Vlindertje: een Haagsche roman
Part 5
„—Maar is er nu niemand onder al de jongelui waar je dan láter misschien eens op zou kunnen verlieven?” vroeg hij nog eens. „Is de Sandt dan geen aardige kerel? En van den Bergh, en Waalen?”
„—Zeker, héél aardig, Pim, en ik zou ze niet graag missen, maar toch heelemaal niet om verliefd op te zijn, vind ik. Heelemaal niets bizonders voor jouw Ellie.”—
„—Dus dan zul je wel nooit trouwen, denk je?—”
„—Dat zeg ik niet.... je weet nooit wat er later nog eens kan gebeuren.... Maar nú op het moment dénk ik er in alle geval nog niet aan. Het is veel te leuk zooals het nu is, Pim. Ik ben veel te gelukkig met al mijn pretjes en mijn lieve huisje, met pa en jou. Laat het nu maar zoo blijven. Het is goed zooals het is. En ik ben nog pas negentien. Ik voel me zoo jong en zoo prettig. Dacht je nu dat ik me daar maar zoo eens even door den eerste den beste uit zou laten halen? Ik zou je danken. Weet je wel dat ik het niets erg zou vinden als het maar altijd zóó hetzelfde bleef, en er nooit iets veranderde?”
Hij voelde een groote blijdschap over hem komen. Dat was nu immers precies wat hij zelf altijd had gezegd! Waarom zou het niet altijd zóó blijven? Was het niet goed zoo? Was zijn leven niet veilig bewaard in zijn vriendschap voor Ellie, en was alles niet rustig en wèl-vertrouwd tusschen hen?
„—Dus dan ben je nú toch wat je noemt gelukkig,” zeide hij, „en weet je wel, dat de meeste menschen volhouden, dat het geluk niet bestaat? De Boeddhisten zeggen zelfs dat al het leven niets dan ellende is.”
„—Nu ja, nu kom je weêr met al die geleerdheden aan. Daar weet ik niets van. Ik weet alleen, dat ik me niets ellendig voel, hoor!”
„—Maar je begint ook nog eigenlijk pas te leven. Je bent nog maar éven over het bakvischje heen. En je bent nog niet ééns flink verliefd geweest!”
„—Nu alweer dat verliefd zijn! Moet een meisje dan per se maar altijd verliefd zijn?”
„—Ja, daar begint haar innigste leven toch eigenlijk pas mee.”
„—Nu, Pim, dan leef ik voorloopig zeker nog maar niet. Want ik geloof niet, dat ik ooit op iemand van al de mannen, die ik nu alzoo ken, verliefd zou kunnen zijn.”
„—Zoo?” plaagde Pim, „zijn die dan allemaal niet goed genoeg voor mijn kokette zusje?”
„—Nu, eerlijk gezegd, neen!” antwoordde ze oprecht, en onbewust een beetje ernstig wordend. „Om je de waarheid te zeggen ben ik wel wat erg op mijn eigen persoontje gesteld. Ik vind me zelf nog zoo kwaad niet. Het is toch heusch wel aardig zoo’n meisje als ik ben, al zeg ik het zelf. En dat nu maar zoo heelemaal weg te geven aan een of ander, ik denk er niet aan. Ik zou het zonde vinden. Denk nu zelf eens de Sandt, of den Bergh, of Waalen, die je daar noemde. Vind je dat nu luitjes om je heele bestaan zoo maar aan over te geven en je prettige, leuke meisjesleventje voor weg te doen?”
Nu, Pim vond het, eigenlijk gezegd, ook niet. En toen hij het haar bekende, zeide hij niet eens, waarom en wat hij alzoo van hen wist.
„—Neen Pim, als jouw Ellie ooit verliefd raakt, dan zal het op héél iemand anders moeten zijn!” zei ze nog, trotsch.
„—Zoo zoo, en wat moet dat dan wel voor een wonder wezen?” vroeg hij nieuwsgierig.
