Visser's Nederlandsch-Indisch Vegetarisch Kookboek

Part 9

Chapter 93,670 wordsPublic domain

317. Kwe-bika of bebika.

Een pond tepong bras, 1 geraspte klapper, 1/4 pond goela djawa, pisangbladeren, boter of olie (een weinig zout).

Het meel moet eerst goed worden gezift. De goela djawa kookt men tot stroop. Uit den klapper perst men dikke santen, vermengt daarmede het meel, (het zout) en de stroop. Is het meel goed aangeroerd, dan stort men het over in een kwalie, waarin een pisangblad is gelegd. Het overgegotene wordt dan gedekt met een pisangblad, dat met boter of olie is besmeerd. Men doet hierop een plank met iets zwaars (een steen), zoodat dit de koek neerdrukt en bakt dit gaar, met onder en boven vuur. Men zorge dat het niet aanbrandt.

318. Kwé-bingka.

Een pond tepong bras, 6 eieren, dikke santen, 1/2 pond goela djawa, pisangbladeren.

De eieren worden geklutst en met het meel en de santen samen door elkander geroerd. De suiker kookt men intusschen tot stroop en roert het vervolgens door het deeg. Men maakt van dit beslag kleine koekjes, die men in pisangbladeren wikkelt en stoomt ze daarna gaar.

319. Kwé-boegis.

Een pond ketanmeel, dikke santen van één klapper, pisangbladeren.

Voor het vulsel: 1 geraspte klapper, 1/4 pond goela djawa, 2 eetlepels ketanmeel.

De santen wordt warm gemaakt (niet gekookt) en met het ketanmeel tot een deeg geroerd, waarvan men kleine balletjes maakt.

Nu neemt men kleine stukken vierkante pisangbladeren, doet hierin een balletje en drukt hierin met den vinger een kuiltje, dat men vult met het bovenbeschreven gebraden vulsel.

Dat vulsel wordt goed door elkander gemengd en droog gebraden.

Daarna sluit men de balletjes, die eenigszins plat worden gedrukt, doet daarop wat dikke santen, waarna men eindelijk de pisangbladeren dicht vouwt. De pakjes worden verder in een koekoesan gaar gestoomd.

320. Kwé-klepon.

Een pond goed gedroogd en fijn gezift ketanmeel, lauw water, een weinig sirihkalk, goeladjawa stroop, geraspte klapper, (een weinig zout).

Het meel wordt met het lauwe water en de kalk tot een deeg verwerkt, waarvan men kleine balletjes maakt.

Deze balletjes holt men uit en vult ze met wat stroop (òf met een stukje goeladjawa) maakt ze daarna weêr goed dicht. Men zet dan water (en wat zout) op en laat dit koken. Dan werpt men er de balletjes vlug, een voor een, in. Als het water nog eenigen tijd borrelt en de balletjes boven komen drijven, zijn deze gaar. Nu worden ze er uit gehaald, in koud water gedaan en in geraspten klapper gewenteld.

321. Kwé-lapis djawa.

Twee kopjes meel, 3 kopjes suiker, 4 kopjes dikke santen, boter, rood kleursel.

De santen wordt gekookt, van de suiker wordt suikerstroop gemaakt en daarna van het meel, de santen en de stroop een beslag gemaakt, dat men in twee helften verdeelt.

Het eene stuk blijft licht gekleurd het andere stuk geeft men de roode kleur. Om het smakelijker te maken, roert men door het lichtgekleurde beslag wat boter.

Nu neemt men een kom, met boter besmeerd en doet er een laag wit beslag in, dat "au bain Marie" gaar wordt gekookt, daarop een laag rood beslag, even zoo gaargekookt en zoo om-en-om. De lagen mogen niet te dik zijn (± 1/2 c.M.) en gelijkelijk van dikte wezen.

322. Kwé-loempoer sorga.

Een pond tepong bras, dikke santen van één klapper, 1 kopje goeladjawastroop, 4 eieren, olie, een poffertjespan.

Men maakt twee soorten van beslag, één van het meel en één van de eieren, stroop en santen.

1. De helft van de santen, die gekookt wordt, roert men met het meel en 1/2 kopje suikerstroop tot een beslag.

2. De eieren worden geklutst, met de andere helft van de santen, maar deze ongekookt en met 1/2 kopje suikerstroop ook tot een beslag verwerkt.

Men bakt deze koekjes in een met boter of olie besmeerde poffertjespan: eerst een lepel van het meelbeslag en daarop een lepel van het eierbeslag.

