Vogels van diverse pluimage

Chapter 2

Chapter 23,909 wordsPublic domain

Maar wij, hoe komen wij weer heelhuids uit deze wolkenvogelstad op de gewone aarde en bij ons eenvoudig pluimgedierte?

Doch zoo gaat het in het leven. De lezer dient er zich mee te troosten, dat het plotseling geschiede, zonder overgang. Evenzoo worden wij met een schok wakker uit de schoonste droomen, en na de omzwervingen in den ether zien wij opeens onze voeten op de straatsteenen staan. Toch blijft van dat zweven in de wolken altijd iets in de herinnering rondzingen.

NOTEN:

[1] Deze bundel, ofschoon de oudste stukken bevattende, verscheen eerst in 1874 na anderen van jongeren oorsprong, die in 1872 het licht had gezien.

[2] Een stuk van ouden datum, niet herdrukt. Verscheen in Nederland, 1856

* * * * *

TWEE KUNSTENAARS.

Eens waren de geesten overal. Van alle stof waren zij de bezieling, zij woonden in de lucht, in de stroomen, in de zon, in de starren, in den bloemkelk en de kleine beek, in den mensch en zijne omgeving, in zijn denken en voelen, en heel het leven was van hen vervuld. In de lucht en de bosschen maakten zij muziek, aan de starren en wolken gaven zij spraak, en leerden haar, evenals den bergen, boomen en wateren, de heerlijkste dingen vertellen; aan de bloemen schonken zij de poëzie der kleuren, den mensch de verbeelding, en zoowel in als buiten hem ontstond door hen de liefelijkste wereld.

Het is niet de schuld der wetenschap, dat het niet meer zoo is. Integendeel. Dat hebben de geestverdrijvers, waarvan sommige de wetenschap tot hun doel gebruiken, verspreid om den smet van zich af te werpen. Het was aan de domheid te wijten en aan de menschen, die niet denken en gevoelen, maar alleen grof zinnelijk waarnemen.

En de geesten verdwenen.

Hoe verdwenen zij?

Toen de menschen de geesten niet meer begrepen en kenden, beweerden zij dat deze niet bestonden. Zij knepen hun oogen dicht en spraken: de zon is weg.--Ziet! zeiden de geestendooders, men heeft ons vroeger wijsgemaakt dat er geesten waren in de natuur, maar wij weten het nu beter.

En zij namen een boom en zaagden hem door, tot anderen, die nog twijfelden zeggende:--Ziet gij wel dat er geen geest in zit; het is alleen schors, spint en hout.

Anderen namen een schoon beeld.--Als er geest in zit, zeiden zij, dan moet hij er ook uitkomen,--en zij braken het open. Eerst de beenen, en toen zij niets vonden, het lijf, en toen het hoofd, en toen alles te morzel lag, riepen alle omstanders uit:--Zij hebben gelijk, daar is geen geest in; ook in de kunst is geen geest.

Daarna kwamen er, die hun dikken, vetten buik en hun dikke, vette wangen bevoelende, uitriepen:--Kijk, dat eerst is werkelijkheid, maar wat men niet tasten kan, bestaat niet.--En alle menschen vonden het ook zoo.

In den staat maakten zij eene wet, dat niemand meer van geest mocht spreken, want dat geesten gebleken waren ijdele hersenspooksels te zijn, die niet bestaan en volstrekt van geen practisch nut zijn.

--Ach, waar zijn de geesten heengevlogen? klaagden de kinderen,--waarom komen zij niet meer zoo heerlijk voor ons zingen, en ons van allerlei goeds en schoons vertellen? Ach, waar zijn de geesten?

--In den kelder, in het turfhok, stoute bengels! riepen de menschen.

Toen er aldus bewezen was, dat in alles wat er goed, waar en schoon op aarde verschijnt, geene geesten zaten; toen de beste en verstandigste der menschen elkander geleerd hadden en overgeleverd, dat nergens meer geest is, en het maar alleen de kinderen waren, met de oude bestjes en zwakke zielen, die slechts een duister besef hadden, dat er toch behalve al die stoffen ook geesten waren in het heelal, toen wisten de lieden niet beter of het was op het kerkhof, en in den toren bij den nachtuil en in het spookkasteel, en bij de dwaallichten en den driesprong, en in het koffiedik, dat zij de geesten moesten zoeken; en in de plaats van de reine etherische wezens, stelden zij ze zich niet anders voor dan als geraamten en bleeke spoken, katten en duivels uilen en heksen op bezemstelen, ruischende door de holle en galmende gangen van eenzame gebouwen, joelende op de hei en door de schoorsteenen, zwierende, gierende en jankende door de nachtelijke duisternis.