„—Wel, Pim, hij zou héél anders moeten zijn dan de anderen, o! zoo anders. Iets bizonders, weet je. Iets groots en heel sterks. Iets, waar ik, geloof ik, eigenlijk bang van zou zijn. Iets waar je kleine zusje zichzelf zoo heelemaal niets bij zou vinden. Zoo’n heel groote, mooie held, als uit een boek van Ouïda bijvoorbeeld, die iets vrééselijk moeilijks en edels zou gedaan hebben, waarom alle menschen tegen hem opzagen. Natuurlijk heel groot, zooals alle helden, en donker, met zwart haar, en mooie, sprekende oogen. Heelemaal niet als al die malle kereltjes die op het Kurhaus rondloopen. Je zult zeggen dat ik die toch wel aardig vind en er lief tegen ben, maar heusch, in den grond van mijn hart vind ik ze toch niet zoo bizonder. Nu heb ik ook geen behoefte aan iets bizonders, Pim. Ik heb nu juist pret in al het heel gewone, dat weet je wel. Maar als je spreekt van verliefd zijn en trouwen en zoo, waar ik juist mijn gewone leventje van nu voor zou moeten weggeven, dan.... ja, dan zou het toch, geloof ik, wèl iets heel bizonders moeten zijn.... Want ik ben veel te gelukkig, hoor! met wat ik nu heb....”
Ze zeide dit ernstiger dan ze gewoonlijk sprak. Pim had nog nooit met haar over dat onderwerp gesproken, en toevallig was ze er nu zoo diep in doorgegaan. Hij schrikte van den ernst in haar stem, die hij niet gewoon was. En ineens kwam ze hem een beetje vreemd voor en was het hem, of er ergens, heel vaag en ver, een Ellie in haar was, die hij nog niet kende en die ook zijn zuster niet kon zijn. Was er dan ergens vèr achter dat vlinderleventje van haar iets, dat onbewust naar nieuw en heviger leven verlangde, waren er in zijn Ellie, die hij zoo goed kende, dan onbewustheden, die vérder reikten dan naar wat in hun vertrouwd samen-broer-en-zuster leven lag? Maar neen, dat kon toch niet, dat was toch immers onmogelijk! Leek ze, daar nu gezelligjes, in haar keurig costuumpje, haar likeurtje zittend genieten, zoo gracieus en zoo teeder, zoo heelemaal niet iemand om iets hoogs of hevigs van het groote, harde Leven te voelen, enkel lieflijkheid en broze bevalligheid, om met voorzichtige bewondering ontroerd naar te zien! Ze leek nog zoo véél meer een kind dan een vrouw eigenlijk!
En in een hoopvolle opwelling om het gelukkige van nú dan toch vooral goed vast te houden, zeide hij maar geruststellend:
„Dan zullen we dien bizonderen held van jou nog maar wat laten wachten, hoor, en ondertusschen maar doorleven zooals we nú doen. Je hebt groot gelijk dat je je te goed vindt om je zoo maar door iemand te laten inpalmen. En ik doe met je meê, om ons leventje door te zetten zooals het is. We hebben nu eenmaal pret, hè?....”
Hij voelde, dat het niet heelemaal waar was, wat hij zeide. Hij wist te goed, dat er te véél was, wat hem hinderde, te veel van het leelijke en duistere in het leven, dat Ellie niet wist, en dat hij alléén kon vergeten omdat zíj er was om het bestaan voor hem blij te maken. Maar zij stond dan ook zoo vèr, zoo onbereikbaar vèr van al het donkere en slechte!
