Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

Part 16

Chapter 162,613 wordsPublic domain

#Beringhen#, 779, _omringen_, _insluiten_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 453.

#Bernen#, 303, 1506, _branden_; nog over in ons _barnen_.

#Bescedenlike#, 1689, _met maat en ingetogenheid_. Zie _Lsp. gloss._ de geheele bl. 377.

#Bescelden#, praet. #bescalt#, 936, _schelden_, _hoonen_. Verg. #scelden#.

#Besceren#, part. #bescoren#, 2692, (_de kruin_) _scheeren_.

#Bescouwen#, 1583, _aanschouwen_, _bezien_.

#Besculdich#, 53, _schuldig_. In den _Lanc._ leest men _besculdicht_ in denzelfden zin.

#Beseken#, praet. #besekede#, 75, _bepissen_.

#Besien#, 1017, _toezien_.

#Bespreken# (#Hem#), 435, 467, _overleggen_, _beraadslagen_. Zie _Mnlp. gloss._

#Bessem#, 722, _bezem_. Dezelfde uitspraak van het woord hoort men nog in sommige provinciale dialekten, b.v. in Overijssel.

#Best# (#Du#), #du bist#, 920, 2602, tweede pers sing. van _ic bem_.

#Best#, 969, 1005, 1334, adverb. _op de beste_, _de geschiktste wijze_.

#Beste# (#Die#), 86, _de edelste_, _de voornaamste_. Verg. _Mnlp. gloss._

#Bestgheboren#, 798, _de voornaamste door geboorte_. Zoo ook MAERL., _Sp. Hist._, 1 Dl., bl. 383; _Lanc._ 4485. Verg. hier 2742.

#Bestaen#, intr. met DP., 1903, _vermaagschapt zijn_. Zie _Lorreinen_, I, 615; _Ferg._, 343, en niet 1413, zoo als _Lorr. gloss._ verkeerd wordt opgegeven.

#Bestaen#, trans. met den acc., 553, 970, 1040, 1095, 1696, 2604, _ondernemen_, _aanvaarden_; eigenlijk _aanvallen_ (verg. _aggredi_).

#Besteken#, 1197, _aanranden_; KIL. _machinari_, _moliri_.

#Bestolen#, 2152, part. van #bestelen#, _gestolen_.

#Bet#, #Bat#, 255, 540, 1063, 1633, 2240, 2399, 3043, 3349, adverb. _beter_. #Te bat sijn#, 226, 3165, _voordeel_, _nut van iets hebben_, met den DP. en GZ. Verg. _Lsp. gloss._ in _bat_.

#Betegen#, part. van #betien#, 2504, _aantijgen_, met den DP. en AZ. Verg. _Belg. Mus._, IV, 330.

#Betren#, 3400, _vergoeden_, _boeten_. Zie _Lorreinen_ en _Doctr. gloss._

#Bevaen#, 2731, _bevangen_; #met node bev.#, 517; #in bliscap bev.#, 899; #bevaen in goeden dinghen#, 2731; #met loveren bevaen#, 43 (_omgeven_, _bedekt_). Verg. _Lsp. gloss._ en _Ferg._ 1546.

#Bevelen#, 382, 1412, _aanbevelen in de hoede van iemand_, met DP. en AZ. Verg. _Lsp. gloss._

#Bewachten#, 405, _bewaken_.

#Bewanen#, 2209, _wanen_, _meenen_; 176, _verwachten_. _Ferg._ 2004.

#Bewant sijn#, 1630 van #bewenden#, _wenden_, _keeren_, _in eenigen toestand of gesteldheid zijn_. Zie _Mnlp. gloss._

#Bewerven#, 2172, 2866, _verwerven_. _Flor._ 1202, 2862; _Doctr._ II, 3293. Verg. HUYD., _Proeve_, 1 Dl., bl. 139.

#Bi#, 117, 123, 378, 2154, 2573, 2608, 3170, _door_; 565, #bi mi#, _door mijn voorbeeld_.

#Bi#, _bij_, _in_, _tot_, _met_; #bi der siele#, 1275; #bi siere eren#, 546; #bi name#, 1001; #bi den buke#, 1581.

#Bi#, 694, 1889, _aan_, _met_.

#Bi#, 602, 650, 879, 1366, 1620, 1671, 1709, 1911, 2046, 2364, _bij_, _nabij_.

#Bi#, 646, 1496, 3295, _bij_, _langs_.

#Bile#, 816, _bijl_.

