Part 6
Indien ons dan gevraagd wordt, "wat is het dat eene ziel zalig maakt?" antwoorden wij: dat het niet is, werken der regtvaardigheid, die wij gedaan hebben of kunnen doen; noch het gebruik van onzen vrijen wil, die alleen vrij is in het kiezen en beminnen van het kwade; noch in te stemmen met aangebodene genade, waartoe wij van nature geene kracht bezitten; noch waakzaamheid, gebed en vasten; noch zelfverloochening, gestrengheid en uitwendige heiligmaking; noch eenige pligten of vormen; noch, in één woord, eenige enkelvoudige zaak of eene menigte van zamengestelde zaken, die berusten op de natuurlijke wijsheid en sterkte des menschen. Noch, wederom is het hoofdkennis, noch vaste overtuiging der waarheid in het oordeel, noch zulke werkingen van het natuurlijk geweten, als ons overreden om eene zaligheid uit vrije genade in te willigen, noch een leven uitwendig gelijkvormig aan het Evangelie, noch lidmaatschap in eene evangelische kerk, noch natuurlijke gehechtheid aan de kinderen en dienstknechten Gods, noch ijver voor bevindelijke godsdienst, noch opofferingen gedaan om de waarheid te ondersteunen. Noch wederom bestaat de zaligheid in twijfelingen en vreezen, noch in wederwaardigheden, verzoekingen, werkingen der inwendige verdorvenheid, wettische verschrikkingen, aanvallen van zwaarmoedige vertwijfeling en hartverscheurende wanhoop. Al deze dingen _vergezellen de zaligheid_ en worden gevonden in de erfgenamen der heerlijkheid; maar eenige derzelve of allen kunnen evenzoo in huichelaars, afvalligen en verworpenen gevonden worden. Evenmin bestaat de zaligheid in _begeerten_, want "de luijaard begeert en heeft niet," noch in _tranen_ want "Ezau weende met een zeer groot en bitter geween," (Gen. 17: 34), noch in enkel _zoeken_, want "velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen," (Luk. 13: 24), noch in _willen_ want "het is niet desgenen die wil," noch in _loopen_, "het is niet desgenen die loopt" en "in de loopbaan loopen allen, maar een alleen ontvangt den prijs." Ook bestaat de zaligheid niet in uitwendige gaven, als preeken en bidden want een mensch kan "de hemelsche gaven smaken en toch zijn einde zijn tot verbranding," (Hebr. 6 vs. 4, 8), terwijl Saul profeteerde, Judas preekte en de zonen van Sceva duivelen uitwierpen in den naam van Jezus. Noch ook bestaat in _natuurlijk geloof_, want Simon Magus geloofde en werd gedoopt, noch in _natuurlijke hoop_, want daar is "de hoop des huichelaars die verdwijnen zal;" noch in _natuurlijke vertroostingen_, want daar is een "wandelen in de spranken van ons eigen vuur;" noch in _ijdel vertrouwen_, want "de zot is oploopende toornig en zorgeloos;" noch in het _spreken over de godsdienst_, want "een praatachtige dwaas zal vallen;" noch in _dat anderen wel over ons denken_, daar Paulus eens goede gedachten had van Demas (Phillem. 24), "die de tegenwoordige wereld lief kreeg" (2 Tim. 4: 10), noch daarín, _dat de kinderen Gods vereeniging met ons gevoelen_, daar David "zoetelijk raadpleegde met Achitofel, en in zijn gezelschap wandelde ten huize Godes" (Ps. 55: 15). Om alles te zamen te nemen, de zaligheid bestaat niet in iets van het vleesch, dat is iets aardsch, menschelijks en natuurlijks, want "het vleesch is niet nut" (Joh. 6: 63), en "niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend." (Rom. 9: 8). Dus niemand kan zijne eigene ziel verlossen, noch God een rantsoen geven voor hem zelf of voor zijnen broeder (Ps. 49: 8), maar alle vleesch is gras, alleen bestemd om door den maaijer afgesneden en in den oven geworpen te worden. Wij komen dan tot dit besluit, waartoe God vroeger of later iedere uitverkorene ziel brengt, dat zij die gezaligd worden, gezaligd worden omdat God _hen zalig wil maken_, "dat Hij barmhartig is, dien Hij barmhartig zijn wil" en die alleen (Rom. 9: 15); dat Hij hen behoudt niet uit eenige voorgeziene goedheid in hen, doch uit zijne eigene onderscheidende souvereine genade; dat Hij hen vrijwillig eeuwig en onveranderlijk lief heeft, en dat zij verlost, geregtvaardigd, levend gemaakt, geheiligd, bewaard en verheerlijkt worden, alleen omdat zij de voorwerpen zijn van onverdiende liefde van den Drieëenigen Jehovah. Hier is dan het antwoord op de vraag: "Wat is het dat eene ziel zalig maakt?" 