Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht
Part 2
En comt hi niet, hets hem quaet, Men salne _drie werven daghen_, Te lachtre allen sinen maghen.
Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt, 1070:
Die coninc dreicht u an u leven Ne comdi te hove niet met mi,
dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:
Men salne _hanghen sonder daghen_,
gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:
Dites moi le rox deputaire Qu'il me viengne en ma cort droit faire En la présence de ma gent; Si n'i aport or ne argent, Ne parole por soi deffendre, Mès la hart à sa gole pendre.
Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft Grimbert hem de absolutie, en daarna, 1683:
Riet hi hem goet te wesene, .......................... Ende dat hi vort alle sine daghe _Behendelike_ soude gheneren.
Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zich _behendelike_ te genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen worden _bescedelike_, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een slordig geschreven codex lichtelijk met _behendelike_ kon verwisseld worden, bij de overeenkomst der letters _sc_ en _h_.
Vs. 1692 leest men:
Nu moet hi pleghen siere selen,
dat WILLEMS vertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen." De lezing is door GRIMM in den tekst gebracht, daar C. heeft:
Nu moet hi siere sielen pleghen,
hetgeen GRIMM verwierp omdat _pleghen_ niet rijmde op _stelen_. Beter ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woord _selen_. De afschrijver had hier denkelijk vs. 428 in het hoofd:
God moet haerre siele pleghen,
met het rijmwoord _versleghen_. Dat 692 alleen het rijmwoord te veranderen was, leert de vergelijking met 381:
Ic moet miere siele _telen_,
welk _telen_ of _ghetelen_ ook nog 2333 (2359) voorkomt. Men leze dus 1692:
Nu moet hi siere siele telen.
Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onze _Reinaert_ eene kritische behandeling noodig had om daarvan een verstaanbaren tekst te leveren.
Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur van den _Reinaert_ was, niet zou voldaan hebben aan de eischen van welluidendheid en verzifikatie.
Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter vs. 2276, en 2634 (bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag om de 30 verzen na 2308 (bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen is als het vervolg er mede is opgevuld.
Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen. Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëzie _zooveel mogelijk_ in zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zeg _zooveel mogelijk_, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen. Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomen _ghi_, _u_, in de plaats getreden van het enkelvoudige _du_, _di_, zoo als schijnt te blijken uit 2856-7 (2876-7). WILLEMS noemt[18] »het woord _bedi_, door den auteur van het eerste boek _zoo gaerne_ gebezigd;" nu komt dat woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin van _doordien_, _daarom_ (2892, 2975), driemaal in de beteekenis van _want_ (2331, 3110, 3162). Overal elders leest men daarvoor: _dor dat_ (111, 216, 884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het eerste, te meer daar er na vs. 2170, dus juist in dat gedeelte dat, gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden worden, als _altoos_, _als ende als_, _bedraghen_, _beghaen_, _bliken_, _erre_, _iet_, _indien_, _claren_, _wout_ enz. Maar een zeer omstandig onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.
Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze aangebracht, vs. 6, 103, 138, 193, 447, 453, 611, 914-5, 1404, 1440, 1470, 1593, 2162, 3161-2, 3177, 3425.
Evenzoo is het met de allitererende formulen; 13, 33, _dorpren ende doren_, 66 _dor edelheit ende dor ere_, 668 _onteert ende ontervet_, 1284 _scade ende scande_, 1563 _leet ofte lief_, 1606 _stene ende struke_, 1685 _vasten ende vieren_, 1970 _nichten ende neven_, 1989 _no dor niede no dor noot_, 2073 _vrient no viant_, 2094 _haenden ende hoener_, 2150 _lief no leet_, 2238 _hout van herten_, 2346 _droghe ende diep_, 2855 _struke ende stene_.
Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische uitdrukkingen waarop GRIMM de aandacht gevestigd heeft[19] als _stal ende nam_, _pine ende onghemac_, _hermite oft clusenare_, _bejach no ghewin_, _owi ende wee_, _diefte ende roof_, enz. enz., b.v. 42, 97, 103, 106, 230, 264-5, 268, 276, 306, 308, 326, 333, 350, 358, 405, 435, 484, 485, 516-7, 531, 597, 613, 666, 690, 693, 701, 743, 770, 933, 1046, 1108, 1174, 1182, 1426, 1438, 1449, 1532-3, 1591, 1597, 1678, 1691, 1787, 1816, 1842, 1878, 1894-5, 1988, 2041, 2043, 2054, 2064, 2075, 2086, 2093, 2097, 2114, 2118, 2120, 2173, 2191, 2251, 2272-3, 2308, 2309, 2315, 2336, 2342, 2362, 2462, 2485, 2496, 2507, 2512, 2588, 2697, 2860, 2894-5, 3000, 3045-6, 3071, 3079, 3205, 3345, 3366, 3420.
Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door, b.v. 229, 359, 985, 1315, 1361, 1578, 1731, 2250, 2339, 2360, 2439, 3243, 3244, 3327, 3332, 3435.
In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v. 105 _man_, _nam_, _gram_, _began_, 451 _graf_, _was_, 795 _swinghen_, _vingheren_, 2101 _Isengrijn_, _rijm_, 2113 _doe_, _vro_, 2129 _Hersinde_, _kindren_, 3359 _trac_, _dat_(?), 3431 _verbijt_, _dit_, 2851 _omberen_, _varen_, 2913 _snoeren_, _te voren_, en misschien 3027 _voeten_, _grote_.
Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging van vier zuivere rijmwoorden, b.v. 139 _ghedede_, _vrede_, _ghelede_, _crede_; 261 _an_, _can_, _man_, _ban_; 267 _ware_, _clusenare_, _hare_, _jare_; 367 _niemare_, _ware_, _clusenare_, _twaren_; 459 _boecstave_, _grave_, _begraven_, _scraven_; 945 _prihore_, _ore_, _bescoren_, _verloren_; 1233 _ghestaen_, _ghevaen_, _wane_, _hane_; 1307 _waert_, _Reinaert_, _waert_, _vervaert_; 1333 _rade_, _dade_, _daet_, _raet_; 1501 _begheven_, _leven_, _gheven_, _leven_; 1737 _ghelaet_, _vraet_, _gaet_, _quaet_; 2065 _man_, _an_, _dan_, _man_; 2295 _vrouwe_, _trouwe_, _soude_, _woude_; 2299 _waer_, _haer_, _vare_, _openbare_; 2725 _vaert_, _claert_, _Reinaert_, _waert_; 2761 _lede_, _vrede_, _crede_, _mede_.[20]
Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste helft van het gedicht hier af te schrijven.
Vs. 21 _weten_, _heten_, _leven_, _begeven_; 101 _man_, _nam_, _gram_, _began_; 155 _begeven_, _gheheven_, _spele_, _vele_; 699 _dat_, _sat_, _sal_, _al_; 711 _ghevaen_, _staen_, _haest_, _naest_; 3315 _ram_, _quam_, _middach_, _ghesach_; 3401 _pine_, _Beline_, _gheliet_, _verriet_; 3433 _mesdaet_, _quaet_, _maghen_, _bejaghen_.
Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes: 901 _verslaghen_, _ghedraghen_, _ghevaren_, _daren_, _daghe_, _claghe_, 1275 _vader_, _gader_, _jare_, _ware_, _scame_, _name_; zoo ook 1331, 1693, 1767, 2215, 2323, 2867, 2915, 3307, 3377. Acht, b.v. 291 _gaende_, _slaende_, _bare_, _mare_, _Cantaert_, _waert_, _hane_, _wane_; 395 _saghe_, _haghe_, _ondergaen_, _saen_, _ghetale_, _male_, _nakede_, _smakede_; zoo ook 1239, 1749, 2621, 3229, 3291.
En zelfs _tien_: b.v. 447 _lanc_, _sanc_, _las_, _was_, _graf_, _was_, _gras_, _was_, _sach_, _lach_; 1091 _vraet_, _ghelaet_, _overstaerc_, _maerc_, _bestaen_, _waen_, _dagheraet_, _raet_, _ghedaen_, _gaen_; 1451 _Reinaert_, _herwaert_, _gheraden_, _ghenaden_, _mesdaet_, _verstaet_, _mater_, _cater_, _mesdaen_, _dwaen_.
Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance terug: 127 _ombere_, _mordenere_ (_dief_, _lief_), _here_, _ere_; 187 _angaen_, _ontfaen_, (_gherne_, _wernen_), _mesdaen_, _staen_; _Isengrijn_, _pijn_ (_ghevoech_, _onghevoech_), _wijf_, _lijf_; enz. enz.
Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal: 1407 _wijf_, _lijf_, _ontgaen_, _gaen_, _hermeline_, _mine_, _nu_, _u_, _Reinaerdine_, _gaerdeline_, _al_, _sal_, _dief_, _lief_; 3097 _hermeline_, _pine_, _gram_, _vernam_, _vlien_, _ghescien_, _ondergaen_, _saen_, _mordadelike_, _ghenadelike_, _sidi_, _mi_; 539 _Reinaert_, _waert_, _haghedochte_, _ghedochte_, _raet_, _vraet_, _driven_, _bliven_, _lanc_, _danc_, _vrient_, _gedient_, _ganc_, _lanc_, _bestaen_, _ghegaen_, _gheraden_, _gheladen_, _wise_, _spise_, _gaen_, _ghestaen_, _sat_, _wat_, _have_, _grave_, _weten_, _eten_, _aten_, _honichraten_.
Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons hebben.
Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.
Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden, lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht te vestigen[21].
Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die van GRÄTER terug.
Vooral de verwerping van de fabel na 2308 (2304) dwong mij tot eene vernummering der verzen, zoodat de telling na vs. 2274 niet meer met die der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.
In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed. Terwijl in GRIMMS uitgave »das flämische anlautende _h_ in huut, hete, hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für ghehoorsam, geflissentlich bewahrt" werden[22], heb ik, even als WILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.
_Maerghen_ voor _morghen_ heb ik behouden, maar niet _ou_ voor _oe_, in de woorden _drouch_, _slouch_, enz., noch ook _lust_ voor _list_, daar de rijmen 2602 (2626) en 2376 (2400) juist _list_ hebben.
Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen[23]. Kortheidshalve heb ik daarbij slechts in de allernoodzakelijkste gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.
Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.
Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer uitgave heb gegeven, kunnen wij overgaan tot de overweging van de nog niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den ouderdom van den Reinaert.
II.
Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen _Reinaert_, hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van den omwerker?
WILLEMS beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de eerste regels van den proloog aldus aan:
WILLEM, die Madock maecte, Daer hi dicke om waecte Hem jamerde seer haerde Dat die geeste van Reinaerde Niet te recht en is gescreven: Een deel is daer after gebleven: Daeromme dede hi die vite soeken Ende heeftse, uten walscen boeken In duutse aldus begonnen.
Dan gaat hij voort: WILLEM heeft niet den oudsten Vlaamschen _Reinaert_ opgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niet _te recht gescreven_ oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het _aldus begonnen_ van dit laetste vers; doch om geheel de _vite_ of levensbeschryving van _Reinaert_ te doen kennen heeft hy datgene, hetwelk _after gebleven_ was, door middel van _walsche_, dat is, door _fransche_ boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste boek.
»De nedersaksische vertaling van _Reineke_ en de oude prosadrukken van Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41 aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste _Reinaert_ begon met vs. 11.
Nu keert hem daer toe mijn sin, _enz._
»Hoe men dit dan ook beschouwe, _het aldus begonnen_ van vs. 9 steekt altoos zeer sterk af tegen vs. 40:
Nu hoort hoe ic hier beginne;
want, zie daer een dubbel _begin_! Er is ook eene dubbele bedoeling. WILLEM verklaert zyne taek aentevangen _om dat het hem zeer jammerde_ dat er nog zoo veel aen de historie van _Reinaert_ ontbrak; terwyl de oorspronglyke dichter slechts daerom _de avonturen van Reinaert_ MAEKTE, om dat zekere dame, _die in groter hovescheden gerne hare saken keert_, _hem daer toe bad_ (vs. 26-31). Deze beweegreden _alleen_ gaf hem de pen in de hand; anders had hy _stil gezwegen_ (vs. 26).
