grooten klomp.

Nu vonden de dwergen het tijd zich er mee te bemoeien. Ze traden naar voren en bleven voor vader en Liesje staan.

"O, daar zijn die lieve, goeie aardmannetjes weer, vader. Och, wat ben ik blij, dat u ze nu ook eens kan bedanken. Kijk moeder, daar zijn ze."

"Dat is heelemaal niet noodig," zei Orleman. "Wij hebben slechts onzen plicht gedaan. Onze wijze koning had ons gezegd, dat we dit goud en dat andere ook moesten geven aan menschenkinderen, die er gelukkig door zouden worden. En wij zijn heel blij, dat we die gevonden hebben. Het is voor u.--Weest gelukkig."

"Is het werkelijk voor mij. Dan zal ik eerst al het geld terug geven aan de menschen, van wie ik het in bewaring had. En met de rest gaan we naar een vreemd land, waar we een nieuw leven kunnen beginnen. Ge zult zien, dat ge het geen onwaardigen hebt gegeven."

"Dan is alles goed; anders verlangen wij niet. Onze zending is volbracht. Weest gelukkig!" antwoordde Orleman en met een vriendelijken groet verdwenen zij, onder de dankbetuigingen van vader en moeder en Liesje.

De koning zat juist voor het raam te kijken, toen zijn kleine onderdanen terug kwamen van den langen tocht. Hij wenkte, dat ze binnen moesten komen.

"Wel?" vroeg zijne Majesteit. "Hebt ge hen gevonden."

"Sire, door den klomp goud, hebben we een geheel gezin liet verloren geluk weergegeven," zei de Orleman en ze moesten alles haarfijn vertellen.

"Zoo is het goed. Aan deze menschen is het goud goed besteed. Ge hebt me uitstekend begrepen en uw plicht gedaan. Gij verdient beloond te worden; ik benoem u beiden tot eerste raadgevers van hare koninklijke Hoogheid." Zijne Majesteit reikte hun beiden de hand, die zij kusten en dankbaar verlieten zij het paleis. De goudklomp had ook hun geluk gebracht.

IV. DE THEEVISITE.

Kleine Loe krijgt theevisite; Op het mooiste aangekleed Zit ze in haar leuningstoeltje, Voor d' ontvangst geheel gereed.

Op haar tafeltje staat alles. Op een blaadje 't theeservies Heel licht blauw met rozeknopjes Een geschenk van Tante Wies.

Naast het blad op 't tafelkleedje, Blauwe schaaltjes keurig net; Met gekleurde poppeschuimpjes, Bitterkoekjes en banket.

Op heel kleine stoeltjes zitten: Joopje in 't matrozenpak, Roosje in haar witte jurkje Beiden heel op hun gemak.

Voor de dames grooter stoelen Naast de kleintjes van de pop; Daarnaast staat een voetenbankje En daar zit het poesje op.

O, daar komen de vriendinnen Met haar kindren op den arm. "Dag, Mevrouwtje, Wel hoe gaat het? Foei wat is 't verbazend warm!"

"Ja," zegt Loe, "maar hier is 't heerlijk, In de kamer is het koel-- Gaat u zitten, lieve dames, Net voor ieder is een stoel."

"En, wat zal u nu gebruiken, Zeker wel een kopje thee?"-- Heel graag, met veel melk en suiker.-- Waarom kwam uw kind niet mee?"

"Och,'t is ziek," zucht Carolientje "Gist'ren brak 't in eens zijn hoofd. "'k Heb zoo vreeselijk moeten schreien, Toen heeft Pa m' een nieuw beloofd."

"Mijne heeft een arm gebroken. En dat is de schuld van Piet," Zegt Phie, "maar met lange mouwen Zie je 't nog gelukkig niet."

"Ja, die broertjes zijn toch lastig," Zegt heel neuswijs Antoinet. "Zoo gezellig onder meisjes Hebben wij de meeste pret."

Tikketakke gaan de lepels, Suiker, melk en thee smaakt goed. Knibbelknabbel gaan de tandjes-- En de meisjes zijn heel zoet.

Zachtjes gaat de tuindeur open, Om een hoek gluurt broertje Bob. "Zeg, mag ik ook binnenkomen, Of heb jullie alles op?"