#Bindesen#, 988, vul aan: _bin desen worden_, dus: _intusschen_, _inmiddels_. #Bin# ook buiten samenstelling is niet ongewoon, b.v. _Wal._ 121, 202, 995.

#Binnen# (#Hier)#, 1308, 2403, 3440, _intusschen_, _inmiddels_.

#Binnen gheboren#, 1795, _aangeboren_. _Mnlp._ heeft _ingeboren_.

#Bisant#, 1153, _bysantijnsch goudstuk_. _Flor._ 2614, 2620, 2698, 2734, enz. _Velth._ bl. 256.

#Bispel#, 181, _spreekwoord_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 107. _Flor._ 2147.

#Blanden#, 2183, _mengen_. Het _mede blanden_ staat tegenover het _bier brouwen_ vs. 2180-1, verg. 1960-1. De deensche liederen op Grimhilde beginnen met: hun lader _miöden blande_, hun lader baade brygge og _blande_. Zie GRIMM, _R. F._, bl. 279-280. KIL. kent het woord _blanden_ alleen in de beteekenis van _smeeken_, _blandiri_; maar het Eng. heeft nog _to blend_.

#Blare#, 2470, _de blare koe_, _de bonte koe_, _de bête noire_, _de zondebok_. Zie _Lsp. gloss._ op _blaer_.

#Blenden#, 1843, _de oogen uitsteken_. _Mnlp._ I, 213.

#Bleten#, 2090, _blaten_, van geiten en lammeren. _Esopet_, Fab. 30, vs. 2.

#Bleven# voor #ghebleven#, zie #Bliven#.

#Bliken#, 3358, _blijken_, _aan den dag komen_, _zich vertoonen_. _Flor._ 1795.

#Bliven#, #bleef#, (#ghe#)#bleven#, 866, 1658, 2037, 3247, _achterblijven_. Zie HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 26.

#Bliven laten#, 1295, 1299, _laten varen_, _nalaten_.

#Bloet# (#Al een#), 932, _een bloed en al_.

#Bloot# (#Al#), 1670, _openlijk_, _onbedekt_. Verg. _Lsp. gloss._

#Bloterhuut#, 1262, _in (zijne) bloote huid_, _naakt_. Verg. _bloots hoofds_, _ghetrects swerts_ (HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 352).

#Blouwen#, part. #ghe-# of #teblouwen#, 251, 1584, 1827, _slaan_. Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 172, en CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 118-19.

#Bodscap#, 477, 481, 1359, 2454, _boodschap_. _Troj. Orl._, in BLOMMAERTS _OudVl. Ged._, I, bl. 43, vs. 37.

#Boecstaef#, 459, _letter_. Zie KILIAEN, en verg. GRIMM, _Deutsches Wörterbuch_ II, bl. 479.

#Borch#, 515, _kasteel_, _burcht_.

#Borne#, 2558, 2566, _bron_.

#Bottelgier#, 2786, _schenker_; _Flor._ 663, 3893; #meester bottelgier#, _opperschenker_, eene der voornaamste bedieningen ook aan het vlaamsche hof, zie WARNKOENIG, _Hist. de la Flandre_, tom. II, pag. 89. De toespeling op het bijbelsch verhaal van bakker en schenker behoeft geene nadere aanwijzing.

#Boudelike#, 1772, _stoutmoedig_, _Flor._ 2653, waar HOFFMANN het ten onrechte vertaalt _schnell_.

#Bout#, 1266, 1769, _stoutmoedig_.

#Braeuwen#, 2870, _breeuwen_, eigenlijk van het kalfateren van schepen gebruikt, en door KIL. ook vertaald: _infarcire_. Hier gebezigd voor het opstoppen van den vogel die gemest wordt, en die onbewegelijk is omdat hij op een plank wordt vastgespijkerd.

#Breken#, 2324, _verbreken_, _te niet doen_. #Breken ende raden#, 531, _radbraken_. _Breken_ in dien zin leest men ook _Stoke_, 5 B., 480; gewoonlijk heet het _radebraken_; verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 378-379.

#Brief#, _elk geschreven dokument_, zie _Wal._ 2 Dl., bl. 127, 339. #Lesen sonder brief#, 2228 beteekent: _uit het hoofd mededeelen, maar zoo naauwkeurig als of ik het geschreven voor mij had_. Evenzoo leest men _Troj. Orl._ (_Oudvl. Ged._, I, bl. 44), vs. 123:

Vare ende brinc dinen here te voren Van minen monde, _sonder brief_: In haten niet.