»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de handschriften der _Brabantsche Yeesten_ staet er een van verschillenden inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.
»Indien WILLEM het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der vertaling van _Heinrich der Glichsenaere_, _Hersant_ en niet _Hersint_ of _Erswinde_ heeten; dan zou de naem van den hond, _Cortois_, in de fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er _Roonel_, _Rooniax_ of _Morout_ genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461-1463 enz.) niet zoo eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk in de fransche _Renarts_ eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen straks zien, dat de trouveres geen ouder _fransch_ gedicht kennen, dan dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze bylagen bl. 302-341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene letterlyke vertaling van _onzen Reinaert_ is.
»Beschouwt men daerentegen WILLEM voor den hermaker en vervolger van het gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk] vindt men, _voor eerst_, eene omdichting van het eerste boek,.... en, _ten andere_, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit fransche poëten of uit de _Fabulae extravagantes_ samengeraept"[24].
Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:
Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:
WILLEM die vele bouke maecte, Daer hi dicken omme waecte, Hem vernoyde so haerde, Dat die avonture van Reinaerde In Dietsche onghemaket bleven, Die WILLEM _niet_ hevet vulscreven, Dat hi die vijte van Reynaerde soucken Ende hise naden Walschen boucken In Dietsche dus hevet begonnen[25].
Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts in GRÄTERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den omwerker in de plaats stelde. WILLEMS schijnt zich hoofdzakelijk aan den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in Nederland geheel onbekend raakte.
Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.
De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. _Niet_ is in tegenspraak met al het overige; maar dat _niet_ is juist bedorven. De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de _r_ en _t_ niet goed te onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven. Zoo las GRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor _dat felle dier_ (_:lier_), _dat felle diet_; 2372 (2396) _voere_ in plaats van _voete_. Bedenkt men daarbij dat de _n_ lichtelijk in sommige handschriften met de _h_ kan verwisseld worden, dan zal het wel geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe _hier_, in steê van dat onbegrijpelijke _niet_. En zoo kunnen wij, met geringe verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:
WILLEM, die den Madoc[26] maecte, Daer hi dicke omme waecte, Hem vernoyede so haerde Dat davonturen van Reinaerde _In Dietsce onghemaket bleven_, (Die hi hier hevet vulscreven), Dat hi die vite [dede] soeken, Ende hise na den walscen boeken In Dietsce dus hevet begonnen.
Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin heet het niet, dat de historie niet _te recht_ is geschreven, of dat er _een deel_ van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert (verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch _ongemaakt_: dit was hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het Dietsch overbracht.
De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht treedt.
Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige opmerking vanzelf[27].
Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de eerste _Reinaert_ met vs. 11 begon.
Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40,
Nu hoort hoe ic hier beghinne?
Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?
Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat aanvangen, men daar terstond leest:
Nu keert hem daer toe mijn sin, Dat ic bidde _in dit begin_, enz.
zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs. 69)
En hadde gedaen van Ingelant Vrouwe Margriete, alsic thant _Int beghin_ sprac overluut.
En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78:
Nu helpe my God, _ic saels beginnen_[28].
Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de ontleening? GRIMM neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als overtuigend bewijs aan[29], en ook wij behoeven er niet aan te twijfelen[30].
Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: »De dichter van den _Reinaert_ schynt.... een _grand clerc_, zoowel in het Fransch als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy sommige namen, als _Cortois_, _Malpertuis_, _Malcrois_ en _Pinte_, uit eerstgenoemde tael ontleende"[31].
Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet de wolvin _Hersant_ en niet, zoo als bij ons, _Hersint_!
Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen[32], en daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem uitgegeven gedicht, _Hersant_, maar, even als in onzen _Reinaert_, _Hersint_, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.--ergo.
Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich begrijpen, als men weet, dat de _Reinaert_ niet in allen deele strikt vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging, gelijk wij nader zullen aantoonen.
Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker kan zijn.