Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

Part 10

Chapter 103,592 wordsPublic domain

Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk? SNELLAERT zegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld"[185]. Met betrekking tot het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den west-vlaamschen tongval aan de woorden _eeke_, _wulf_, _ghi dinct_ en _vroet_[186]. Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen? Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde van het »soete lant van Waes" (vs. 2263) gesproken hebben? Hulsterloo, Absdal, Besele[187] liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;" Hyfte, »thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy," dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan?

Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij eenmaal de _Madoc_ werd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hij WILLEM heette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele boeke," en dat hij den _Reinaert_ op verzoek eener hoofsche vrouwe heeft gedicht.

Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag genoemd worden, die het graafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van onze letterkunde, gevonden wordt.

__________

VOETNOTEN

[1] _Reinhart Fuchs_, p. CL en CLXIII.

[2] Zie ROTHE, _Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés_, pag. 62 suiv.

[3] I Dl., bl. 185-189. Verg. ook III Dl., bl. 584.

[4] _Geschiedenis der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, bl. 143.

[5] T. a. p. bl. 148-149.

[6] Ik reken hier de uitgave van SNELLAERT niet eens meê, die slechts een herdruk van dien van WILLEMS is.

[7] _Denkmäler altniederl. Sprache und Litteratur_, I, XXIX.

[8] _R. F._, pag. CLIV.

[9] _Denkmäler_, I, XLII in verband met XXXIV.

[10] Over de uitlatingen zie men de kollatie bij onzen tekst. GRIMM neemt er ook achter 2470 (2494) eene aan (_R. F._, p. CLIV en 281), en werkelijk vindt men in de omwerking vier regels meer; maar het is niet waarschijnlijk dat zij ook in het ouder gedicht gestaan hebben, waar aan den zin niets ontbreekt.

[11] _R. F._, bl. CXLIX.

[12] _R. F._, bl. CLIV.

[13] _R. F._, bl. CLIV: »Die vocalverhältnisse, womit es kaum eine mnl. hs. genau nimmt, habe ich nach grammatik und reimen festgesetzt."

[14] _Reinaert de Vos_, Voorbericht, bl. VIII.

[15] Voorbericht, bl. VII.

[16] Tweede uitgave, Nabericht, bl. 353.

[17] »De drukfouten en verbeteringen, door W. aangegeven, zyn, op de behoorlyke plaetsen, de eenen geweerd, de anderen tusschen de noten ingevoegd. Hier en daer heb ik gemeend voor W. te moeten handelen namelyk.... op de vs. 1123, 1965, 3078." Zoo leest men t. a. pl. (Ik bepaal mij tot den tekst van het oudste gedeelte.) Maar ook SNELLAERT schijnt niet zonder overhaasting te werk gegaan te zijn, want de verbetering op vs. 2091 door WILLEMS zelf aangegeven, »_bockine_, lees _hoekine_, dat is _bokjens_, en vergelyk MEYER'S _Leven van Jesus_, bl. 336," is vergeten op te nemen in de nieuwe uitgave. Zoo had ik gewild dat ook verbeterd waren de volgende stootende drukfouten: 1187 _leiden_ (_beiden_), 1377 _vermerrende_, 1449 _en allen_, 1965 _dine[n] oge_, om van andere minder in het oog vallende niet te spreken. Stilzwijgend heeft SNELLAERT nog verbeterd 2252 _bi_ in _hi_, 2548 _wancost_ in _wanconst_; maar ook 861 _Dar_ in _Daer_, hetgeen blijkbaar _Dat_ had moeten zijn.

[18] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXI.

[19] _Rechts Alterthümer_, bl. 14 vlgg. Zie ook NOORDEWIER, _Nederd. Regtsoudheden_, bl. 4-5.

[20] Daaruit zou men mogen opmaken dat ook in de volgende plaatsen werkelijk een regel is uitgevallen: 1075 _wale_, (....), _tale_, _wale_; 1085 _daghe_, _saghe_, (....), _maghe_; 1161 _Reinaert_, (....), _vaert_, _Reinaert_; 1861 _Bruneel_, (....), _butseel_, _Rosseel_; en dat het niet zijn »blykbaer drieregelige rymen, dergelyke men by onze ouden op meer plaetsen ontmoet," zoo als WILLEMS aannam in het voorbericht op den _Reinaert_, bl. IX en ikzelf ook vroeger beaamde, _Mnl. Versbouw_, bl. 170.