Verg. ook _Mnlp. gloss._

#Briesscen#, 693, _brullen_. KIL. vertaalt het _Rugire_ et _Hinnire_; wij gebruiken het alleen in de laatste beteekenis.

#Brocht#, 83, 651, 748, 1650, voor #ghebrocht#, part. van #bringhen#, _brengen_.

#Broet#, 332, _broedsel_; 392, _gebroed_, _kroost_. Zie CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 80.

#Bruwen#, 1961, _brouwen_.

#Buten#, 1714, (_verwijderd van_).

#Butseel#, 1863, GRIMM, _R. F._, bl. 277, denkt aan den bunsing; WILLEMS meent er een _busaert_, _accipitris genus_ (KIL.) in te mogen zien.

#Buuc#, 1581, _buik_; #bi den buke#, _(kruipende) op den buik_.

C. zie K.

D.

#Dach nemen#, 80, _een dag bepalen_.

#Daertoe#, 996, 1408, _daarbij_, _daarenboven_. Verg. #Toe#.

#Daet#, 3042, tweede pers. plur. imperf. van #doen#.

#Daghen#, 1007, 1344, 1350, 1376, _indagen_, _voor 't gerecht dagen_. Zie _Lorreinen gloss._

#Daghen#, 1023, _verdagen_, _uitstellen_. _Velth._, bl. 116.

#Dale# (#Te#), 540, 890, 910, 958, _nederwaarts_.

#Dame#, 1853, _vrouwe_.

#Dane#, 272, 880, 1402, 1567, 1609, 2370, 2377, 2559, 2704, 2985, _vandaar_.

#Dar# (#Ic#), 239, 1358, 2013, 2908, 2933, 1 pers. praes. ind. van het ww. #dorren#, _durven_; #Dorret#, 2510, tweede pers. plur. praes. ind.; praet. #dorste#, 52, 758, 2380.

#Daren#, 904, _deren_. Verg. _Lsp. gloss._

#Dat#, 861, _omdat_.

#Dat#, 350, 352, 519, _zoodat_.

#Deel# (#Een#), 1266, 2074, 3376, 3383, 3412, _voor een gedeelte_, _ongeveer_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 3 Dl., bl. 129.

#Delijt#, 1228, _vermaak_, _genoegen_. _Ferg._ 3171.

#Derre#, 979, _dezer_. Zie _Lorreinen gloss._

#Des#, 1223, tweede naamval van #dat#, afhangende van _pleghen_.

#Deus#, 2040, _God_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 259, _Ferg. gloss._

#Di#, 1441, 2543, derde naamval van 't pron. _du_.

#Dic#, (#Dicke#), 2, 70, 1392, 1518, 1730, 1746, 3288, _dikmaals_.

#Dichten#, 3285, 3342, _een geschrift opstellen_. Verg. V. WIJN, op _Heelu_, bl. 1.

#Dichter#, 3341, _schrijver_. Zie _Lsp. gloss._

#Dieden#, 1450, 3162, _helpen_, _baten_, _van nut zijn_. _Ferg._ 3152; _Wal._ 1394, 2772; _Stoke_ 7 B., vs. 1134. Verg. _Doct. gloss._

#Dief#, 1419, »in der alten guten bedeutung von _tyro_, _juvenis_," GRIMM, _R. F._, bl. 275.

#Dief#, 129, 357, 1815, 2007, _boosdoener_, _deugniet_. _Wal._ 8304, 9221. Zie vooral CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 176-177.

#Diefte#, 351, 1449, 2064, _diefstal_. _Ferg._ 2951. _Flor._ 3517. _Lanc._ 2, 15433. _Lsp. gloss._

#Dienen#, in de spreekwijze: _Hi diende van sinen ouden spele_, vs. 157; of, _Ooc diende men hem met groten slaghen_, vs. 1598. GRIMM verklaart de eerste plaats aldus, _R. F._, bl. 269: »bediente sich seines alten spiels, aber es ist wol zu lesen: _diendem_ = _diende hem_." Niet geheel juist. _Iemand dienen met iets_, is nog iemand iets aanbieden dat hem aangenaam is; maar zoo absoluut als in de eerstaangehaalde plaats wordt het niet meer gebruikt. De spreekwijs was in Vlaanderen niet ongewoon. Zoo _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._ 1 Dl., bl. 20), vs. 1701: _Hi heeft hem metten scachte ghedient_; 2 Dl., bl. 88, vs. 1201: _Men diendem van groten slaghen_; bl. 89, vs. 1283: _Daer diendi hem van groten slaghen_.