1. Een aandeel te hebben in de verkiezende liefde van God den Vader, in het verlossende bloed en de regtvaardigende geregtigheid van God den Zoon, in de levendmakende en heiligende werkingen van God den Heiligen Geest. Dit is de erfenis den uitverkorenen verzegeld, als eeuwig de hunnen, door een in alles welgeordineerd en vast verbond. Dit is de zaligheid _uitwendig_ en hij, die noch lot noch deel aan deze zaligheid heeft, zal in zijne zonden sterven onder den vreeselijken toorn van een heilig en regtvaardig God. Maar daar is: 2. ook de zaligheid _inwendig_ welke bestaat in de openbaring van Jezus in de ziel, waardoor uitverkiezende liefde, verzoenend bloed, regtvaardigende geregtigheid en eene eeuwige erfenis in de hemelen, worden verzegeld op de ziel en tot persoonlijk en onderwerpelijke wezenlijkheden worden gemaakt. Tot deze inwendige genieting der zaligheid zijn al de kinderen Gods voorverordineerd en niemand van hen sterft zonder meerder of minder aandeel er in. Eenigen van hen zijn nu inderdaad in de verschrikkingen der wet gedompeld, anderen vreezende en bevende, anderen snijden zich af als huichelaars; anderen zijn kermende onder het gewigt der zonde, anderen overwonnen door de magt hunner begeerlijkheden, anderen worden gekweld door den duivel, anderen zijn kwijnende ter oorzake van den weg, en allen gewikkeld in eenen verschrikkelijken en zwaren strijd met den ouden mensch der zonde. Eenigen weder voelen hunne harten doorsneden van wege hunne afvalligheid, anderen verfoeijen zich zelf in stof en asch, anderen worden met vuisten geslagen door pijnlijke verzoekingen, anderen vervuld met opstand en gemelijkheid, anderen verward in de strikken des satans en anderen zittende in weerspannig stilzwijgen of genoegzaam door moedeloosheid overwonnen. Eenigen hebben nooit hunnen Zaligmaker gevonden, anderen hebben Hem verloren; eenigen hebben nooit vergeving en verlossing gevoeld en anderen zijn weder verstrikt onder het juk van gevangenschap; eenigen zijn opgesloten, anderen kunnen niet uitkomen; eenigen zijn hopende tegen hoop op hoop en anderen wantrouwende de bewijzen; eenigen worden al den dag geplaagd en elken morgen gekastijd en anderen zijn vreezende dat zij bastaarden zijn, omdat de roede Gods niet op hen ligt.
Maar gelijk het geheele huisgezin Gods een gemeen aandeel heeft aan de zaligheid die _uitwendig_ is, zoo stemmen zij allen overeen in dit punt betrekkelijk de zaligheid die _inwendig_ is, dat het eene _bovennatuurlijke_ godsdienst moet zijn, eenen geopenbaarden Zaligmaker, eene toegepaste regtvaardigheid, een besprengd geweten, een verzegeld pardon, eene uitgestorte liefde, eene genotene verlossing, die alleen bevredigen en zalig maken kan. En dus, al hunne ontblootingen, ontledigingen, kastijdingen, aanvechtingen, worstelingen, droefenissen, zuchtingen, kermingen en tranen; al hunne twijfelingen, vreezen, verschrikkingen, schuddingen, duisternis en moedeloosheid; al hunne beschouwingen van de regtvaardigheid Gods in eene heilige wet; al hun rijzen en dalen, hunne wisselingen en veranderingen, schuld, veroordeeling en een pijnlijk gevoel van wege de zonde, met één woord, al hunne bevinding van de diepten van een hopeloos, slecht en goddeloos hart; alles, alles dient in de hand van den gezegenden Geest om hen tot dit punt te brengen, dat de zaligheid is in het bloed en de geregtigheid van Christus _alleen_, en dat deze zaligheid aan hen en in hen moet geopenbaard worden, om hen van de vlammen der hel te bevrijden.