En hij stapt parmantig binnen; Met hem komen Kees en Roel, Vragen ook, om thee met koekjes En het wordt een dolle boel.

"'k Wou nog wel een beetje suiker." "Geef mij nog een kopje, Loe." Bob en Kees en Roeltje likken, Eten nog een koekje toe.

't Duurt niet lang, of op is alles. Koekjes, melk en suiker, thee.-- "Kom," zegt Roeltje, "Nu den tuin in!" En de dames hollen mee.

Romlig liggen nu de kopjes Op 't bemorste tafelkleed, Waarvan poes de druppels oplikt En de koekjeskruimels eet.

De verlaten poppekindren Staren treurig voor zich uit, Want hun moeders stoeien buiten Met haar broertjes tot besluit.

V. BARTS GROOTMOEDER.

Een vriendelijk thuis.

"Bart! Bart, kom je? grootmoe roept je." "Ja, ik kom hoor! kijk ereis Els, kijk, gaat ie niet fijn."

"Nou," antwoordde Elsje met overtuiging. "Veel mooier dan die van Jaap laatst, niet?" Vergetend, waarom ze naar buiten kwam, bleef het kleine meisje met aandacht staan kijken naar den tol van haar broertje.

"Nou, boodschap loopen?" vleide ze. Maar Bart had geen ooren voor haar en volgde aandachtig de beweging van den dikken, gelen tol, die zoo hard draaide, dat 't leek of hij stil stond.

"Kom, nou Bart," vroeg Elsje weer, zich herinnerend "grootmoe zegt, dat je moet komen, om hout te hakken; anders gaat de kachel uit." Meteen keerde ze zich om, huppelde terug naar het huisje bij den dijk en verdween in de kleine, groene deur.

Grootmoe zat in een houten leunstoel, met de voeten op een krukje, voor de kleine potkachel, waarop een pan stond.

Hoe vriendelijk keek ze op naar het kleine ding dat op haar toesprong. "Hij komt zoo." zei Elsje, "brr, wat is het koud!"

"Hij moet voortmaken," antwoordde grootmoeder "anders is ie uit, als moeder thuis komt. Neen, blijf jij er maar af, kindje. Ik ben veel te bang voor brand."

"Ja," zei Elsje. "U zou niet kunnen wegloopen, hè grootmoe?" en ze ging bij de oude vrouw staan en streek haar liefkoozend over de lamme beenen.

"Maar ik dacht alleen aan jou, kindje," antwoordde de goede vrouw en streek haar kleinkind over de zachte bruine haren. "Sla mijn doek even om en roep Bart nog eens; hij moet dadelijk komen." Gewillig deed het vijfjarig meisje, wat grootmoe zei. "Toe dan Bart, dadelijk dan. De kachel gaat uit," riep ze, zoo hard ze kon. Bart speelde op het straatje voor de deur: "Ach!" grauwde hij, "dat gezanik, ik kom immers al" nijdig pakte hij zijn tol op. "Wat heb ik aan een tol, als ik er niet eens even mee mag spelen. Wat is er nou," gromde hij door, toen hij binnentrad. "Foei," zei grootmoeder, "wat ben je norsch. Ik wou maar een paar houtjes voor de kachel; die wil je toch wel even halen." "Ach," bromde Bart, "dat gezeur altijd," en met een boos gezicht ging hij het keukentje door, de achterdeur uit naar de schuur en koelde weldra zijn boosheid aan het hout, waarop hij flink los sloeg. Spoedig zong hij het hoogste lied er bij uit, een bewijs dat de tienjarige knaap, flinke longen en krachtige armen had. Met zijn armen vol hout kwam hij binnen en vulde de kachel bij, die weer begon te snorren.

Elsje zat nu naast grootmoeder op een stoel, nam de aardappels aan, die zij schilde en wierp ze in den emmer met water: "Grootmoe vertelt, Bart," zei ze. "Vertel u nu eens, waarom wij maar één grootmoeder hebben. Gisterenavond zei u, morgen zal ik 't je zeggen," zei Bart.