Men bakt ze lichtbruin met van onder en boven vuur (bàrà-bàrà), of in den oven.

323. Kwé-ondé ondé.

Een half pond katjang idjoe, 2 ons goeladjawa, 1 pond ketanmeel, 3 eetlepels witte suiker, 2 eieren, 1 theekopje lauw water, widjèn-menjan, geraspte klapper, (zout naar smaak en verkiezing), versche klapperolie.

De katjang idjoe wordt een nacht geweekt, gekookt in hetzelfde water, dan door een zeef uitgelekt. Met hetzelfde water moet dan de katjang door de zeef worden fijngewreven.

Men maakt van de goeladjawa stroop en roert hierdoor de fijngewreven katjang idjoe. Goed roeren tot alles terdege is vermengd, dan koken tot dit mengsel dik is geworden.

Van het meel, de eieren, de witte suiker en het lauwe water maakt men een goed dooreen vermengd beslag, waarvan men kleine balletjes maakt, die men in water gaar kookt.

In elk balletje doet men vervolgens een weinig van de bovenbeschreven goeladjawabrij, maakt ze daarna dicht, wentelt ze in widjèn-menjan en braadt ze in klapperolie, tot ze bruin zijn. Men eet ze met geraspten klapper.

324. Piloos.

Acht à tien aardappelen, 2 lepels meel, 4 eieren, fijne witte suiker, beschuitkruim, klapper- of olijfolie.

De aardappelen worden in de schil gekookt, daarna gepeld en fijn gemaakt. Men roert ze vervolgens dooreen met het meel (zout) en de eieren en maakt er zoodoende een beslag van. Hiervan vormt men langwerpig-ronde balletjes, die men in beschuitkruim wentelt en in de kokend heete olie bruin bakt. Men bestrooit ze met witte suiker.

325. Kwé-pisang

(lambangsari).

Een half pond rijstmeel, santen van 1/2 klapper, (een weinigje zout), rijpe pisang-radja, pisangbladeren.

Het meel wordt met (het zout en) de santen tot een deeg verwerkt. Men snijdt vervolgens de pisang over de lengte in tweeën en verdeelt die stukken in twee helften, zoodat men van één pisang vier groote stukken verkrijgt. Nu wikkelt men elk stukje pisang met een gedeelte van het deeg, dat men te voren heeft uitgerold en maakt van de koekjes vierkante pakjes die men in pisangblad doet, dat met bietings is dichtgemaakt. Deze pakjes worden vervolgens gaar gekoekoest.

326. Kwé-poetoe.

Een pond rijstmeel, 2 flesschen jong klapperwater, 1/2 à 3/4 pond goela-djawa (zout) geraspte klapper en pisangbladeren.

Men legt de pisangbladeren in den koekoesan en daarop het meel, dat men zoo gaar laat stoomen. Men stort het meel vervolgens uit op een "doelang" (houten bord), en wrijft dit meel zoolang met een houten lepel, tot het koud is geworden.

Dan doet men het meel in een zeef, doet er nu en dan wat klapperwater bij en wrijft het meel door de zeef.

Vervolgens doet men op een pisangblad een laagje van dat deeg, dat men er dun op uitrolt, hierop wat geraspte goela-djawa, dan weêr deeg enz. en zoo om en om, besprenkelt het dan met wat klapperwater, laat het weder opdrogen en rolt het dan op.

Men stoomt eindelijk de rolletjes in een koekoesan en overdekt ze met pisangbladeren.

Als ze gaar zijn worden deze gebakjes gerold in geraspten klapper.

327. Kwé-serabi.

Een pond rijstmeel, 5 uitgehaalde kemiries, een lepel nassi kring (in de zon gedroogd), 1/4 geraspte klapper, geklutste eieren, santen en goela-djawa, lauw water en boter.

Men stampt het meel, de kemiries, de nassi kring en den 1/4 geraspten klapper goed fijn, zoo fijn tot alles poeder is; daarna wordt dit gestampte gezift en nog eens fijn gestampt. Dit fijne meel wordt nu met het lauwe water en lauwe santen goed vermengd, tot men er een gelijkelijk beslag van heeft verkregen. Dit beslag wordt, met een lepel, in eenige serabipannetjes gedaan, waarvan de dekseltjes eerst zijn warm gemaakt.

Om de serabi's mooi geel te maken, giet men op elk gebakje wat van het eibeslag en laat ze zoo, de pannetjes boven vuur, gaar worden. Komen er gaatjes of putjes in het deeg, dan zijn de serabi's gaar. Soms voegt men bij de serabi's een kluitje boter, óók om ze geel te krijgen.

