Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

Part 5

Chapter 53,842 wordsPublic domain

»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les m[oe]urs et dans les idées, aux temps où le sujet n'a pas encore été épuisé, où les versificateurs et leur public n'ont pas encore été blasés sur les tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable."

Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en Ysengrin bedoeld worden. In de 13e (9e) branche leest men, vs. 6910:

Se il fust pris devant Halape Ne fust-il pas si adolez,

hetgeen herinnert aan _Renart Le Nouvel_, vs. 2884:

Ne cuit mie jusqu'en Halape Ait nul home qui le vousist.

Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.--Over de karakteristiek handelen wij weldra.

»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.

»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité, des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité, et retracent les m[oe]urs, les usages et le langage de la chevalerie. Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis, montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers, parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces, à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières, elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre différent."

Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen en herlezen alvorens ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de moeite wil getroosten de drie eerste deelen van MÉON te doorbladeren, zal lichtelijk ontwaren, dat ROTHE ter gunste van een systeem een willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de achttien eerste branches van MÉON niet alle tot de oudsten behooren; het behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige, dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable," maar evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés."

Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester bedriegen; naar de elfde, die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, en die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt; enz., enz.

Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité"?

Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v. heet het vs. 568 van Renart:

Ainz ne fina d'esperoner.

In de tweede, vs. 893:

Car il (R.) a trop ignel cheval.

In de 13e (9), vs. 6541:

Onques ne fa ses frains tenuz.

In de branche aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven zegt de vos tot Nobel, vs. 5618:

Miex amez la grant baronie De vostre cort avecques vos, Si con est sire Bruns li ors.... N'avez cure de povre gent.

Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:

A la cort Noble le lion Tient-on les plès et les oiances De mortiez guerres et de tences, Là nos irons de lui clamer.

Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:

.... S'om me laissoit esconduire Par sairement et par joïse, Je'l feroie par del devise C'om me féist ardoir ou pendre Se ne m'en poïsse desfendre.

Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding door ROTHE gemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet veel verschillen[75]. Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e (16e) branche zich op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, vs. 4938:

Que se li livres nos dit voir Où je trouve l'estoire escrite;

vs. 5753:

Que se l'estoire ne nos ment.

Zoo ook de 5e (3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk van PIERRE voorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:

Trover le poez en l'estoire.

Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel hielden. Zoo zagen wij in de 11e branche b.v. met een enkelen trek de koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van zijne dierhelden te paard te laten rijden.

Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der 20e (16e) branche, en ook de 19e waar de dieren gewapend met lans en speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de onderscheiding van ROTHE op.

Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1-7, 21-22 en 20_a_ niet bestaat in dien zin waarin ROTHE het opvatte, en die hem aanleiding gaf de branches 20 en 21-22 aan verschillende dichters toe te schrijven. Wij zullen dan ook later zien, dat de 20e branche, die volgens ROTHE tot de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans, waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.

Keeren wij thans tot de branche 21-22 meer bepaald terug.

FAURIEL was daaromtrent van een andere meening dan ROTHE. Hij noemt de beide branches[76]: »Renart teint en jaune et Renart jongleur .... deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour être _indubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid_ (20)."

Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in zijn artikel over den _Roman du Renard_ te veel misslagen begaan om hem op zijn woord te gelooven[77]; wij moeten daarom een eigen onderzoek instellen.

In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt gestoord.

Nu zegt reeds in de voorgaande, 20e branche, vs. 11745 vlg., de vos tot den das:

.... Se ma fame se marie, Tolez li quanque je li lès, Et si tenez ma terre en pès, Qar moult m'aura tost oblié Puis que me saura devié; Ainz que Tibaut soit crestiens En metra un en ses liens: Qar qant li hons gist en la bière, Sa fame esgarde par derière S'ele voit home à son plaisir; Ne puet pas son voloir taisir, Con plus se pasme et vet tremblant, Qu'il ne li face aucun semblant. Tot autretel fera la moie, Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.

Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld. Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v. vs. 12165-8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20e branche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:

A une liue d'iloc ot, Si que Renarz moult bien le sot, Une tombe d'une martire, Dont vos m'avez bien oï dire, De Coupée qui là gisoit: Tretoz li mondes le disoit Qu'ele fesoit apertement Vertuz à toz conmunalment. Nus hons n'i vient, tant soit enfers, Ou soit moignes, on lais ou clers, De tot le mal que il éust, Que meintenant gariz ne fust.

Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.

Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:

Dont vos m'avez bien oï dire,

zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter zijn. ROTHE wil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec cet ancien original de la vingtième[78]."

Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt door ROTHES onkritische beschouwing der 20e branche, waarin hij geene twee verschillende handen opmerkte.

De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21-22e branche in hare oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het algemeen als waar aangenomen worden.

Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelte der 20e branche, in welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de 21-22e moeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude overlevering schijnt te bevatten[79].

Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in het eerste gedeelte der 20e branche, en wel te midden van het verhaal, en onder nadrukkelijke verklaring

Dont VOS M' _avez bien oï dire_.

ROTHE is ook op dien regel gestuit. »_Le vos m'avez bien oï dire_", zegt hij[80], »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la supposer."

Die andere »considérations" meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben, zoodat ROTHES eenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22e branche _a pu_ chanter cela ailleurs, et non pas dans la 20e branche précisément."

Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook bij ons kan opkomen.

Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20e en 21-22e branche aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver van het tweede gedeelte der 20e branche, aan wien deze aaneenhechting wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine verandering in den tekst had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:

Dont vos avez bien oï dire,

zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.

En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te bieden dan die welke MÉON gevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders dan eene waarschijnlijke konjektuur.

Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in 't algemeen in het ouder gedicht sprake was.

De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons bepaaldelijk deze branche aan 20_a_ vast te knoopen, waar Reinaert juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20_b_ noodzakelijk.

Dat in alle handschriften de branches 20, 21-22 terstond achter elkander volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.

Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20e branche tweemaal eene onloochenbare toespeling voorkomt op de _Chanson de Guillaume au cort nez_, dit gedicht juist in de 21-22e branche niet vermeld wordt, waar van de _Chansons de geste_ alleen genoemd worden, vs. 12623:

Chanson d'Ogier, Et de Rolant et d'Olivier, Et de Charlon le ber chanu,

waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijver dezer branche ook de auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had gezweefd, toen hij de 20e branche schreef.

Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of althans de aanhechting der 21-22e branche aan den schrijver van 20_b_ mogen toeschrijven.

Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.

Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:

Ez-vos Renart qui le salue: »_Godehelpe!_ fet-il, bel sire."

Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:

Et sez-tu le lai Dam Iset?" --»Ja, Ja, dist-il, godistonet(?), Je fot saver, dist-il, trestouz.

Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan de vossin:

Mespris avez en tel manière Qu'en vos en tient à chamberière, Qui conmunaus est à garçons: Trestuit _li entrent ès arçons_.

Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br. 20_a_, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:

Que dans Renars, cis fox garçons Vos _entra_ onques _ès arçons_.

Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te kennen, of moet men hier aan overneming denken?

Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden, die tot de 20e in zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.

Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende stukken samengeflanst, gelijk GRIMM reeds heeft aangetoond[81]. Het eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.

De inhoud dier branche 1_b_ hangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de 20e ten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1_b_ geeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.

De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1_b_ vindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2e en 6e bij ROTHE geanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20e branche wordt voorbereid[82], en ik weet niet of zij wel in ROTHES hss. 2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la dernière moitié de la branche première"[83].

Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoorden schijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten. Branche 1_b_ kan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden beschouwd.

Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen dit stuk en 20_a_.

De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding tot hetgeen later in 20_a_ volgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar echtgenoot:

»Sire, fait-ele, vos diroiz Corociez estes, n'est pas droiz Que vos mostrez ici vostre ire; Que s'om me laissait esconduire Par sairement et par joïse, Je'l feroie par tel devise, C'om me féist ardoir ou pendre Se ne m'en poïsse desfendre."

Dit hangt samen met br. 20_a_, vs. 9790, waar Hersent zegt:

»J'amasse miex assez la pès Entre mon seignor et Renart, Voir qui en moi n'ot onques part, En tel manière n'en tel guise, Si que j'en feroie une juise, Ou de froide ève ou de fer chant. Mès mon escondire que vaut!" _etc._

Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1_b_ is blijkbaar _après coup_ gemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen wat in de 20e branche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit door den schrijver van 20_a_ zelf zou geschied zijn, is a priori reeds onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn eerste werk zou hebben opgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de 20e branche den aanhefsregel

Ce dist l'estoire _ès premiers vers_,

wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1_b_ ook branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20_a_ is bearbeid.

Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:

Ne forfis rien à vostre fame, Et por moi et por lui desfandre Tot par là où le vodrez prendre, Un sairement vos aramis Au los de voz meillors amis.

Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die in de 19e branche omstandig verhaald wordt.

Met die 19e heeft ook 1_b_ nog dat gemeen, dat in beiden Ysengrin _conestable_ genoemd wordt[84], b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.

De branche 1_b_ kan dus niet van den dichter van 20_a_ zijn. Treffen wij dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij lezen:

.... Renars cix rous, cix puanz, Cix viz lechierres, cix garçons, Vos _monta onques ès arçons_.

Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21-22 nog niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20_a_ moet zijn bewerkt.

Br. 1_b_ schijnt nog eene uitdrukking met 20_a_ gemeen te hebben. Vs. 632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:

Par Dieu, beau sire, ne'l créez, Que nules riens i aie faites, _Ne dras levez, ne braies traites_; Ains par cest cors ne par ceste ame! Ne forfis rien à vostre fame."

In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geen _dras levez_, noch bij mij zelf _braie traite_.

In de 20e branche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:

»Et puis qu'i _n'i ot braies traites_, Ne huis brisiez, ne portes fraites, S'ele m'a chier, et ele m'aime, Cix faus jalous de coi se claime?"

Hier is intusschen de uitdrukking _traire braies_ niet op hare plaats; zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:

Et puis que n'i ot _force fète_, Ne huis brisiez, ne porte frète,

even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:

»Et puis qu'il n'i ot force fète, Ne huis brisié, ne trive frète, Se Renars le fist par amors, N'i afiert ire ne clamors.

Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is meer dan waarschijnlijk.

Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan één hol heeft. Behalve _Malpertuis_, wordt ook nog _Malcrues_ genoemd. Zoo b.v. in de 19e branche, vs. 5972:

Et il se r'est en _Malcrues_ mis,

en vs. 8932:

Droit à _Malcrues_ son repère,

zoo als een der codices leest[85], maar waarvoor de uitgave van MÉON terecht leest _Malpertuis_, zoo als de rhythmus leert.

Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20_a_ (16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene vorige belegering van zijne burcht sprekende,

Qant li ost[86] fu devant _mon crues_, ........................ Tuit furent batu et ploié.

Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam van Reinaerts burcht verwachten, en lezen: _devant Malcrues_?

Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden afschrijver, ook in branche 1_b_, vs. 568 voorkomt, waar het heet:

Ainz ne fina d'esperoner Jusqu'a l'entrée _d'un mal crues_,

waar blijkbaar _de Malcrues_ moet gelezen worden, daar weinige verzen later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:

Li chastiaus estoit auques fort.

Daar nu dezelfde naam ook in de 19e branche voorkomt, behoeft het geen betoog, dat zij in de 1e er niet toe kan leiden om deze aan den dichter der 20e toe te schrijven.

De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche 20_a_ eenmaal op zichzelf stond, en dat daaraan _iets later_ door den schrijver van 20_b_ ook de branche 21-22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de 19e branche bijgedicht.

Zoowel ROTHE[87], als GRIMM[88] hebben reeds opgemerkt, dat het begin der 20e (16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:

Quant li saint furent aporté, Il se retraist mout tost arière, Si se féri en sa taisnière.

En evenzoo in den mnl. _Reinaert_, vs. 82:

Also saen Alse die heleghe waren brocht, Was hi andersins bedocht, Ende ontfoer in sine veste.

Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij nemen die stelling aan, hoewel zij ons bij ROTHE vreemd klinkt om de opvallende overeenkomst in karakter met branche 20_b_, die hij niet van 20_a_ scheidt.

Dat de 19e branche reeds op de 20e voorbereidt, bewijst slechts dat men er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in het slot tot den wolf, vs. 9635:

».... por Renart.......... Alez à cort, ne fètes noise: De rien i a de mesprison, Là vos en fera-il reson." Dist Ysengrins: »Je m'i acort: Quel part que la parole tort, Ouen en Mai ferai mon claim: A mon seignor, que je moult aim, Me clamerai del traïteur" _etc._

Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.

Immers vs. 9202 zegt hij:

Anuit aurez moult bon herbert,

wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak van _herberc_, ons _herberg_, en dus verschilt van het gewone _héberge_.

Vs. 9147 leest men nog bepaalder:

Grimbert respont: »Ja, ja."