„—Zeker, hebben we pret,” antwoordde zij lachend, „en laat die vervelende verliefdheden het nu niet gaan bederven! Verliefde menschen zijn altijd vervelend, je moet maar eens opletten! Je zoudt denken dat ze juist altijd pret moesten hebben en gelukkig zijn. Maar de meesten doen toch eigenlijk net of er ik weet niet wat met hen gebeurt en worden ineens zoo héél anders. En ik wil niet anders worden als ik ben. Ik wil altijd dezelfde pret in mijn leven hebben als nu, en altijd even opgeruimd zijn. Zoo ben ik nu eenmaal, dat wéét je wel.”
„—Ja maar, Ellie, je zult toch ook wel eens narigheid krijgen, en verdriet hebben. Dat hebben nu eenmaal alle menschen. Al kan ik me jou niet voorstellen met erg veel verdriet. En jij?”
„—Ik ook niet,” antwoordde ze luchtig.
Maar ineens, peinzend, alsof ze luisterde naar een vage intuïtie, die heel vèr uit de onbewustheden van haar ziel kwam opdroomen:
„—Ik zou geen verdriet kúnnen hebben, Pim. Daar ben ik heelemaal geen meisje voor. Neen, dat voél ik wel. Ik ben niet gemaakt voor verdriet. Ik zou liever dood zijn.....”
Die ongewone ernst, die ándere, dieper stem, die hij niet van haar kende.....
Wat wás het ineens? Wie was het, die daar zoo vreemd uit zijn Ellie sprak, die toch nog net eender, broos, fijn vlindertje, daar bij hem zat?
En ineens voelde hij eene vreemde siddering, alsof, in het luchtige, vluchtige leventje van alledag, een vaag mysterie van Noodlot, nooit vermoed, voor den eersten keer plotseling tusschen Ellie en hem oprees, en tusschen hun beider zielen éven beefde....
Maar dadelijk daarna was het weer weg. Zij was aan ’t stoeien gegaan met Jimmy, die haar mooi batisten zakdoekje wilde grijpen, en lachte luidkeels haar hoog, helder sopraanlachje van lief, vroolijk jong meisje....
HOOFDSTUK VI.
Ellie’s meest intieme vriendin, met wie ze altijd uitging, was freule Louise Mombreuil.
Wies was een erg opgewonden, romantisch meisje, die het leven evenmin kende als Ellie. Zij was sterk impulsief, zich dadelijk overgevend aan een emotie, en handelend naar den eersten aandrang, zonder te denken. Heelemaal een gevoelswezentje, en bedorven door te veel lectuur van romans, was ze zelfs al ééns op het punt geweest, te doen wat men in den Haag een „folie” noemt. Pas zeventien jaar oud, was ze doodelijk verliefd geworden op een ténor van de fransche opera, Lamarty, die de afgod was van de Haagsche dames. Toen zij hem een paar keer als Faust en als Roméo gezien had, was zij hem gaan aanbidden met heel haar romantische, overgevoelige zieltje, en had ze hem in haar extaze zóó maar gloeiende brieven geschreven, met „Mon cher Roméo” en zelfs „Mon Roméo bien aimé” er boven.
Lamarty was gelukkig alleen maar een romantische held op de planken, maar in ’t gewone leven een „bon bourgeois” en een „bon père de famille,” die waarlijk wel wat anders te doen had dan brieven van bakvischjes te lezen.
Hij woonde met een sukkelende vrouw en een ziek kind in bij eene oude dame, in de Pieter Bothstraat, altijd tobbende met een keelaandoening, die zijn stem dreigde aan te tasten, en voortdurend in geldzorgen en allerlei drukten. Iederen dag kwamen er brieven en bloemen en cadeautjes voor hem, die hij niet eens bekeek. De caudeautjes en de bloemen gaf hij aan zijn vrouw en kind, en de oude mevrouw Wester, bij wie hij inwoonde, mocht de brieven voor hem lezen. Somtijds las ze er een voor aan tafel, maar hield spoedig op, als Lamarty zeide, dat het hem embêteerde.