Men eet ze met eene saus, die goed gekookt is van goela-djawa met santen.

328. Kwé-soemping.

Een pond rijstmeel, 1/2 geraspte klapper (zout), stukjes goela-djawa, pisangbladeren. Een weinig goeladjawastroop.

Het rijstmeel wordt met (het zout) en de santen, bereid uit den halven klapper, innig vermengd, dan voegt men hierbij zooveel goela-djawastroop, dat dit mengsel of beslag kneedbaar wordt. Van dit beslag maakt men driehoekige pyramides (met 4 vlakken) waarin men een stukje javaansche suiker doet en die men dan wederom dicht maakt. Deze driehoekjes worden nu in pisangbladeren gewikkeld en daarna gaar gestoomd of gekoekoest.

329. Kwé-talam.

Een pond rijstmeel, een theelepel zout (men kan 't weglaten), dunne opgewarmde santen van één klapper, 4 plakken goeladjawa; voor de witte zoute saus bovenop: 1 kopje dikke santen, 3 à 4 lepels rijstmeel, zout.

Het meel wordt met (het zout en) de santen vermengd, de goeladjawa wordt versmolten gezift en vervolgens gekookt tot een dikke stroop. In deze stroop roert men het aangemaakte deeg, kookt dit samen op, tot het een bruine dikke massa wordt, die men in een basi-kasar stort.

Nu maakt men een witte saus van de dikke santen, meel en zout en laat deze saus tot een dikken pap koken. Deze pap wordt nu als een laag over de bruine massa gestort of met een lepel er gelijkelijk over heen gestreken.

Wanneer men dat gebak eet, snijdt men het in ruitvormige stukken.

330. Kwé-talam djagoeng.

10 à 12 jonge djagoengs, (zout naar verkiezing) geraspte goeladjawa, santen van 1 klapper; de saus als die van de kwé-talam, hierboven (no. 329).

De jonge djagoengs worden geraspt, vermengd met wat zout, de geraspte goeladjawa en wat santen; dit tot een beslag gemaakt en verder bereid en gekookt als de gewone kwé-talam.

De geheele verdere bereiding geschiedt als bij no. 329.

331. Kwé-wadjiek.

Een kattie (of 1 pond) ketan, santen van 2 oude klappers, goela-djawa naar smaak.

De santen wordt met de goela-djawa gekookt, tot er de olie uitkomt; daarna kookt men afzonderlijk de ketan en roert deze vlug door de gekookte olieachtige goela-djawastroop. Is alles goed vermengd, dan stort men dat op een houten schotel (doelang) en laat het koud worden.

Daarna snijdt men dit gebak, of deze versnapering, in kleine vierkante of ruitvormige stukjes.

332. Tangkoewé,

is een oostersche versnapering, die bijna altijd uitsluitend door de Chineezen wordt bereid.

Zij gebruiken daartoe de "beligo" (een vruchtsoort, verwant aan de kalebas, de pepaja, de koendoer), welke vrucht wordt geschild en van het vleesch lange vierkante reepjes worden gesneden. Deze reepen worden 1/4 uur in kokend water geweekt (di rendem) en daarna 1/2 uur in kalkwater gelegd. Dan wascht men ze goed af, laat ze op een zeef goed uitlekken en zooveel mogelijk drogen.

Nu kookt men witte suiker, met een weinig water, erg dik tot stroop, rolt hierin de stukken beligo, haalt ze er uit en wentelt ze in zeer fijn wit poedersuiker.

De tangkoewé is dan gereed. Men houdt haar op een droge plaats--'t best in blik bewaard.

333. Tèntèng

bestaat uit witte suiker tot "caramel" gekookt (zie Nieuw volledig Ned.-Ind. kookboek 1e druk pag. 271 onderaan, "ganting") innig vermengd met heele en gebroken stukjes katjang-gorèng. Goed roeren en goed vermengen, dan spreidt men dit uit op een steen (bij wijze van doelang zie no. 331) en laat het zoo bekoelen en eenigen tijd staan. Men snijdt dit soort van Indische Nougât in langwerpig-vierkante reepen.

334. Timoes.

Een pond ketanmeel, 3 à 4 plakken goela-djawa, ± 1/2 kopje water, een theeschoteltje vol geraspte gebraden klapper; gekookte santen, pisangbladeren.

