Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht
Part 7
Maar hoe kwam de dichter op de gedachte om op die wijze zijn voorbeeld te wijzigen? Blijkbaar putte hij die uit de traditie: »Dass Ermenrich in die erzählung gemengt ist," zegt GRIMM[100], »verräth einen uralten Deutschen zug; wahrscheinlich ist eine flandrische tradition mit dabei im spiel." En hij haalt daarbij eene plaats aan uit de _Miracula Sti Bavonis_, in de tiende eeuw geschreven, waaruit blijkt, dat men koning Hermenrijk voor den stichter der burcht te Gent hield, waar hij groote schatten vergaderd had[101].
Het geheele denkbeeld van eene biecht kon hij uit de fransche 20e (16e) branche ontleend hebben, waarin zij althans met een woord wordt aangestipt; vs. 11717 raadt Grimbert den vos, die op 't punt stond van gehangen te worden,
Or vos déussiez confesser,
en wat later, vs. 11807, komt zijne vrouw met den schat aan
Ançois qu'il ait dit sa confesse.
Het denkbeeld om zich op den beer en den wolf te wreken, en hen van een deel van hunne huid te berooven, is niet aan de 20e branche ontleend; maar het was blijkbaar oud. In het Fransch zoowel als in de latijnsche gedichten[102] vindt men dit incident in de verhalen waarin de kranke leeuw door den vos genezen wordt[103]. En hetgeen merkwaardiger is, is dit, dat zoowel in den _Isengrimus_, den mhd. _Reinhart_, als in de 26e (21e) fransche branche, die wraakoefening voorafgegaan wordt van den hofdag waar Reinaert wordt aangeklaagd.
Blijkbaar schijnt intusschen op den hofdag bij den kranken koning de aanklacht tegen den vos maar weinig plaats te hebben beslagen, gelijk de _Isengrimus_ leert. Of dit tafreel van lieverlede meer in het breede is uitgewerkt, om eindelijk als zelfstandig verhaal te worden behandeld, dan of de afzonderlijke ding-dag aanleiding gaf tot meerder uitbreiding van soortgelijk verhaal in het eerste deel der branche van de genezing des konings, is niet licht uit te maken. Ik zou intusschen niet ongeneigd zijn het eerste aan te nemen. Daarvoor pleit, dunkt mij, vooreerst de samenvoeging in den mhd. _Reinhart_; maar ten anderen ook de 26e (21e) fransche branche.
Zij begint ook met een hofdag op den Pinksterdag.
Ce fu entor la Pantecoste, Vs. 17885. Que dant Nobles tenoit sa feste: Asanblée i ot mainte beste; .................... Mais li chastelains de Val-gris, Dans Renarz, de qui toz max sort, N'ert pas adonc venu a cort.
Isengrim begint ook hier de aanklacht tegen zijnen vijand, die echter door Tybert verdedigd wordt. Hoewel hij reeds herhaaldelijk gedaagd is,
Plus de dis foiz, voire de vint,
wordt hij opnieuw opgeroepen, eerst door den hond Roonel, wiens vrouw hem echter waarschuwt, zeggende, vs. 18172:
Manbre-vos de Tybert le chat, A qui fist panre tant mal mors. Et de Belin, et de Brun l'ors, A qui il fist perdre la pel Des orailles dusc'au musel.
Roonel volbrengt intusschen zijne boodschap, maar wordt door den vos in 't ongeluk gestort. Dan volbrengt het hert de tweede indaging, en ook deze bode komt slecht van de reis. De koning wordt daardoor zoo vertoornd, dat hij de koorts krijgt. Daarop begeeft Grimbert zich naar Reinaert om hem deze boodschap te brengen; waarop dan de geschiedenis der genezing des konings door den vos begint.
Men ziet duidelijk, dat dit eene navolging is van de driedubbele daging uit onzen _Reinaert_, gelijk reeds door GRIMM is opgemerkt[104], die er echter op laat volgen: »gewis gab es ein älteres, mehr zu dem deutschen stimmendes franz. gedicht." Hij zegt dit vooral met betrekking tot het laatste gedeelte der branche; maar wellicht geldt het evenzeer van het eerste stuk, dat zeer zeker »einen spätern umarbeiter verräth."
Daar hij nu een ouder gedicht omwerkte, kan _zijne_ inleiding daarin niet voorhanden geweest zijn: hij heeft dus hier zijn voorbeeld veranderd. Hoe kwam hij daartoe? en waarom deed hij het juist zoo? Mij dunkt, het ligt voor de hand om aan te nemen, dat hij dat ouder eerste gedeelte niet opnam, omdat dit tot een zelfstandig gedicht verwerkt was. En dat dit juist het onze is geweest, is niet onwaarschijnlijk, omdat dit juist het best verklaart hoe hij juist eene blijkbare navolging van dit stuk voor het oorspronkelijke in de plaats schoof.
Waarschijnlijk kende de dichter van den _Reinaert_ dien ouderen vorm, hetzij dan uit een der latijnsche stukken, den _Isengrimus_ of _Reinardus_, hetzij uit de mondelinge overlevering, daar hij waarschijnlijk het ouder fransche gedicht niet gekend heeft; en zoo kwam hij misschien op het denkbeeld om tot op eene zekere hoogte den draad weder op te vatten die zijn fransch voorbeeld had laten schieten.
De mishandeling, het dooden van Cuwaert, hoewel in het Vlaamsch geheel anders verhaald, moet ook uit het Fransch ontleend zijn, en wel uit de 20e branche. Daar heet het, vs. 11209 vlg., dat Renart na zijne begenadiging den haas, die zich in eene haag verborgen had, overweldigt en hem meêsleept:
En quide bien livroison fère Vs. 11246. A ses faonz sans demorance.
Maar het gelukte Couart den moordenaar te ontsnappen (vs. 11272), en zoo gewond en mishandeld als hij was
(Les costez a toz pertuisiez, Vs. 11279. Que li bordons i fu fichiez; Et la pel des piez et des mains A rompue, n'est mie sains.)
zich voor 's konings voeten te werpen en om hulp te smeeken, waarop Noble, verontwaardigd over het verraad van Renart, beveelt hem na te zetten.
Dat er werkelijk ontleening uit de fransche branche plaats had, mag ook daaruit worden opgemaakt, dat in 't Vlaamsch de misdaad aan Cuwaert gepleegd, niet gemotiveerd is; daar deze integendeel den vos, hoewel door angst gedreven, nog een dienst had gedaan, zie vs. 2628 vlg.
Daarentegen had in 't Fransch de haas zich zijn ongeval op den hals gehaald; want toen men Renart ter galg voerde, en alle dieren hem te lijf gingen, had Couart hem van verre,
De loing, que pas ne l'aprochoit, Vs. 11106.
met een steen geworpen; en juist omdat
En a crollé le chief Renart,
had de lafaard zich weggemaakt,
Que onques puis ne fu véuz.
en in de haag, waar hij zich verscholen had, ontdekt hem later Renart, die zich nu over den hoon hem aangedaan wil wreken.
Eindelijk komen wij tot het slottafreel van onzen _Reinaert_, dat WILLEMS als een overgang tot het tweede boek beschouwde[105]. Over de optreding van Firapeel hebben wij reeds gesproken[106]: het is hier de plaats om een enkel woord te zeggen over de regels die hoofdzakelijk den grondslag van WILLEMS' argument uitmaken; namelijk dat Firapeel zegt, vs. 3406:
Ende daer na sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vanghen, Ende bi siere kelen hanghen.
Zijn deze woorden uit de fransche branche ontleend, dan vervalt natuurlijk de stelling van WILLEMS zonder eenige tegenspraak. Welnu, als Cuwaert den koning Reinaerts nieuw verraad ontdekt heeft, roept Nobel uit, vs. 11290:
Or sai bien q'à mavès me tient. _Seignor, fet-il, or après tuit!_ Que je le voi où il s'enfuit: Par le cuer bé, s'il vos estort, Vos estes tuit pendu u mort, Et cil de vos qui le prendra, Toz ses lignages frans sera.
De aanhaling zal genoegsaam zijn om te overtuigen, dat werkelijk de aangetogen woorden van onzen _Reinaert_ uit de pen vloeiden van den oudsten schrijver, en niet van den omwerker.
In het origineel geven de mannen des konings gehoor aan zijne stem en jagen den verrader na, die zich eindelijk op zijne burcht bergt. In onze navolging kon dit niet, omdat Reinaert zich reeds te Malpertuis bevond, vanwaar hij zich buitendien met al de zijnen in de woestijn terug trok (vs. 3310-4).
De laatst aangewezen plaats snijdt de mogelijkheid af om te denken aan een plan om later in het gedicht uitvoering te geven aan Firapeels belofte om Reinaert te vangen en te hangen.
Heeft intusschen de dichter van den _Reinaert_ het laatste gedeelte der branche waarin het beleg van Maupertuis beschreven wordt gekend?
Het antwoord op die vraag kan niet anders dan bevestigend uitvallen.
Het eerste gedeelte van het verhaal der gebeurtenissen na Reinaerts komst ten hove, tot aan zijne veroordeeling ter dood, _Rein._ vs. 1756-1890 stemt volmaakt overeen met vs. 10931-11094 van branche 20_a_; maar dan verlaat ons gedicht dit eerste gedeelte om zich nader aan 20_b_ aan te sluiten.
_Rein._ vs. 1892 ziet men Grimbert met Reinaerts magen het hof verlaten, want
Sine consten niet verdraghen No sine consten niet ghedoghen, Dat men Reinaert vor haren oghen Soude hanghen alse een dief.
Zoo iets wordt in 20_a_ niet gevonden; maar later wordt in 20_b_ Grimberts smart aangestipt, vs. 11635:
Por Dant Renart que l'en devoure Ploure Grinbert et prie et oure: Ses parenz ert et ses amis, Liez le voit et entrepris, Ne set conment il le reqoe. Que la force n'est mie soe.
_Reinaert_ vs. 1908 zegt de koning, die verlangt een einde aan de zaak te maken:
Twi sidi traech, Isengrijn ende here Bruun? .................... Salmen hanghen, twine doetment dan?
En ook 20_b_ zegt Nobel tot Isengrin, vs. 11787:
Ce dist li rois, pensez del pendre, Que je ne voil mès plus atendre.
In den _Reinaert_ bereiden zich zijne drie vijanden, de wolf, de beer en de kater toe om zelf den valschen moordenaar te hangen. In 20_a_ heet het alleen, vs. 11095:
Sor un haut mont en un rochier Fet li rois les forches drecier Por Renart pendre, le gorpil;
zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar bij de tweede veroordeeling, in 20_b_, worden de dieren genoemd die zich van hem meester maakten, vs. 11605:
Lors Isengrin en piez se drece, S'aert Renart par la chevesce; Dou poing li done tel bufet, Del cul li fait saillir un pet. Et Brun l'aert par le chaignon, Les denz li met dusqu'au braon; .................... Tybert li chaz giete les denz Et les ongles, qu'il ot poignanz, Saisist Renart au peliçon, Bien li valut une friçon.
En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:
Si anemi La hart li ont ja el col mise.
Eerst in 20_b_ wordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in den _Reinaert_ zoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:
Or vos déussiez confesser.
Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te trekken.
_Reinaert_ vs. 1851 vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats is ontleend aan 20_a_, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren komt ook voor, vs. 1868:
Dat foret, Clene-bejach.
welk diertje niet in 20_a_ genoemd wordt, maar in de navolging der eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd, vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden
Et Petit-porchaz li Fuirons.
Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs. 1419 _Rosseel_: in 20_a_ _Rouviel_, maar eerst vs. 11729, dus in 20_b_, _Rousel_.
Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20_a_ en -_b_ reeds had plaats gehad vóór dat onze _Reinaert_ werd geschreven, welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier branche is bekend geweest.
Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat de _Reinaert_ naar de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch nagevolgd is.
De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de uitstekendste der fransche branches genomen, en hoewel hij dit stuk voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen, door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op dien van meesterlijk kunstprodukt.
VII.
Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben beschouwd.
Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den Vlaming terstond een toevoegsel, vs. 16-97, waaruit blijkt, dat hij zeer vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan ook dadelijk.
De klacht van Cortois, vs. 97-106, komt niet in br. 20_a_ voor: waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minste CHABAILLE heeft in zijn _Supplément_ een klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt[107], gelijk ook hier, vs. 107-125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist Tibert den vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der 6e branche van MÉON, vs. 2219 vlg.
Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs. 107-125. Dit heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche gedichten niet onbekend. In de 20e branche zelve heet het iets later nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:
.... Grimbert Qui por Renart parole et plaide Entre lui et Tybert le chat;
en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires," waar Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs. 17999-18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.
Wij zagen boven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt: door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd; maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten, daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat hij dien uit de 26e (21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had, zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.
Pancers beschuldiging, vs. 126-169, weet ik nergens aan vast te knoopen, wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.
Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20_a_ overeen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan: vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen" van de kar afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets anders over te laten
sonder allene een pladisengraet,
dien hijzelf niet mocht (vs. 208-216).
De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had, en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche gedichten verteld, br. 2, vs. 749-916 en br. 10, vs. 3919 vlg. Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de visschen op de kar ook »pladisen" genoemd worden, vs. 3941:
De poisson chargiez estoient, Si comme harenz et plaïz.
Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827, te Arras of in Artois geschreven was.
Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos bedrogen had betrekkelijk »enen bake," waarvan hij hem tot zijn deel alleen
Die wisse daer die bake an hinc
overgelaten had (vs. 217-225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698-7970. Maar noch in het Fransch noch in den _Reinardus_, I, 186 sqq., waarmeê de fransche branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op laat volgen:
Reinarde was lettel te bet, Dat hi den goeden bake ghewan, In sulker sorghe, dattene een man Vinc, ende warp in sinen sac.
Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen voorkomen.
Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan den _Reinardus_ staat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In den _Reinardus_ daarentegen heet het I, vs. 11:
Dicebat patruum falso Reinardus, ut ille Tamquam cognato crederet usque suo.
En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat verdraayen, vs. 2101:
Daer na quam ic ende Isengrijn; .................... Hi rekende dat hi ware mijn oom, Ende began ene sibbe tellen.
Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.
Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee afwijkingen van den tekst der 20e branche.
Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. In het Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het vlaamsche gedicht, waar vs. 320 in C. gelezen wordt:
Ende _minen sustren_ die hier staen,
hetgeen GRIMM terecht veranderde in _minen kindren_. Eindelijk was de vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in de fransche 20e branche, maar is overigens in de sage niet onbekend. _Reinardus_ III, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan; maar de list mislukt[108]. In de 6e fransche branche daarentegen, getiteld: _Le desputement de la mesange avec Renart_ (MÉON, I, pag. 66), tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden rijksvrede, vs. 1748:
Si a danz Nobles li lions Novelement la pès jurée, Se Diex plaist, qui aura durée. Par sa terre l'a fait jurer, Et a ses barons afier, Qu'ele ert gardée et maintenue.
In den mhd. _Reinhart_, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs. 177-216, komt deze bijzonderheid niet voor.
Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschen _Renardus_, of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche branches.
Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowel in den mhd. _Reinhart_, dus in het oudere fransche gedicht, als in de 20e branche bij MÉON, heeft er op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen werd. Die trek is blijkbaar oud en echt[109], en er moet eene reden zijn waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.
Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen; want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.
Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste jaren na den moord van den vlaamschen graaf KAREL DEN GOEDE (1126), dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer vader"[110], die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op wiens graf terstond mirakelen plaats grepen[111]. Maar wij zullen zien, dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.
Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den geleidelijken gang van het verhaal stoorde. Eene vergelijking van het duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk het geval is.
Bij GLICHESÆRE wordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de koorts kreeg,
(Von vorhten bestuont in der rite. Vs. 1483)
Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den koning de »vremdiu mære" verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:
Daz daz huon wære Heilec vor gotes gesihte.
Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar, roepende, vs. 1508:
»Reinhart soldez vermiten hân, Daz er âan alle missetât Disen heiligen gemartirt hât.
En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te gaan om hem voor het gerecht te dagen.
Geheel anders is de toedracht der zaak in MÉONS 20e branche. Als Copée begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen over
»Cel gloton, Qui tantes guiles nos a fetes Et tantes pès nos a enfrètes." (vs. 10134.)
De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)
Atant se met en l'ambléure Parmi le val d'une costure, Que il ne siet ne ne repose.
En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde (vs. 10146):
Lors avint à cort une chose: Endementiers que Bruns s'en vet Renart empira moult son plot: Quar mesire Coars li lièvres, Qui de péor trembloit les fièvres, (Deus jors les avoit ja éues,)
maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich de koorts op den hals had gehaald;--
Merci Dieu, or les a perdues Sor la tombe dame Copée. Car qant ele fu enterrée, Onc ne se volt d'iloc partir, Ainçois dormi sor le martir. ...................... Qant à la cort vint la novele, A tiex i ot qu'ele fu bele; Mès à Grinbert fut-ele lède, Qui por Renart parole et plaide Entre lui et Tybert le chat. S'or ne set Renarz de barat, Mar est bailliz, s'il est tenuz, Qar Bruns li ors est jà venuz A Malpertuis _etc._
't Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch daarentegen heet Copée reeds _martir_ vóór dat er iets op het graf had plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'[oe]uvre is, ter kwader ure wordt afgebroken.