Wies, die maar geen antwoord kreeg, en dacht dat haar brieven wegraakten, durfde eindelijk zelf bij mevrouw Wester aanschellen om te vragen, of zij eigenhandig een brief voor haar wilde geven aan Monsieur Lamarty.
Toen had mevrouw Wester haar medegenomen naar de achterkamer, en haar een lesje gegeven, waaraan zij nog lang daarna dacht. Eindelijk had zij Wies door een kiertje van de suite-deur laten zien.—Roméo zat in een chambre-cloak en met groote, geborduurde pantoffels aan, heel niet romantisch, in een luierstoel, met zijn ziek kindje van vier jaar op zijn schoot.—En mama Lamarty, erg dik en erg bleek, was bezig, natte doeken te leggen om zijn keel.
Met een hoogen blos van schaamte, en tranen van teleurstelling in de oogen was Wies, die niet eens wist dat Lamarty getrouwd was, het huis uitgeloopen, geheel genezen van haar adoratie voor Faust en Roméo.
Ellie had het uitgeschaterd van ’t lachen, toen Wies haar die tragische liefdesgeschiedenis had opgebiecht. Zij kon zich absoluut niet begrijpen, hoe haar vriendin zoo dol had kunnen zijn. En zij begreep ook niet, dat het Wies véél meer verdriet had gedaan, dan ze wel liet bemerken, en dat er iets heel fijns en teêrs in haar door die ontgoocheling was gebroken, dat niet zoo gauw weer in orde zou komen. En nooit had Wies daarna meer zoo intens gevoeld en hartstochtelijk met iets gedweept als vroeger. Zij vertrouwde haar eigen gevoel niet meer, en kon nooit meer zoo heelemaal zalig in iets opgaan als ééns.
Maar één ideaal was toch altijd rechtop blijven staan, misschien omdat het zoo ver weg was, en ze het dus niet van dichtbij kon zien. Dat was haar broer Maurice. Er was géén man op de geheele wereld als haar broer Maurice Mombreuil. Hij was officier in Atjeh, en vocht daar als een held. En altijd door kreeg Ellie het van haar te hooren hoe mooi, hoe edel, hoe groot, hoe dapper hij was, de heerlijkste van allen, de ridder sans peur et sans reproche. Toen zij ook later in de couranten werkelijk zijn naam las, hoe hij zich onderscheiden had in dít en dát gevecht, hoe hij zijn commandant van den dood had gered, met eigen levensgevaar, en hoe hij een gevaarlijk Atjehsch hoofd, dien men voor onkwetsbaar hield, gewond en gevangen genomen had, was ze eindelijk zelf ook met Wies mede gaan dwepen, en aan hem gaan denken als aan een mysterieuzen held, ergens in vreemde landen vol doodsgevaren, vèr, vèr over de zee, zooals zij zich vroeger helden had gedacht uit romans van Aimard en Cooper, echte jongensboeken, die Pim haar stilletjes leende, en waar ze dol op was geweest. Het eenige onderscheid was dat hij tegen Atjehers vocht in plaats van tegen Roodhuiden, zei Wies, maar anders was het toch hetzelfde, en Maurice was een even groot held als Edelhart of Valentin Guillois, met wien ze vroeger zoo gedweept had, en die, zooals ze later had geleerd, nooit konden bestaan dan alleen in romans.
En doordat Wies elken dag over haar broer sprak, en dat hij zoo mooi, en dat hij zoo groot, en dat hij zoo edel was, werd hij langzamerhand, ofschoon zoo vèr in Indië, een vertrouwde van hun beider vriendschap, alsof hij er nu eenmaal bij behoorde, in haar intimiteit. Omdat ze wist, hoe ’n plezier het haar deed, vroeg Ellie altijd aan Wies, of ze geen tijding van haar broer had, en hoe hij het maakte, en wat hij had geschreven. En door zijn vér zijn, en toch altijd besproken worden met enthoesiaste, bewonderende woorden, was hij voor Ellie als een droombeeld, buiten de werkelijkheid, en dat daarom heel mooi en heel vaag tegelijk was, als de held van een roman, te groot en te edel eigenlijk om te bestaan, alleen maar om aan te denken met eerbiedige bewondering.
