Van pool tot pool

Part 27

Chapter 273,896 wordsPublic domain

Het Baikalmeer of het „Rijke Meer”, volgt na de Kaspische zee en het Aralmeer in Azië, in grootte. Onder de zoetwatermeren der aarde wordt het slechts overtroffen door de Canadeesche meren en de hoogte er van bedraagt 470 Meter boven den zeespiegel. Het water is helgroen, zoet en kristalhelder en zeer rijk aan visschen, waaronder vijf verschillende soorten zalmen. Hier leeft zelfs een soort robben, trouwens zijn vele diersoorten van het Baikalmeer met die der zee verwant. Het Baikalmeer is het diepste meer der aarde; men heeft er tot 1521 meter gepeild. Verschillende stoombootlijnen doorkruisen het, en in den winter houden sleden de verbinding tusschen de oevers gaande. Maar pas in het begin van Januari begint het dicht te vriezen, en het ijskleed blijft gewoonlijk tot het midden van April liggen. Nu, op Nieuwjaarsdag was het geheel zuidelijk deel van het meer nog open, ofschoon wij ’s nachts 30–35 graden vorst hadden!

70. DOOR SIBERIË.

De oppervlakte van Siberië is vijf en twintig maal zoo groot als Duitschland, maar in dat ontzaglijk land wonen slechts zeven millioen menschen. Van hen zijn 60 procent Russen en 20 procent Kirgiezen. De overige zijn Boerjaten, Jakoeten, Toengoezen, Mandschoes, Samojeden, Ostjaken, Tartaren, Tschoektschen en nog anderen. Een niet gering aantal der bevolking bestaat uit veroordeelden, die verbannen zijn naar Siberië, en wier hard lot het is, onder streng toezicht in de goudmijnen te werken. Hun aantal wordt op circa 150.000 geschat. Voordat de spoorlijn werd aangelegd, moesten zij die oneindige reis te voet afleggen. Zij liepen dagelijks, of het regende, of de zon scheen, of het stormde of sneeuwjachten woeien, 15 wersten ver door dit schrikkelijke, donkere, koude Siberië. Voor en achter reden kozakken, die hun, als zij zich in hun ketenen door modder en vuil voortsleepten, geen rust toestonden. Dikwijls gingen vrouwen en kinderen vrijwillig mede, om het lot te deelen van hun tot dwangarbeid veroordeelden echtgenoot en vader.

Nu is daarin veel verbetering gekomen. Wel is de dwangarbeid even hard, maar de reis er heen is minder moeilijk. Nu worden de ongelukkigen in aparte gevangenwagens met getraliede raampjes langs de spoorlijn verzonden. Dikwijls ziet men deze rollende gevangenis op een zijlijn van een station staan. Bleeke gezichten kijken door de tralies met onverschillige uitdrukking naar hetgeen op het perron gebeurt. Eens zag ik, hoe een man, die misschien zelf eens gevangene was geweest, en zijn straf had geboet, naar het getralied venster van zulk een gevangenwagen sloop, voorzichtig naar alle kanten rondkeek en, toen hij zeker was dat geen der gendarmen hem zag, een flesch wodka, een soort drank, door de staven van het traliewerk in den wagen reikte. Daarna verdween hij weer tusschen de wagens.

Langs de rivier de Lena wonen de Jakoeten, een Turksch-Tartaarsche stam. Er zijn er slechts 230.000, die in naam christenen heeten, het landbouwbedrijf uitoefenen en handeldrijven. Ten Oosten van de Jenissei vonden wij de Toengoezen, een klein volk, dat verdeeld wordt in vastgekoloniseerde Toengoezen, paarden-, honden- en rendieren-Toengoezen, al naar de huisdieren die voor hun levenswijze het belangrijkste zijn. In West-Siberië, in de gouvernementen Tomsk en Tobolsk, wonen de Oostjaken, een kleine, Finsche stam, van 26000 menschen, die sterk afneemt; het zijn zeer arme visschers, jagers en rendiernomaden. Noordelijk van hen, in het Noordelijk deel van West-Siberië en in Noordoostelijk Europa, wonen de Samojeden; hun stam is nog kleiner in aantal dan de vorige, zij leven van rendierteelt en vischvangst.

Al deze Siberische stammen en nog meer andere zijn Schamanisten. Men noemt hen zoo naar hun priesters, de Schamanen. Zij gelooven aan een nauwe verbinding tusschen de levenden, en hun lang geleden gestorven voorvaderen. Men is ontzettend bang voor de dooden en doet al het mogelijke om hun geesten door offeranden te verzoenen en te bezweren. Hiervoor zorgen met veel tooveren en zwarte kunst de Schamanen, die te gelijkertijd ook artsen zijn. Indien iemand gestorven is dan moet de geest van den doode uit de tent worden verdreven. De Schamaan wordt geroepen; hij komt in kostbare, vreemde gewaden en begint in godsdienstige verrukking een dans, die ten slotte in een soort razernij eindigt. Hij wankelt heen en weer, tuimelt, steunt en is als buiten zichzelf. Nadat hij zich lang genoeg als een krankzinnige heeft gedragen, neemt hij zijn toovertrommel, waarvan de doffe tonen hem kalmeeren. En als hij zoo al zijn kunsten heeft vertoond, dan is de geest verbannen!