#Dietse#, 9, 1463, _Nederlandsch_; eigenl. _de volkstaal_. Verg. GRIMM, _D. Gramm._, I3, bl. 12-20.

#Dighen#, #deech#, #ghedeghen#, 413, _verminderen_, _vergaan_. Zoo _Stoke_, 1 B., vs. 1275: Grave Philips, _die deech te niete_, hetgeen HUYD. vertaalt: »Graaf Philips storf zonder kinderen."

#Dinc#, 476, 2464, 2771, 3244, _zaak_, _aangelegenheid_. Verg. _gloss._ op _Flor._ en _Mnlp._

#Dinc#, 2739, _geding_, in de spreekwijs: _sitten te dinghe_. Zoo _Ferg._ 4286.

#Dinghen#, 607, 780, _pleiten_. _Wal._ 3871. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 40.

#Dinken#, 126, 198, 665, 1014, 1099, 1718; met DP. praet. #dochte#, 362, 499, 954, 1056, 2225, _dunken_.

#Doe#, passim, _toen_.

#Doemsdach#, 3428, _oordeelsdag_. _Wal._ 3844, 8893.

#Doen#, 2828, _bewerken_. Verg. _Mnlp. gloss._

#Doen die vaert#, 1043, _varen_, _gaan_. Zoo _pongijs doen_ voor _pongieren_, HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 504-505.

#Doen hem up die strate# (#up die vaert#), 1320, 3301, 3311, _zich op weg_ enz. _begeven_.

#Doen te verstane#, 1615, _te verstaan geven_.

#Doen te voren#, zie #Voren#.

#Doere#, 2946, samentrekking voor: #doe er#.

#Doghen#, 281, 2321, 2396, 2646, trans. _lijden_.

#Doghet#, 3121, _goedheid_.

#Dole#, 2382, _onzekerheid_. Dit schijnt de echte oude beteekenis te zijn. Zoo ook _Esopet_, Fab. 12, vs. 14.

#Doot#, vr., 1311, 1990. Zoo gewoonlijk, b.v. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 13), vs. 1067.

#Doot hebben#, 905, 1144, »niet geheel hetzelfde als _gedood hebben_, maer veeleer ziende op het gelukken van den wensch naar iemands dood" (_Lsp. gloss._). Zoo _Ferg._ 3620, 3849. Met betrekking tot vs. 1144 vergelijke men _Wal._ 2 Dl., bl. 281, de aant. op vs. 5270.

#Dor#, 231, 1209, 1486, 3121, _door_; 25, 66, 243, 317, 474, 931, 992, 1229, 1476, 2083, 2150, 2580, 2887, _om_, _wegens_; #dor dat#, 111, 216, 885, 3015, _omdat_; #dor dat#, 897, _opdat_.

#Dore#, 13, 33, _dwaas_. _Flor._ 66, 1010. _Doctr._ III, 1127. Verg. _Lsp. gloss._

#Dorft#, ww. #dorven#, #derven#, 2560, _noodig hebben_, _behoeven_. _Ferg._ 3802. _Flor._ 82. _Lsp._ en _Lorr. gloss._--Praet. #dorste#, 887.

#Dorper#, 602, 779, 845, 866, _dorpeling_; 13, 33, 2326, _onbeschaafd_, _slecht mensch_; met denzelfden overgang van beteekenis die in _villanus_ (van _villa_), _vilain_ is op te merken. Verg. ook _scalc_.

#Dorperheit#, 1673, _onkieschheid_, _onbetamelijkheid_, »wat tegen de eerbaarheid strijdt." Zie HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 532-535.

#Dorste#, zie #Dar# en #Dorft#.

#Doven#, 1718, _razen_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 428-430.

#Draghen lieve#, 2137, _liefde toedragen_, _beminnen_; #Draghen sorghe#, 2308*, _bezorgd zijn_, _vreezen_.

#Driven#, _bedrijven_; met een subst. verbonden meestal te samen door één ww. te vertalen. #Dr. claghe#, 308; #bliscap#, 908; #baraet#, 2360; #mesbare#, 3227; #onghevoech#, 3379. Verg. _Flor._ en _Mnlp. gloss._

#Driven#, 1558, _voor zich heen drijven_; #driven te vonnesse#, 1884, _aansporen om het vonnis te vellen_; #driven te scerne#, 545, _te schande brengen_; zie op #sceren#.

