Chapter 21
Eens was zij zeer vroeg in den morgen den tuin ingeloopen, die achter des paters woning lag; zij ging de paden door, tot achterin, waar in de schaduw van een ouden vijgeboom eene ruwe bank stond. Zij liet zich daarop nederzakken en zij dacht aan den vijgeboom, die haar ouderlijk huis beschutte, zij dacht aan haar vroeger leven: het hoofd was niet stout opgeheven, het viel in de hand, die het steunde. Zij had zich alleen gewaand, doch niet ver van haar af bemerkte zij nu opeens den priester, die haar niet had willen storen, maar was voortgegaan met het omspitten van den grond.
Haar oog ontmoette nu het zijne en hij knikte haar vriendelijk toe.
--Zoo vroeg reeds uit de rust, mijne dochter? zeide hij.
--Rust--juist daar heb ik behoefte aan, mio padre! Geef gij mij rust, gij, die zoo heilig zijt.
--Rust, zeide de priester, de eene hand over de oogen en het voorhoofd strijkende en met de andere leunend op de spade,--wij zoeken ze allen: maar het leven is geen rust, het is arbeid en strijd.
--Schenk mij uw zegen dan, sprak zij, voor hem op de kniëen vallende, als gij dien aan eene zoo onwaardige geven moogt.
--Uw verlangen toont, dat gij niet geheel onwaardig zijt, antwoordde hij.--Hebt gij iets op uw gemoed, waarvan de uitstorting u verlichten kan?
Mona hield de oogen nedergeslagen en zweeg.
--Spreek vrij, mijne dochter, zeide hij, de handen op haar hoofd leggende.
--Vader, ik heb uw raad gevolgd,--ik heb den dienst van gisteren bijgewoond.--Toen hij was verricht, en er niemand--meer in de kerk was, heb ik het gewaagd, rond te zien in een heiligdom, dat mij vreemd was. In eene der kapellen hing eene schilderij,... ik heb er de gordijn van weggeschoven,... mijn vader, gij weet niet, wie ik ben; in Rome....
--Diepe deernis, mijne dochter, heb ik met die kinderen uit het volk, die den kunstenaar ten modellen moeten strekken; sta op, ik weet, wat gij geweest zijt, Mona, en uw leven is mij bekend.
Met pijnlijke verbazing zag zij hem aan. Hij gaf geen rekenschap, doch bleek te wachten, tot zij voortging.
--Welnu, zeide zij met bittere zelfvernedering, als gij weet, wie ik geweest ben, zult gij mijne ontsteltenis begrijpen, toen ik in de Madonna met het kind, waarvan ik de gordijn gedachteloos had weggeschoven, mijzelve terugvond zooals die man mij eens schilderde. Ik herkende zijn werk en mijn eigen gelaat. Mijzelve in de Moeder Gods, o vreeselijke bespotting, die mij het hart openrijt! Mijzelve, diep gezonken, en dien geheelen tijd van schande en ellende, in het beeld der heilige Madonna! Wat akelige verwarring, en wat ontzettende kloof gaapt er, tusschen wat hier vereenigd is!--Padre, is er geen middel om het afzichtelijke dezer tegenstelling te doen ophouden?
De pater zweeg geruimen tijd.
--Daar is één middel, sprak hij ernstig, zegen de Heilige Moeder, dat zij met dezen laatsten treffenden slag het nieuwe leven, dat allengs in u ontwaken ging, voorgoed heeft gewekt; dat zij u de vreeselijke kloof heeft doen ontwaren, die er bestaat tusschen u en tusschen dat ideaal van het rein vrouwelijke!--De kloof, die het u onmogelijk maakt, tot dat ideaal in de verte te naderen, moet gedempt worden,--breek onherroepelijk met uw verleden,--antwoord mij niet, zeide hij snel, toen hij hare aandoening ontwaarde, naar huis kunt gij niet keeren, het bestaat niet meer, de oude vrouw is overleden; maar gij, arm, vermoeid kind, rust uit in mijn huis, totdat de tijd de overige voetstappen hebbe uitgesleten, totdat gij weder in staat zijt een nieuw leven te beginnen en een beteren kamp met de wereld te strijden.
* * * * *
Den volgenden morgen had Kolb zijn reisbundel gepakt en stond hij bereid tot den verderen tocht.
--Mona, zeide hij, zich met moeite bedwingende, wat moet ik doen?
Wat het haar kostte, het vreeselijk woord "ga", uit te spreken!
--Alleen?
Zij knikte toestemmend.
--Gij verlaat mij dus, sprak hij somber en met een bitter ironischen trek om de lippen.
--Antonio! maak het mij niet te zwaar!
Hij gevoelde zich gekrenkt, en dacht er aan,--wat hij toch niet had kunnen volvoeren,--zonder afscheid te vertrekken.
Zij snelde op hem toe en omhelsde hem. Zij fluisterde:--Ga, Antonio, werk en wordt weder groot; voor mij moet er eerst een afstand liggen, tusschen het verleden en de toekomst, die ik droom.--En nauw hoorbaar voor hem alleen was het, wat zij er bij voegde:
--En dan mijn geliefde, mocht die betere tijd eens komen,--kom dan weder.
Een lange, hartstochtelijke afscheidskus, wellicht een afscheid voorgoed.
Hoe hij wegkwam, wist Kolb niet, het was een oogenblik van stilstand in zijn geheele bewustzijn. Toen hij nog eenmaal achter zich zag, kon hij in de deur de eerwaarde gestalte des paters zien, en eene vrouw, die, het hoofd tegen zijne borst gedrukt, door hem werd ondersteund.