[21] Slechts op één punt ben ik daarvan afgeweken, namelijk in plaats van het pleonastische aanwijzend voornaamwoord _die_ achter het zelfstandig naamwoord, heb ik naar den mnl. regel het persoonlijke voornaamwoord gesteld, b.v. 107 Tibert die [hi] wart gram; 1079 sine herte die [soe] es; 1914, 1964, 2628 (2652), 2732 (2772), 2795 (2815), 2999 (3019), 3093 (3113), 3352 (3372). Zoo heeft het hs. naar den regel: 1246 _hi was gheraect_; 1644 _si riepen_.

[22] _R. F._, pag. CLV.

[23] Waar geen letter voor de lezing staat komt zij zoowel in het Comburgsche hs. (C) of bij GRÄTER, als in de uitgaven van GRIMM en WILLEMS voor. Gr. beteekent de uitgave van GRIMM, W. die van WILLEMS. Waar des laatsten voorletter ontbreekt is de verbetering reeds door hem aangebracht.

[24] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXVI-XXVIII.

[25] Zie het facsimile, dat KAUSLER met de wellevendste bereidwilligheid voor mij deed vervaardigen.

[26] C. heeft, gelijk wij zagen: _die vele bouke maecte_; maar KAUSLER zegt, _Altniederl. Denkm._, Th. I, s. XLII: »Die Worte _vele bouke_ sind von einer spätern Hand an die Stelle eines ausgekratzten Wortes gesetzt, das, wie deutlich zu erkennen ist, kürzer war als die Interpolation, weshalb auch der Raum für diese nicht ganz reichen wollte." Men ziet dit ook duidelijk in ons facsimile. Ik geef daarom in mijn tekst de voorkeur aan de lezing van den omwerker, waarvoor ook andere redenen pleiten; zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 189. In plaats van het _die Madock maecte_ van den omwerker, heb ik gesteld _die den Madoc maecte_, nadat ik naauwkeurig op het handschrift had uitgemeten dat het enkele woord _Madoc_ de plaats van het uitgewischte niet aanvulde, die juist wordt ingenomen door de woorden _den Madoc_, in het schrift van den codex.

[27] Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik herroep de geheele redenering die ik vroeger op den tekst van GRIMM en WILLEMS bouwde, _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 191; gelijk ik alles terug neem wat daar over dit onderwerp staat, voor zoover het in strijd is met de rezultaten van mijn vernieuwd, dieper onderzoek, die ik in deze inleiding heb neêrgelegd.

[28] Evenzoo heeft men een dubbel begin _Floris ende Blanc._ vs. 1 en 28; maar de eerste 34 verzen van dat gedicht zijn waarschijnlijk het werk van een afschrijver.

[29] _R. F._, pag. CVIII.

[30] Verg. ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 63.

[31] Inleiding, bl. XLVI.

[32] Uitgegeven onder den titel: _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN, _ueber Reinhart Fuchs_, Leipzig 1840.

[33] Inleiding, bl. XXXV.

[34] Inleiding, bl. XXXV.

[35] Bl. XXXIV. Vergelijk ook zijn Voorbericht, bl. VIII.

[36] _R. F._, pag. CLI.

[37] Inleiding, bl. XXXI.

[38] Zie zijne _Geschiedenis der Letterkunde in het graefschap Vlaenderen_, bl. 147.

[39] Verg. mijne _Gesch. der Mnl. Dichtk._, III Dl., bl. 358-359, in verband met bl. 361-363.

[40] GRIMM heeft uit de beteekenis van den naam Reinaert (Raginohard), het vermoeden afgeleid, »dass die thierfabel vom fuchs und wolf den Franken bereits im 4. 5. 6. jh. bekannt war" (_R. F._, pag. CCXLII). Komt dit vermoeden niet te goede, dat reeds in de Salische wet de vossennaam als scheldwoord vermeld staat? In den XXX titel (bij MERKEL, pag. 17), _de conviciis_, heet het: »Si quis alterum _vulpe_ clamaverit, 120 dinarios, qui faciunt solidos 3, culpabilis iudicetur."

[41] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 61.

[42] _R. F._, pag. CXCV-CXCVI.