#Driven uut#, 1131, _verdrijven_.

#Druut#, 925, _deugniet_. Zie _Wap. Mart._ K. 52; _Mnlp._ II, 4105. Verg. GRIMM, _D. M._, bl. 586.

#Dul#, comp. #dulre#, 918, _dom_, _dwaas_. #Sijn an den dulsten#, 493, _aan het kortste eind zijn_. In de beteekenis van: _gering_, _arm_, leest men _dul_, _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._ 1 Dl., bl. 11), vs. 932.

#Dulen#, 693, _brullen_ (Het Fr. _uller_). Wal. 9714. _Lanc._ 3, 3805.

#Dusdaen#, 1708, _zoodanig_. _Ferg._ 3427, 3573. _Flor._ 560, 581, 3512. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 215.

#Dwaen#, 1460, _wasschen_. Zie _Lsp. gloss._

#Dwinghen#, 664, 2308*, _bedwingen_ (verg. 1732).

E.

#Echt#, 1648, 2945, 3396, 3410, _wederom_, _andermaal_. _Flor._ 2718. _Ferg._ 106, 1669. Zie _Lsp. ploss._

#Edelheit#, 66, _edelmoedigheid_. Verg. _Flor. gloss._

#Eencoren#, onz., 1864, _eekhoren_.

#Eenlic#, 883, _eenzaam_.

#Eerden# (#Bringhen ter#), 433, _begraven_.

#Eesch#, 3051, _eisch_.

#Eighin#, 2308*, _eigenhoorig_, _slaafs onderworpen_.

#Eke#, zw. 651, 681, 859, _eikeboom_.

#El#, 571, 1121, 3225, _ander(s)_.

#Elkerlijc#, 302, 2863, _elk._ Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 189.

#Emmer#, 1265, 1493 (2308*), _in 't vervolg_, _nu_.

#Emmervort#, 1285, _voortaan_.

#Engien#, 452, _kunst_; waarvoor _Flor._ 935, 1542, 2372, _meestrie_ heeft.

#Entie#, 191, samengetr. voor _Ende die_.

#Entrouwen#, 252, 3226, #in trouwe#, 2214, _voorwaar_.

#Erch#, 919, 2323, _boos_, _slecht_.

#Ere#, 134, 1301, samengetr. voor _eenre_, _ener_.

#Erre#, 2814, 3356, 3366, 3386, _gram_, boos. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 240.

#Erren#, 3188, _gram worden_.

#Evele moet#, 2483, _gramschap_. Men verg. omtrent de spreekwijs _Wal._ 10009. _Lanc._ II, 5506, 9277, 15321, 31622; IV, 5827, 6798. _Theoph._ 692, 1607. _Rijmkr. bij_ KAUSLER, 3419. _v. d. Feeste_, 99, 375. _Wap. Mart._ 69, vs. 7. _Ferg._ 2855, 4867. _Rose_ 6244. _Doct._ II, 3698. _Esopet_ bl. 181. Zie ook de keur bij KLUIT, _Hist. Crit._, II, 2, 656.

#Everswijn#, 1859, _wild zwijn_. Verg. CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 95-97.

F.

#Fel#, 60, 88, 105, 343, 484, 544, 614, 856, 940, 993, 1019, 1079, 1704, 1787, 2500, 2507, 2812, _wreed, nijdig, boosaardig_.

#Fijn#, 1865, _schoon_, _bevallig_. Zie _Lorr. gloss._ en vooral _Lsp. gloss._

#Flume#, 2621, _rivier_. Verg. _Flor. gloss._

#Fransois#, 100, _fransch_; #in fransois#, _in het Fr._

G.

#Gaen ant lijf#, met DP., 2862, _het leven kosten_.

#Gaerdelijn#, 1416. Ik mistrouw dat woord: _gaerde_ beteekent een _rijs_, een _takje_, maar wordt, zoover ik weet, nooit voor _baardhaar_, _knevelbaard_ aangetroffen. Daarvoor is zeer gewoon _granen_, het Fr. _guernon_, dat hier 2972; MAERL., _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 266, _Rose_ 764, _Lanc._ II, 36969, voorkomt, en nog bij KIL. bekend is. Moet nu in vs. 1416 niet gelezen worden _granekijn_, of _granelijn_?

#Gal#, 1230, praet. van #gellen#, _gillen_.