De geesten leefden ook niet meer onder de menschen; zij gingen hooger wonen en maakten zich onzichtbaar. Niet langer spraken zij onmiddellijk tot de aardbewoners uit elke plant, uit het bosch, uit het meer, uit de zon; zij bewogen zich niet meer in het klare licht van den dag en onder de woelende, zwoegende menigte der stofaanbidders; het waren slechts uitverkorenen, aan wie zij zich bleven vertoonen.

Doch als de nacht, de engel met het kalme, reine gelaat, de beschermende duisternis over de schepping uitspreidt, als de geestverjagers en stofaanbidders slapen, dan komen zij overal te voorschijn. Dan vieren zij feest en reien in de bosschen en op de velden, dan spelen zij met de karbonkels van den starrenhemel en dobberen wiegelend op de koppen der golven; dan zingen zij in de suizende lucht en vermeien zich in de kelken der bloemen. Zij dringen door in de kamer van den werkenden dichter en omringen hem met muziek; zij omzweven de sponde van den slapenden kunstenaar en kussen zijn hoofd, zijne ziel met nieuwen gloed vervullende.

Alles, alles is dan weer bezield en over alle stof zweeft weer de geest.

* * * * *

Het was winter, het was een heerlijke, bezielde nacht, toen ik eens twee van die geesten gewaarwerd, die in mijne kamer werkzaam waren.

--Welkom, welkom, schoone etherische verschijnselen, wie gij ook zijn moogt, welkom, want ik gevoel, dat gij geluk aanbrengt!

--Ik heet Lucht, zeide de een.

--En ik ben Vorst, sprak de ander, wij zijn van de geesten der kunst.

--Hoe! riep ik verbaasd, zijt gij kunstenaars? Ik dacht dat lucht niet anders deed dan zuurstof, koolstof en stikstof verwerken, en wind, regen en nevels maken, en dergelijken. En vorst dacht ik mij slechts als een besneeuwden grijsbaard, met norsch gelaat en ijs om zijn hoofd en zijn hart. Hoe! stroomt de gloed der bezieling door uwe gedaanten, en zijt gij nog iets meer dan natuurwetten?

--Langen tijd, zeide de een, hebben wij ons met vele beslommeringen en drukten moeten, bezighouden. Wij hebben hagel en sneeuw moeten maken, de aarde verharden en met eene sneeuwlaag overdekken, duizenden schadelijke dieren en insecten verjagen en dooden. Met machtigen adem heb ik in stormen geloeid en de bladeren afgeschud, en de geheele natuur tot de rust van den winter bereid.

--Ja, zei Vorst, ik heb mijn gezel moeten helpen, slooten en wateren met eene dichte, doorschijnende korst bevloeren. Dat was onze nuttige arbeid, de aardsche en stoffelijker zijde van onzen werkkring, en algemeen was het alleen deze, die men beschouwde, want wat daar ook kunstigs en schoons in mocht zijn, niemand, die daar op lette of dat begreep. Zij vroegen maar: is het nuttig? Zoo ja, was het goed, zoo neen, weg er mede. Het was of het ijs bij de schepping slechts bestemd was voor narresleden en het vermaak van schaatsenrijders; de bloemen op de glazen werden verwenscht en weggevaagd; de reine sneeuw met hare kunstige vlokken, met hare starren en rozen, werd bevuild, zoodra zij onder de menschen kwam. En die schoone ijzelkristallen, die als een bekleedsel van edele steenen aan trossen de takken en bladeren der boomen omhulden, en waaraan wij zoo veel kunst besteedden, wie heeft ze met kunstzin beschouwd?

--En wat is men wispelturig en tegenstrijdig in zijne wenschen en meeningen, riep Lucht uit, Dan eens is men kwaad, omdat Vorst uit scherts hier of daar een neus purper kleurt; dan is men blij, omdat men schaatsenrijden kan. Nu wil men dooi hebben--voor de scheepvaart zoo het heet--doch eigenlijk, omdat men zelf op reis moet; dan wil men vorst tegen het schadelijk veldgedierte en omdat het gezonder is.

