Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht

Part 1

Chapter 13,324 wordsPublic domain

Produced by Clog, Branko Collin, Jason Isbell and the marvelous Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg; celebrating the 19,000th title of Distributed Proofreaders and the 500th dutch title at Project Gutenberg.

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | De in het boek genoemde verbeteringen en bijvoegsels zijn | | zonder verdere vermelding doorgevoerd. | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht | | van deze aangebrachte correcties. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | #uitgespatieerd#; | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | | "aanhalingstekens". | | De ganzenvoetjes(») zijn gebruikt als in het origineel. | | | | De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org | | | | Van VANDEN VOS REINAERDE zijn bij Project Gutenberg ook | | versies als e-boek beschikbaar in het duits en het frans: | | Goethe's Reineke Fuchs (e-boek no. 2228) en de vertaling | | Le renard (e-boek no. 17509). | | | +----------------------------------------------------------------+

VANDEN VOS REINAERDE.

[Illustratie: Van den vos reynaerde

Willem die vele bouke maecte Daer hi dicken omme waecte Hem vernoyde so haerde Dat die auonture van reynaerde In dietsche onghemaket bleuen Die willem niet heuet vulscreuen Dat hi die vijte van reynaerde soucken Ende hise na den walschen boucken In dietsche dus heuet begonnen God moete ons ziere hulpen jonnen Nu keert hem daer toe mijn zin Dat ic bidde in dit beghin

Lith v:d: Weyer Gr:]

VANDEN VOS REINAERDE,

UITGEGEVEN EN TOEGELICHT

DOOR

W. J. A. JONCKBLOET.

TE GRONINGEN, BIJ J. B. WOLTERS.

1856.

AAN JACOB GRIMM TOEGEWIJD.

_Gij waart de eerste die onzen _Reinaert_ leesbaar hebt gemaakt; Gij hebt ons den weg der wetenschap gewezen en de grondslagen voor onze kritiek gelegd; aan U komt van rechtswege de opdracht dezer uitgave toe, die ik het wage U aan te bieden, niet zoozeer ten bewijze, dat men ook in Nederland uwe lessen waardeert, als om U openlijk een blijk te geven mijner innige dankbaarheid voor al wat ik aan uwe werken en uwe vriendschap verplicht ben._

GRONINGEN, 1 November 1855.

JONCKBLOET.

INLEIDING.

I.

Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie, den uitmuntenden _Reinaert_, blijkbaar is toegenomen, en dat WILLEMS' voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog niet geheel is ten einde geloopen."

De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van den _Reinaert_ en de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer middeneeuwsche letterkunde.

GRIMM stelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw[1]. WILLEMS plaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór 1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders[2], vrij algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijne _Geschiedenis der Mnl. Dichtkunst_ voor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de veertiende eeuw gesteld[3]. De jongere SERRURE is daartegen opgekomen. Volgens zijne meening »werd het eerste boek des _Reinaerts_ tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven"[4], en aangaande den leeftijd van den omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling van WILLEMS de meest aannemelijke[5].

Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn nog duister of worden althans betwist.

Nu is de _Reinaert_ in zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van dit dichtstuk te beproeven.

Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelen _Reinaert_ bezitten; dat de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken, waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.

Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudste _Reinaert_ reeds driemaal is gedrukt[6], tweemaal kritisch behandeld, en dus, zoo als KAUSLER zich uitdrukt[7], »durch die kritischen ausgaben.... von GRIMM und WILLEMS hinreichend bekannt" is.

Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen rechtvaardigen.

De oudste _Reinaert_ is ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard. GRIMM achtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben"[8]; maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift door KAUSLER leert ons, dat het gedeelte dat den _Reinaert_ omvat, eerst omstreeks het jaar 1400 is te boek gesteld[9]. Het afschrift is dus betrekkelijk zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel misstellingen en uitlatingen[10], als willekeurige veranderingen en invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het ouder handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.

Dien _Reinaert_ liet GRÄTER voor de eerste maal in 1812 afdrukken in het vijfde deel der _Braga und Hermode_, en wel, naar KAUSLERS woorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss der Sprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig." Die gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, dat GRÄTER ter naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.