Maar, zegt de Arminiaan, indien de zaligheid zoodanig is als hier beschreven wordt, wat wordt er dan van de belangen der zedelijkheid, welke voorzorg is er genomen voor goede werken, welke zekerheid is er voor heiligheid des levens? Zal niet het geloof aan zijne uitverkiezing iemand vermetel, een vertrouwen in zijne eindelijke volharding hem zorgeloos maken en eene overtuiging dat hij zich niet uit het verbond kan zondigen, hem niet tot losbandigheid leiden? Hierop antwoorden wij: Ja, dat zal het, en het zijn de vruchten en uitwerkselen van de leerstellingen der genade, indien zij niet door de hand van God in de ziel worden gewrocht, maar geleerd worden, zooals honderden haar leeren in het verstand en oordeel. Maar dit gevolg bewijst niet dat ze onwaar zijn, maar is eerder eene vervulling van Gods woord. "Hunne tafel," dat is de leerstellingen uitgespreid voor hen, waaraan zij belijden te spijzigen, "worde voor hun aangezicht tot een strik en tot volle vergelding tot een' valstrik," (Ps. 69: 23). Wij lezen van de eerste belijders, van "vlekken in hunne liefdemaaltijden, weidende zich zelf zonder vrees." Deze dronken de leerstelling der uitverkiezing enz. in, onvermengd met heilige vrees, onverzeld met een beven voor Gods Woord en een innerlijk ontzag voor zijne vreeselijke Majesteit. Deze karakters nu worden gezegd "de genade te veranderen in ontuchtigheid en den eenigen Heerscher God en onzen Heere Jezus Christus te verloochenen," dat is, door booze werken (Jud. 4, 12). Maar om reden ongoddellijke menschen, de regte wegen des Heeren verkeeren en de waarheid misbruiken tot hun eigen verderf, volgt daaruit dat dezelfde uitwerkselen volgen waar dezelfde leer geestelijk geleerd en geestelijk ontvangen wordt? De stralen der zon trekken ziekte en koorts uit de pestachtige moerassen, en doen een lijk tot verrotting overgaan. Maar is de zon minder zuiver, zijn nare stralen minder schitterend, minder verkwikkend, is hare natuurlijke warmte minder koesterend voor groenten, vruchten en bloemen, omdat zij verrotting haalt uit hetgeen in zich zelf verrot is en bederf uit hetgeen in zich zelf bedorven is? En alzoo, omdat de leerstellingen der genade door een bedorven hart aangenomen, enkel dienen om deszelfs natuurlijk bederf uit te halen, volgt daarom niet dat het alzoo gesteld is, waar het woord des levens ontvangen wordt "in een eerlijk en goed hart" (Luk. 8: 15), dat is, in een hart eerlijk gemaakt door beschijning van hemelsch licht en goed of Godlievend door de indrukking van zijn Goddelijk beeld. In dezen bereiden bodem schieten de leerstellingen der genade diepen wortel en brengen, van tijd tot tijd bevochtigd door den daauw en de regen van den gezegenden Geest, overvloedige vrucht voort. Dus brengen zij voort: ten eersten _inwendige vrucht_. Van deze is de eerste _bekeering_, welke bestaat in eene verandering des harten, eene verandering van genegenheden, eene verandering van gevoelens, een keeren van vormelijkheid tot geestelijkheid, van vrije wil tot vrije genade, van eigengeregtigheid tot zelfverfoeijing, van huichelarij tot opregtheid, van zelfregtvaardiging tot zelfveroordeeling, van belijdenis tot kracht. De tweede is _Goddelijke vrees_, welke Gods hartdoorzoekende tegenwoordigheid teweegbrengt, zij beeft op zijn fronselen, zij ducht zijn ongenoegen, is bevreesd voor zijne oordeelen, gevoelt zijne kastijdende hand en zoekt boven alle dingen zijne gunst en het licht van zijn aanschijn. De derde is _ootmoedigheid_, welke ontspruit uit eene kennis van God en van zich zelf en bestaat in eene geestelijke kennis van de bedriegelijkheid en goddeloosheid van het hart, in anderen uitnemender te achten dan zich zelf, in gevoel van de weinige wezenlijke godsdienst die wij nog bezitten, in belijdenis voor God en mensch van onze snoodheid, in te zitten aan Jezus voeten om door Hem te worden onderwezen, in de laagste plaats onder de kinderen Gods in te nemen, in een zuigeling te zijn in hulpeloosheid, zwakheid, dwaasheid en nietigheid. Eene vierde inwendige vrucht is _Goddelijke droefheid_, die voortspruit uit een gezicht van eenen lijdenden Zaligmaker, zich openbaart in zich zelf te haten, de zonde te verfoeijen, te kermen over gedurigen