Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

Part 3

Chapter 33,741 wordsPublic domain

Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde. Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt[33]. In den oudsten tekst namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331):

Si daden hem alle up die vaert: Ermeline ende here Reinaert, Ende hare jonghe welpkine, Dese anevaerden die woestine;

welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.

Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger codex niet van eene omwerking wist.

WILLEMS is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de afschryver van het codex Comburgensis den _ouderen_ text van _Reinaert_ kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te leveren"[34].

Den grond voor die meening geeft hij aldus aan[35]:

»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe personnagie, met name _Firapeel_, de luipaerd, die den koning tot het besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:

_Daerna_ sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vangen, Ende bi sine kele hangen;

een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke _Reinaert_ met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint. Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd, noch passend."

Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374 (3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft.

Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech" een geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den _Renart Le Nouvel_, in MÉONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een epos.

En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten, ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454 zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter. En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert; zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in rook verdwijnt.

Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde, genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel"[36].

Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den omwerker zegt hij[37]: »Hy noemt den leeuw _Lioen_, in plaets van _Nobel_."

Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking de leeuw slechts één enkel maal _Lioen_ heet, vs. 3757:

Ist dat ic coninc heet Lioen;

maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt _Nobel die coninc_. Maar juist in de verzen die WILLEMS als overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:

Hi sprac: »Here, coninc lioen, vs. 3378 Dit biet u die coninc lioen. vs. 3444

Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen van den oudsten schrijver vloeiden?

Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming:

Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen, Wien twifelt des, ghine moghet doen?

Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen, gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het vijfde vers volgens de echte lezing.

Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering, mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk" zal vinden[38]. Volgens hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen eigenen verzwegen zou hebben." Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar zich dan toch nooit den _Madoc_ kon toeëigenen), zijn diefstal alleen bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog _ongemaakt_ kon heeten, blootelijk te veranderen in _niet te recht geschreven_.

Voorts zegt SERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven hebben."

Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op vs. 444 en 2953-2969. In het eerste vers heette het dat men begon te zingen

Dat placebo Domino;

en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet" aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt), waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis verwerven.

Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien dat gevoelen te weêrspreken.

Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den _Reinaert_ een geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald had[39]?

Zoo het verder bij SERRURE heet: »zeker was zulk kundig en vernuftig dichter als de opsteller van het eerste boek des _Reinaerts_, niet in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te berymen," dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS _malsch_ vs. 19 vertale door _week_! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den _Floris_ stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van SERRURE tegenspreekt.

Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent dat hij »naden walscen boeken" gearbeid heeft. De waarheid heeft intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding daartoe in den vreemde gevonden was.

Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM geheeten was, en vroeger reeds den _Madoc_ geschreven had; 2) dat hij naar fransche geschreven bronnen (_walsce boeken_) gewerkt heeft.

Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de fransche gedichten betreffende de dierensage.

III.

In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud[40]. In de _Chanson des Lorrains_, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij ons bekend is[41], heet het van BERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed (II. 53),

Renart resenble qu'en la taisnière est mis,

hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeen bekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten vos op het oog had. GRIMM heeft eene plaats aangehaald van GUIBERT DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter lupinam speciem" Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen begrepen worden[42]. Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden der elfde eeuw (1050) voorkwam.

Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus[43] zegt onder anderen:

Tout cil qui en content sans rime Ne sevent pas vers moi la dîme: Il le vous content à l'envers;

waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop waren[44], die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.

Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks van gedichten die te samen meer dan 30,000 verzen bevatten, alle takken (_branches_) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in verschillende tijden bewerkt.

Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave van MÉON, slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegt GRIMM[45]: »abgefasst sind die frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar dem 14. jh. zufallen."

Ongeveer op dezelfde wijze oordeelt ROTHE[46]: »Bien qu'il soit impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que, dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes, selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous aujourd'hui le _Roman de Renart_ datent du treizième siècle. Quelques uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne, celle des trouvères"[47].

FAURIEL erkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères op het ouder stuk hebben uitgeoefend[48], dat zij »reprirent pour ainsi dire en sous-[oe]uvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent, l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle, eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français." Dit had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables."

Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches van MÉON, die niet de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles herinnert aan het weelderige tijdperk waarin CHRESTIENS DE TROIES bloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige juistheid aan te geven. GRIMM zelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn uitstekend werk zoo hoog schat als iemand[49], geloof ik toch dat het plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.

Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.

* * * * *

In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de verzameling van MÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke; maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk, welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de twintigste branche van MÉON[50], welke wederom in hare eerste helft zoo met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.

Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft, nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.

Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is de _Reinhart_ van _Heinrîch der Glichesære_.

Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeft GRIMM betoogd uit de onduitsche vormen van sommige eigennamen als _Birtîn_, _Hersant_, _Isengrîn_, _Schanteklêr_ en _Pinte_; terwijl _Uebelloch_ blijkbaar eene vertaling is van _Malpertuis_. Ook het woord _villân_, »hätte nicht leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht[51]." Voorts haalt hij ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woorden _cous_ en _bordûz_ aan om zijn gevoelen te staven[52].

ROTHE erkent dan ook[53] dat de duitsche dichter »connaissant _infailliblement_ un poëme antérieur de Renart en français, et profitant de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans l'ancienne langue allemande."

En FAURIEL getuigt uitdrukkelijk[54]: »Le Reinhart, tel qu'il nous reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter jusqu'à un certain point la substance et la suite."

Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste, vs. 1239-2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e (16e) fransche branche.

Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de woorden:

Ce dist l'estoire ès premiers vers.

Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de fransche branches het geval was, voelde ROTHE reeds[55]. FAURIEL is het met hem eens, als hij zegt[56]: »Les trouvères combinèrent de la manière la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter."

Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot den _Reinhart_ ook FAURIEL aanneemt[57], dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen, niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble résultant d'une simple juxtaposition de récits divers."

Of nu GLICHESÆRE de verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:

Heinrich Der hât diu buoch zesamene geleit Von Isengrînes arbeit:

daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex leest men die plaats aldus:

Heinrich Er hât daz buoch gedichtôt Umbe Isengrînes nôt;

zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.

Zooveel is zeker, dat HEINRICH DER GLICHESÆRE omstreeks 1150 leefde[58], zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van omstreeks het jaar 1100[59].

Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de mnl. _Reinaert_ af, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan den _Reinhart_ ten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het andere werd bewerkt?

ROTHE schijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk verklaart. Eerst zegt hij[60]: »Les deux tiers de la vingtième branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers chapitres du premier livre du _Reineke Fuchs_ [en dus ook van onzen _Reinaert_]. Pour le reste seulement, cette branche du _Roman de Renart_ diffère entièrement de la fin du premier livre de _Reineke_." En twee bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie."

Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.

GRIMM neemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn[61]. WILLEMS gaat veel verder. Hij beweert dat de _estoire_, _l'escrit_, dat het fransche stuk als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet deswege geen twyfel over[62]."

Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.

Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet omgekeerd.

Maar WILLEMS heeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja, wat meer is," roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs het _vlaemsche_ woord _willecome_ staen, op dezelfde plaets waer hy het in den _Reinaert_ aentrof, vs. 1073.... Kan er wel een sprekender bewys van navolging gevonden worden?"

En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen, heet het vs. 1072:

Tibert, helet vri, Neve, ghi sijt mi _willecome_!

En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:

Tybert, fet li Renarz, _villecome_!

Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe, zoo dit slechts schijn ware?

Vooreerst staat het woord _willekome_ ook in den _Reinhart_, vs. 1663:

Er sprach: »_Willekome_, sippebluot!"

waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra ook in het Fransch opgenomen.

Vooreerst in den in Vlaanderen geschreven _Renart Le Nouvel_ (MÉON, tom. IV), leest men:

S'irai al apostole à Roume, 1361 Et as legas, ki _wilecoume_, Diront à moi. Convoitise vo fille ainsnée, 1371 Ki moult sera _walecoumée_ As cardounaus et au clergié. En flament haut le salua: 3366 »Goude jonkhiere, goudendast," Tibiert li respont en soumat: »Goude kenape _willeconme_!"

In de 27e (22e) branche, waarmede MÉONS derde deel aanvangt, leest men, vs. 20026:

Ysengrins a le chief levé, Si a Renart aparcéu: »_Willecome_, bien veigne-tu, Renart, qar vos venez séoir!"

Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers in de _Chroniques de Normandie_ van BENOIT (ed. FRANC. MICHEL, tom. II, pag. 112) leest, vs. 18608:

Là vunt les lices desfermer, Si receivre, si _welcumier_,

waar MICHEL het ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue à quelqu'un."

Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20 (16) dit woord t. a. pl. reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche woorden die hij gebruikt.