[43] Bij CHABAILLE, _Supplément au Roman du Renart_, pag. 1; zie ook ROTHE, _Les Romans du Renard_, pag. 150.

[44] FAURIEL trekt ook uit de aangehaalde regels het natuurlijk besluit, dat »on traitait en prose des parties du cycle poétique de Renart." _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 941. Verg. ook GRIMM, _R. F._, pag. CXXXVIII.

[45] _R. F._, pag. CXXI.

[46] _Les Romans du Renard_, pag. 109-110.

[47] Later, pag. 268-269 heet het nog sterker: »Il n'est guère douteux qu'il n'y ait eu des branches perdues entièrement et dont l'existence ne nous est révélée que par les allusions qui se trouvent dans ce que nous connaissons; il n'est guère douteux non plus que plusieurs des branches, ou des parties de quelques unes des branches du _Roman de Renart_ ne soient que des reproductions, des réminiscences de compositions analogues antérieures, négligées et perdues dès qu'elles ont été remplacées par les versions plus récentes. Quoique nous soyons dans l'impossibilité de préciser exactement la date d'aucune des branches, quelques indices nous font cependant regarder les unes comme plus anciennes que les autres, et certes _il y en a un bon nombre qui remontent au douzième siècle_."

[48] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 906-907.

[49] FAURIEL zegt er van, _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 891, dat het bevat: »des recherches qui n'ont laissé à désirer que ce qu'il était impossible de découvrir,...... une sagacité de critique qu'il est plus facile d'admirer que d'égaler."

[50] GRIMM volgt eene andere verdeeling: bij hem is de 20e branche de 16e. Ik zal in het vervolg steeds de indeeling van MÉON en ROTHE volgen en de nummers van GRIMM er tusschen haakjes bijvoegen.

[51] _R. F._, pag. CVIII.

[52] _Sendschreiben an_ KARL LACHMANN, pag. 64.

[53] _Les Romans du Renard_, pag. 61.

[54] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 905.

[55] _Les Romans du Renard_, pag. 260: »Parmi ces morceaux quelques uns se composent distinctement de deux parties, ce qui peut faire supposer qu'ils n'ont pas été faits d'un seul jet ni par un seul auteur, qu'une partie a pu être écrite antérieurement à l'autre, et que le dernier auteur n'a fait qu'une continuation, ou bien qu'il s'est borné à lier ensemble deux compositions antérieures." Verg. ook GRIMMS _R. F._, pag. CL, in fine.

[56] _Hist. Litt._, tom. XXII, pag. 940.

[57] _L. l._, pag. 903.

[58] GRIMM, _R. F._, pag. CIX.

[59] GRIMM stelt, _R. F._, pag. CXL, het oude fransche origineel »bald nach der mitte des 12 jh.," maar ik ben overtuigd dat het veeleer ouder is, zoo als ons ook later nog zal blijken. GRIMM zelf stelt het Mhd. gedicht elders, _R. F._, pag. CCLV, iets ouder en wel »in das zweite, oder doch dritte viertel des 12 jh."

[60] _Les Romans du Renard_, pag. 70.

[61] _R. F._, pag. CLI: »Wenigstens hat keins der jetzt erhaltenen franz. gedichte ansprüche darauf zu machen sein original zu sein." En pag. CLVI zegt hij: »WILLAM schöpfte..... eingeständig aus franz. quelle, die uns untergegangen ist, selbst aber in der nähe des flämischen dichters, vielleicht in franz. Flandern und Artois entsprungen sein könnte."

[62] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII.

[63] _R. F._, pag. CXXXIX.

[64] _R. F._, pag. CXXXIX.

[65] _R. F._, pag. CXLV.

[66] _R. F._, pag. CXXVII.

[67] _Les Romans du Renard_, pag. 261, cf. 173 suiv.

[68] _Hist. Litter. de la France_, tom. XXII, pag. 917.

[69] Een paar regels later heet het ook dat »Tardif les chadele." Men ziet dat de vaandeldrager de aanvoerder is. Dit moge een nieuw bewijs zijn voor mijne stelling voorgedragen _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 23, noot 4.

[70] GRIMM noemde dit reeds: »nachahmung der todten henne," _R. F._, pag. CXXVII.

[71] Verg. ROTHE, pag. 183.