Suiker met weinig water tot stroop koken en daarna ziften; dan doet men er den gebraden geraspten klapper in en kookt dit nog eens op. Vervolgens roert men deze suiker, die men eerst wat heeft laten bekoelen, met het ketanmeel goed door elkaar, lengt dit beslag aan met wat santen, zoodat men dit tot rolletjes kan vormen, die men door een weinig santen haalt, in pisangbladeren wikkelt en in den koekoesan gaar stoomt.

335. Pisang gorèng.

Deze versnapering wordt ook dikwijls, als bijgerecht, bij de rijsttafel gebruikt. Men kan ze ook 's namiddags, bij het huishoudelijke theeuurtje (4 à 5 uur) gebruiken. Kinderen zijn zeer verzot op deze vegetarische lekkernij.

Men neemt eenige goede rijpe pisang-radja en olie. Men snijdt de geschilde pisangs overlangs in twee helften en deze wederom over de dikte in tweeën en bakt ze op in heete olie.

Met meelbeslag bereid, waarin de stukken pisang worden gewenteld, en in heete olie gebakken, krijgt men de pisang-beignets.

W. INDISCHE CONFITUREN (MANISANS).

336. Kolang-kaling.

Vruchten van den arènpalm, "boewah-atap" genaamd, rijstwater, suiker tot stroop gekookt.

De vruchten weekt men een nacht in rijstwater, haalt ze er dan uit en weekt ze in koud water; men doet ze vervolgens op een zeef en overgiet ze nog eens met koud water. De gekookte suikerstroop wordt "geklaard" en weer opgekookt, daarna gezift. In deze stroop laat men eindelijk de schoongewasschen vruchten gedurende 2 nachten staan. Dan giet men er de stroop weer af, kookt ze nog eens, met wat suiker er bij, op, doet er wederom de vruchten in en, als dit is afgekoeld, doet men de "kolang-kaling" in stopflesschen.

Op dezelfde wijze bereidt men de

337. a. Manisan pepaja. b. ,, djeroek kienkip, c. ,, mangga, d. ,, nangka, e. ,, tjerimej, f. ,, djeroek wangi.

OVER NATUURLIJKE, PLANTAARDIGE KLEURSTOFFEN.

Deze kleurstoffen, onschadelijk en veel door inboorlingen en Chineezen gebruikt, bij bereiding van allerlei gerechten, die zij zoo gaarne met verschillende kleuren sieren, zijn van de navolgende planten, wortels en bloemen getrokken:

Rood wordt getrokken uit een soort van roode Chineesche rijst "ang-khah" genaamd--ook wel "bras-mérah tjina". De bereiding der kleurstof schijnt evenwel bij de Chineesche chemikers te berusten. De makassaarsche roode vischjes worden o. a. door die ang-khah rood gekleurd.

Dan heeft men nog voor de bereiding der roode kleur, de kasoemba (bloemknopjes van de kembang poeloe), de kembang spatoe, de bajem-mérah (om agar agar rood te kleuren) en de boewah gendolla.

Geel verkrijgt men van de koenjit (wortel) en wordt aangewend bij kerrie, katjang tanah en de kembang goela (suikertjes).

Koema-koema (onze saffraan). De arabische vrouwen gebruiken dit om geleien geel te kleuren.

Groen wordt getrokken uit daon-soedji, met wat water en sirihkalk vermengd, uit daon telang (voor gebak en suikerwerk) uit daon pandan.

Blauw trekt men uit de kembang-telang, een blauwe bloemensoort.

Deze vier hoofdkleuren nu, kan men door samenvoeging op velerlei wijzen combineeren en er lichte en donkere tinten van maken, zoomede de samengestelde kleuren als paars, oranje, groen, van geel en blauw vermengd, bruin, matgroen, zeegroen, olijfgroen, zelfs feuille-morte kleur, enz., enz.

IETS OVER DE VRUCHTEN.

Het is lang niet onverschillig, welke vruchten men gebruikt bij de maaltijden. Laat ik er bijvoegen dat in Indië de kinderen, ook buiten de vastgestelde tijden voor het eten, dikwijls vruchten gebruiken, omdat zij, in het vruchtenland bij uitnemendheid zoo goedkoop en overal gemakkelijk verkrijgbaar zijn.

Gedachtig aan de leer, dat de vegetariër altijd rijpe, gezonde vruchten zal nemen en dat matigheid een zijner hoofdbeginselen is, moet er toch nog gewezen worden op zeer veel, dat hem, als oningewijde, pas in Indië aangekomen vegetariër, onbekend is en van veel belang geacht moet worden voor de instandhouding der gezondheid.