#Ganc#, 551, 885, _gang, liet gaan_. #Ganc maken#, 152, _gaan_.

#Gast#, 1981, _vreemdeling;_ 1204, _gastvriend_, _hospes_; voorts beteekent dit woord in 't algemeen, een _onbekend_ en dus _onbemind_ persoon, terwijl de juiste beteekenis nader door het adject. wordt bepaald, b.v. 1888, #felle g.#, 2821, lede g. Zoo _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 85), vs. 869, _wrede gast_.

#Gheanden#, 202, _wreken_. Zie HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 453-454.

#Ghebare#, 1769, _uiterlijk voorkomen_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 33-34.

#Ghebieden#, 840, 2217, 2762, 3243, _bevelen_; 1839, _lusten_, _willen_. Zoo _Lorr._, I, 611; _Wal._ 2771. In de elliptische spreekwijs, _God, die alle dinc gheboot_, 1774, moet men aanvullen: _te leven_, _te zijn_. Zie _Wal._ 2 Dl., bl. 292.

#Ghebleet#, 2083, _geblaat_. Verg. #Bleten#.

#Gheboren int been# (#Sijn#), 2497, _sedert de geboorte in merg en been zitten_. Verg. #Binnen gheboren#.

#Ghebreken#, 1935, intr. met DP. _ontbreken_. Verg. _Lsp. gloss._

#Ghebure#, 1981, _buurman_; 343, in meer algemeenen zin, _die felle ghebure_. Verg. het fransche spreekwoord aangehaald _Doctr._ II, 919. Zie ook _Lorr. gloss._, pag. 333.

#Ghedeghen#, zie #Dighen#.

#Ghedichte#, 3241, _opstel_, _geschrift_. Verg. #dichten#, #dichter#.

#Ghedichte#, 812, adv. _dicht op een_. _Ferg._ 4227. _Wal._ 2139, 3119, 3706, 3784. Verg. _Lsp. gloss._

#Ghedinghe#, 314, 475, 527, _geding_, _terechtzitting_.

#Ghedinken#, 1504, 1675, 1997, impers. DP. GZ., _zich herinneren_, _gedenken_.

#Ghedochte#, 542, _gedachte_, _de daad van het denken_. _Ferg._ 1198. _Flor._ 207 (?), 1654.

#Ghedoen#, 139, _doen_; 3177, #Ghedoe hoe ic ghedoe#, _het ga mij zoo het wil_. Bekend is de spreekwijs: #Wat doedi?# _Hoe vaart gij?_ (_how do you do?_) b.v. _Lanc._ II, 11415, 14097, 14223, 12545, 30702, 30828. _Limb._ IV, 305; VI, 493. _Velth._, bl. 363. Verg. _Lsp. gloss._ i. v. _doen_.

#Ghedoghen#, 755, 1590, 1593, 1895, _verdragen_, _lijden_, _doorstaan_. Verg. _Flor. gloss._

#Ghedraghen#, 637, 1129, _dragen_.

#Gheganghen#, part. van #ganghen#, 3215, _gegaan_. Verg. MAERL. I, 100. _Ferg._ 1650. _Stoke_ 7 B., vs. 466, en HUYD. aldaar 2 Dl., bl. 347.

#Ghegripen#, praet. #ghegreep#, 1249, 1260, 3104, _grijpen_, _aangrijpen_. _Ferg._ 1213.

#Ghehelpen#, 691, _helpen_, _baten_.

#Ghehent#, 450, _geëindigd_; part. van #enden#, _eindigen_.

#Ghehidet#, 2574, _verborgen_. Verg. het Eng. _to hide_.

#Ghehorsam#, 2550, _gehoorzaam_. Verg. _Lsp. gloss._ op _ghehoren_.

#Ghehuuc#, 1605, _geschreeuw_. _Wal._ 10601, 10631, 10721. Verg. HUYD. op _Stoke_, 1 Dl., bl. 382.

#Ghecrai#, 2308* (_bis_), _geschreeuw_.

#Ghelach#, 1518, _gelag_, _spijs of drank_, _waarmeê men zich vrolijk maakt_.

#Ghelach#, 2399, _gemak_ (eigenl. _wat goed gelegen is_). Zoo heeft KIL. nog het adj. _ghelaeghsaem_, dat hij een Vlaamsch woord noemt, en verklaart _wel gheleghen_.