[72] _R. F._, pag. CXXVIII. Verg. ook pag. CXXXVIII.

[73] _Les Romans du Renard_, pag. 179-180. Verg. ook pag. 183.

[74] L. c., pag. 184.

[75] De grondfout van ROTHE bestaat daarin, dat hij geen onderscheid maakt tusschen de twee deelen der 20e (16e) branche; vandaar, dat hij tot een geheel verkeerd rezultaat kwam, omdat hij een verkeerden maatstaf aanlegde bij zijne redenering.

[76] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 926.

[77] Ziehier een paar staaltjes, die later nog met een sterksprekend zullen vermeerderd worden.

Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: »Cette rédaction.... ne paroît être que du XIVe siècle.... et elle ne peut guère avoir été fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs."

Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst van GLICHESÆRE, door GRIMM in zijn _Sendschreiben an_ LACHMANN uitgegeven: »Si ce fragment appartient à l'ouvrage perdu de GLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!)."

Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 van ROTHES werk, maar dat hij het _Sendschreiben_ zelf gelezen had durf ik stellig ontkennen.

Hij geeft dikwerf ROTHES opmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den regel te paard rijden. Hetzelfde had ROTHE reeds gezegd, pag. 266.

Over den _Couronnement_ handelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts eene verkeerde opvatting dit werk aan MARIE DE FRANCE toeschrijft, maar ROTHE had dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348.

Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien de _Couronnement_ werd geschreven, WILLEM VAN DAMPIERRE is geweest, lijdt geen twijfel, en ook dit had ROTHE aangetoond vóór FAURIEL; maar als de laatste zegt, pag. 936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter »nous en apprend quelque chose de plus que l'histoire," dan heeft hij zijn voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd. Hetzelfde had hij kunnen vinden in WARNK[OE]NIGS _Hist. de la Flandre_, tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk door KAUSLER uitgegeven, zegt vs. 5845:

Dese Willem was vul der edelheden, Ende bleeft antierende twapenspel; Maer harde curt het hem mesvel: Want te Trengis in den tornoy Waert doot ghedroomt die rudder moy, Dies menich adde zwaer verdriet, Dat hi dus vander weerelt sciet.

[78] _Les Romans du Renard_, pag. 183.

[79] GRIMM zegt, _R. F._, pag. CXXVIII: »Diese ganze branche von dem gelben fuchs und der gestörten hochzeit scheint mir uralt."

[80] _Les Romans du Renard_, pag. 182, note.

[81] _R. F._, pag. CXXI. GRIMMS onderscheiding rust hoofdzakelijk op de opmerking, dat in het eerste gedeelte vos en wolf als oom en neef voorkomen: in het tweede heeten zij elkander »compère." Ik voeg er bij, dat 353-4 Renart Isengrins hol niet kent, terwijl hij 241-336 herhaaldelijk des wolfs woning bezocht had.

[82] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CXXI.

[83] _Les Romans du Renard_, pag. 297, note 1; cf. pag. 284, note 4.

[84] Ook nog in eene jongere branche komt deze titel voor, vs. 13939.

[85] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLVIII, in fine.

[86] Bij MÉON staat _li ors_, dat klinkklare onzin is.

[87] _Les Romans du Renard_, pag. 174-175.

[88] _R. F._, pag. CXXVI.

[89] In een enkel handschrift is ook de 19e nog door eenige overgangsregels aan de 18e verbonden, zie ROTHE, pag. 285, note 1.

[90] _Reinaert_, Inleiding, bl. XLII-XLIII.

[91] De overeenkomst is niet geheel letterlijk, maar 't schijnt ontwijfelbaar dat de afschrijver hier knoeide, zoo als de rijmen en onze varianten uitwijzen.

[92] Zoo b.v. ook GARIN, II, pag. 26:

Plévissez-moi, li Allemans Oris, Et vous Girars _etc._

Pag. 69:

Venez avant, li fis au duc Hervin, Tenez ma nièce.

[93] GRIMM, _R. F._, pag. CXLI.

[94] Boven, bl. LIII-LXI.

[95] Dezelfde eigenaardigheid treft men aan in de branches 20_a_-_b_ en 21-22; niet in 19.

Hetzelfde verschijnsel heeft ook ALF. ROCHAT opgemerkt in den _Percheval_ van CHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld: _Ueber einen bisher unbekannten Percheval li Galois_, pag. 179.