"Goed, goed, ik zal 't je vertellen.--Nou, je moet dan weten," begon ze, "dat grootvader--jij hebt hem gekend, dien besten man."--"Ja," antwoordde Bart, "ik mocht altijd op zijn knie zitten en naar de scheepjes kijken, als ik met moeder en vader bij u kwam." "Ik weet 't niet meer," zei Elsje. "Nee, jij was nog te klein, maar ik was al 7 jaar, toen grootvader dood ging." Grootmoeder zuchtte: "Treurig, zoo treurig." "Toen kon u nog loopen, hè grootmoe, langs 't strand en met die groote ben met visch naar de stad. Ik weet 't nog goed." "Ja, je weet 't nog goed," bevestigde grootmoeder en veegde een traan af, die langs haar magere, bruine wang liep. "Maar toen ze je grootvader dood thuis brachten, toen ben ik zoo geschrokken en toen kon ik later niet meer loopen." "Vertel u nou van die eene grootmoeder," zei Bart.

"Ja. Toen waren je vader en moeder nog heel klein. Zoo'n lieve, kleine dikzak, je vader; zoo lief en gezeggelijk. Hij speelde altijd in het tuintje voor het huis, daar kon hij de zee zien en de scheepjes; dan zocht hij schelpjes of kruide zand. Allemaal visschers woonden op onze rij en naast ons woonde Arie van Dobben en Elsje, die nog met ons hadden schoolgegaan. En die hadden zoo'n klein meiske Marijtje, jonger dan onze jongen en die twee speelden altijd samen. Zoo lief, 't was een aardigheid.--Het was ook in 't voorjaar en bar weer; al een paar dagen en nachten. Een storm! Die zee ging te keer. Je grootvader was thuis, maar Marijtjes vader nog niet. Op een morgen kwam het kleine ding binnenloopen, met een benauwd gezicht--Tante Bartje, moe roept, gauw! gauw!--Nou,--ik ging mee en de kinderen achter me aan. Daar lag die arme Els, benauwd en naar. Een andere buurvrouw om den dokter. Vader nam de kinderen mee en dienzelfden nacht stierf ze in mijn armen. Marijken bleef bij ons op haar vader wachten. Maar twee dagen later spoelde het wrakhout van de Elsa aan en haar vader kwam niet weer terug. Wat moest 't arme kind? Natuurlijk hielden we het schaapje bij ons en ze wist later niet beter of ze was een zusje van Bart en Nelis en Anne en Mijntje, die later nog kwamen. En toen ze groot waren en vader in dienst was geweest en terug kwam en goed zijn brood had, als scheepstimmerman, nou--toen trouwde hij met Marijtje; en toen hadden ze samen maar één vader en moeder; begrijp je? en nou heb jelui alleen je grootje, dat dubbel van jelui houdt."--

"O," zei Bart, "zie je nou wel. Jaap zei, dat het niet kon en moeder had het toch gezeid." "Het kan; het is zoo en niet anders." "En nou moeten we voor drie van u houden; dat doet moeder ook," zei Elsje.

"Ja, jelui moeder is een engel voor ons allemaal geweest. Zonder je moeder zou ik--"

"O, is u weer bezig, moeder!" riep een vroolijke stem en een jonge vrouw met vriendelijk gezicht kwam de deur binnen. Ze trad dadelijk op grootje toe en kuste haar op het voorhoofd. Elsje sprong tegen haar op en liet zich ook door haar zoenen. Bart zei alleen, "dag moeder," en liep meteen weer naar buiten.

"Bent u weer aan het vertellen en moet u me weer ophemelen!" vroeg moeder Lubbe aan de oude vrouw.

"Nee, dat is nou maar gekheid. 't Is de waarheid, kind. Je bent een zegen voor iedereen en ik dank den lieven Heer iederen dag, dat ik jou in huis heb genomen."

"En ik dan, wat zou ik geweest zijn zonder mijn goeie tweede moeder," vroeg de jonge vrouw weer, terwijl ze haar goed afdeed en Elsje wat aanhaalde, die zich tegen haar aandrong.

"Heb u de aardappelen al geschild?" vervolgde ze. "En waren de kinderen zoet. Was Bart gehoorzaam!"