#Ghelaet#, 1092, 1211, 1737, 1768, 1802, 2119, 2185, _uiterlijk voorkomen_. Verg. _Lsp. gloss._

#Ghelaten# (#Hem#). 1062, 3036, _zich aanstellen_, _zich voordoen_. Verg. _Flor. gloss._ MAERL., _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 294, 312. _Ferg._ 4209.

#Ghelden#, 1236, _betalen_, _vergelden_.

#Gheles#, 2930, _gebed_, _zegenspreuk_. Verg. MAERL., _Sp. Hist._, 3 Dl., bl. 241, vs. 50, 63.

#Gheliden#, 1525, _glijden_.

#Gheliet#, part. van #lien#, 3403, _bekennen_. Zie _Lorr. gloss._ op _liet_.

#Gheligghen#, praet. #ghelach#, 1321, _liggen_, _zich uitstrekken_.

#Ghelove#, 1599, _geheel afgefoold_. Zie _Wal._ 2 Dl., bl. 332-7.

#Gheloven#, 1020, 1784, 2495, _gelooven_, _vertrouwen_. Zie _Lorr. gloss._

#Gheloven#, 142, 608, 1622, 2488, _beloven_, _verzekeren_. _Lsp. gloss._

#Gheloven#, 2521, _goedkeuren_, _toestemmen_. Zie _Lorr. gloss._ i. v. _loven_. Zoo gebruikten ook de Franschen _louer_, b.v. GARIN, I, 116; II, 42.

#Gheluut#, 1532, 1575, 2308*, 3372, _geschreeuw_, _geraas_, _gebrul_. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 15), vs. 1268.

#Ghemac#, 736, 2128, 2220, 2849, 3297, _rust_, _genoegen_, _tevredenheid_.

#Ghemackelijc#, 3008, _rustig_. In den zin van _bedaard_, _gerust_, komt het herhaaldelijk voor. _Flor._ 2018. _Lanc._ II, 29519, 31255, 35886, 36854. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 2 Dl., bl. 95), vs. 211.

#Ghemanc#, 2308*, _oploop_. Verg. _Lsp. gloss._

#Ghemene#, 2112, _gemeenschappelijk_.

#Ghemick#, 2859, _van pas_, _passend_. Verg. _Lsp. gloss._

#Ghemoet#, 1055, 1110, 2768, _ontmoeting_.

#Ghemoeten#, 1107, _ontmoeten_. Zie over dit en het voorgaande woord, _Lorr. gloss._; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 228.

#Ghenade#, 67, 317, 1745, _genade_, _gunst_; #leven mit ghenade#, 3445, _onder Gods bescherming leven_; #met ghenade#, 2195, _met (uwe) toestemming_; #grote ghenade hebben#, 3148, _gerustheid hebben_, _gerust leven_. Verg. HUYD. op _Stoke_, 2 Dl., bl. 528 en 512.

#Ghenadich#, 2316, _welwillend_, _toegenegen_.

#Ghenaken#, 2006, _in iemands nabijheid komen_.

#Ghenent#, #gheninde#, 2511, _vertrouwen_, _moed_; #met gheninde#, 2810, _met drift_, _haastig_. Zie _Lsp. gloss._

#Gheneren# (#Hem#), 1689, _zich voeden_, _den kost winnen_. _Troj. Orl._ (_Ovl. Ged._, 1 Dl., bl. 13), vs. 1109. _Wal._ 326. Verg. _Mnlp._ en _Lsp. gloss._

#Ghenesen#, 1404, intr. _behouden blijven_. Verg. _Lsp. gloss._

#Ghenesen#, 245, _(van een kind) bevallen_, _verlost worden_. Zie t. l. a. p.

#Ghenoopt#, part. van #nopen#, 964, eigenlijk _aanraken_, _slaan_ (zie _Lsp. gloss._), hier _pijnigen_.

#Ghenoot#, 2253, _gelijke_, _pair_. Zie _Lorr. gloss._

#Gentel#, 2508, _beminnelijk_, _gentille_. Zie KIL. op _Ghent_.

#Gheonneert#, 2009, _te schande gebracht_, Fr. _honni_. _Lorr._ II, 3813.

#Ghepronden#, zie #Prenden#.

#Ghequiten#, 2658, _vrij maken van iets_.

#Gheraden#, 1453, _raden_, _raad geven_.

#Gheraect sijn tot iemen#, 1246, _tot iemand genaderd_, _doorgedrongen zijn_. Verg. _Mnlp. gloss._

#Ghereden#, 1918, 2958, _bereiden_, _toebereiden_; 1762, #hem ghereden up#, _iets beginnen_.