[96] ROTHE, _les Romans du Renard_, zegt pag. 184: »Plusieurs considérations portent à faire regarder la vingtième branche comme la principale de toutes les rapsodies sur le sujet du Renard, comme le noyau du cycle, pour ainsi dire."

[97] Men lette op vers 648, waar het heet: _so men mi seide_.

[98] Wellicht is echter dit en het voorgaande vers een inschuifsel.

[99] _Les Romans du Renard_, pag. 176.

[100] _R. F._, pag. CLII.

[101] L. l. Zie ook WILLEMS, _Reinaert_, bl. 90, in de noot op vs. 2247.

[102] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I D., bl. 139.

[103] Ook in de branche die het derde deel van MÉON opent, komt hetzelfde denkbeeld, hoewel gewijzigd, voor.

[104] _R. F._, pag. CXXXII.

[105] Boven, bl. XXXVII.

[106] Boven, bl. XXXVIII.

[107] Verg. ROTHE, l. l., pag. 122.

[108] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV.

[109] Het gebeurde met den wolf, vs. 10157-10166, houd ik voor een jonger toevoegsel, dat niet veel beteekent; ik kan dit niet met GRIMM, _R. F._, pag. CXXXIX, onder de »treffenden zügen" rekenen.

[110] _Rijmkronijk van Vlaenderen_, uitg. door KAUSLER, vs. 3384.

[111] Zie de aangehaalde _Rijmkronijk_, pag. 137 volg.

[112] Verg. Dr. C. HOFMAN, _Ueber ein Fragment des Guillaume d'Orange_, pag. 42.

[113] Zoo b.v. branche 20_b_, vs. 11607:

Dou poing li done tel bufet, Del cul li fet saillir un pet.

[114] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. LXXIV-LXXV.

[115] Dat de 9e branche eene omwerking is blijkt vs. 3260, waar het heet:

Si con nos trovons en l'estoire.

[116] Vs. 1498 echter, waarin gezegd wordt dat men

Waende dat die duvel ware,

herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het klokkenzeel herinnert aan de 28e branche, waar Reinaert hetzelfde met Tibert doet.

[117] In de 28e branche zegt R., vs. 20504:

Ge vois ou bois de _veneroi_,

dat is, zoo als ROTHE (p. 217) terecht zegt: »aunaie, lieu planté d'aunes, autrefois appelés _vernes_." Zou ons _Vermendois_ ook aan eene verwisseling met _veneroi_ kunnen doen denken? Ik acht dit noch aannemelijk noch waarschijnlijk.

[118] _Les Romans du Renard_, pag. 137.

[119] De 9-10e branche heeft zeer merkwaardige punten van overeenkomst met 20_a_. Zij schijnt in Artois geschreven (vs. 3827), de dichter zweert bij _le cuer bé_, vs. 4641, 4573. Intusschen heet de wolf daar niet _Ysengrin_, maar _Primaut_. Dat in het oudere stuk, waarop vs. 3260 verwezen wordt, echter Ysengrin de hoofdrol vervulde, is zeer waarschijnlijk. Nog in de omwerking, vs. 3545, noemt Primaut Hersent _ma fame_, waarmeê ROTHE (pag. 134) geen weg wist. Zeer duidelijk blijkt de waarschijnlijkheid onzer stelling ook nog uit eene andere plaats. Vs. 4555 heet het bij MÉON:

Vers la forez s'en va _le cors_:

de daarop volgende regel,

Si a trouvé Renart _le rous_,

leert dat het eerste rijmwoord moet zijn niet _le cors_, maar _li cous_; en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321:

Sire Ysengrin............ Or te pués vengier de ton pié,

en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9-10e branche. Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen wij boven (bl. LXVI).

[120] _R. F._, pag. CLIX-CLX.

[121] Zie de plaatsen bij MÉON, tom. I, pag. V, en bij GRIMM _R. F._, pag. CXCVII-CXCVIII.

[122] Bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVIII.

[123] _R. F._, pag. CXXXIX.

[124] _Reinaert_, _Inleiding_, bl. XL.

[125] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 907.

[126] PAULIN PARIS, _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 95-96.

[127] Zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XV, pag. 100.

[128] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 102.

[129] L. l., pag. 107.

[130] Verg. mijne _Geschied, der Mnl. Dichtk._, II Dl., bl. 427-432.

[131] Onmogelijk kan de _Alexander_ eerst tusschen 1180 en 1184 geschreven zijn, zoo als dit heet in de _Hist. Litt. de la France_, tom. XV, pag. 121, 122, 163. Als met de _Isabella_, die in dat gedicht een verciersel voor Alexanders tent borduurt, gelijk men meent werkelijk de dochter van Boudewijn van Henegouwen bedoeld is, die in 1180 met den franschen koning Filips-Augustus huwde, dan schijnt dit latere omwerking of interpolatie te verraden.

[132] _Les Manuscrits françois_, tom. III, pag. 101.

[133] Aangehaald bij GRIMM, _R. F._, pag. CXCVII.

[134] GRIMM noemt de 5e (3e) branche terecht »vortreflich erzählt," (_R. F._, pag. CXXII), en ik begrijp niet hoe ROTHE kon zeggen (pag. 127): »Le récit est un peu traînant."

[135] _Les Romans du Renard_, pag. 140.

[136] _Supplément au Roman de Renart_, pag. 1; verg. ROTHE, pag. 150.

[137] _R. F._, pag. CXXXIX.

[138] _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 908, 909, 910, 911.

[139] _R. F._, pag. CXLI.

[140] Zie mijn _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 178.

[141] T. a. p., pag. 160.

[142] Daar heet het, vs. 892, bij HOFFMANN, _Ueber ein fragment des Guillaume d'Orange_, s. 36:

Loeys fu à Paris sa maison: Là se deduist à guise de bricon. N'ot aveuc lui ne conte ne baron, Ne duc ne prince, chevalier ne garson Qui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton. ........................ Les frans linages ot arrière boutés, Et de sa terre et de sa cort osté, Et des estranges ot-il fait ses privés: Malvais conseil li ont tous jors doné, Et son avoir et tolu et emblé; Et si baron l'ont trestout adossé, Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel, Et sor tout chou li est mal encontré.

[143] Ook in de _Chanson d'Herviz de Metz_ komt dezelfde uitdrukking voor, zie _Hist. Litt. de la France_, tom. XXII, pag. 596.

[144] _Guillaume d'Orange_, tom. II, pag. 185.

[145] Verg. GRIMM, _R. F._, pag. CXLI.

[146] VON RAUMER, _Gesch. der Hohenstaufen_, II, pag. 319.

[147] MEYERUS, _Annal. Flandriae_, Lib. VII, pag. 60.

[148] _Reinaert_, Inleiding, pag. XVI.

[149] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-198.

[150] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIII-XXXIV.

[151] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143.

[152] Aanteekening op vs. 2957, pag. 120 zijner uitgave.

[153] Zie GRIMM, _R. F._, pag. CLIX.

[154] Aanteekening op vs. 2737, pag. 111 zijner uitgave.

[155] T. l. a. pl.

[156] _R. F._, pag. CLIX.

[157] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXV.

[158] Zie overigens GRIMM, _R. F._, pag. CLX.

[159] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXVI-XXXVII.

[160] _Gesch. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193 vlg.

[161] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 142.

[162] Zie mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 193, noot 2.

[163] _Corpus Chronicorum Flandriae_, tom. I, pag. 709.

[164] L. l., pag. 709.

[165] Zie het verlof daartoe in mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 194, noot 1.

[166] Werkelijk ontbrak het toen in Vlaanderen niet aan valsche munters. MEYERUS verhaalt, hoe Boudewijn Hapkin in 1111 allerlei misdadigers strafte, onder anderen ook »adolescens quidam nobilis," die beesten gestolen had; »hunc arreptum una cum _duobus falsis monetariis_ in ferventem tinctoris lebetem dedit praecipitem."

[167] _Reinaert_, Inleiding, bl. XXXV-XXXVI. Verg. mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 192-193.

[168] _Geschied. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 141.

[169] WARNKÖNIG, _Histoire de la Flandre_, tom. I, pag. 203-204.

[170] _Reinaert_, Inleiding, pag. XXXIX; verg. mijne _Geschied. der Mnl. Dichtk._, I Dl., bl. 194.

[171] _Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen_, pag. 143.

[172] _Trouvères Artésiens_, pag. 150 en 154.