Siberië is een rijk land. Goud, zilver en koper, ijzer, blik, graphiet en steenkolen sluimeren naast veel andere kostbare mineralen, en steenen in haar bergen, en de uitnemende bouwgrond opent groote verschieten voor toekomstige ontwikkeling. De meeste grond, welke voor bebouwing geschikt is ligt in de nabijheid der spoorlijnen en van de rivieren, welke geschikt zijn voor vervoer. Want geheel Siberië is een net van waterwegen. Uit een der zijrivieren van de Ob kan men met de stoomboot door kanalen in de Jenissei komen, en van daar de Lena bereiken. Tomsk, de tweede stad van Siberië, met 70.000 inwoners is het hart van dit kanaalsysteem. Meer dan 10000 kilometer der rivieren zijn met groote stoombooten te bevaren, en bijna 50.000 kilometer met kleine. In West-Siberië, rondom Tomsk en Omsk, neemt de opbrengt van den landbouw van jaar tot jaar toe en men kan met zekerheid zeggen, dat deze streken eens een meer dan dubbel zoo dichte bevolking zal kunnen voeden, als nu, en bovendien nog een groote hoeveelheid koren uitvoeren. Zeer zeker is er ook heel wat noodig om deze eindelooze spoorlijn, die 1½ milliard gulden heeft gekost, haar rente te doen opbrengen!

In den voortdurend bevroren bodem van Noord-Siberië en vooral in de vroeger overstroomde streken heeft men gave exemplaren van mammouths gevonden, die honderd duizend jaar oud waren. De mammouth is een uitgestorven soort olifant, die in het diluviale tijdperk over geheel Noordelijk-Azië, Europa en Noord-Amerika was verspreid; hij was grooter dan onze tegenwoordige olifant en had slagtanden die vier meter lang waren, een dichten, bij het klimaat behoorende pels, en op hals en nek tamelijk weelderige manen. Dat de mensch reeds een tijdgenoot van den mammouth was, blijkt uit zeer oude, primitieve afbeeldingen van dit dier.

Zoo reed ik dag en nacht door dit geweldig Siberië, dat in het Zuiden door het Altaigebergte, door Sajan, door het Jablonoi- en Stanowoigebergte en in het Noorden door de Noordelijke IJszee wordt begrensd. De Toendra, een met mos begroeide moerassige steppe, die in den winter steenhard bevroren is, en in den zomer aan de oppervlakte smelt, en dan gevaarlijke moerassen vormt, beslaat ontzaglijke uitgestrektheden van Noord-Siberië.

Eindelijk, den 5 Januari 1909, bevond ik mij in het Oeralgebergte en slingerde de trein zich langs heuvels en dalen. In de nabijheid van het station Slatoöest verheft zich een granietzuil,—het is de grens tusschen Azië en Europa!

71. DE VEGAREIS.

Aan Siberië en vooral aan haar kusten aan de Noordelijke IJszee is uit den nieuweren tijd een roemrijke herinnering verbonden. Met het doel een handelsweg naar en van West-Siberië te openen, had de Zweed Adolf Erik Nordenskjöld reeds twee expedities naar de Jenissei gemaakt, en in het jaar 1878 ontvouwde hij zijn plan tot den aanleg van de Noord-Oostdoorvaart. Zoo noemde men den noordelijken zeeweg naar Oost-Azië, die sedert eeuwen gezocht en vurig gewenscht werd. Het ging dus om niets minder dan Azië en Europa te omzeilen, een onderneming, die nog nooit te voren, noch later ten uitvoer is gebracht! Het daarvoor uitgezochte schip was de walvischvaarder „Vega”. Aan luitenant Lodewijk Palander had Nordenskjöld, een scheepskapitein, die opgewassen was tegen de moeilijkste omstandigheden; een staf van onderzoekers van beteekenis nam de wetenschappelijke onderzoekingen en verzamelingen op zich. De bemanning bestond uit zeventien matrozen der Zweedsche oorlogsvloot. Voor twee jaar werd proviand meegenomen en gedurende een gedeelte der reis geleidden eenige kleine, met kolen bevrachte schepen de „Vega”.

