Vlindertje: een Haagsche roman

Part 4

Chapter 44,100 wordsPublic domain

Als kamerlid had hij zich een goeden naam gemaakt. Maar in eene vreemde, nooit tot klaarheid gekomen zaak, waar niemand het fijne van wist, maar waar véél over gefluisterd werd in den Haag, en waarin eenige hoofdambtenaren en notabelen betrokken waren, was ook zijn naam genoemd, en men gaf dit algemeen als reden op dat hij dit jaar niet herkozen was. Niemand wist er echter iets bepaalds over te zeggen en daarom deed de zaak geen nadeel aan zijn positie van algemeen geacht, fatsoenlijk man. Door zijn tweede huwelijk met een douairière van Wedell was hij geparenteerd geworden aan de beste beau monde van het land, en, al was hij er nooit in geslaagd, erg intiem te zijn met die aangetrouwde aristocratische betrekkingen, toch werd hij er geregeld ontvangen, en brachten zij hem beleefdheidsbezoeken. En daar hij zich verder uiterlijk aan al de conventies hield van de burgerlijke maatschappij, op zijn tijd visites maakte, kaartjes pousseerde, op de societeit kwam, en een groot, deftig ingericht huis op de Koninginnegracht hield, bekommerde men er zich weinig om, hoe hij verder achter de schermen zijn privé leventje doorging. Wèl werd er wel eens, gefluisterd dat de oude van Taats, van wien je ’t zoo niet zou zeggen, een stille „pierewaaier” was, maar hij was immers weduwnaar, en nog kras genoeg om op zijn twee en vijftigste jaar niet als een monnik te leven!

Van Taats wist wel voor zich, dat zijn leven eigenlijk een mislukt, pieterig klein ding was met zijn eeuwige geloop achter de vrouwen, maar hij voelde ook, dat hij er niets meer aan doen kon. Hij moest, en kon niet anders, of hij wilde of niet. En die hartstocht, die eerst nog iets moois had gehad van onstuimige, opbruisende, onbreidelbare levenskracht, was naarmate van Taats heviger leefde en ouder werd, ontaard. Hij had te veel van zijn vitaliteit gevergd en zijne uitspattingen waren ten laatste meer cerebraal dan reëel geworden.

Toen was hij langzamerhand afgedaald tot mindere, onwaardiger dingen dan gewone débauches met één enkele vrouw, en hij was in de „basse misère” aangeland, proevend van de verfijnde, savante geheimenissen der allerláátste voldoeningen. Hij scharrelde met entremetteuses van verdachte rendez-vous, en kreeg toegang tot strenge, allerexclusiefste gelegenheden, waar zelfs de meest ingewijde in de Haagsche chronique-scandaleuse nog niet van had gehoord. In die verre, ongure duisternissen van ontaarden hartstocht liep zijn leven langzaam, langzaam leeg, en hij had er zich bij neêrgelegd, wetend dat hij geen kracht had, er iets tegen te doen, en het beschouwend als een soort noodlot, waarmede niet te vechten valt, en dat toch in elk geval aangenamer en inniger sensaties geeft dan alcohol of zooiets. Dat hij zich van buiten zoo voordeed als een fatsoenlijk, notabel burger was ook niet zoozeer huichelarij en valschheid van hem, als wel heimelijke, onbewuste schaamte, als van een oude, respectabele dame, die het niet weten wil, en stiekem achter het gordijn voor het venster een flesch portwijn heeft staan. Hij wilde ook zijne familie en zijne kennissen er geen aanstoot door geven, en deed dan ook al zijne uitspattingen strikt alléén. Nooit nam hij een ander er over in confidentie, niemand was ooit getuige geweest van zijn buitensporigheden.