"Best hoor," antwoordde grootmoeder, "en hoe was 't met Mevrouw!" "O,'t gaat veel beter, maar ze mag nog niet loopen van den dokter en nou vroeg ze of ik morgen ochtend haar nog eens kwam helpen. Ze is jarig morgen en dan met de kinderen. Nou ik zeg, Mevrouw toen u nog een meisje was, hebt u ons zoo geholpen, 't zou niet mooi wezen, als ik u nu niet hielp. U wil toch wel nog een dagje alleen blijven met de kinderen, Bart is nou toch thuis." "Zeker, natuurlijk, voor zulke goeie menschen als Mevrouw van den burgemeester moet je ook wat overhebben. Ik zal me eigen wel redden met Bart. Wat bracht ze me niet altijd soepjes en lekkers, toen ik zoo ziek was en wat was ze blij, dat we hier ook kwamen wonen." "Nou dat zeg ik ook," antwoordde moeder weer. "Kom Elsje, help me gauw, als een kind. Breng de schillen naar de keuken, dan zal ik grootmoe helpen. Wat is 't slecht weer en dat tegen Paschen, ik kon op den dijk haast niet blijven staan." Elsje ging naar de keuken. Zij mocht de aardappels wasschen; op een stoof kon ze net bij de pomp. Bart speelde buiten met Krijn en Jaap, die in de andere twee huisjes woonden. Er stonden drie op het pad, dat schuin naar den dijk liep en aan den anderen kant in de weilanden uitkwam.

Barts vader woonde er nog niet lang. Hij had werk gekregen op den werf in het dorp. De vaders van Krijn en Jaap waren boerenarbeiders. Krijn was 12 jaar en Jaap 13, maar ze gingen met hun drieën naar en van school in het dorp en mochten om twaalf uur bij Barts vader op den werf hun boterham eten. Zoo speelden ze veel met elkander, al zaten ze niet in dezelfde klasse. Ze moesten wel een groot half uur loopen, dat was in den winter een heele tocht langs den dijk, maar ze waren gezond en flink. Bart zag wel een beetje tegen die groote jongens op, die nog al brutaal waren en wat vrijer, dan hij. Zijn vader en moeder keken nog al precies, die van de andere jongens letten niet zooveel op hen. Nu moest hij zijn nieuwen tol laten zien, dien hij van vader had gekregen, omdat zijn eerste gedragboekje op deze school zoo goed was geweest. Er liep voor elk huisje een stukje straat, daar kon je fijn op tollen, al was 't wat smal.

Onderaan den dijk had je niet zoo'n last van den wind, maar ze moesten toch soms schreeuwen om elkaar te verstaan. Ze pikten elkaar en lieten de tol in kuiltjes loopen en vermaakten zich, totdat moeder riep, dat Bart moest komen eten, omdat vader thuis was.

"Het is een mooie tol, vader. Krijn en Jaap zeggen het ook," was het eerste, wat Bart zei, toen hij binnen kwam.

"Zoo komaan, gelukkig maar," antwoordde vader, terwijl hij zijn handen wreef, en hij gaf Bart een klap op den schouder, "Au!" riep Bart. "U slaat zoo hard, met die groote handen." "Groote handen," zei vader lachend, "kijk Els! heeft vader groote handen! Geef me de vijf, meid, neen de tien. Samen in één hand van vader." Elsje lachte en grootmoe lachte. "Vader is ook zoo sterk" zei ze, "en dat is maar goed ook." "Kijk," zei vader, tilde grootmoeder met stoel en al op en zette haar bij de tafel. "Elsje is ook sterk," zei het kleine ding, sjouwde de kruk, wipte grootmoes beenen er op en dekte ze weer toe. "Elsje is een braaf kind," hernam vader, en tilde haar hoog in de lucht, tot ze het uitschaterde van pleizier.

Toen gingen ze eten. "Morgen moeten jelui weer samen voor grootmoe zorgen," zei moeder onder het opscheppen en vertelde aan vader, dat ze bij den burgemeester wat zou gaan helpen in de huishouding. "Mevrouw vond het wel wat erg, maar ik zei, toen u in ons dorp woonde, hebt u ons ook geholpen, is 't niet." "Je hebt gelijk hoor," antwoordde vader, "'t zijn beste menschen, daar gaat niets van af. Wat zeit u, moeder." "Ja, hoor," antwoordde grootje.

"Nou Bart, dan moet jij morgen er maar eens aan gelooven," vervolgde vader weer. "Dat is ook lekker," bromde Bart. "We zouen morgen naar Krijn zijn oom gaan in den polder, die heeft een groote boerderij en daar zijn allemaal kalveren en biggen."