In Juni van het jaar 1878 verliet de „Vega” Karlskrona en richtte haar koers naar Tromsö, daarna ging zij langs Europa’s noordelijkst voorgebergte, de Noordkaap, langs de kusten van de IJszee en den mond van de Petschorarivier, die bekend is door haar dicht met bosschen begroeiden oever. Over de Karische Zee, tusschen de Siberische kusten en het lang uitgestrekte eiland Nova-Zembla, ging de reis in Oostelijke richting naar de monding van de Jenissei.

Het jaar was gunstig, geen drijfijs belemmerde de vaart der schepen, en den 19den Augustus had men Kaap Tscheljoeskin, de noordelijkste punt der oude wereld bereikt en met het hijschen der vlaggen en saluutschoten begroet. Van daar ging het verder naar de monding van de Lena. Hier was groote voorzichtigheid noodzakelijk, want het vaarwater was zeer ondiep en dikwijls gleed de „Vega” over waterspiegels heen, die op de kaart als „land” waren aangegeven.

Zoover ging alles goed, en de Zweedsche expeditie had met geen wederwaardigheden te kampen. Nordenskjöld had zijn plan op de volgende berekeningen gebouwd. Hij wist, dat de reuzenstroomen van Siberië gedurende den zomer ontzaglijke massa’s warm water, dat uit zuidelijker streken komt, naar de kusten voerden en dat op het zoutachtige zeewater drijft, omdat het zoet is. Langs de Siberische kust vormt het nu een overstrooming der oppervlakte, welke het vaarwater gedurende den zomer open en vrij van ijs houdt. In den ijsvrijen stroom langs de kust hoopte Nordenskjöld de reis af te leggen en nog voordat zomer en herfst voorbij zouden zijn, den Stillen Oceaan te bereiken. Zijn berekeningen bleken ook juist te zijn.

Maar ten Oosten van de Lena loopen slechts kleine rivieren in de zee uit en daarom vreesde Nordenskjöld, dat de laatste einden der reis de moeilijkste zouden worden, want daar kon men niet meer op open water aan de kust rekenen. Den 28sten Augustus kreeg men de westelijke eilanden der groep, die wij de Nieuw-Siberische eilanden noemen, in het gezicht. De zee werd ondiep en drijvende bevroren modder belemmerde de Vega in haar volle vaart. Daarna werden de vooruitzichten weer helderder en bereikte men open water. Men had den 1sten September ’s middags + 5,6 graden.

Reeds de eerstvolgende dagen sloeg het weer om in Noordenwind, koude, sneeuw en drijfijs! Gedurende de nachten, die nu langer en donkerder werden, moest men stil liggen. De zee begon dicht te vriezen, en den 12den September geraakte de Vega in zulk dicht ijs, dat gedurende verscheiden dagen aan geen verder gaan gedacht kon worden. Daarna stoomde men voorzichtig langs de kust en kwam daarbij zoo dicht bij het land, dat het schip nog slechts een voet water onder den kiel had. Ondanks alles naderde ze langzaam maar zeker het doel; tot den Oostkaap, het oostelijk voorgebergte van Azië, aan de Beringstraat, die in den Stillen Oceaan uitloopt, was het al niet ver meer.

Den 27sten December wierp de Vega aan de oostzijde van de golf van Koljoetschin het anker uit. De nacht was koud en windstil en de zee vroor toe. Toen men den volgenden dag een weg door het drijfijs wilde banen, was dit door nieuwgevormd ijs zoo vastgevroren, dat men weer moest wachten. Een Zuidenwind zou het ijs dadelijk weêr hebben gebroken en den weg langs de kust geopend; maar zulk een wind kwam niet en het ijs werd steeds dikker. Ternauwernood meer dan 200 kilometer van den Stillen Oceaan verwijderd, moest men zich op overwinteren voorbereiden. Indien de Vega eenige uren vroeger de golf van Koljoetschin had bereikt, dan zou zij nog in de Beringstraat zijn kunnen komen.

Anderhalve kilometer van de kust, waar het onbeschermd aan de Noordelijke stormen was prijsgegeven, vroor het schip nu in. Hier lag het twee honderd vier en negentig dagen en onze poolvaarders leerden de koude en duisternis van den arctischen winter grondig kennen! Zij richtten zich zoo goed het ging in. Zij begonnen hun observaties van weer en wind, de bevroren zee, en haar dier- en plantenleven, en aan de kusten vonden zij ook eenige Tschoekschendorpen en met de half-wilde bewoners traden zij in druk verkeer. Den 20sten Juli 1879 verbrak de Vega eindelijk haar boeien, en stoomde met de vlag in top de Oostkaap om, om daarna langs Kamschatka en de eilandengroep der Koerilen naar Jokohama te stevenen. Van daar ging de reis over Hongkong, Singapore en Ceylon, door het Suezkanaal en de Middellandsche zee naar Europa.

