Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht
Part 8
De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo dikwerf plaats heeft[112], de feiten uit zijn origineel dooreen gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk ging, dit hors-d'[oe]uvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden, uit zijne omwerking verwierp?
Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk de branche van MÉON tot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder fransche gedicht niet gekend heeft.
Ik heb boven (bl. LIX-LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20e branche niet wordt aangetroffen.
Bruun, door angst gedreven, springt, vs. 821,
In enen trop van ouden wiven,
waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf" in de rivier werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.
Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21-22 is Isengrijn door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,
Et ses parenz et ses cosins,
zetten den wolf na, vs. 12345,
A cuinnies et à maçues,
waarop, vs. 12347,
Entre la porte et le vilein Fet Ysengrin un saut à plein: Si fort le hurte qu'il l'abat En une fange trestot plat. .................... Par les vileins s'en va fuiant, Et cil le vont après huiant. Le vilein trovent en la boë Grant et parfonde, si qu'il noë; Fors l'en ont tret a moult grant paine;
en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.
Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men aanwijzen, dat onze WILLEM deze branche gekend had, dan werd het reeds waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.
_Reinaert_ vs. 1290 lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,
Hi loech, dat hem bachten scorde, Ende hem crakede die taverne.
De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen[113].
WILLEMS zegt in de aanteekening op die plaats: »_Taverne_, kroeg; doch hier figuurlijk _raeskamer_." Die verklaring is niet heel en al bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord gebruikte. _Taverne_ is eene kroeg, dat is eene plaats, die voor jan en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21-22 het woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen levenswijze, en zegt, vs. 12903:
»Moult par estes de mavès estre: De poior ne poiez-vos estre, Qar plus estes pute que moche Qui en esté la gent entoche: Qui que viegne ne qui que aut, _Vostre taverne ne li faut_."
Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.
In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf geschonden heeft, voorts, vs. 10759:
Ysengrin ai-je tant forfet, Que nel' puis nier à nul plet: Trois foiz l'ai fet metre en prison."
(1) Hij heeft hem in een wolfsval (_lovière_) gelokt, waar hij danig is afgerost.
(2) Hij heeft hem in een »lardier" gebracht, waar drie baken lagen, waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:
N'en pot issir, tant fu ventrez, Par le pertuis où fu entrez.
Verder, vs. 10777:
(3) Gel' fis séoir en la gelée Tant qu'il ot la qeue engelée; (4) Gel' fis peschier en la fontaine Par nuit quant la lune estoit plaine: De l'ombre de la blanche image Cuida, por voir, ce fust fromage; (5) Et si refu par moi traïz Devant la charete as plaïz. ................ (6) Par fine force de barat Li fis-ge tant que il fu moines. Pais dist que il seroit chanoines: Qant on li vit la char mengier, Fox fu qui de lui fist berchier.
Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte, en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens belegerden, had aangedaan.
Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs. 1477,
Die coninc en es mi niet ontgaen: Ic hebbe hem toren ooc ghedaen, Ende mesprijs der coninghinne,
hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20_b_ eerst verhaald wordt.
Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;" daar had hij hem aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men den wolf bijna van het leven beroofde.
Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6) plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis ongeveer zoo als zij in den _Reinardus_ verhaald wordt[114]. Daar is van klokkengelui geene spraak: wel in de 9e fransche branche _Comme Renart fist Primaut prestre_, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm[115], want er bestaat afwijking in de détails[116], hoewel het niet onmogelijk is dat dit verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10e branche, die eigenlijk het tweede deel der 9e is, was hem bekend, althans haar inhoud.
In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had, hetgeen herinnert aan de 3e fransche branche: _si comme Renart fist Ysengrin moine_.
Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20e branche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9-10e branche wordt dit geval ook in het breede verhaald, vs. 4333-4555, maar met afwijkende omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van Vermendois[117] (Rein., vs. 1514), noch van het kapoen dat de vos den priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is, beduidt de vos hem »d'aller prendre des oies _chez un prêtre_," zoo als ROTHE zegt[118]. Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder de hoede van een man, die vs. 4630 _le pastor_ genoemd wordt, welke uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting van ROTHE, die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan." Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.
In de 18e branche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.
Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben; en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.
Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel, dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde, maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering, of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar de 26e branche werd omgewerkt en de 9-10e branche, hetzij dan in haar tegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten grondslag lag[119].
Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr terugbrachten tot de 20e branche, zoodat daardoor het vermoeden geheel en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch stuk, het origineel zou zijn waarnaar onze _Reinaert_ werd bewerkt.
En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in den _Reinaert_, ondanks het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal, zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,--een echt nationaal kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem mag dragen.
Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.
VIII.
Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onze _Reinaert_ werd bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek de 20e (16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen. Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het oorspronkelijke gedeelte van den _Reinaert_ te ontleenen, en wij zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo als GRIMM dacht[120], »schon in WILLEMS quelle gestanden haben, folglich nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen."
Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20e branche van MÉON, mag zijn.
GAUTIER DE COINSI, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef, en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de Reinart-sage in Frankrijk was[121]; ja hij maakt eene toespeling waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.
Plus volontiers oient un conte, Ou une trufe, c'on lor conte, Si con Tardius li limeçons Lut et chanta les trois leçons Sor la bière dame Coupée, Que Renarz avoit escoupée[122];
nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20e branche, vs. 10103 lezen:
Sire Tardis li limaçons Chanta por cele trois leçons,
namelijk voor Copée, die begraven werd.
Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.
De proloog van dat stuk luidt aldus:
Perroz qui son engin et s'art Mist en vers fère de Renart Et d'Ysengrin son chier conpère, Lessa le miex de sa matère, Quant il entr'oblia les plez Et le jugement qui fu fez En la cort Noble, le lion, De la grant fornication Que Renarz fist, qui toz max cove, Envers dame Hersent, la love.
Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene andere branche bekend was dan die, welke PIERRE DE SAINT-CLOUD bewerkt had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn, hoewel men uit de eerste regels zou kunnen opmaken, dat PIERRE reeds gestorven was toen de 20e branche in zijn trant werd omgewerkt.
Omtrent PIERRE DE SAINT-CLOUD is weinig bekend. GRIMM schrijft: ȟber seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche des _Roman d'Alexandre_, nemlich das testament, verfasst haben[123]."
WILLEMS zegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde[124]."
FAURIEL, de jongste schrijver over den _Roman du Renart_, in Frankrijk, laat zich daaromtrent aldus uit[125]:
»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps où vécut PIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée, on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIe siècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne, du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage fréquemment cité de GAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne. Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous apprend rien de précis relativement à la date des premières productions de PIERRE DE SAINT-CLOUD sur le sujet de Renart. Il n'est pas impossible qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIe siècle; mais elles ne sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il que PIERRE DE SAINT-CLOUD est le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme l'inventeur."
Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.
Tusschen 1150 en 1160 zag de _Roman du Rou_ het licht, en daarin heet het:
Alisandres fu rois poissans, Doze règnes prist en doze ans: Mult out terres, mult ot aveir, Et rois fu de mult grant poeir; Mez cil cunquest poi li valu, Enveminez fu, si moru.
Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en wordt ook algemeen aangenomen[126].
Op het Latijnsche gedicht van GAUTIER DE CHATILLON kunnen zij onmogelijk doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven[127].
Een der branches der chanson d'Alexandre, en wel zoo als PARIS zegt[128], »l'une des meilleures branches de tout le récit," heeft tot titel: _Signification de la mort d'Alexandre_, waarvan de inhoud aldus door denzelfden geleerde wordt opgegeven[129]:
Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre est _empoisonné_." Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek van MAERLANTS _Alexander_[130].
Nu moet het verwonderen, dat PAULIN PARIS ook deze branche rangschikt onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et demi," van het oorspronkelijke werk van LAMBERT LI CORS en ALEXANDRE DE PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst[131], zoodat deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven[132]. Dit oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de eenige waarin de vergiftiging van ALEXANDER wordt verhaald, in de aangehaalde verzen van den _Roman du Rou_ bedoeld, en valt dus stellig vóór 1150.
De schrijver nu dier branche was PIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.
Had hij reeds vóór de branche van den _Alexander_ een gedeelte der Reinaertsage bewerkt? In den _Alexander_ immers leest men:
Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal, Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal[133].
In de 11e (17e) branche bij MÉON, waarin PIERRE als de schrijver genoemd staat, wordt vs. 4935-5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan meester maakt....
Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken. Vooreerst heet daar de haan nimmer _li gal_, maar altijd _li cos_, _le coc_, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al gewaagd wordt, vs. 4988,
De Chantecler qui cline l'ueil;
zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,
Si le me baille par le col;
toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling in den _Alexander_ moet geluid hebben.