--Dan zijn wij te streng, zei Vorst, en dan zijn wij weer te zacht. Velen schijnen ook geheel onverschillig omtrent ons en cijferen, eten, drinken en slapen, alsof wij niet bestonden; anderen hebben een afkeer van ons, omdat òf stoffelijke armoede, òf armoede des geestes hen onvatbaar maakt om ons te begrijpen en te genieten.

--En gij wordt niet ontmoedigd en staaktet uw arbeid niet?

--Denkt gij, sprak Lucht, denkt gij dat wij slechts werken uit vrees voor straf, of in hoop van belooning? Weet gij dan niet dat men evenals het goede ook het schoone moet doen om zijns zelfs wille?

Zij waren intusschen niet werkeloos geweest, maar zweefden en golfden af en aan, en waren druk bezig bij mijne ramen. De glazen kraakten en ik ontdekte toen een treffend schouwspel.

--O, wat kunstige en grootsche arbeid riep ik verrukt.

--Noem het geen arbeid, zeide Lucht, het is uitspanning, het is genot, het is loutere liefde voor het schoone.

--Heerlijk, heerlijk, zongen zij beiden opgetogen;--zie, des daags hebben de menschen ons verjaagd, maar des nachts, onder het geestrijk licht der maan, als de menschen met hun bespottelijke eischen en hun kunstdoodenden ijver, die zeker ons werk terstond zou vernietigd hebben, slapen, dan werken wij aan ons lievelingswerk, heerlijke goddelijke kunst!

Welke geheimzinnige kunstenaars waren zij! Evenals eenmaal in de middeleeuwen de vrome meesters de kerkvensters, zoo overdekten zij de glazen onzer huizen met de dichterlijkste en schoonste gewrochten van hun geest: waarlijk schenen zij niet om roem of eer te werken, naarom de kunst zelve. En evenals bij die oude meesters, schenen hun arbeid en hunne middelen een geheim voor de menigte verborgen.

Slechts even had ik hunne handeling gezien. Helaas, ook ik moest in de straf deelen, die de geestverjagers hadden beloopen, en ik mocht de geesten in hunne kunstoefening niet langer aanschouwen.

--Slaap, slaap, zeiden de geesten, en zij wiegden mij en legden mij neder.--Slaap, slaap, gij kunt ons niet langer zien arbeiden, maar morgen zult gij onze werken zien.

* * * * *

--Moeder, moeder, riepen 's morgens de kinderen, die het 't eerst ontdekten, naar de glazen loopende,--wat heerlijke bloemen en beelden!

Dat hadden 's nachts de geesten gedaan.

Herinneringen aan alle streken der aarde penseelden zij op die ruiten. Er was geen plekje op de aarde, waar Lucht niet geweest was, en Vorst had ook veel gezien, zoodat zij eene rijke verbeelding en een schat van ideeën hadden, die onuitputtelijk was.

Uit het verre Westen, de nieuwe wereld, brachten zij herinneringen van breede rivieren en watervallen, van reusachtige wouden en berggevaarten.

Uit het Zuiden had Lucht vroegere herinneringen van krachtvollen plantengroei en exotische bloemenpracht, en van de heerlijkste gedaanten uit dat land der schoone vormen, en Vorst etste ze met fijne stift op het glas.

Uit het Oosten bootsten zij palmen en waaierboomen, aloë's en cactussen na, en edelgesteenten, met de weelderige gedachten en vormen van het morgenland, de wieg des menschdoms.

Al die beelden uit een lang en werkzaam leven, die herinneringen van hunne veelvuldige omzwervingen en reizen op de aarde, kwamen in de schoonste vormen door hun rijk en weelderig genie te voorschijn, en werden door de kunstenaars met steeds vernieuwde oorspronkelijkheid voortgebracht.

Onbaatzuchtig, als alle ware kunst is, werkten zij niet alleen voor rijken, maar ook voor armen; zelfs waren er bij sommigen der aan zienlijkste lieden, waar nacht en dag in alle vertrekken eene zoele zomerhitte heerschte, geene sporen hunner kunst ontdekt, en daar waar geene gordijnen zelfs waren om de glazen te bekleeden, bedekten zij die met hunne keurigste scheppingen. Edele belangelooze kunst, die hare gaven uitstrooit zonder aanzien des persoons.

Doch hoe grootsch en machtig het genie van mijne kunstenaars was, doorgaans werden zij weinig begrepen en geacht. Daar zat een geleerde te werken, terwijl zijne glazen met planten en gewassen overdekt waren, cactussen, cederen, palmen, orchydaeën, en wat al meer, vreemder en zeldzamer dan die der rijkste broeikassen of botanische tuinen; fossielen, visschen, schelpen en kristallen zonder wederga; maar de geleerde lette er niet op of keurde ze zijne aandacht niet waard. Het was immers maar kunstwerk!