Totdat op zekeren dag Wies zenuwachtig haar boudoirtje binnenstoof, haar snikkend en lachend tegelijk om den hals viel, en het uitschreeuwde van vreugde:
„Ellie! Ellie! Hij komt terug.... er is een telegram gekomen.... hij komt terug, heúsch, heúsch.... hij kan al héél gauw hier zijn.... o Ellie! Ellie! Ik ben zoo blij, zoo blij!....”
En Ellie wist dadelijk dat het Maurice was, dien zij bedoelde, haar helden-broer, die zoo groot was, en zoo dapper, en zoo sterk, en die nu inééns áánkwam, dáár van zoo héél verre, uit den droom....
HOOFDSTUK VII.
Jhr. Maurice Mombreuil was vroeger een van de beruchtste „lions” van den Haag geweest. Tien jaren geleden, toen Ellie nog een kleine kleuter was, studeerde Louise’s groote broer te Leiden in de rechten. Hij was toen een van de meest getapte studenten, lid van de grootste aristocratenclub, en maakte zich beroemd onder de uitgaande jongelui door zijn maîtresses en zijn hoog spel. Aan studeeren deed hij niets, en toen Leiden hem begon te vervelen, ging hij in den Haag op kamers wonen. In drie jaren tijd had hij het kleine vermogen van zijn moeder er doorgebracht, en zich bovendien zwaar in de schulden gestoken. Toen zijn crediteuren ongeduldig werden, en met een groot schandaal dreigden, sprong zijn oom, de oude minister Mombreuil bij, om den naam van de familie te redden. Hij stelde echter als voorwaarde, dat Maurice tot straf als gewoon koloniaal naar Indië zou gaan. De oude mevrouw Mombreuil en zijn zusje Louise, die hem aanbaden en verafgoodden als een jongen god, deden alles om den minister te vermurwen, maar er hielp niets aan, en den gevierden student bleef niets over dan zich te vernederen en als koloniaal te teekenen.
Algemeen was men verontwaardigd over de hardheid van den ouden Mombreuil. Want Maurice, wélke verhalen er ook over hem rondgingen in den Haag, was nu eenmaal „l’enfant chéri des dames”, die álles kon doen. Hij was „le beau Maurice”, dien nu eenmaal iedereen chérisseerde. O! Zijn mooie, diepe, donkerzwarte oogen, géén meisje was er tegen bestand. En zijn fijne, blanke aristocraten-handen, en zijn zwart, coquet ópgestreken kneveltje, en zijn mooie blosje! Maar vooral zijn kersroode mond, met de witte, parelblanke tanden—de mooiste tanden van den Haag, zeide men—, die mond, zoo lief-zinnelijk tot kussen geplooid, zoo zacht-uitdagend wellustig! Welk meisje was niet verliefd op den mooien mond van Maurice!
En nu moest die mooie, populaire jongen als een gewoon koloniaal naar Indië. Er werd schande over gesproken. De oude minister, schatrijk als hij was, had Maurice toch best kunnen helpen om door te studeeren. Hij was weduwnaar, zonder kinderen, en het zou hem toch gemakkelijk zijn gevallen, zijn neef er weder bovenop te helpen. Die arme, mooie Maurice, verbeeld je, jonkheer Maurice Mombreuil, van den oudsten adel in Nederland, als gewoon koloniaal naar Harderwijk. Was het geen crime?
Wat de wereld niet wist, omdat de minister het uit piëteit voor zijn schoonzuster verborgen hield, was, dat Maurice in een zaakje betrokken was dat uiterst louche bleek te zijn, een geschiedenis van een valsche promesse, niet dan met de grootste moeite uit de handen van den Officier van Justitie gekregen, die nog van de familie was. En hij liet zich met een hooghartig stilzwijgen de verwijten welgevallen, die zijn schoonzuster hem over zijne hardheid tegenover Maurice deed. Hij en Maurice alleen wisten, welke smet, zooals zij dat zouden genoemd hebben, het blazoen van de Mombreuils bijna bezoedeld had.
Maurice had hem met tranen in de oogen bedankt voor zijn grootmoedigheid, toen hij afscheid kwam nemen, maar de minister had hem de hand geweigerd.
„Ik geef je niet eerder de hand vóór ik zeker weet dat je weêr een gentleman bent geworden,” had hij gezegd.
Toen Maurice, diep vernederd, zijn huis was uitgegaan, had hij bij zichzelf een duren eed gezworen, dat hij er nooit weer binnen zou komen, vóór de minister hem er zelf bij de hand zou binnenleiden als een geëerden gast, op wien hij trotsch zou zijn.
En toen was het gegaan als in een roman van Ouïda, te mooi om te gelooven.
Uit Atjeh waren in den loop der jaren fabelachtige verhalen over Maurice gekomen. Hij had zich onderscheiden, had een eervolle vermelding gekregen, was korporaal, daarna spoedig sergeant geworden, en had eindelijk zulk een heldenfeit bedreven bij het bestormen van een benteng, dat hij niet alleen de Militaire Willemsorde had verdiend, maar tevens—een unieke gebeurtenis—bij uitzondering tot officier, tot tweeden luitenant was bevorderd. Wèl fluisterden afgunstigen, dat dit nooit zou kunnen gebeurd zijn, als hij niet Jhr. Mombreuil geweest was, en de oud-minister niet al zijn invloed bij zijn vriend den minister van Oorlog had aangewend, maar toch was hij door deze onderscheiding in geheel Nederland populair geworden. En de generaal had hem direct getelegrafeerd: „Ik ben blij je de hand te kunnen reiken.”
Maar toen eenige jaren later de tijding kwam van zijn roemrijke daad bij de kampong Meurodoh, waar hij in een hardnekkig treffen eerst een der voornaamste vijandelijke panglima’s met eigen hand gevangen genomen had, en later, bij een nachtelijken overval, zijn bataljonscommandant het leven had gered en daarbij zijn eigen leven in de waagschaal had gesteld, was zijn populariteit nog grooter geworden. Hij was tot ridder derde klasse bevorderd, en begiftigd met de eeresabel. Toen was echter tegelijkertijd zijn carrière gebroken, want een klewang-houw over den linkerarm had hem verder onbruikbaar gemaakt voor den dienst.
De oude minister Mombreuil was nu enthoesiast over zijn neef. Hij liep met de verhalen over zijn heldendaden door den Haag rond, of het zijn eigen zoon was geweest, die ze bedreven had. Dát was nu pas een verloren zoon, die zich schitterend geréhabiliteerd had! Trouwens, van een Mombreuil had hij ook niet anders kunnen verwachten! Bon sang ne peut mentir. Ridder van de Militaire Willemsorde derde klasse, door H. M. de Koningin begiftigd met de eeresabel, dat was toch véél nobeler en kraniger dan wat hij ooit had kunnen worden als hij gepromoveerd was. Zeker, hij was een oogenblikje afgeweken, in zijn jeugd, maar als een echte chevalier had hij dat uitgewischt in het bloed van de vijanden zijner vorstin, en het blazoen van de Mombreuils had hij verheerlijkt met zijn schitterende krijgsmansdaden. Nu was het geheele verleden dan ook weg en er zou niet meer over gesproken worden.
Ook zijn moeder en zijn zuster Louise waren in de wolken. Die Maurice! Die heerlijke, beste, groote, nobele jongen! Ze hadden het altijd wel gezegd! En nu zág je het zelf! Hij was ridder geworden, net als vroeger in de oude tijden, ridder door de kracht van zijn zwaard! Ze waren trotsch op hem, en hij had de geheele familie er door opgeheven. Het oude bloed van de kruisvaarders—een Mombreuil was aan de zijde van Godfried van Bouillon gesneuveld—had zich in hém weer geopenbaard. En in de verblinding van hun adellijke ideeën, nog opgezweept door den militairistischen waanzin van den minister, zagen zij nú in den geridderden luitenant ook alle menschelijke deugden, die met zijn dapperheid van vechtsoldaat niets hadden uit te staan. Hij was edel, hij was rechtvaardig, hij was wijs. Hij was het toonbeeld van grootheid en ridderlijkheid. Zijn geheele karakter was nu vergloried door den glans van het ridderkruis en de gouden sabel, en er was geen menschelijke grootheid of zij straalde van hem uit.
Louise, die pas veertien jaar was toen hij uit het land was gegaan, had den „grooten broer” in haar verbeelding al heerlijker en heerlijker zien worden en zij vertelde opgewonden aan al haar vriendinnen van zijn heldendaden. Zij liet hun zijn portret zien, in vol uniform, met de gouden tressen, en de Militaire Willemsorde op de borst. En zóó was Maurice bij de Haagsche meisjes een soort held geworden uit een sprookje, een ridder uit een oude legende van grootheid en dappere heldendaden.
„Wat een mooie jongen!” riepen ze als Louise het portret liet zien, „wat een flinke, mannelijke houding, wat een sprekende oogen! En dien knevel! En dien mond! je mag blij zijn met zoo’n broer, hoor!”
En dan was Louise dol-gelukkig. Allemaal moesten ze van Maurice houden. Allemaal moesten ze verliefd op hem worden. Was hij niet de mooiste, en de dapperste, en de knapste jongen van de wereld?
Nu hij terug zou komen in Holland, telde zij de dagen tot hij bij haar zou wezen. Wat heerlijk, zoo’n grooten broer te hebben, mooi, beroemd, gedecoreerd, die voortaan haar chaperon zou zijn, en overal met haar meegaan! Al werd hij nu gepensionneerd, toch mocht hij de uniform blijven dragen, zei oom, en zij zou wel zorgen, dat hij die altijd aandeed. Wat kranig zou dat staan, die gouden tressen, die ze bij ’t Indische leger hebben, en dan die Militaire Willemsorde en, bij gala, die eeresabel, met dat blinkende, vergulde gevest! Nu zou ze ook véél meer uit kunnen gaan dan vroeger, want als mama geen lust had, of te moe was, om ergens naar toe te gaan, kon ze natuurlijk op Maurice rekenen. Altijd zoo te moeten vragen om met ánderen mee te gaan was toch op den duur vervelend.
Wat zouden de vriendinnetjes haar benijden met dien kranigen, geridderden broer!
Natuurlijk zou Maurice nu ook wel trouwen. Oom had al zooiets losgelaten, van dat hij nu het beste zou doen met een goede vrouw te zoeken. Maar ze moest hem éérst een flinken tijd voor háár houden; níet hem zoo maar dadelijk door een ander laten wegnemen, dát ging niet aan. Eerst moest ze eens goed van hem profiteeren. Dan zou ze later wel eens voor hem uitzien. En als een echt dame-meisje, wier gedachten ganschelijk om dat ééne punt heendraaien van geëngageerd raken en huwelijken, besloot ze, dat zij dat zaakje wel zou opknappen, en een uitstekende partij voor Maurice zou uitkiezen. Maar láter, als ze eerst héélemaal goed van haar mooien chaperon had genoten. Anders had ze er niets aan.
HOOFDSTUK VIII.
Een van Pims eigenaardigheden was, dat hij met allerlei lui omging, die je, zooals men dat in den Haag noemt „niet ziet,” en die niet in gezelschappen komen die nu eenmaal tot de uitgaande fashionabele wereld behooren.