Het plantenzuur b.v. behoort ook tot de zoo noodzakelijke voedingsstoffen, even als zetmeel; het is dan ook in de vruchten aanwezig, maar in vele soorten, in zoo groote hoeveelheid, dat het schadelijk werkt op darmen en maag.

De nieuweling heeft, vóór zijn aankomst in Indië, reeds zooveel vernomen van den overvloed en de goedkoopte der vruchten, dat hij, uit vegetarisch beginsel, zich voornamelijk met vruchten zou willen voeden, afkeerig als hij is van al het vreemde, dat de Indische tafel aanbiedt. Die trek, dat verlangen naar vruchten moet hij beslist bedwingen.

De raad, om, in tijden van cholera of andere épidemische ziekten, geen of weinig frissche, verkoelende vruchten te gebruiken, om het drinkwater te koken, schijnt in Indië dikwijls te worden aangemerkt als een banaliteit.

En hoewel die raad, van hooger hand, als hygiënische maatregel, wordt gegeven, zelfs als bevel uitgevaardigd, wordt hij door Inlander en Europeaan in den wind geslagen.

Vooral wordt dan gezondigd tegen het gebruik van vruchten, liefst van vruchten die in de derde orde staan, wat de schadelijkheid betreft.

De hygiëne heeft in onze Oost, in de laatste jaren, ontzettend veel gedaan tot verbetering van den algemeenen gezondheidstoestand. Naast de vele en groote werken van algemeen nut, waterafvoer, waterboringen, hydranten, klinieken, moderne gezondheidsétablissementen, geeft zij, zoo noodig, behartigingswaardige wenken. En zij rekent daarbij op medewerking, algemeen en individueel. Maar het is dikwijls of onverschilligheid den mensch bezielt. Het doel van dit hoofdstuk is dan ook in het bijzonder, de nieuwelingen in Indië bekend te maken met de goede onschadelijke, de minder goede en de schadelijke--vaak zeer gevaarlijke--vruchten.

Zooals reeds hierboven is aangehaald, eet de vegetariër bij voorkeur goede, rijpe, gezonde vruchten, zoodat van zelf vervalt het weinig aan te bevelen gebruik van de zoo bijzonder gewilde "roedjak", de bekende versnapering (?) bestaande uit allerlei onrijp ooft, hoe wranger en zuurder hoe smakelijker, netjes gesneden en op een bord gerangeerd, waarvan men allerlei stukjes neemt en waarbij een zeer pikant sausje wordt voorgediend van scherpe sambals (lombok), trassie en verdere vegetarische ongerechtigheden van den hoogsten graad.

Maar ook onder de rijpe vruchten schuilt dikwijls veel kwaad en wordt derhalve de raadpleging der ondervolgende lijsten den vegetariër aanbevolen.

Vele vruchten hebben, in hunne familiën of soorten, goede en schadelijke producten.

Zoo is de rijpe mangga--met mate gebruikt, b.v. eenige afgesneden stukken (dus niet een heele mangga) wel aan te bevelen, terwijl een inferieure soort, de "kembembem" wordt ontraden. Hetzelfde geldt voor de pisangs, de djeroeks, de djamboe's, enz.

De volgende lijst geeft de goede, onschadelijke vruchten aan. Zelfs voor kinderen onschadelijk zijn a en b.

Den vegetariër aanbevolen vruchten zijn:

a. rijpe Pisang van de volgende soorten: pisang radja, p. mas, p. soesoe, p. radja seréh, p. gembor. Men eet hoogstens 2 pisangs. b. rijpe Pepaja altijd goed en gezond, zelfs ook voor kinderen. Men werpt de pitjes weg en gebruikt slechts het vleesch en holt niet te veel weg van de schil. c. rijpe Mangga Groengeel van schil, in vele soorten. Wordt [2] geschild en van de groote pit het vleesch afgesneden. Goede soorten: m. dòdòl, m. daging, m. wangi, m. Cheribon, m. sengir, m. Bengala. d. Mangistan Een goede en gezonde prachtvrucht, waarvan het witte binnenste wordt gebruikt. De schil wordt weggesneden, door haar op het midden in de rondte open te snijden. e. Djeroeks in vele goede soorten als: dj. manis, dj. Bali, (citroenen) dj. keprok--de groote soort: dj. matjan. (sinaasappels) f. Ananas De beste soort is de ananas of "nanas Bogor." Van deze saprijke en rijpe vrucht ete de nieuweling niet te veel.