De lage wellusten waren hem nu eenmaal de baas, maar niemand gunde hij ooit te zien dat hij hun slaaf, hun nieteling was. Zóó lag er nog eerder trots dan schijnheiligheid achter zijn bedriegelijken schijn van fatsoenlijk, conventioneel bourgeois. En diep in de onbewustheden van zijn ziel verscholen lag een schaamte over zich zelf, dat hij zoo’n zwakkeling was, zoo’n laffe kerel eigenlijk, die maar met zich sollen liet wat zijn noodlot wilde en nu in het duister, achter de coulissen van het leven, als een sluiperige dief moest nemen, wat zijn lage wellustjes begeerden.

Maar buiten dat donkere, louche leven, op een geheel ander plan, in een geheel andere sfeer, als het beste in hem, dat er in geslaagd was, zich af te zonderen van al ’t lagere, bloeide, rein als een blanke waterlelie, die zich uit duisteren poel verheft, zijn liefde voor Ellie. Dat was het eenige, wat hij van zijn leven had rein gehouden. Het was te ver boven al dat donker, dat er nooit bij kon, het éénige edele en heelemaal zuivere, dat ooit uit zijn ontaarde ziel was opgerezen tot het licht. En hij koesterde die liefde met iets van het gevoel van den ter dood veroordeelden moordenaar, die in zijn gevangenis een zacht, blank duifje liefheeft, als éénigen, laatsten troost.

Juist alles wat hij negeerde, wat hij besmette en ontwijdde, en waar hij onmeedoogenlijk laffen, lagen moord aan deed, hij aanbad het in zijn dochter, met een soort sombere, wanhopige vereering, die iets diep tragisch in zich had van onverbiddelijke tegenstrijdigheid met zijn eigen bestaan.

Hij verafgoodde Ellie met een liefde, die in haar groote innigheid bijna de boete was voor al het leelijke in zijn duister leven.

Het was, alsof hij aan háár goed moest maken, wat hij aan de Vrouw zijn geheele leven misdaan had, en hoe lager hij die had neergehaald in zijn uitspattingen, des te hooger zag hij haar ideale beeld in zijn dochter. Het was misschien véél onbewust égoïsme, want uit de behoefte voortgekomen om toch iets moois en reins in zijn leven te hebben, maar de liefde, die hij Ellie wijdde, was het eenige ware en oprechte in zijn geheele bestaan. Gewoon om naar buiten den fatsoenlijken, eenvoudigen heer te spelen, terwijl hij inwendig wel wist, hoe die geheele houding leugen en bedrog was, voelde hij zich somtijds als een tooneelspeler in het leven staan, die steeds op zijn tellen moet passen, dat hij niet uit de rol valt, en zoo was er in zijn omgang met familie en kennissen iets doorloopend onechts gekomen, dat hem inwendig hinderde. Maar hij wist vast en zeker, dat, wáár hij ook in veinsde, zijn liefde voor Ellie absoluut waar en zuiver was. Tegenover haar voelde hij ook niet, alsof hij iets voor haar verborg. Want voor háár bestond het leelijke eenvoudig niet, vond hij. Haar leven was in een geheel andere sfeer, waar het leelijke niet aan grensde, en vanwaar je het ook nooit kon zien. Zij leefde nu eenmaal in de sfeer van het licht, waar al de mooie en goede dingen woonden, die in het duister van zijn verborgen leven niet konden tieren. En de gedachte aan den dood van zijn eerste vrouw, die door zijn schuld zenuwziek was geworden en gestorven was, deed hem een groote schuld voelen tegenover Ellie, alsof hij haar moeder van haar had afgenomen, en persoonlijk tegenover háár misdadig was geweest. Hij leed somtijds wel degelijk onder het noodlot van zijn leven, en zou er misschien al reeds lang met een kogel een einde aan hebben gemaakt, als Ellie niet bestaan had, die de eenige reine vreugd gaf aan zijn bestaan. En zoolang hij háár maar had, en hij maar wist dat zij van hem hield, voelde hij de misère niet zoo diep van zijn ignobel gedoe in het duister.

Hij had haar dan ook van jongs afaan bedorven als een echt troetelkindje. Het mooiste was niet mooi genoeg voor haar, en alles wat ze maar wenschte, wist hij voor haar te krijgen. Toen ze nog kind was sjouwde hij zelf dikwijls met allerlei speelgoed onder zijn arm door de stad, en speelde er met haar mede of hij haar kameraadje was. Na den dood van haar moeder had hij een ongetrouwde nicht in huis genomen, een oude vrijster, die al haar opgekropte hartegevoel aan het kind wijdde, nu zij wel wist, er nooit een te zullen krijgen, en aan Ellie alle zorgen besteedde, die een moeder maar had kunnen hebben. Zóó was Ellie als een echt lievelingetje van allen opgegroeid, verafgood en vertroeteld door haar vader, door Pim, en nicht Joséphine, over wie ze danig de baas speelde. Toch hield Ellie nooit zooveel van haar nicht, als zij misschien van een moeder zou gehouden hebben. Nicht Joséphine was weinig in haar leven, en werd nooit intiem met haar. Ellie beschouwde haar meer als een dame, die het huishouden deed, en tegen wie ze wèl vriendelijk en beleefd, doch daarom nog niet vertrouwelijk moest zijn. In haar altijd druk in de weêr zijn met het huishouden, het eeuwige nazien van linnenkasten en haar naloopen van de dienstboden, vond Ellie iets burgerlijks, dat haar hinderde. Nicht Joséphine bemerkte wel, dat zij Ellie’s hart niet kon vinden, maar dit verminderde haar liefde niet voor het meisje, dat geen moeder had. Dat ze zóó geen onuitstaanbaar meisje was geworden, was alleen te danken aan de karakteristieke, aangeboren zachtheid en vriendelijkheid, die haar eigen waren. Er was nu eenmaal een neiging in haar, om tegen iedereen lief en aangenaam te wezen, en ook liefheid in anderen op te wekken door haar altijd blij en vroolijk zijn, vol onbezorgden pret. Er was nog geen enkel diep, groot gevoel in haar, maar de natuurlijke vreugde-glans van haar wezen deed iedereen prettig aan, met wie ze in aanraking kwam, zooals ook een zonnestraal doet, en een lachende bloem.

Van Taats leefde eigenlijk twee levens, die als met een lijn van elkaar afgescheiden waren, dat, waar Ellie bij was, het samenzijn met haar thuis en met haar uitgaan, en dat, waarin hij alleen was. Door een merkwaardige psychologische eenvoudigheid in hem, waren die twee levens bijna geworden als het wakker zijn en het in den slaap handelen van een slaapwandelaar, al was er altijd iets van beider bewustheden gemengd. Als hij thuis was, gezellig in de salon, met zijn maagdelijk, gracieus dochtertje in haar zuiveren onschulds-schijn, kon hij zich somtijds niet voorstellen, hoe hij in donkere krochten van verborgen zonde-misère als een dief had rondgeslopen om wat wellust te stelen, die zijn ontaarde lusten heimelijk begeerden. Het was alles zoo aangenaam en rustig-rijk om hem heen, en zijn huis had zoo’n deftigen schijn van wèlgesteld fatsoen, dat zijn louche losbandigheden van buiten eigenlijk een droom leken. En hij praatte met Ellie op zoo’n vriendelijk-vaderlijken toon over voorname, prettige, lief-gewone dingen, zooals een wèl-beschaafd, goed vader doet, dat hij wel niet anders kon dan zelf in zijn rol gelooven. Dikwijls bleef hij dagen, somtijds wel weken, vast in die overtuiging, en leefde hij zooals een rustig, algemeen geacht Hagenaar dat doet, zich koesterend in de gezelligheid van zijn huis, liefdoend tegen Ellie, en van háár ook aldoor liefgedaan. Hij las dan ’s ochtends zijn couranten en tijdschriften, dronk met Ellie koffie, scharrelde nog wat op zijn kamer en ging dan een beetje wandelen in het Bosch of op den Scheveningschen weg, met nicht Joséphine, als een deftig oud heer, die van de buitenlucht geniet. Dán een bittertje in de Besognekamer, en thuis op tijd dineeren. Na den eten de koffie en de sigaar, nog een beetje lezen en brieven schrijven, en vroeg, om tien uur, half elf, naar bed. Maar het duurde nooit lang, dat hij zoo kalm in die rol van bezadigd, fatsoenlijk heer kon leven. Als een oude kater, wien het op den duur niet in het schoone, warme mandje bevalt, sloop hij weer uit, naar de duistere wijken, waar het vuile woont. Dan ging hij theedrinken bij blonde Antje, die gewoonlijk een paar vriendinnen bij zich had, of amuseerde zich met haar in een taaltje van obsceniteiten en studentikoos jargon, waar hij thuis nooit, ook niet bij vergissing, een enkel woord van zou gebruikt hebben. Als hij daar weer eenmaal goed en wel zat, in zijn andere rol van ouden viveur, kwam hij er ook weer zoo héélemaal in, dat het tweede leven, het reine, van thuis, weêr droom scheen. En niet eens bleef het enkel maar bij Antje, die hem op den duur toch verveelde. ’s Avonds, om negen uur in de Spuistraat of de lange Pooten, was er altijd wel wat op te visschen, of, heel enkele keeren, hij was o zoo bang om eindelijk eens gesnapt te worden, sloop hij, langs omwegen en steegjes en binnengrachtjes, naar een straat achter het Bezuidenhout, waar een geheimzinnig rendez-vous was, alleen bekend bij adepten....

Maar het was op de teruggangen naar huis, dat hij zich dikwijls diep ellendig voelde, als hij tusschen de twee rollen van zijn leven inliep, en hij van de eene in de andere moest trachten te komen. Als hij bijvoorbeeld voorgewend had dat hij naar een late vergadering moest, of een intiem heerendiner, en hij sloop in ’t donker als een dief in een steeg een zijdeurtje uit, om alleen door de eenzame nacht-straten naar huis te gaan, dan brak een ellendige gang voor hem aan. ’t Idee dat hij daar met zijn vuile lijf en zijn vuile ziel uit het duister plotseling weêr in ’t licht moest komen, en dat morgenochtend Ellie in een blank morgenjaponnetje weer voor hem zou staan, en hem goeien dag kussen op beide wangen! Dan waschte hij zich ’s avonds met fijne zeepen voor hij naar bed ging, bang, dat er een verdacht luchtje van inferieure parfumerietjes aan hem was blijven hangen.

Na zoo’n uitspatting bleef hij dan weêr altijd een paar dagen kalm, als de poes, die in de goten heeft rondgezwalkt, en nu weêr thuis is. Hij was dan erg blij, als het slecht weer was en regende, zoodat Ellie niet naar het Kurhaus ging, en eens thuis bleef. Dan was het thee-uurtje om half negen ’s avonds zoo gezellig.—Ellie zat dan voor het theeblad, met de blinkende bouilloir naast zich, waarin het water neuriënd begon te zingen, en hij had er een stil, zuiver pleizier in, te zien hoe ze met haar gracieuze gebaartjes van fijne vingeren de intieme dingen deed van het thee-schenken. Hoe lief ze dan naar hem toekwam, waar hij op de canapé zat met een boek, en hem zoo vriendelijk vleide: „Dáár, lief vadertje! Een lekker kopje hoor! Ik heb er wat fijne chineesche bij gedaan, waar u zoo van houdt!” Hoe mooi haar lichte japonnetje deed in het vallende duister, en hoe innig haar zachte stem klonk van jonge maagd, nog met naïeve intonaties van een kind! De verandadeuren stonden dan open, en buiten was het droomerig getik van de vallende regendroppelen op de bladeren.

Dan was het hem wel eens of hij smeeken wou, dat het altijd zoo mocht duren, dat hij altijd hier mocht blijven, in die intieme stilte van zijn huis, met zijn kind, zijn mooie, lichte lieveling, het éénige wat in zijn duister, ignobel leven voor reins was overgebleven, zijn Ellie, die hij liefhad met een zuivere groote, eerlijke liefde, wát er ook gebeurd was, liefhad als een goed vader....

Zoo was het dat twee menschenlevens, zelf niet sterk genoeg om mooi te bestaan, ganschelijk steunden op het broze, teêre wezen van gratie, dat Ellie was, en dat zelf nog maar zoo heel vaag leefde, van den bedriegelijken schijn der glanzende, oppervlakkige Haagsche amusementen. Ze leek zelf nog zoo hulpbehoevend, zoo onbeduidend en liefelijk zwak in haar speelsch en weinig reëel gedoe van uitgaand, fladderend dame-meisje, en toch droeg zij ganschelijk het leven van den ouden van Taats en van Pim, voor wien zij de eenige vreugde en het eenige geluk was, die hun het leven dierbaar maakten. Zonder háár zouden die beide levens breken, en doelloos leegloopen in het niet. En juist met haar schijnbaar nietige kleinigheden van alledag, het lachen en vleien van haar jonge stem, het ruischen van haar rok, het gracieus gebaren van haar kleine, blanke handen, en het bevallig bewegen van haar maagdelijk lijf, verrukte zij die twee mannenzielen met een geluk, dat al de misère van hun ander leven buiten haar deed vergeten, en alles vergoedde, wat daarin was verloren gegaan.

Zij was eigenlijk voor hen, al waren zij het zich zoo niet bewust, een wezen buiten de werkelijkheid om, die zij duister om zich heen wisten en vol verschrikking. Zij was iets heel beters dan ál het andere bestaande, waar het leelijke vèr van bleef, en voor wie de wereld ook niets anders was dan licht en warme blijde zonneschijn, waarin zij voortwiegelde als een blank vlindertje, zijn wiekjes blij uitslaande van genot in de algemeene vreugde-om-te-leven, die het om zich ziet glanzen.

HOOFDSTUK V.

Vóór het etensuur zat Pim dikwijls zijn borreltje te drinken in Ellie’s boudoirtje. Dat was dan echt gezellig, zoo vóór het diner te zitten babbelen onder een glaasje port. Nicht Joséphine mocht het niet weten, maar Ellie hield dol van een likeurtje ’s middags, en had heimelijk in een kristallen stelletje wat Kiss me quick en Marasquin, heel fijne, uit de Kurhaus-bar, en voor Pim witte port van Aguilar. Ze had bij Baraké in de Galeries twee keurige likeurglaasjes er bij gekocht, op zilveren, geciseleerde voetjes, en daar zat ze dan, echt stiekem-gezelligjes, zoo tusschenbeide met „broertje” uit te pimpelen. Zij noemde dat haar „pêché mignon.” Alleen kwam ze er zoo niet toe, al had ze er altijd trek in, want dat was toch je ware niet, en er moest altijd iemand bij zijn. Pim kwam geregeld tweemaal in de week eten. Hij deed het alleen om Ellie, want van zijn stiefvader hield hij niet. Hij wist te veel van van Taats om respect voor hem te voelen. Maar toch behandelde hij hem altijd met een eerbiedige correctheid, omdat hij nu eenmaal de vader van Ellie was, en zou hij niet geduld hebben dat in zijn tegenwoordigheid iets ten nadeele van hem gezegd werd. Ellie hield van hem, dát was genoeg, en daarom hield hij hem hoog. Op de dagen dat hij dineerde, kwam hij altijd een uurtje vroeger bij Ellie zitten praten. Hij zorgde dan behoorlijk, een zakje „sweets” mee te brengen van Monchen of Nieuwerkerk, want dat hoorde er nu eenmaal zoo bij, en anders had Jimmy, de terrier, er niets aan. Zóó was er altijd een vast snoep-complotje van drieën, Ellie, Pim en Jimmy, Woensdags en Zaterdags in het blauwe boudoirtje van den „toren.”—

Hij zat dezen keer op haar te wachten om half zes, en verwonderde zich, dat ze nog niet thuis was. Gewoonlijk was ze er al om vijf uur.

Dáár hoorde hij haar vlugge stapjes luchtigjes op de trap, en ze stoof binnen, haastig, met den hoed nog op.

Zoo licht en vriendelijk als zoo’n boudoirtje ineens wordt, als een jong, lachend kind er binnenkomt, met lief frou-frou van rokken, en goud-schijn van blond haar!

„Dag Jimmy, dag engelachtig beestje... mijn heerlijke, lieve dot!.... is de vrouw daar dan weêr, snoesje?... heb je op haar zitten wachten... dáár heb je een zoentje, hoor!... nog eentje... en nog eentje... maar niet mijn rok vuilmaken, hoor!... koest nu!... zoet zijn!...”

En het witte terriertje, fijn-zacht als glacé, wrong zijn lijfje in allerlei bochten, zenuwachtig kwispelend met korte schokjes van zijn stomp-staartje, en de spitse, puntige bek heen en weêr wrijvend in haar hand.

„En jij Pim?... zit je op je borreltje te wachten?... je krijgt het dadelijk, hoor!... even geduld maar, dat ik hiernaast mijn goed uitdoe... en wat zeg je wel van me, zie ik er nu niet dood eenvoudigjes uit?... dát is nu mijn costuumpje voor als ik eens heel gewoontjes wil zijn, eigenlijk meer voor ’s morgens misschien...”

Haar gezichtje bloosde als een gezonde, frissche bloem onder uit den blankwit strooien sailor-hat hem tegen. Hoe lief-eenvoudig was ze in haar beige tailor-made costuumpje, met het fijn batisten blousetje van heel teeder-roze rozenkleur! Wat sloot het hooge linnen boordje voorzichtigjes om haar hals, en hoe parmantig zwierde het zelf gestrikte dasje daaronder! Wat een wondertje was ze toch van lichtheid en blijde kleur, zooals ze daar met haar rank maagde-lichaampje in het blauwe boudoir stond!

„—Zie ik niet een beetje rood?” vroeg ze weer, „verbeeld je, we hebben terug héélemaal geloopen... en ik wou je niet te lang laten wachten, toen hebben we van de Witte Brug af zoo gehold.”

„—Neen, niet bizonder,” zei Pim geruststellend, „—je hebt je gewone mooie kleurtje van altijd, hoor zus, en dat eenvoudige kleedje staat je wàt lief.... je hebt gelijk dat je altijd tailor-made neemt, daar komt je figuurtje zoo goed in uit.... weet je wel dat je hoe langer hoe slanker wordt, en je het fijnste middeltje van den Haag krijgt?....”

„—Nu, het fijnste is wel een beetje sterk, Pim, maar ik weet toch wèl, dat ik er mee voor den dag kan komen. Wies is er een beetje jaloersch op, die dikt zoo aan, en het rijgen helpt haar maar niet.... ze wil maar niet gelooven dat ik me heelemáál niet behoef te rijgen.... Nu éven geduld nog....”

En ze verdween in haar slaapkamer door de zijdeur, om dadelijk weer terug te komen. Toen wipte ze gauw naar een etagère-kastje, haalde er het likeur-stelletje uit, en zette het klaar op een laag turksch tafeltje vóór de pouf, waar Pim op zat.

„—Asjeblieft meneer!.... je portje is ingeschonken.... en wat heb je daar meêgebracht voor lekkers?... marrons glacés en wafeltjes... délicieus, goed uitgekozen, hoor!....”

„—En vertel me nu eens, hoe je er zoo toe gekomen bent om heelemaal van het strand te loopen.... was je met Wies?...”

„—Ja, met Wies... en toen zijn we de Sandt tegengekomen.... hij was per fiets, maar hij had een schroefje ergens er uit verloren en toen zei hij dat hij terug moest loopen met zijn machien... toen zijn we meêgegaan om hem gezelschap te houden, den armen jongen.... is dat nu niet lief van ons?”

„—Zoo? alweer met de Sandt... dat is áán tegenwoordig! Hij schijnt jullie in den laatsten tijd nogal het hof te maken.... maar voor wie is het nu eigenlijk bedoeld, voor jou of voor Wies?....”

„—Dat weet ik niet, hoor, en ’t kan me ook niets schelen!... misschien voor Wies, misschien voor mij... ik hoop niet voor mij...”

„—En waarom niet?...”

„—Wel, omdat ik hem dan niet meer zoo aardig zou vinden... je weet toch wel, Pim, als mannen verliefd zijn beginnen ze altijd zoo raar te doen, zoo gek... ik kan het heusch niet helpen, maar ik vind dat altijd een beetje ridicuul... dan kijken ze bijvoorbeeld zóó... smachtend, of zóó... net of ze slaap krijgen....”

En ze trok een gezichtje, dat kostbaar was van uiterste komiekheid.

„—Ik geloof dat jij met álles den gek steekt,” zei Pim verwijtend. „Verliefd zijn is héél ernstig, en niets om te lachen. Maar je weet niet wat het is, daar komt het van.”

„—Weet jij ’t dan wèl, broertje?”

„—Niet bij ondervinding gelukkig, maar ik zie het toch zoo wel van anderen, dat het om den dood geen gekheid is, hoor!... Wacht maar tot je het zelf eens te pakken krijgt!...”

„—Nu, dat zal vooreerst wel niet gebeuren, reken dáár maar gerust op!”

„—En toch maken jullie dame-meisjes je allemaal zoo mooi mogelijk, en steek je je in de fijnste veertjes om de jongelui het hoofd op hol te brengen... je zoudt wát ongelukkig zijn als er niemand was, die naar je keek, en je aardig vond... zeg het nu eens eerlijk, zou je het prettig vinden als ze geen notitie van je namen?”

„—Nu ja, dát natuurlijk óók niet... je moet ook niet denken dat ik het niet aardig vind als ze me een beetje het hof maken. Je zusje is nu eenmaal een beetje koket, dat wil ze wel bekennen, en als er geen heeren waren zouden we ons natuurlijk vervelen.... Maar ik vind het juist aardig zooals het nú is... En waarom zou ik dan willen dat het ánders werd?... Ik vind mijn leventje van nú wàt aardig. Mijn tennisclubje, mijn fiets, mijn strand, mijn Kurhaus vooral, en mijn partijtjes. Zoo leuk allemaal onder elkaar, met de luitjes die je kent, samen pretmaken, en een beetje flirten desnoods, dát doe je nu eenmaal van zelf... Maar het moet niet te serieus worden, want dan wordt het vervelend, en dan is juist het aardige er af... Verbeeld je, verliefd worden, en geëngageerd zijn, en dan niet meer mee mogen doen, en niet meer pret mogen maken met anderen, omdat meneer je fiancé jaloersch zou zijn! Ik zou je danken, hoor!... Het is véél te leuk zooals het is.... En nu net met het nieuwe seizoen en het Kurhaus!.... Zaterdag is het bal in de theaterzaal, en den volgenden Zaterdag in de Kurzaal. Het is wel een beetje mêlé altijd, maar je kunt er toch bést dansen.... de Sandt heeft beloofd te komen, en hij heeft al een wals van me. En jij zorgt dat je er ook bent, begrepen?....”

Pim had haar lachend zitten aanhooren. Zóó was ze toch maar de echte, éénige Ellie! En zóó had hij haar ook het liefste, zoo luchtigjes, zorgeloos fladderend door de pleziertjes van het Haagsche leven, ongerept en onbewust, als een vroolijk, fijn vlindertje....