afval, in zielesmart van zoo dikwijls verstrikt te zijn door driften en begeerlijkheden, en vergezelschapt is van zachtheid, smeltingen des harten, stroomingen van liefde tot den Verlosser en van verontwaardiging jegens ons zelf en ernstige begeerten om niet meer te zondigen. Eene vijfde vrucht is _hoop_, welke ontspringt uit wanhoop en in de ziel verwekt wordt door een geestelijke ontdekking van het medelijden, de barmhartigheid, de verdraagzaamheid, de liefde en de vriendelijkheid van den Vader der barmhartigheden en den God aller vertroostingen. Dit opent het hart in gebeden, doet deszelfs weerbarstigen aard smelten, verwijdt deszelfs enge, zelfzuchtige, bekrompene beschouwingen van God, houdt het vast als een zeker en houdend anker temidden van de stormen en orkanen, en bemoedigt het om te wachten aan de deur der barmhartigheid tot volkomene verlossing komt opdagen. Eene zesde vrucht is _liefde_, welke bestaat in liefde tot _God_, uit aanmerking van zijne teedere barmhartigheden en langmoedigheid te midden van en niettegenstaande al onze bedorvenheid, weerspannigheid, snoodheid en vreeselijke goddeloosheid; in liefde tot _Christus_ als een Zaligmaker zoo gepast voor onzen ellendigen toestand, als vuile bezoedelde verdoemeniswaardige ellendelingen; in liefde tot de beproefde, gekwelde en verzochte _kinderen Gods_ als mede-lijders en mede-erfgenamen; in liefde tot _gezanten van Christus_ als boodschappers van goede tijding tot onze schuldige ziel, als tolken en uitleggers onzer bevinding, als uitdeelers van hemelsche verborgenheden en ontdekkers van de geheimen onzer harten (1 Cor. 14: 25); in liefde tot de _waarheid_ Gods die ons vrij maakt; tot het _Woord_ Gods, dat onze harten heeft ingenomen, en tot de _beloften_ Gods, die ons van tijd tot tijd bemoedigd hebben.
Deze zijn slechts weinige van de _inwendige_ vruchten welke de leerstellingen der genade geestelijk in onze zielen ontvangen, zonder eenigen twijfel voortbrengen.
Maar behalve deze zijn er ten tweede _uitwendige vruchten_. De zoodanige zijn, afscheiding van eene goddelooze wereld, en afscheiding van eene belijdende wereld; eerlijkheid en vrijmoedigheid in de zaak der waarheid; milddadigheid tot de armen en nooddruftigen van Gods volk; algemeene gelijkvormigheid van leven en omgang; afkeer van al de kunstgrepen van den handel, van leugens in ons beroep en bedrog in nering en hantering; afkeer van vleijen en gevleid te worden in één woord, een leven overeenkomstig de voorschriften en verorderingen des Evangelies.
Zoodanige zijn de _inwendige_ en _uitwendige_ vruchten welke door de leerstellingen der genade aan de ziel toegepast door den gezegenden Geest worden voortgebragt. God zijnde de eenige fontein van leven, genade en vruchtbaarheid deelt der ziel die gebragt is in zijne gezegende tegenwoordigheid, om met Hem te wandelen, gemeenschap met Hem te hebben en toegang tot Hem te genieten, door dezen heiligen omgang, flaauwe blijken mede van gelijkvormigheid aan Hem.
En alzoo zijn, eeuwige verkiezing geopenbaard aan de ziel, persoonlijke zaligheid toegepast aan het hart, toegekerende geregtigheid verzegeld op het geweten en nimmer falende trouw van binnen bevestigd wel verre van tot losbandigheid te leiden, de eenige waarheden, die wezenlijke vruchten zullen voortbrengen. En integendeel, alle zelfverloochening, uitwendige heiligmaking, dooding des vleesches, lange gebeden, en alle de goede werken van de Arminiaansche catalogus zijn niets dan bedriegelijke namaaksels van de vruchten des Geestes en zullen daarom hunne misleide bezitters overlaten aan de regtvaardige wraak van Hem, die een verteerend vuur is.
~AMEN.~
HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH.
O[1] God wat is het schoon en zoet, Wanneer men uwen wille doet, En van uw wegen niet en glijd, Ter rechter noch ter linker zijd'.
Maar ach! wat is 't een zware last, Dat ons de zond' zoo ligt verrast, En brengt ons, buiten ons' vermoen. Om tegen u gebod te doen.
Hoe zou mijn harte zijn verlicht, Zoo mijnen weg mocht zijn gericht Om te bewaren uwe Wet, Die gij den mensch hebt ingezet!
Dan zoud ik, Heere, voor uw aanschijn Alzoo beschaamt niet langer zijn, Wanneer ik zoude merken, maar Op uw geboden allegaar.