Vs. 113 wronghene _voor_ wroughene; 115 ghesaet-ghesciet; 157 l'pelen-spelen; 176, 543, 767 sullren-sulken; 184 hnighe-hinghe; 198 sonde-soude; 201 landen-tanden; 202 coude-conde; 218 ret-vet; 237 ghenimt-ghemint; 269 hinit, 741 hunt-huut; 275 cene-eene; 290; 961 mi-nu (1041 _omgekeerd_); 292 fée-sere; 294 Thinc-Ghinc; 308 drenen-dreven; 309 dronghen-droughen; 414 zIIIIer-zuver; 947 crIIIIe-crune; 476 bruue-brune; 488 houen-honen; 494 oni-om; 671 omiroet-onvroet; 605 ghenen-gheven; 768 enme-cume; 802 abscale-abstale; 848 onner-ouver; 856 vloutte-vloucte; 993 diet-dier; 1007 niene-menne; 1023 salue-salne; 1073 nene-neve; 1081 lijue-lijne; 1091 braet-vraet; 1214 vmdise-vindise; 1220 sander hu saense-sauder hu saeuse; 1225, 1234 niet-met (1531 _omgekeerd_); 1344, 1376 waernen-waerven; 1355 wanc-wane; 1419 rollel-rossel; 1589 verbouden-verbonden; 1625 ghenouch-ghevouch; 1747 dien-die ic; 2032 ghenruch-ghenouch; 2157 vernaert-vervaert; 2275 vine-vive; 2302 (2298) oer-oec; [2328 hodenare-hodevare]; 2372 (2396) vore-vote; 2573 (2597) hi-bi; 2591 (2615) rijkelijn-rijkelijc; 2607 (2651) sat-scat; 2633 (2657) dier-dies; 2734 (2754) mitte-nutte; 2764 (2784) waernen-waerven; 2798, 2956 vernaert-vervaert; 2935 (2955) spacus-spaeus; 2947 (2967) dine-dinc; 3329 (3349) cumen-rumen.

Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels als R gelezen; b.v. 165 Raetti _voor_ Laetti; 424 Revic-Levic; 721 Riept-Liept; 791 Raghen-Laghen; 793 Rudmoer-Ludmoer; 796 Rudolf-Ludolf; 815 Ramfroit-Lamfroit; 838 Rieten-Lieten; 863 Rach-Lach; 1299 Raet-Laet; 1367 Raghen-Laghen; 1387 Rachterlike-Lachterlike.

Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn, werden in den druk van GRIMM bijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir herausgegebene hs."[11]. Maar wij weten[12] dat GRÄTERS tekst GRIMM tot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung der hs." plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet van GRIMMS uitgave medegedeelde varianten, die blijkbaar die van GRÄTERS tekst zijn en niet direkt van het handschrift.

GRIMMS meerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche lezingen; maar het zal ons niet verwonderen dat zoo nu en dan iets aan zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs. 94 swighis _voor_ swighic; 347 Riepen-Liepen; 804 houtmakigge-houtmakerigge; 1948 voden-roden; 2324 (2350) ghescoort-ghestoort.

Hoezeer GRIMM vele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den codex, niet minder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich om de orthographie van het stuk te verbeteren[13], zonder den versbouw te herstellen.

Twee jaren na GRIMMS uitgave zag, in 1836, die van WILLEMS het licht. Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys, waarvoor het was verkregen," gelijk WILLEMS zelf getuigde[14].

Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den, volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij daaromtrent rekenschap geeft:

»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade geworden het by GRIMM afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende, als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift onder dien text. Doch de aldus opgeteekende _variae lectiones_ waren zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken, hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als _variante_ heb laten gelden wat werkelijk _verandering_ was, of wat my toescheen van de kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.

»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den ouden _Reinaert_ der twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg bevat, in de dertiende eeuw geschreven."

Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant van BARNUMS Syrene; en de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren."

Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeî WILLEMS: »De oude prosavertaling, de fragmenten in GRÄTERS _Odina und Teutona_, en in GRIMMS _Reinhart Fuchs_ medegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling (_Reineke_), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch behandelden text aen het publiek te leveren."

Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeft WILLEMS zich niet geheel aan den tekst van GRIMM gehouden. Vooral in de spelling heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele malen heeft WILLEMS ook meer eigenlijke wijzigingen in GRIMMS tekst aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit opzicht als in de tekstverklaring, ziet men de duidelijkste sporen van de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder: in de maand Mei ontving WILLEMS den last om »er eene uitgave van voor te bereiden;" hij zette zich »met iever aen het werk"[15]--en het voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is gedagteekend den 20 Augustus!

Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave geene poging werd gedaan, zal men WILLEMS allerminst tot een verwijt mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de voorkeur gaf, zoodat WILLEMS werkelijk meer geleverd heeft dan men van het standpunt der toenmalige--ik zeg niet wetenschap, maar--beoefenaars van het vak kon verwachten.

Had WILLEMS het geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den onveranderden herdruk door SNELLAERT in 1850 in het licht gegeven.

Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende bewerking is toch niet te veel"[16]. Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo innig mede verbonden is," ik kan daarom nog niet toestemmen, dat SNELLAERT »aen de nagedachtenis van den vriend verschuldigd" was in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden. WILLEMS zocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van onzen vriend SNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.

Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken, onmogelyk een anderen text geven kon[17]."

Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst" te leveren, en ik hoop toch geen »wangedrocht"; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.

Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.

In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte; want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.

Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit, wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn, daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.

Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten in GRIMMS uitgave vergeleken, en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het Comburger handschrift door bemiddeling van KAUSLERS onuitputtelijke bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing te herstellen.

Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel. Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen twijfel wegnemen.

Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:

Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so gheladen" heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt later bij GRIMM en WILLEMS, 568:

versscer honichraten Hebbic _commer_ harde groot,

dat WILLEMS verklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche honigraten." Intusschen is kommer _gebrek_, waarvan hier natuurlijk geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bij GRIMM staat voor het _commer_ van den tekst: _coiiiier_, en dat is blijkbaar _couuer_, _couver_, _coever_, daar in den codex steeds onze tweeklank _oe_ door _ou_ wordt uitgedrukt. _Coever_ nu is een bekend woord, dat _overvloed_ beteekent.

Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het 1208:

Tibert moeste roepen doe Ende _wronghede_ hem selven dor den noot: Hi makede een gheroep so groot, Dat Reinaert hoorde up der straten.

Dit _wronghede_ verklaart GRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren," en WILLEMS met »verwrong." Maar _wronghede_ veronderstelt een ww. _wronghen_, dat niet bestaat; aan _wringen_ valt niet te denken, hoewel de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben. Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat er een woord moet staan, dat _zich verraden_, of iets dergelijks beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechts _wroughede_, _wroeghede_.

Vs. 1222 leest GRIMM:

Tibert, ghi singhet _ni lanc so bet_,

hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe weiss."

WILLEMS veranderde _je lanc so bet_; maar eenvoudiger is te lezen _in lanc so bet_, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking is.

Vs. 1306 leest WILLEMS met GRIMM:

Doe _hiefsene_ op met haerre cracht.

De variant bij GRIMM geeft _hieffene_, dat de ware lezing is, mits men voor _Doe_ leze _Soe_. Dat de kapitale _D_ en _S_ licht te verwisselen waren leert het facsimile.

Vs. 1988 gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:

No dor goet, no dor miede, No dor _nijt_, no dor noot.

Uit _nijd_ kon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalve _nijd_ toedroeg. De variant bij GRIMM heeft: _no dor met_, hetgeen blijkbaar verkeerd gelezen is voor _niet_, d.i. _welwillendheid_, _genegenheid_, hetgeen alleen een gezonden zin geeft.

Vs. 1947 bij Gr. en W.

Ghi sult doden Reinaert, uwen neve, den fellen _voden_.

WILLEMS verklaarde: »_voden_; nog overig in _hondsvot_, een obsceen woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan." GRIMM leerde, p. 278: »_vode_, lump, lumpenkerl. KILIAN schreibt _vodde_, MAERL. 3, 418 steht _vuden_. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist, forderte _vode_, es scheint also adj."

In de plaats die GRIMM uit MAERLANT aanhaalt, schuilt eene drukfout, daar men blijkbaar voor _vuden_ het bekende _ruden_ moet lezen: dezelfde letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar _rasten_ moet gelezen worden voor _vasten_.

Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde plaats uit den _Reinaert_ dezelfde verwisseling is ingeslopen, en dat het onbekende _voden_ moet plaats maken voor het hier zeer gewone: _den fellen roden_.

Vs. 2094 leest GRIMM:

Ende verbeet _hanen_ ende hoender,

hetgeen WILLEMS willekeurig veranderde in:

Ende verbeet _vogel_ ende hoener,

niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallen _vogelen_ te bespringen. De variant bij GRIMM geeft de juiste lezing aan: _haenden_, d. i. _eenden_, zoo als ons MAERLANTS _Naturen Bloeme_ leert.

Vs. 3114 (3134) leest men bij GrW.:

Die welpkine liepen _ten brase_,

hetgeen GRIMM (p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause: _braes_ epulae, _brassen_ epulari." Intusschen is het »vermuthete" _braes_ nergens aan te wijzen. WILLEMS zegt: »_Brase_, bras; om te brassen." GRIMMS variant geeft _ten base_, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voor _ten hase_, d. i. met de Vlaamsche adspiratie _ten ase_, dat ook de omwerking heeft. De _h_ en _b_ worden ook elders verwisseld, b.v. 2572 (2597) waar uit het hs. gelezen werd _hi avonture_, hetgeen blijkbaar is _bi avonture_, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat, _die avonture_.

Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo waren de volgende onverstaanbaar.

Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi, 124:

Hets recht dat omberet si Die claghe die Cortois doet.

Daartegen verzet zich Pancer, de bever, 126:

Dinct u goet, Tibert, dat men die claghe ombere? Reinaert es een recht mordenere, _enz._

En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij, 135:

Wat sechdi _van ere laghe_? En dedi ghistren _enz._

GRIMM noch WILLEMS geven hier eenige verklaring, die echter bij die plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is immers van eene _laghe_ (hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft, volgens WILLEMS' variant, _van eenre sagen_, hetgeen evenmin een gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften aan, te verbeteren:

Wat sechdi van _omberen claghe_?

Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.

Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt bij onder anderen, 1022: