Chapter 19
In een hoek der Romeinsche Campagna, een achttal mijlen van Rome lag een dorp, waarvan een der uiteinden in verspreide huizen in de vlakte uitliep. Op de laatste dier kleine woningen scheen de volle morgenzon. De dik gesmeerde kalklaag, wit--geel en rossig, was met hare sterke kleur in scherpe tegenstelling met den blauwen, maar door de tusschentonen der lucht zacht getinten hemel; een ruw traliewerk stutte en leidde de takken en het donkergroene loof van den vijgeboom tegen het huis, die eene heldere schaduw gaven op den muur, op de posten der deur, en gedeeltelijk op het meisje, dat, tegen de stijlen leunend, daarin stond. Sterke kleuren sierden het kind van het land der kleuren, een zwart fluweelen keurs op een blauw en rok, een voorschoot met bonte rijen bestreept en een veelvervige doek op het hoofd.
Wat gewaarwordingen woelden al in dat jonge brein rond? Zij sloeg geen acht op de groepen van pelgrims, die den moeilijken, bergachtigen tocht van Viterbo af voortzetten, pelgrims van verschillenden leeftijd en kunne, meest van geringen stand. Zij bemerkte het niet waar die haar dorp doortrokken en weer verlieten, de dorre Campagna over, allen in de richting der heilige stad, en zij lette op de devotie niet van velen, die op de knieën vielen en zich kruisten bij het gezicht van den koepel van Sint Pieter, als die zich voor het eerst in de verte aan hen voordeed. Toch had zij ook zelf een rozenkrans in de hand, maar die haar onbemerkt ontglipte. Ook haar blik was strak gevestigd op den koepel van het heiligdom; maar indien wij aan de gevoelens, die in haar gemoed dooreenwoelden, vormen hadden kunnen geven,--en ze had het kwalijk zelve vermoogd in dien eersten wordingstijd van het nog maar ten halve zelfbewuste leven,--wij hadden andere dan geestelijke denkbeelden opgemerkt. Dan hadden wij dien koepel zien worden het teeken der wereldstad, der groote, weelderige, levendige metropool, waar het leven, aan de bespiegelingen en de eenzaamheid ontrukt, den onverpoosden strijd oplevert van het haken naar genot, naar voldoening, een leven, dat zichzelf ten doel is.
--Moeder! riep zij, omziende naar binnen, waar blijft gij, kom, kom! en zij stampte met den voet. Na eenig talmen verscheen de moeder, eene getaande, nog krachtige, maar oud schijnende vrouw.
--Ja, ja, mijne Mona, uwe moeder is zoo sterk en vlug niet meer als haar schoon kind. En zij streelde de wang van het meisje, dat door eene beweging van haar arm die liefkoozing afduwde.
Waarom wilt gij dan ook te voet naar de stad gaan? Waarom tuigt gij den ezel niet op?
--Wij moeten wat voor de Heiligen overhebben, antwoordde de oude vrouw, onze reis zal voorspoediger zijn, als wij ook het offer onzer vermoeienis brengen.
De moeder kuste den Sant, die aan den post der deur was gespijkerd, nam den staf met het kruis op en de gevulde omvlochten flesch, en den zak met eetwaren en wat vruchten, en zette zich in beweging. Het meisje droeg niets dan een tak van den vijgeboom, waarmede zij zich waaide en beschaduwde. Zij trokken over de onbebouwde gronden, aan wier verbetering niemand scheen te denken, en waarop het water van regen en overgevloeide stroomen bleef staan in poelen, wier ongezonde uitwaseming de lucht bedierven. Zij gingen den gelen Tiber over, de voorstad door tusschen eene rij van kleine huizen ter eene en een hoogen muur ter andere zijde, totdat zij kwamen aan de _Porta del popolo_. Daar vonden zij de landlieden, beladen met de koopwaren, die zij in de stad kwamen brengen; moeder en dochter droegen geen koopgoederen; het meisje zelf was de waar, die door de moeder moest verkocht worden.
Nadat zij hare devotie gedaan en den zegen ontvangen hadden, gingen zij naar de trap der _Piazza di Spagna_, waar de kunstenaars gewoon waren, hunne modellen te vinden.
Met een jong schilder uit het zuiden van Frankrijk, Charles Moreau, die de Italiaansche taal goed sprak, had de moeder weldra een gesprek aangeknoopt, dat echter tot geene overeenkomst leidde. Beide vrouwen volgden hem evenwel de straten door, tot in zijn atelier. Moreau, hetzij hij in gedachten was, hetzij hij geen modellen noodig had, sloeg niet veel acht op haar.
Hij stapte in zijn atelier op en neder en antwoordde, dat hij niets behoefde. Toen rukte Mona's moeder haar het hoofddeksel af, den halsdoek van de schouders en opende geheel haar bovenkleed.
Zij is toch schoon genoeg, Signore, zeide zij op scherpen, verbitterden toon, gij zult ze niet schooner ontmoeten.
Moreau zag op. Hij zag nu de uitnemend schoone maagd aan, zooals zij daar stond, na de daad harer moeder. Haar gelaat gloeide van het naar het hoofd gestegen bloed, de oogen fonkelden. Het was niet van gekwetste zedigheid, het was van verbeten woede, gemengd met een slechts even door schaamte getemperd trotsch besef van hare schoonheid.
--De par tous les Saints du Paradis, zeide de schilder halfluid, quelles hanches, quel port hautain, et quelle nuque admirable!
De moeder had zich in een zijvertrek op eene rustbank nedergezet, en ging insluimeren. Moreau vatte terstond het denkbeeld eener compositie op. Hij had schetsen gereed voor eene kruisiging. Hij drapeerde en stelde Mona voor eene weenende Maria. De zware tressen waren ontplooid en golfden om hare schouders, de handen waren wringend saamgehouden. De schilder was begeesterd door zijn voortreffelijk model, dat hij dadelijk op zijn doek bracht, en in kloeken aanleg stond er na eene poos arbeidens de moeder Gods, weenende bij het kruis, wier origineel hij het schoone gelaat omhelsde.
Mona's moeder sluimerde rustig voort:--sluimer voort, moeder, en droom niet van den rentmeester, wien een talent was toevertrouwd; sluimer voort, moeder, en droom niet, dat gij uw kind vermoordt, terwijl uw kind de Moedermaagd nabootst, juxta crucem lacrimosa, jammerende om den dood van háar kind.
--Stabat mater dolorosa! prevelde de oude vrouw, toen zij ontwaakte. Mona, ik droomde, dat de Heilige Madonna mij opnam in haar schoot; en zie, het is de Heilige Madonna, waarin ik nu mijn geliefd kind herken!
Zij ontving haar geld, en de beide vrouwen verlieten de werkplaats. Op de straat gekomen, beproefde de moeder tegen een steen den klank van het geldstuk, en toen zij het echt bevond, stak zij het in haar zak; voor eenige kleine muntstukken kocht zij aan den hoek der straat in eene kraam met gewijde voorwerpen een gezegenden penning, dien zij aan Mona's bidsnoer bevestigde.
Toen zij den terugtocht hadden volbracht en te huis waren gekomen, was de oude vrouw bijzonder tevreden. Het ongedierte, dat haar buurvrouws vruchten had geteisterd, had de hare gespaard, en behalve deze en andere blijkbare gevolgen harer devotie, had zijzelve met hare dochter een zegen ontvangen, hadden zij een offer gewijd aan een Heilige en nog geld overgewonnen. Wat al zegen en heiliging! Alleen één heiligdom was ontwijd de kuischheid van het gemoed haars kinds.
De zoo zichtbaar gezegende bezoeken werden telkens hervat, want de Fransche schilder betaalde ruim. Wel was het eene vermoeiende taak voor de reeds bejaarde moeder, die herhaalde tochten naar de stad te doen. En dan was de dochter nog norsch en stug.
--Wat prevelt gij toch, moeder?
Zij prevelde wat; daar kwam iets in van, wat een moeder toch sloven moet voor haar ondankbaar kind.
Behalve voor het groote passiestuk, had Moreau zijn schoon model voor verschillende onderwerpen en studies gebezigd. Zij poseerde voor Madonna's, voor Sint Catharina's, voor Sint Caecilia's, voor Magdalena's, en door de verschillende onderwerpen der _heilige kunst_ heen, duurde het niet, lang of zijzelve was eene Magdalena geworden--zonder de boetvaardigheid.
Moreau hield haar bij zich. Zijne huishouding deed zij niet, dat liet zij aan de kreupele dienstmaagd over; maar zij was altijd in het atelier, waar zij zich, als de schilder werkte, den tijd verdreef met dansen, en het ontwikkelen van een talent, dat aan deze ongeletterde op zonderlinge wijze eigen was, het declameeren van volksliederen en het improviseeren. Moreau had haar eene tamboerijn gekocht en wanneer zij daarop met lossen zwier der hand spelend, in bevalligen tarantelladans rondzweefde, te midden der met schoone vormen en kleuren bedekte wanden of somtijds zangen improviseerde, terwijl de kunstenaar met begaafde hand voortwerkte, wat schitterend tafereel vormden zij dan, en wat scheen het leven dan heerlijk en benijdenswaardig schoon!
In de vroolijke bent van kunstenaars van allerlei landaard, nu eens op speeltochten, dan bij de gewone samenkomsten der kunstbroeders in eene villa buiten de stad, de Villa Gloriosa, was Mona spoedig opgemerkt. Zij kreeg er burgerschapsrecht. In dat vrije wettelooze leven, een leven naar instinct en naar alle luimen, ontwikkelde zich Mona's karakter met al, de scherpte, al het opbruisende, die er aan eigen waren. Trotsch was de gevallene Magdalena, en wie haar het hof maakte zou het lot wedervaren van dien eene, wiens vrijheden met een klinkenden slag in het aangezicht waren ingetoomd. Zoo werd zij geëerbiedigd, om hare gaven van zang en dans toegejuicht en kreeg zij zekere overmacht.
Bij de Porta del popolo was een klein theater, waar operetten en paskwillen werden vertoond en toen zij daar een paar malen was opgetreden, kwam haar roem uit den kleinen kring der kunstbroeders in den grooteren des publieks. Hier leerde zij ook eene nieuwe wereld van kunst kennen, die een diepen indruk op haar ging maken, de kunst der tonen. Die tonenwereld werkte krachtig op haar prikkelbaar gemoed, dat er soms tot extase door werd opgevoerd, soms aangegrepen en vastgekluisterd, en door eene onverklaarbare overmacht werd getemd. Zij had er haar meerdere in erkend. Hier kwam het talent, dat zij reeds vroeger enkele malen had uitgeoefend, eerst recht tot bewustzijn, de gave der improvisatie.
Zoo had zij een groot jaar geleefd, verdeeld tusschen het atelier, tusschen de vroolijke bijeenkomsten in de Villa Gloriosa, en bijwijlen het optreden in het kleine theater als improvisatrice, waarmede zij reeds eenigen roem begon te verkrijgen. Toen kwam de tijd, die eene verandering in dit leven teweegbracht, want Moreau moest huiswaarts keeren. Zijne _mater dolorosa_ was voltooid en met dit groote werk wilde hij zijn vaderland bezoeken om er de ontwikkeling zijns talents ten toon te stellen.
Het kostte den luchthartigen schilder niet veel moeite, den lossen band, die hem aan het Romeinsche meisje bond, geheel te ontknoopen. Hij pakte zijne schilderijen en studiën ter verzending, en op een najaarsmorgen stapte Hij na Mona omhelsd en haar nog een zakje met scudi gelaten te hebben, in zijn rijtuigje en verliet Rome.
Mona had hem zien vertrekken; vóór het afscheid had zij menige hartstochtelijke uiting van gevoel; toen hij wegging, stonden hare oogen droog maar gloeiend. Thans keerde zij in het atelier terug, en te midden der kale wanden barstte zij nu in tranen los.
--Verlaten! riep zij, de trouwelooze!--Hier ben ik verkocht, hier ben ik gevallen, hier ben ik verlaten: vervloekte wanden!--Welk lot heeft eene vrouw! de man verlaat, zij _wordt_ verlaten!
Zij zette zich op de rustbank neder en bleef met het hoofd in de handen zitten. De jaren, die voorbijgegaan waren, gingen nog eens hare verbeelding voorbij; het bewustzijn rees op, dat eene periode in haar leven was afgespeeld, en zij zuchtte daarom niet naar een toestand, die niet meer te herroepen was. Toen sloeg zij de oogen fier op, keek de toekomst stout in het gelaat zooals zij het gewoon was, ieder te doen, en brak door eene hevige daad het verleden af.
Zij nam het zakje met scudi, en den inhoud in hare hand nemende, slingerde zij dien door het vertrek.
--Voort, vuilaardig geld! riep zij, ik wil liefde, ik wil hartstocht, maar geen geld.--En nu Antonio, ben ik aan u.