"Tuut, tuut," zei vader, "we zouen? Heb je het dan aan moeder gevraagd?" "Aan mij niet," zei moeder.

"Nou, ja, als u het goed vond," bromde Bart.

"Maar we vinden het niet goed. Het is wel jammer voor je, maar je kan nog wel een anderen dag. Je hebt nog na de Paasch ook vacantie. Grootmoe kan toch niet alleen blijven, wel?" "Och het is ook altijd," begon Bart, maar voordat hij had uitgesproken zag hij grootmoeders gezicht en hoorde haar mompelen, "'t is jammer, voor je, maar, zie je," en hij sloeg de oogen neer voor vaders blik, keek op zijn bord en zweeg.--"Het wordt nog slechter weer," zei vader.

"De wind staat recht op den dijk," antwoordde moeder.

"Geef je bord nog eens Bart, of lust je niet meer?"

"Wij zijn den wind wel gewoon, hé moeder." "Nou," antwoordde grootje, "wij hebben heel wat storm meegemaakt, daar is dit niets bij." En ze spraken verder over wind en storm en Bart zat stil te eten en dacht over morgen.

Na het eten, terwijl moeder in de keuken de borden waschte en grootmoeder zat te breien aan een paar kniekousen met roode randen, die Bart zoo graag wou hebben, stoeide vader met zijn jongens, zooals hij Bart en Elsje noemde en klonk hun gelach en gejoel boven den wind uit, die toch luid om het huisje gierde en door den schoorsteen bulderde. Toen Elsje met een kleur als een boei in de bedstee in de keuken lag, zei ze wel even: "He, moesje hoor es, boe, boe gaat 't. Mag de deur open blijven, tot ik slaap; ik ben bang voor dien wind." "Ik zal ze op een kiertje zetten, hoor: ga maar gauw slapen. Straks komt Bart ook," antwoordde moeder en stopte haar lekker toe. Vader las nog wat voor, totdat Bart ook naar bed moest en hij dacht niet aan morgen, voordat hij onder de dekens lag. "Wat moest hij tegen de jongens zeggen?" zoo viel hij in slaap.

2. De verzoeking.

Toen hij wakker werd, scheen de zon, "hè," dacht Bart weer.--Prachtig weer, om uit te gaan. Zullie gaan natuurlijk.--

Moeder kwam in de keuken, om water op 't stel te zetten.

"Zoo jongen, ben je wakker? Sta dan maar gauw op, dan kan je me helpen. Vader moet zoo weg." "Morgen, Moe," zei Bart en sprong het bed uit.--Als vader weg is--dacht hij--ga ik naar Krijn toe.

Om half acht ging vader de deur uit. Eerst had hij grootmoe uit de bedstee getild en weer op haar stoel gezet; dat vond hij voor moeder te zwaar. Toen had Elsje in haar paars nachtjaponnetje nog even op zijn knie gezeten en een hapje met hem mee gegeten. Nu wuifde ze vader na door het zijraam, waarmee je op den dijk kon zien en waarvoor grootmoe ook zat. Bart was ook klaar met zijn boterham en toen vader uit het gezicht was, ging hij door de keuken de achterdeur uit, wip over het hekje van den kleinen moestuin en bij Krijn de achterdeur in. Baar stond Krijn bij zijn moeder in de keuken. "Ben je er al?" vroeg hij met zijn mond vol. "Moeder pakt me brood in." "Heb je niets bij je," vroeg Krijns moeder. "En moet je geen jas aan? 't Is veel te guur en je krijgt nog wel regen ook." Bart schudde van neen; hij had wel kunnen huilen: hij durfde niets zeggen, omdat hij zich niet goed kon houden. "Dag moeder," zei Krijn en hij stapte de deur uit naar het huisje van Jaap.

"Ik ga niet mee," zei Bart nu bedrukt. "Hè, mag je niet, da's gemeen," was 't antwoord, "je hoeft toch niet op je zusje te passen."

"Moeder is niet thuis vandaag," antwoordde Bart. "Nou, je grootje is er toch. Wat zou dat? Kom ga maar mee!" "Grootmoeder kan niet alleen blijven," antwoordde Bart terwijl hij zijn tranen inslikte.