Wat verder stond een kantoorman voor zijn raam, en krabde er den nagel de keurige ciseleersels af, om een open plekje te maken, waar hij doorheen kon zien. Zoo moest wel het kunstwerk een oogenblik zijn oog treffen, maar toen hij onder al die voorstellingen geen enkel cijfer zag, niet eens eenige afbeelding van een bankbrief of eene coupon, ging hij spoedig weer aan zijn lessenaar zitten, want hij vond er niet het minste nut in.

Hier waren weder de schoonste lijnen en vormen, de bevalligste versierselen, het weelderigste loofwerk; maar de beschaafden waren er ongevoelig voor.

Ginds waren het de stoutste stukken juweel, de meest verscheidene pracht van edele steenen, maar noch wereldlingen, noch pronk- en prachtminnaars, noch vrouwen keken er naar.

Elders spreidden zich de vreemdste natuurtafereelen uit, zonder dat men ze vermoedde, en men reisde naar verre vreemde landen.

Zoo onverschillig, ja zelfs zoo nauw bewust van al die schoonheid waren de menschen; hun brein was zoo arm geworden, hun waarnemingsvermogen zoo ongeoefend en verdoofd voor wat bovenzinnelijk is, dat alleen wat grof tastbaar was voor de zinnen, door die ruwe werktuigen kon worden gevat.--Bah! riep de zoon der stof en der werkelijkheid, ik kan door de ruiten niet heenzien, en hij veegde terstond de kunstgewrochten weg, zooals hij het reeds vroeger in zijne ziel alle fijne draden en weefselen had gedaan. Maar de kunst en het schoone bleven er niettemin om voortleven en de kunstenaars aan hunne roeping voldoen en hunne bestemming vervullen.

* * * * *

Ziet, de zon komt door, de nevelen trekken weg, en de warme stralen vallen recht op de kunststukken mijner glazen. Heerlijk, dubbel heerlijk zien zij er nu uit. De bosschen en bergen krijgen nieuwe en verhoogde tinten, de edele steenen nieuwe flikkeringen en kleurspelingen, de bloemen en planten nieuwe gloed en verven.

Maar het duurt slechts eenige oogenblikken en weemoedig zie ik de gedaanten veranderen en verwelken, de kleuren verbleeken. Langzaam vormt zich een droppel, die meer en meer zwelt en glinstert, totdat hij, zijn toppunt bereikt hebbende, door zijne eigen ontwikkeling valt, om de aarde slechts te vermeerderen met een weinig slijk. Nu volgt alles den eersten droppel en smelt meer en meer, en eindelijk lessen zich al die kunstrijke gewrochten, in droppelen van de glazen vallende, als een liefelijke droom bij het ontwaken in louter tranen op. Het is of de betoovering is verbroken. Bosschen, cederen, bloemen, zeegewassen, edelgesteenten, ijsbergen--weg, weggesmolten, als de idealen der maagd, als de tranen der menschen, als de droomen der wijzen, en de schoone kunstwerken leven niet meer, dan als de herinnering van iets, dat eens groot en liefelijk geweest is.

Is het een bewijs dat daarom het schoone, dat wij gezien hebben, ijdel is en niet bestaat? Men heeft het honderden malen beweerd en zegt het nog. Maar het zou even juist zijn vol te houden, dat de zon niet bestaat, omdat zij soms onzichtbaar is of onder gaat.

Intusschen begint die zon, die onze kunststukken heeft vernietigd, ons te verwarmen en te verlichten. Als bron van warmte en licht bezit zij beide hart en verstand, maar vereenigd in harmonie en niet eenzijdig werkend als een van beide op zichzelve. In haar vurigen glans verschijnt zij mij als de Hindoesche godheid, met het vernielend, maar tevens het scheppend beginsel, dat zij in zich saamvat. Zij heeft onze kunststukken vernietigd, maar zij roept nieuwe uitkomsten in het leven. Vorst verdwijnt en de werking van Lucht verandert en wordt gewijzigd naar de eeuwige wetten; in een zoelen wind suist het en fluistert mij in het oor:

--Troost u, de kunstwerken zijn vergaan, maar andere en nieuwe komen weer te voorschijn en zullen verrijzen, nog schitterender en gloeiender, en oorspronkelijker dan de vorige. Het zijn slechts veranderlijke vormen die voorbij zijn gegaan, maar de kunst en het schoone gaan niet voorbij: hunne verschijnselen in de vormen der stof zijn vergankelijk, maar zij zijn eeuwig!

* * * * *

EEN OUDE STRIJD.

Wat de dichterlijke geest der middeleeuwen in zijne phantastische _doodendansen_ op zoo menigvuldige wijze afbeelden, en met zoo veel diepen en bijtenden humor op de wanden der kerken, in de teekeningen der handschriften of de initialen der eerste drukwerken voorstelde, heeft niet opgehouden te bestaan. Het is nog altijd de oude strijd tusschen leven en dood. Als de Noordsche reuzen, Zomer en Winter, werpen zij elkander beurtelings onder. Altijd heeft wel Holbeins knekelman de overhand--maar slechts voor een gegeven tijd, en telkens staat een nieuw leven op om den strijd te hervatten en op zijne beurt den "koning de verschrikking" te overstelpen. Het gras schiet onder de zeis van den onverbiddelijken maaier toch weder op. Uit de stof van het vergane ontwikkelt zich een nieuwe groei.

Noemt gij onder de vele tegenstellingen, die elkander kruisen, en elkander schijnen te vereischen om elkander aan te vullen, die van leven en dood alledaagsch, zij is niet minder snijdend en gedurig nieuw in de bijzondere vormen, waarin zij optreedt.

Ziet daar den stoet, die de dooden wegbrengt, langzaam de straten doorgaan, en de scherpste tegenstelling vormen met al wat hij ontmoet. Er zijn bakkers, die aan de levenden brood brengen; artsen, die het leven gaan verdedigen; kooplieden, die, vast op het leven steunende, twintig jaren vooruit hunne plannen berekenen; lange rijen van fraaie huizen in aanbouw gaat hij voorbij; verder een orgel, waarvoor kinderen dansen; het orgel houdt even op voor de zwarte mannen, en de kinderen kijken naar den stoet met een verbaasden glimlach om wat zij niet begrijpen, en het speelt weder voort. Verder gaat de stoet en nadert de uiteinden der stad; eerst nog voorbij drukke pakhuizen, en fabrieken niet, hare stoomende, snuivende, rammelende en kletterende bezigheid; de haven laat hij links liggen, met al hare schepen, waar het bootsvolk zingend bezig is de zeilen te hijschen voor de reis naar een ver land om van daar de geriefelijkheden voor de levenden weer mede te brengen.

De zwarte wagenmenner, die onder de wippende huilebalk zijn winst zit te berekenen, is de stad uitgereden, en langzaam gaat het nu door dreven, waar de natuur met haar frisch groen, hare vruchten en bloemen niets dan weelderig leven verkondigt. Een half uur later heeft die stoet zijn werk volbracht, en alles is omgekeerd: de dood had al die mannen met zijne machtige vuist een oogenblik bedwongen, zij ontworstelden zich aan dien greep, zij keeren terug tot het leven, het leven neemt de overhand, en de stoet, als uit eene dommeling ontwaakt, is, als door terugwerking der tegengehouden veer, bij uitstek levendig geworden. De doodenrijder, moderne Psuchopompos of Thot, zweept de paarden, die, de koppen schuddend, wakker wegdraven: de volgkoetsen rijden luchtig voort, dartel schuddende op de riemen; de zwarte dragers ontheffen hunne aangezichten van de nederwaarts gebogene lijnen, en wenkbrauwen, oogen, mond staan weer in de gewone plooien.

Deze optocht, die dagelijks als eene sombere frons het anders levendige gelaat der stad rimpelt, heeft ook daar geen spoor meer achtergelaten, en in de werkzame, levendige stad ziet de terugkeerende stoet er als iets vreemds, iets onbegrijpelijks, iets bespottelijks uit.

Wij zijn de stad straks uitgegaan en den landweg op, en dezen volgende komen wij in een dorp.

De oude tegenstelling vindt gij ook daar. Gij zult haar kunnen ontmoeten in een klein nederig huis, dat geheel gesloten is. Nog gisteren was het open, en prijkte het eenige raam met verschillende winkelwaren. Achter in den winkel lag een hoop talhout en turf, benevens klompen en touw; worsten hingen van de zoldering af en aan een houten rek boven de toonbank eenige bundels vetkaarsen. Maar voor het raam was eene heerlijke uitstalling; daar lagen, tot mondterging van alle kleine broekemannetjes, die naar de bewaarschool gingen, wat appels, een schoteltje, waarop eenige geelgestreepte brokken, en wat zoetgoed, in eenige koekjes van een hoogst verdacht en dubbelzinnig voorkomen en van de zonderlingste kleuren bestaande--een gruwel voor u, mevrouw, als men ze had durven vertoonen aan uwe theetafel met de fijne Japansche kopjes, eene heerlijkheid voor de kleine schoolkinderen, die er op de toonen naar stonden te hunkeren en met de vingers tegen de glasruiten er naar wezen; zoo valt er over de smaken niet te twisten. Voorts hingen daar drie geelgroene sigaren aan een touwtje, en er stonden ook twee bierglazen, een met knikkers en een met griffels gevuld; en op eene van de ruiten was een papier geplakt, dat "doopgoed te huur" aankondigde. En waarlijk! er hing ook eene prent van Klein Duimpje, die ik al zoo lang tevergeefs gezocht had, namelijk een ouden, echten Klein Duimpje, geen nieuwe namaak. Want ook deze antiquiteit wordt, als zoo vele andere oudheden, nagemaakt! Maar dan is de charme er af, de geur van archaïsme en naïefheid verloren. Zelfs de versjes worden gemoderniseerd en verliezen al hunne waarde. Nog herinner ik mij een van die tweeregelige onderschriften:

Moeder zeit wel dat is fraai Daar zit hij in de eetschapraai.

Wat dat beteekende wisten niet alleen mijne kornuiten niet; ook de groote menschen begrepen het niet meer. Maar ik wist van mijn vader, die oude boeken kende, dat schapraai oudtijds een kastje, een buffetje zouden wij nu zeggen, beteekende en ik was trotsch op deze kennis. Het was mijn eerste woord Oud-Hollandsch, en het heeft misschien invloed uitgeoefend op mijne zucht om er meer van te kennen. Later verlangde ik dikwijls naar zulk een ouden echten Klein Duimpje als eene herinnering aan de jeugd. Ik zocht er naar, alsof het den houtprenten gold van een Spieghel onser Behoudenis. Maar ik vond hem nooit. Wel nieuwe namaaksels, zonder de eetschapraai, die de moderne kunstenaar en dichter niet begrepen en weggelaten hadden. En hier hing nu een echte, zeer kunstig en eenvoudig afgezet met ronde vlakjes rood en groen, die op elk figuurtje met losse hand waren uitgestrooid, geheel onpartijdig, waar zij ook neerkwamen.

Ik wilde die prent koopen, maar de deur van het winkeltje was gesloten: van al de heerlijkheid is vandaag niets te krijgen, en als de kleine jongens hooren, dat dit zoo is, omdat de oude winkelier dood is, dan begrijpen ze er niets van, omdat dit woord voor hen zonder eenige beteekenis is, of zij vinden den dood iets zeer ondeugends, omdat dat ding hen belet bij het koopen van een griffel een brok toe te krijgen van den goeden man.

Zagen wij in de stad het leven de overhand nemen, hier heeft op het oogenblik zijne machtige tegenpartij het gewonnen. De groote medicijnflesch van den meester heeft er niets tegen kunnen doen, en staat nu op den schoorsteen in het kamertje achter den winkel, en de kurk kijkt schuin en verlegen op de deftige bef neer, alsof zij zeggen wilde: daar komen wij gek af. De hoog en bijna tegen de zoldering hangende schilderijtjes en de spiegel zijn naar den muur omgekeerd; zooals dat, zoowel uit een soort van eerbied als van bijgeloof, pleegt. Alles is verzegeld, maar ééne kast met hardgeel geverfde deuren niet, en als gij die opent, ziet gij daar een alledaagsch, maar even ondoorgrondelijk iets. De oude man, die daar ligt, is geen zeer bekend of publiek persoon geweest; zijn strak gelaat, met die bijzondere uitdrukking, die gewoonlijk aan den mond van dooden eigen is, moge ernstige denkbeelden inboezemen en een heer van gedachten--maar het zegt niets aan den beschouwer over het geheim van het innerlijk leven, van het zedelijk en geestelijk bestaan van dien man; misschien was hij goed, voortreffelijk, misschien slecht, misschien was hij gelukkig of diep rampzalig. Alleen zijn koud kleed ligt daar nog, zijn tast--en zichtbare vorm,--het etherische is weg, vervlogen als een vlug zout, waarvan de flesch gebroken is.