* * * * *
Onder de kunstbroeders der Villa Gloriosa behoorde sedert eenige maanden een jong Duitsch musicus. Hij had al naam beginnen te maken in zijn vaderland, dat in de tweede helft der vorige eeuw in hem een van de voorloopers bewonderde der toonkunst, die in het laatste dier eeuw tot zoo hoogen trap zou stijgen. Vurig, hoewel weinig expansief van karakter, was hij niet tevreden met de ernstige opvatting der Duitsche toonkunst, maar wilde zich ook aan den melodischen rijkdom, aan de zangerigheid en het schitterende der Italiaansche muziek verzaden, om daarmede zijne strengere kunst tot nog grootere veelzijdigheid en rijkdom op te voeren. Het schitterende der zuidelijke aan het geesten gehaltvolle der noordelijke kunst te paren was de droom, het ideaal van den jongen toondichter. Hij bezat een krachtigen, energieken geest bij een diepdenkend, dikwijls in zichzelf gekeerd gemoed. Hij had die diep liggende oogen, die niet altijd spreken, maar de inwendige werkzaamheid doen vermoeden, en in die stemming werd hij gehouden door de inspanning van het streven naar een ideaal, waarvan de middelen om het te bereiken hem nog slechts duister voor den geest stonden.
Anton Kolb had zich terstond tot Mona aangetrokken gevoeld; hij had dikwijls voor haar gespeeld en met de tonen van zijn zangerigen Stradivarius haar gemoed betooverd en haar tranen ontlokt. Tusschen die beide muzikale zielen was verwantschap ontstaan.
Thans bracht de vrijheid ze te zamen.
De stormwind woei: van den schoonen levensboom vielen opnieuw twee bladeren en ontmoetten elkander in den troebelen poel. Zoo kwamen zij bij elkander.
Voor Mona ving nu een ander leven aan: Kolb was niet als Moreau de held van de vroolijke bijeenkomsten, van alle kluchten; zij kwam door hem meer en meer in die wereld van muziek, die zooveel invloed had op haar gemoed; zij leefden in kleiner, intiemer kring, en zij genoot daar een deel van den bijval, die aan Kolb onder de zijnen geschonken werd.
Hij had een geruimen tijd besteed aan het beschouwen en genieten van al de schatten van verschillende kunst, waaraan Rome zoo overrijk is, en zich daarna met ernst en stalen ijver aan het werk gezet.
Nadat hij den winter en het voorjaar geheel aan zijne studiën had gewijd, had hij behoefte aan rust en ontspanning ontwaard, en was met Mona de zomerhitte gaan ontwijken in de koele bergstreken. Daar leidden zij een landelijk leven en dikwijls deden zij wandelingen in de schoone streek. Menigen avond zaten zij op eene der hoogten de koelte te genieten. Het was op een dier avonden, dat Mona lucht gaf aan hetgeen zij reeds vaak had gaan opmerken. Zij zaten op eene open plaats, waar zij een ver uitzicht hadden in het verschiet, eene plek, die Kolb in den laatsten tijd tot zijne dagelijksche wandeling koos. Mona zag op naar den man, wiens blik aanhoudend westwaarts trok naar de ondergaande zon en het verschiet als wilde doorboren.
--Antonio, zeide zij, wat zoekt gij toch daar? Altijd gaat gij zitten staren naar de dalende zon, en dan betrekt uw oog als de hemel; gij ziet er uitgeput uit, welke kwaal verteert u? Gij wordt hoe langer hoe meer ingekeerd in uzelven! Uwe kunstbroeders zien u niet meer!...
--Zie dat gebergte daar ginds, Mona--als wij nog hooger klommen, zouden wij nog verder kunnen zien--ik wilde daar overheen kunnen zien; daarachter, Mona, ver daarachter ligt mijn land.
--Land van koude en nevel, van sombere levensvormen; daar achter die bergen gaat de zon onder, Antonio!
--Als men eens in dat land is geboren, zeide hij zwaarmoedig glimlachend en het hoofd schuddende, kan men er niet vandaan blijven: Mona, ik wilde het zoo gaarne eens wederzien, voor korten tijd maar wederzien!
Zij rees en hief zich op in hare volle lengte. Haar blik stond donker, en het onweder, dat onder die zware wimpers broedde, brak los.
--Ik begrijp u, zeide zij eindelijk, ik ben u tot last; gij wilt mij verlaten en maakt mij daarom wijs, dat gij naar huis wilt; zoo zijn zij allen--welnu keer terug naar uw koud en kleurloos land, waar geen hartstocht schijnt te zijn; dat uwe bergen en uwe nevelen u bedekken en ik nooit meer iets van u hoore.
--Wie spreekt er van, u te verlaten, antwoordde hij zwaarmoedig. Als gij den moed hebt voor de ontberingen en vermoeienissen der reis....
