Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

Part 9

Chapter 93,638 wordsPublic domain

Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven hebben. Zien wij, of wij de 20e branche zoo hoog kunnen opvoeren.

GRIMM zegt van al de fransche branches[139]: »Sprache und ausdrucksweise tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh." Intusschen leert de vergelijking met de werken van CHRESTIEN DE TROIES, dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt ondersteund.

Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:

»Or ont tant fet li losengier, Qui de moi se volent vengier, Que vos m'avoz jugié à mort; Mès puis, sire, que rois s'amort A croire les mauvès larrons, Et il lesse les bons barons, Et gerpist le chief por la qeue Lors vet la terre à male veue."

Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op den _Guillaume d'Orange_. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeft _Li Moniages Guillaume_, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende verwijt, vs. 5159:

»Rois, nus frans homs ne vos devroit amer, Ne hennor fère, ne homage porter, Quar les prodomes avez toz adosez Et fors de France et chaciez et gitez, Tolu lor terres et toz deshéritez: Foui s'en sont de la terre esgarez, Et lor enfant chétis et désertez; Cil vos séussent le bon conseil doner, Quar li preudome font lor seignor douter. Mès li glouton, li losengier prové, Li pautonnier, cil sont à vos remés, Por lor losange les tenez en chierté; Li losangier font les rois décliner Et les hauz homes par lor bordes blasmer. Rois, tu les as montez et alevez, Or es por euls honiz et vergondez, Ne jà por euls ne seroiz amontez. Ne doit rois estre, ne corone porter, Qui à garçon fet son conseil privé, Mès les preudomes i doit-en apeler."

En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:

»Tu as la terre empirée forment Des gentix homes, des sages, des vaillanz, Qu'ensus de toi as chacié laidement: Désertez as les pères des enfanz. Par les frans homes est li sires poissanz: Tu n'en as nul de gentix ne de frans, Perduz les as tot par ton malvès sens, Dont tote France est tornée à torment."

Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met

»Les losangiers et les faus médisanz, Les traïteurs et les glouz malcuidanz, Ceus qui te servent de mençonges contant, Que entor toi as tenu longuement. Tu as doné t'onor et ton argent: Por lor conseil seras-tu recréant, Se Dex ne'l fet par son digne comment. Qui bordes croit et losangier sovent Au chief de tor, par mon chief, s'en repent."

De vergelijking van de uitdrukkingen in den _Renard_ en de aangehaalde regels uit den _Moniage_ zullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van den _Renard_.

Van den _Moniage Guillaume_ bestaan twee redaktiën, waarvan de oudste tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt[140]. De jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen stellen omstreeks 1160[141]. De schrijver van de 20e branche van den _Renard_ had stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van den _Renard_ komen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudste lezing[142]. Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks hetzelfde landschap, waar de dichter der 20e branche leefde, zoo als de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug, _Moniage_, vs. 5672:

D'autre Martin lor convendra chanter[143]

en _Renard_, vs. 10096,

Si parleron d'autre Martin.

Veel jonger dan deze redaktie van den _Moniage_, schijnt zelfs het tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt. Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woord _geste_ in de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk[144], en toch vinden wij het nog aldus gebezigd, _Renard_, vs. 11781:

Qui larron de pendre areste, Toz jors het mès lui et sa jeste.

Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespeling op dezelfde chanson de geste voor, vs. 11751:

Ainz que Tibaut soit crestiens,

waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in eene andere branche, vs. 16136, voorkomt[145].

Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.

Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br. 20_a_ zegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:

Saluz te mande Noradins Par moi qui sui bons pelerins, Si te criément li paien tuit, A pou que chascuns ne s'en fuit.

Sultan Noureddin bloeide van 1149-1171, en stierf in 1173[146]. Mag men nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147-1149, kort daarna, althans vóór den derden tocht, 1189-1193, geschreven werd, toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde? Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor Orientis, ac nostrorum terror,"[147] is het ondenkbaar, dat men zijn naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en onmogelijk kan daarom onze 20e branche na Saladijns optreden het licht hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als men de betrekking tot PIERRE DE SAINT-CLOUD in het oog houdt, en het verband met den _Guillaume d'Orange_, dan zal het niet te gewaagd zijn de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En meent men den schrijver van 20_b_ nog zekere tijdruimte te moeten gunnen voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175 of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.

Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20_a_ in het derde, den schrijver van 20_b_, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen ook door anderen niet zullen worden gewraakt.

Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van het fransche gedicht kunnen vaststellen.

IX.

Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschen _Reinaert_ tot model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170" zijn geschreven, zoo als WILLEMS aannam[148], en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te betoogen[149].

WILLEMS zelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel waarschijnlijkheid heeft. De dichter van den _Reinaert_ had vroeger reeds den _Madoc_ geschreven, en WILLEMS vraagt, of men daarbij »niet zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van Owen Guynnedd, prins van Wallis, die _omtrent den jare 1170_ America ontdekte?" en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men wellicht voor droomerijen hield[150].

Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen?

SERRURE meent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven" werd[151], maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij juist dit tijdperk aanneemt.

Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn.

De namen van den deken Herman, die vs. 2717 (2737) voorkomt, of van meester Jufroet, vs. 2937 (2957), laat ik buiten rekening. WILLEMS ziet in den laatsten »_ongetwyfeld_ Godfredus Andegavensis, die in de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde[152];" maar dat _ongetwijfeld_ is toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven, niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen[153]. En wat den eersten betreft, zegt WILLEMS zelf[154] alleen maar dat »GRIMM _vermoedt_ dat hier _kan bedoeld zijn_ Herman, abt van St. Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde eeuw." Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid" kan hebben, »daer paus Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest is"[155], verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger is GRIMMS slotopmerking[156] in het oog te houden: »aber es kann viele geistliche und decane dieses namens gegeben haben;" te gereeder, daar het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgens WILLEMS' eigen opmerking[157], steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat.

De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs. 2652 (2672) is te onbepaald om er bij stil te staan[158], hetgeen te meer is te betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden mogen vermoeden.

In navolging van WILLEMS[159] heb ik[160] groot gewicht gelegd op de vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs. 2565 (2589). SERRURE meent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat er _by Hulsterloo_ een bosch was[161]." Intusschen staat er duidelijk, vs. 2553 (2578),

Int oostende van Vlaendren staet Een bosch, ende heet Hulsterlo. .................... Een borne, heet Kriekepit, Gaet suutwest niet verre dane; .................... Dats een die meeste wildernesse, Die men hevet in enich rike. Ic segghe u ooc ghewaerlike, Dat somwilen es een half jaer, Dat toten borne comet daer No weder man nochte wijf, No creature die hevet lijf.

Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. het _Hulster bosch_; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van toepassing zijn, maar op de streek _niet verre dane_. Met die opvatting strijdt ook niet, dat er later, vs. 2644 (2664), van dien Kriekepit gezegd wordt:

Ne staet hi niet bi Hulsterlo, Up dien moer, in die woestine!

Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp," waarvan ook in den giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar alleen staat »_illum locum_ qui dicitur Hulsterloe[162]," en in een document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in circuitu" van Saleghem[163]. Eerst in een brief van paus Innocentius II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et Hulsterloe[164]." Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond, en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven[165]. Daar het nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart der twaalfde eeuw ontstaan schijnt[166], in levendig aandenken zijn gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft vervaardigd.

Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, die WILLEMS het eerst bekend maakte[167], dat in den _Reinaert_ Vermandois tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot 1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella, erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood.

SERRURE merkt daarbij op[168]: »Indien die vereeniging der twee landen tot deze aenspeling (_sic_) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der scheiding) geschieden." Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats had[169]; waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht, enz., van het noordelijke afgescheurd werd.

Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzen _Reinaert_ niet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het tijdperk waarin de fransche 20e branche in het licht verscheen, dat ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen.

Ik heb met WILLEMS[170] een bewijs voor de oudheid van onzen _Reinaert_ meenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der twaalfde eeuw verboden werd. SERRURE meent dat dit »geen stellig bewys" oplevert; »want," zegt hij[171], »al is het waer, dat dit gebruik rond 1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau, _Constant du Hamel_, welk men aen ENGUERRAND D'OISY toeschryft, en in allen gevalle tot de XIIIe eeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters gewaegd wordt."

De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene eenvoudige verwijzing naar DINAUX' _Trouvères Artésiens_ is niet voldoende.

De eenige reden waarom DINAUX vermoedt dat het fablel van _Constant du Hamel_ aan ENGUERRAND D'OISY kon worden toegeschreven, is deze, dat hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende stuk getiteld: _Le meunier d'Arleux_[172]. Die meening wordt echter door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de naauwkeurigheid van DINAUX zonder nader bewijs te vertrouwen[173].

Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot de XIIIe eeuw"? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk[174] schijnt eer naar het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met sommige branches van den _Roman du Renard_, vooral met br. 20_a_. De overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier slechts op de uitdrukking »por le cor bieu," vs. 354, 860, 863, die wij ook in br. 20_a_ aantroffen[175].

Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs. 355:

Tu sambles miex leu qu'autre beste, De bras, de jambes et de teste;

hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uit GUIBERT DE NOGENT, vroeger aangehaald[176].

Voor die bekendheid pleit ook de naam van den _vilain_ naar wien het geheele fablel genoemd is, _Constant_, met den bijnaam _du Hamel_. _Constant_ toch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den franschen _Renart_ spelen.

In de 5e (3e) branche heet hij _Constant des Noes_, vs. 1274, en evenzoo in de 19e (15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e (20e) branche, vs. 15328 gesproken wordt van

Un vilain Plus que Constanz des Noes riches.

In de 4e (2e) branche, vs. 1190, heet hij:

Mesire Constans des Granges, Uns vavasors bien aaisiez.

Ook in het fablel _La vache au prestre_, bij MÉON, tom. III, Pag. 25, vs. 31, komt die naam voor[177].

Meestal houdt men het er voor, dat de toenaam ontleend is aan den naam van het dorp waar die Constant leefde. Zoo denkt GRIMM aan »_les Noes_, ein alter ort in Champagne"[178]. DINAUX zoekt evenzoo in den naam _du Hamel_ dien van »une ancienne commune sur les confins de l'Artois et du Cambrésis"[179].

Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet:

Tant qu'il entra enz où _hamel_.

Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan een »village, hameau bâti au milieu des champs," zoo als ROQUEFORT het woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de campagne seule dans les champs"[180]. Ik kies deze woorden, omdat het die zijn, waarmede ROQUEFORT het woord _mesnil_ verklaart, en dat woord in de 5e (3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants vrouw, die aldaar heet, vs. 1621:

La bone dame del mesnil.

Wat nu den toenaam _Des Noes_ aangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk aan een plaatsnaam ontleend te zijn. _Noes_ of _noue_ vertaalt ROQUEFORT door »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terres nouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse." Het komt dus geheel overeen met ons _Maerlant_[181], en _Constant_ kan even goed naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning. En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heet _des Noes (du Mesnil), des Granges_ of _du Hamel_, van welke namen de drie laatste in beteekenis niet veel verschillen.

Men ziet daaruit, dat het fablel door SERRURE als bewijs aangehaald, geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van de oudste, branches van den _Renart_ vallen, hetgeen veeleer naar de laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst.

Ook het gedicht _Du provoire qui menga les mores_ (LE GRAND D'AUSSY, tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre" voorkomt, is van geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan een voorganger, GUERINS, ontleent.

Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de vlaamsche _Reinaert_ tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet gebracht worden.

Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording licht over ons onderwerp kan verspreiden.

_Reinaert_ vs. 3347 (3367) wordt gewaagd van

Botsaerde, sconinx clerc: Dat was hi, die hantwerc Bet conste dan iemen die daer was. Botsaert plach emmer dat hi las Die lettren, die te hove quamen.

GRIMM gist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt wird, der um 1218 starb"[182].

't Is waar, Bouchard van Avesnes was _clerc_, en in zijne jeugd beroemd om zijne geleerdheid[183], en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hij _een te groot zondaar_, daar hij den geestelijken stand ontloopen was, om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld.

Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit het laatste gedeelte van den _Reinaert_; maar bij eenige oplettendheid zal die overeenkomst in rook verdwijnen.

Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche gravendochter gehuwd. Paus INNOCENTIUS III leî hem tot boete op een pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd.

Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende" gebannen te zijn, vs. 2718 (2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij »in spaeus ban," vs. 2700 (2720), en hij wil naar Rome en »over see" om aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van het opgevatte voornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak te trotseren.

Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik, alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamsche _Reinaert_ tusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van het stuk over het algemeen herinnert.

Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien, dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en herhaaldelijk in de diplomata bij MIRÆUS voorkomt?

* * * * *

Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven. GRIMM was reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung"[184] die er de eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der thiersage hineinbrachte"? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden het antwoord gegeven.