#Ghere#, 687, samentr. van #ghener#.

#Gherochte#, 1533, _gerucht_, _geraas_; 3304, »_tumultus_, _murmur_, _turbatio_," KIL.

#Gherocht uut#, praet. van #gheraken uut#, 752.

#Gheronnen comen#, 118, 734, 760, 1325, _komen aangeloopen_. #Gheronnen# is het part. van #rennen#, waarover zie _Lsp. gloss._

#Ghesegghen#, 1651, _zeggen_, _verhalen_.

#Gheselle#, 613, 629, 645, 2106, _gezel_, _wapenbroeder_, _vriend_. Over de compagnons of frères d'armes, zie vooral DU CANGE op JOINVILLE.

#Gheselscap#, 2109, _trouwe hulp en vriendschap_.

#Ghesien#, 1264, _zien_.

#Ghesinde#, 1399, _gezin_, _hofgezin_, _gevolg_. _Carl. El._ 1174. _Mnlp. gloss._

#Ghesceet#, 387, _scheiding_. _Flor._ 1582, 3111.

#Ghescriven#, 93, _schrijven_.

#Ghesleghen#, part. van #slaen#, 653; #pade slaen#, 505, _door heen en weêr loopen paden vormen_. Vandaar #slaghe#, #voetslaghe#, in den zin van _voetstapgen_, _voetspoor_, _spoor_.

#Ghesmide#, 2590, _allerlei cieraad, dat van eenig metaal gesmeed wordt_; CLIGNETT, _Bijdr._, bl. 224-225.

#Ghesocht#, zie #Sochten#.

#Ghespreken#, 438, _spreken_. Het imperf. _ghesprac_ staat hier als dikwerf in het Mnl. en Oud- en Mhd. voor het plusquamperf.

#Ghestade#, 613, _standvastig_, _getrouw_; 3047, _ingetogen_, _niet door hartstochten hèen en weêr geslingerd_. Verg. _Lsp. gloss._

#Ghestaen#, 560, 1305, _staan_; zoo ook #ghestaen sijn#, 698, waarover zie _Lsp. Gloss._ op _ghestaen_.

#Ghesteken#, part. van #steken#, 3261, 3339.

#Ghestille#, 26, 1136, 2194, _stilzwijgen_, _stilte_. _Ferg._ 681, 5556; _Flor. gloss._

#Ghetelen#, zie op #Telen#.

#Ghetemen#, 2211, _gedoogen_. Zie vooral HUYD. op _Stoke_, 2 Dl. bl. 432-433; en verg. MAERL. III, 149; _Wal._ 8566, 9426, 7740; _Lanc._ 3 B., vs. 14983, 23149; _Rose_, 3365; _Mnlp._ 3 B., vs. 593. Zie ook _Limb. gloss._

#Ghetide#, 951, »_ghetyd-ghebeden_; _horariae preces_, _preces canonicae_" (KIL.); de gebeden die elk priester op _bepaalde tijden_ van den dag moest lezen, en waarvan de _complete_ het laatste is.

#Ghetoghet#, 1080, part. van #toghen#, _aantoonen_, _toonen_. Wat _ghetoghet_ is, _blijkt_, is _duidelijk_.

#Ghetrouwe#, 2485, 3242, _eerlijk_, _oprecht_.

#Ghetrouwe sijn# (?), 2578, _vertrouwen_.

#Ghetrouwen#, 3365, _vertrouwen_, _betrouwen_. Verg. _Mnlp. gloss._

#Ghevaen#, zie #Vaen#.

#Gheval#, 46, 2225, _geluk_; maar die beteekenis is er slechts bij toepassing aan gegeven, daarom 617, 1059, vol-uit #goet gheval#.

#Ghevallen#, intr. DP., 149, 1278, 1393, 2190, 2289, 2308*, 2351, _gebeuren_; 1391, _uitvallen_.

#Ghevane#, 2996, 3417, _de gevangenen_. Eigenl. part. van _vaen_.

#Ghevaren#, zie #Varen#.

#Gheven een val#, 1641, #enen spronc#, 1716, _vallen_, _springen_.

#Ghevoech#, 233, 658, 884, 1625, 2968, eigenlijk _wat voegt, of te pas komt_ (dus 233); _wat dienstig of nuttig is_. Vandaar: _voordeel_, _gemak_, enz. Zie _Lsp. gloss._