--Den moed! sprak zij op verachtenden toon, hebt gij in uw land zóó over vrouwen leeren spreken! _Wilt_ gij mij meenemen?
--Mona, gij spreekt alsof gij mijne liefde niet kendet; om u alleen heb ik de terugreis uitgesteld; laat ons dan niet dralen; en zijn blik verhelderde bij het spreken van die woorden.
--En de roem, dien gij hier verworven hebt, en de rijkdom, dien gij verlaat, nu hij u juist zou gaan toevloeien?
--Roem verzadigt spoedig,--, er zijn andere behoeften in het menschelijk leven, die zich sterk doen voelen.
--Welke?
--Vraag dit niet: het leven is raadselachtig, en wie kan liet ontcijferen! Onwederstaanbaar is de drang, die mij drijft.
* * * * *
Hoewel Kolbs verlangen tot het hevigste ongeduld steeg, duurde het nog eenige maanden, voordat zij de reis konden aannemen. Zij gingen eerst naar Rome terug. Toen Kolb er zijne zaken had afgedaan, konden zij die stad verlaten en begaven zij zich naar Florence, van daar naar Miliaan, waar zij het eind van den zomer doorbrachten, en toen, hoewel het reeds laat in het najaar begon te worden, de wegen slecht waren, en de reis in dien tijd nog niet door allerlei vervoermiddelen gemakkelijk gemaakt werd, vingen zij den tocht aan.
Had de Italiane van haar moed gesproken, hij werd op de proef gesteld. Zij hadden Lombardije verlaten, waren de Alpen overgetrokken, en thans lag al wat aan Italië herinnerde verre weg; geen bekende klank trof meer haar oor, de middelen raakten uitgeput en het was nog ver, tot in het hart van Bohemen, dat zij moest voorttrekken.
Antonio had zijne veerkracht voelen wassen: hij had den grond weder onder zijne voeten, waar men zijne taal sprak, het oude, trouwe Duitschland. Hij vond de kracht, zich nieuwe middelen te verschaffen door zijne kunst. Van stad tot stad reisden zij nu, overal zijn talent doende hooren, terwijl Mona als improvisatrice optrad. Op deze wijze bereikten zij, trots alle hinderpalen, de Boheemsche stad, die de plaats hunner bestemming was.
Kolbs ouders waren reeds lang overleden, doch eene zuster zijner moeder hoopte hij hier te vinden. Maar ook zij was er niet meer. Zij bleven zich niettemin in deze stad ophouden, en kregen hun intrek bij het burgergezin eens schoenmakers in eene van die nauwe straten der oude Duitsche steden, waar de overhangende verdiepingen der huizen elkander hoe hooger des te nader komen en het uitzicht op de lucht beperken. Kolb hoopte door zijne kunst in hun onderhoud te kunnen voorzien.
Arme Mona! zij was neergedrukt geworden. Moed had zij nog: hare verachting voor de zwakke, blonde Duitsche deernen hield haar gevoel van eigenwaarde en haar trots staande. Toch was het haar aan te zien, dat het oog den helderen hemel van haar land niet langer weerkaatste, dat zij in den vreemde was. Dit alles wekte in haar, van nature reeds zoo hevig, gemoed een gevoel van opstand tegen al wat haar omringde, van levensverbittering. Ofschoon zij zoowel door Kolbs bijzondere persoonlijkheid, als door zijne kunst, op het sterkst aan hem verbonden was, waren de hevigste uitvallen toch vaak de gevolgen van haar tegenwoordigen gemoedstoestand.
In zulke oogenblikken nam de musicus zijne viool en begon te spelen, tot zich haar overspannen zinnen ontspanden, en de hardheid en scherpte in zachte verteedering versmolten.
De avonden werden lang. Kolb gebruikte ze tot den arbeid, in spel of compositie. Op een dier avonden, terwijl de voorboden des winters, guurder en scherper dan de winter zelf, zich deden hooren, zat hij zijn geliefden Stradivarius te herstellen, terwijl Mona zich gekleed op het bed had nedergeworpen. Daar hoorden zij, contrasteerende met de regen- en hagelslagen tegen de ruiten, beneden in huis de harmonieerende tonen van een driestemmig gezang, door eene viool begeleid. Eerst was het een dier heldere volksliederen, waarvan het motief in allerlei vormen bewerkt was; dan ging het in statiger rythme voort, dan zette het zich uit, en zwol, breed en breeder, als met uitgeslagen wieken, tot een majestueus largo, waarvan de grootsche, stoute vormen ten slotte in het gemoed overbleven, als enkele monumentale rotsblokken in de ruime vlakte.