Maar ook de 5e (3e) branche van MÉON behandelt hetzelfde onderwerp als de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmer _li gals_, maar _li cos_ heet, dat zij »cosin germain" zijn: hij weidt uit in den lof van Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle bijzonderheden bevat waarop de _Alexander_ zinspeelt:
Dist Chanteclers: »Renart, cosin, 1571. Volez me prendre _par engin_." --»Certes, ce dist Renars, non voil, Mès or chantez, _si clingniez l'oil_; D'une char somes et d'un sanc, Miex vodroie estre d'un pié manc Que vos mesface tant ne qant, Que tu es trop près mon parent." Dist Chanteclers: »Pas ne te croi: Un poi detrai en sus de moi, 1580. Et je dirai une chançon; N'aura voisin ci environ Qui bien n'entende mon fauset." Lors s'en est souriz Renardet, Et dist Renars: »Chante, cousins: Je sauré bien se Chanteclins, Mes oncles, s'il vos fu noient." Lors encommence hautement, Lors chanta Chanteclers un vers: _L'un oil ot clos et lautre overs_, 1590. Car moult forment cremoit Renart; Sovent regarde cele part. Ce dist Renars: »Ce n'est noient. Chanteclins chantoit autrement, A un lonc tret, à eulz cligniez, C'on l'ooit d'outre les plessiez." Chanteclers cuide que voir die: Lors commence sa melodie, _Les eulz cligniez_ par grant aïr. Lors ne volt plus Renart soffrir, 1600. Par de desus un rouge chol _Le prent Renart parmi le col._
Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd. _Reinhart_, vs. 11-176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast aan het oude gedicht houdt[134], waarop het zich dan ook beroept,
Trover le poez en l'estoire, 1384.
evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:
Que se li livres nos dit voir Où je trouve l'estoire escrite.
Het schijnt dus, dat de toespeling uit den _Alexander_ niet op het gedicht van PIERRE DE SAINT-CLOUD ziet. Maar is werkelijk die 11e branche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.
Pierres qui de Saint-Clost _fu nez_, 4851. S'est tant traveilliez et penez Par proière de ses amis, Que il nos a en rime mis Une risée et un gabet De Renart, qui tant set d'abet, Le puant nain, le descréu, Par qui out esté decéu Tant baron que n'en sai le conte, Dès or _commencerai_ le conte: Se il est qui i voille entendre, Sachiez moult i porra aprendre, Si com _je cuit_ et com _je pens_, Se à escouter met son sens.
het slot luidt:
Ici fait Pierres remanoir Le conte où se _volt_ traveillier, Et lesse Renart conseillier.
Of in een ander handschrift:
Chi fait Perrins remanoir Le livre de Renart pour voir Duquel s'est volus travillier: Ysengrin laist à conseillier (_sic_); Se par ce meschiet Ysengrin Li blames en ert sus Perrin.
Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken, dat van PIERRE steeds in den derden persoon, en in den verleden tijd gesproken wordt, _fu nez_, _volt traveillier_, terwijl terstond daarop de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt aan te duiden.
ROTHE zegt[135]: »D'abord, à la vérité, l'auteur semble parler de PIERRE DE SAINT-CLOUD à la troisième personne; mais le reste prouve assez que cette onzième branche est _précisément le poëme_ entier et isolé _de ce même_ PIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart."
Dat wij hier den inhoud van PIERRES gedicht hebben, geef ik gereedelijk toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moeten _bewezen_ worden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29e branche (MÉON, III, pag. 82):
Une estoire vueil commencier. Qui durement fet à prisier; Et grant bien i porriez aprendre Se il vos i plest à entendre. Or m'escotez sanz noise fère, Que nus contes ne porroit plère A home qui est trop noisous, Mès de l'oïr soit covoitous: Celi qui oïr le vorra, Sachiez, grant profit i penra.
En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten dat PIERRE DE SAINT-CLOUD zijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven dan WILLEMS het stelde. Dat de 11e branche een werk van de eerste helft der twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br. 5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft. Waarschijnlijk heeft juist _le livre_, dat in de slotvariant genoemd wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk van PIERRE bevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn, dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit den _Alexander_ op PIERRES gedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam van _le gal_ zal zijn genoemd.
Of PIERRE meer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de inleiding tot de 20e branche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,
Son engin et s'art Mist en vers fère de Renart _Et d'Ysengrin_,
welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.
Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid, die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere branche uitdrukkelijk aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven. In de plaats bij CHABAILLE[136] voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd. LE GRAND D'AUSSY en RAYNOUARD kennen hem ook nog, volgens GRIMM[137], de branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe; FAURIEL meent dat hij buiten de 11e alleen nog de 1e branche geschreven heeft[138]. Van de eerste en de vijfde is het stellig te bewijzen dat PIERRE die niet kan geschreven hebben. De 5e is misschien eene omwerking van zijn vroeger gedicht, gelijk wij reeds zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1_b_ weêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:
Que vos ice que ne savez, _Fors seulement par oï dire_, Li portez ne corroz ne ire.
In branche 1 _ziet_ juist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br. 11 beklaagt.
De geheele redenering van FAURIEL berust op het niet goed begrijpen van de inleiding tot de eerste branche.
Al wat wij dus van PIERRE DE SAINT-CLOUD weten, is, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.