De minder goede soorten, dus vruchten van den 2en rang, zijn: doekoe's, ramboetans, zuurzak, boewah nonna, sirikaja, blimbing besi, sawo manila, sawo, druiven (boewah-anggoer), terwijl ontraden wordt: het gebruik, althans in den beginne als men in Indië komt, van:

3e rang: langsep, kòkòsan, salak, nangka, djoewet of djamblang, kedondong, moendoe, delima, kawèsta, gendaria, semangka (zéér verkoelend), siwalan (idem), kwènnie en kebembem (inférieure manggasoorten), boewah rotan, klappa kopjor, gòwòk, doerian (zeer verhittend), ketjapie.

Er zijn vele vegetariërs, die beweren, dat verkoelende vruchten geen kwaad hoegenaamd doen en dat de kwestie van ziek worden, in tijden van besmettelijke ziekten--waartoe ook de cholera behoort--de schuld niet ligt aan de vruchten, wel aan de gebruikers zelf. Men vergete nimmer, dat de vruchten op de markt van hand tot hand gaan, dat velen der handelaren geïnfecteerde handen (kunnen) hebben en dat men dus: 1o. de vruchten goed moet afwasschen, 2o. ze even, met schil en al, in warm water moet dompelen en afdrogen, 3o. de handen reinigen met zeep en warm water en dàn eerst de vrucht moet schillen. Het vruchtvleesch bevat geen smetstoffen. Hoe het zij, men doe met deze raadgevingen zijn voordeel en, gebruikt men al eens een vrucht van de 2e of 3e soort, men er slechts een "proefje" van neme.

TEN SLOTTE

nog het volgende:

Bij mij thuis leven wij grootendeels vegetarisch. Er is wel vleesch, doch zeer weinig, op tafel. Van visch en kip is geen sprake, alleen nu en dan een stukje visch; daarentegen veel boonen en meelspijzen, groenten, vruchten en jams.

Men weet dan wat men eet en dat, hetgeen men nuttigt, zooveel mogelijk van het plantenrijk komt.

"Maar, als wij heerlijk klaargemaakte vleeschschotels krijgen, bijvoorbeeld in groote hôtels en restaurants," werpt men mij tegen, "dan weten wij toch óók, wat wij eten?"

--"Jawel! Dat staat nog te bezien," antwoord ik. "Het papier is geduldig en wat op het rijke menu met den naam van een duren vleesch- of wildschotel prijkt, honderd tegen één, dat al dat moois vervalscht--erger nog--bereid is uit allerlei afval, dat kunstig is bijgeknoeid en u als delicatessen peperduur wordt voorgediend. Ik haal thans een aardig stuk aan, zeer lezenswaard. Het is uit het Bataviasch Nieuwsblad van 26 Augustus 1910, 5e Blad en voert tot titel:

Die smakelijke Parijsche Keuken!

"Wie herinnert zich niet de lakonieke opmerking van Jules Verne's onsterfelijken Phileas Fogg, toen hij een hazepeper geproefd had, die een knipmessende restaurateur hem had voorgezet:

--In Egypte werden de katten als heilige dieren beschouwd. Dat was een gelukkige tijd....

--Voor de katten, mylord?

--Ja, maar óók voor de reizigers.

Er was een tijd, dat de fransche keuken roem kon dragen op haar degelijkheid. In dien tijd geen hazepeper zonder haas, geen ossehaas zonder os, geen blinde vink zonder.... neen, dat niet, maar toch in dien tijd geen iets zonder iets. Er was b.v. die beroemde pot-au-feu, de langzaam, zacht getrokken bouillon, waarnaar zelfs hij, die geen grooten horizon voor zijn gedachten heeft, die een beetje erg huiselijk is, een "pot-au-feu" genoemd werd. Die pot-au-feu verstoffelijkte al de intensiteit van het fransche familieleven.

En nu! Die geurige, krachtige, opwekkende schotel is vervangen door het bijmengsel van allerlei extracten van misschien bij Buffon wel onbekende beesten. Op de étiquette van den flacon met die extracten staat wel een schaap of een os, maar daarin zit een onsmakelijk vocht met een afschuwelijke lucht. Een lepelvol van deze geheimzinnige vloeistof en een liter kokend water, ziedaar wat men u in Frankrijk thans aanbiedt in de plaats van den aartsvaderlijken bouillon, die een eerzame keukenmaagd ons dampend en geurig opdiende na acht uren geduldige bewerking.