--Jezus Maria, Antonio! riep ze, opgesprongen. Wat is dat!
Zij hadden de deur geopend, en beiden stonden op het portaal, in het donker, vastgekluisterd door de macht dier tonenpoëzie.
Mona had zich gebukt, als om beter te luisteren; toen Anton haar zocht en tastend haar gelaat ontmoette, werd zijne hand bevochtigd, en vond die hand haar geknield op den ouden vloer van het portaal. Wat hij niet tasten kon, het was de stille uitstorting des gemoeds, die in haar plaats had; het was het gebed, dat zij voor het eerst van haar leven, zonder rozenkrans, zonder geestelijke, zonder altaar, uit loutere aandrift, in zich voelde oprijzen, als de stroompjes eener kleine wel, die opborrelen uit het slijk.
Kunstenaar, gij zoekt het ideaal uwer kunst,--speel nu voort op die teedere sterk gespannen snaren van dit prikkelbaar gemoed; doe ze trillen, opdat er eene golving ontsta en blijve, waarvan de tonen niet wegsterven in het eindige!
* * * * *
De indruk, door Mona dien avond ontvangen, duurde dagen lang voort, en menigmalen zat zij te peinzen met de hand in het weelderige haar, het hoofd op den elleboog geleund. In de schemering zaten zij zoo, zij in zichzelve verzonken.
--Antonio! zoo brak zij plotseling de stilte, waarom zijt gij naar Rome gegaan?
--Wij kunstenaars plegen in Italië voedsel voor onzen geest te halen, onze kunst te volmaken; zonder Rome blijven de hoogten der kunst ons verborgen.
--Toen ik een zuigend kind was, lag ik al op de trappen der _Piazza di Spagna_; sinds mijne oogen het eerst zich openden, heb ik alom de kunst gezien, die de geheele wereld komt bewonderen; mijn leven heb ik onder de kunstenaars doorgebracht,--Antonio, ik heb nooit een indruk zien uitwerken of zelf ontwaard als het gezang van laatst deed ontstaan. Wat behoeft men naar Rome te komen, als men hier kan wat _wij_ nooit gehoord hebben?
--Deze muziek is u vreemd, daarom treft zij u zoo het is maar een stuk uit een oratorium; maar wij kunnen het daarbij niet laten; onze kunst moet tot grootscher en veelvoudiger samenstellingen opgevoerd worden.
--Gij hebt mij zoo dikwijls betooverd met uwe muziek, Antonio, maar dan was het altijd door dat, wat ik hier zoo uitsluitend in aantrof, dat reine en stillende;--er is een ander deel in uwe kunst, dat mij soms bevreesd maakt: het is dat diepe, bovennatuurlijke; ik denk bij uw spel altijd aan wit en zwart;--_hier_ was het alles wit;--ik kan het niet anders uitdrukken, liet zij er op volgen.
--Het is het naïeve en het eenvoudige, dat u heeft getroffen, door de grootheid, die deze soms bezitten, zeide hij glimlachend, maar alle kunst moet tot hooger zelfbewustzijn opklimmen, en daarin wordt zij het demonisch spel van geest en zinnelijkheid; vandaar in alle hoogere kunst niet enkel het effen vlak der onbewuste onschuld, maar de ernstig-sarcastische strijd van idee en werkelijkheid.
--Wat moeten zij gelukkig zijn, wat moeten zij rein wezen, die de muziek zoo kunnen uitvoeren als deze; ik wilde ze wel kennen, maar ik vrees, dat zij mij niet willen ontvangen.
Zij kreeg er zeer spoedig en onverwacht eene aanleiding toe; want op een avond hoorden zij de tonen der viool weder; de hand, die haar bespeelde, bezat al groote kracht, maar niet altijd meesterschap; zij herhaalde dikwijls gedeelten, waarover de speler niet voldaan scheen. Nu was het Kolbs beurt om verbaasd te zijn.
--Hoor, zeide hij, Mona, hoor! Hoor, die rythmen, hoor die onstuimige reeksen van klanken, hoe zij afgewisseld worden door tonen, die de uitdrukking zijn van eene door onuitsprekelijken weemoed verzwolgen ziel; hoor de worsteling om weer tot de oorspronkelijke melodie terug te keeren,--bij den hemel, die daar speelt heeft den componist begrepen, dat is van mij, Mona, dat is mijn werk!