Och! dat mij zoo de zonde boeid, Dat ik niet vrij en ongemoeid Hier loopen mag in mijne baan, Ach dat ik moet zoo langzaam gaan!
Een oprecht willen tot het goed Bevind ik wel in mijn gemoed, Maar aan 't volbrengen mij het schort, En daar in koom ik veel te kort.
Den ouden mensch noch in mij leefd, Die mijnen geest steeds wederstreefd, En doet mij zulk een groot geweld, Dat ik niet weinig ben ontsteld.
Inwendig heb ik groot vermaak In uwe Wet; maar (droeve zaak!) 't Vleesch tegen mijnen geest zich kant, En neemt ook somtijds d' overhand.
Het goede dat ik zeer bemin, En garen wil met hart en zin, Dat doe ik niet; maar dikwijls 't kwaad Dat mijne ziel verfoeid en haat.
Och ik elendig droevig mensch! Wie zal mij geven mijnen wensch, Dat ik eens moge zijn bevrijd Van dezen mijnen zwaren strijd!
O Jezus! gij die alles werkt, En die verslagen harten sterkt; Geeft dat den ouden mensch verhuist, En laat mij zijn met u gekruist.
Want gij voor ons gestorven zijt, Opdat wij zouden 't aller tijd Der zonder lichaam doen te niet, En niet meer volgen haar gebied.
Laat mij eens zeggen onbevreesd; Nu leev' ik eenmaal na den geest, Ik leve nu alzoo niet meer Gelijk ik heb gedaan wel eer.
Maar Christus zelve leefd in mij, Die maakt mij van de zonden vrij: Is 't vleesch schoon niet volkomen dood. Zoo vrees ik nochthans geenen nood.
'k Heb Christum door 't geloof gevat, Die mij heeft eeuwig lief gehad, En voor mij door zijn dood voldaan: Wat zal mij dan noch tegenstaan?
Hier op wil ik vertrouwen vast, Tot dat ik van des lichaams last Zal zijn verlost, en vleesch en bloed Niet zal ontrusten mijn gemoed.
God heeft belooft met eige stem, Dat in het nieuw Jeruzalem Gerechtigheid haar wooning heeft, En niets het welk ontuchtig leeft.
Daar zal ik doen, mijn God! en Heere! Al wat ik wil, na mijn begeere; Want ik en zal dan willen niet Dan 't geen gij zelfs wilt dat geschied.
Och dat ik haast mocht komen daar! Och dat doch haast verschenen waar Die zal'ge lang gewenschte tijd! Hoe zal mijn hart dan zijn verblijd!
Hoe zullen wij U dienen Heere, Wanneer geen vleesches zwakheid meer Ons ooit kan brengen tot den val, Noch zonden-strijd meer wezen zal!
[1] De vreugd die men in God en in 't doen van zijnen wille geniet, is oneindelijk grooter dan de vreugd die men uit eenige andere voorwerpselen kan rapen. De Godzaligheid is de volmaaktheid onzer Zielen: en aangezien het aller dingen aart is meest na zijn eigen volmaaktheid te haken, zoo moet ook de Godzaligheid noodwendiglijk de hoogste verlusting onzer zielen wezen.
BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING.
Ik kom, O God! voor u belijden, Mijn zwakheid, die aan allen zijden Mijn droev'ge ziel ontstelt en kwelt: 't Zijn dikwijls heel geringe zaken, Die mij mismoedig konnen maken En mij bestormen met gewelt.
Ik stel mij voor, iets uit te werken, En mij kloekmoedig te versterken, Maar, als de minst aanvechting koomt, Ben ik benauwt en gantsch verslagen; En kan niet anders doen dan klagen, Dat zoo mijn krachten zijn getoomt.
Och wat een strijd voel ik van binnen, Wanneer ik mijn gemoed en zinnen Tot u omhoog te heffen meen, Dat dan het vleesch mij komt bespringen, om mijn gewill'ge geest te dringen Met forsche krachten na beneen!
En ziet eens aan met mededogen Mijn broosheid en mijn zwak vermogen: Wilt mijne ziel, die noch zoo zeer Haar aan het stof gevoelt te kleven, Doch schenken nieuwe kracht en leven Na uw getrouwe woord, o Heere!
Wilt mijnen geest doch maken sterker, Zoolang hij in des Lichaams kerker Hier dus elendig leven moet; Tot dat mij eens na deze dagen Den ouden mensch niet meer zal plagen, Die nu mij zoo veel moeit' aandoet.
SLUITER.