De 24ste April 1880, dien avond zal ik nooit vergeten. Over de haven van Stockholm hing een vochtige nevel, maar de geheele stad straalde in helderen lichtglans, al de huizen aan de haven, evenals het slot waren geïllumineerd. Zelf zoo zwart als een spookschip, gleed de Vega langzaam over de golven van den Noordelijken stroom, de haven binnen, begroet door het gejubel van duizenden menschen, die zich op de kade verdrongen. Een groot werk was in den dienst van het onderzoek verricht en de oogen der gansche wereld was op Zweden gericht.

72. DE WOLGA EN MOSKOU.

Van de grens tusschen Azië en Europa leidt ons de trein over Oefa naar het Westen en naar Samara. Bij Sysran gaan wij over den Wolga over een brug die anderhalve kilometer lang is. Hier zijn wij bij de grootste rivier van Europa, de geweldige Wolga, die een lengte heeft van 3700 kilometer, en tusschen Petersburg en Moskou, slechts 340 kilometer van de Finsche golf, ontspringt. Zij stroomt door geheel Europeesch Rusland en behoort tot twintig gouvernementen. Haar rechter oever is hoog en steil, haar linker vlak. Haar mond aan de Kaspische zee vormt een zeer uitgestrekte delta.

Als men nu bij Sysran over de lange brug over de Wolga gaat, en de lucht niet heel helder is, dan denkt men een meer voor zich te hebben, want den tegenovergestelden oever rechts is niet te zien. Maar nog verder, daar, waar de rivier zijn laatste scherpe kniebocht maakt, om zich naar de Kaspische zee te richten, bedraagt de breedte bijna 10 kilometer! Hier zijn de oevers vlak en de oneindige steppen strekken zich naar alle kanten uit.

De Wolga is bijna over haar geheele loop bevaarbaar, en heeft veertig zijrivieren die eveneens bevaarbaar zijn. Ongeveer vijf maanden is de rivier bevroren en als het ijs in het voorjaar met gekraak als van den donder losbreekt, vernielt de ijsgang de oevers. Dank zij de Wolga en haar kanalen kan men per stoomboot van de Oostzee naar de Kaspische zee varen, ja, ook van de Kaspische zee de Wolga op, door de Dwina in de Witte zee komen. Maar de Wolga is niet alleen een belangrijke handels- en verkeersweg, maar bezit ook een onuitputtelijken rijkdom aan visch. Door de steur- en sterletvisscherij worden groote vermogens gewonnen.

Als de trein zwaar en langzaam over de Wolgabrug gerateld is, gaat hij in west-noord-westelijke richting verder, naar het eigenlijke hart van het heilig Rusland. Wij rijden door verschillende steden, en de dag nadert zijn eind. De conducteur gaat van afdeeling tot afdeeling en zegt de reizigers dat men binnen een uur in Moskou is.

Ik ben vaak in Moskou geweest, en steeds verheugde het mij de stad terug te zien. Zij is een beeld van het oude, onvervalschte Rusland, een tehuis van degelijke, eenvoudige en ouderwetsche zeden en gebruiken, van trouw en oprechtheid en een kinderlijk rein geloof, aan den godsdienst van het land, de Grieksch-Katholieke leer. Op de kromme, slingerende en slecht geplaveide straten wemelt het van Tartaarsche, Perzische en Kaukasische typen tusschen Slavische burgers en boeren, die onverwoestbare, Russische boeren, die het zoo slecht gaat, en die zich als slaven moeten afbeulen, die Zaterdagsavonds altijd te diep in het glas kijken, maar altijd tevreden, goedhartig en opgeruimd gestemd zijn. Ziet maar eens naar die lange, slanke geestelijken, met vollen baard en golvende haren, in hun lange, bruine gewaden, op het hoofd een zwarten baret! Zij zijn hier maar al te gewone verschijningen want in Moskou zijn 450 kerken en een menigte kloosters.

Aan beide zijden van de kleine Moskwa, die zich in de Oka, een zijrivier van de Wolga stort, verheft zich de stad, waarin meer dan een millioen menschen wonen. Het Kremlin is het oudste deel en het hartje van Moskou. Zijn muur werd in de laatste jaren van de vijftiende eeuw opgetrokken. Hij is 20 meter hoog, met tinnen voorzien en heeft achttien torens en vijf poorten. Binnen zijn onregelmatigen vijfhoek met een omvang van twee kilometer, liggen keukens, paleizen, musea, en andere openbare gebouwen. Daar verheft zich met vijf verdiepingen, de 82 meter hooge klokketoren van Iwan Weliki. Van de bovenste omgang overziet men den geheelen horizon en men heeft de geheele stad onmiddellijk onder zich. Men ziet hoe de straten op de spaken van een wiel gelijken, van het Kremlin uit naar alle kanten uitgaande en hoe deze spaken, weer door ringstraten worden gesneden. Tusschen deze straten strekken zich de menigte lompe steenen huizen uit, en uit deze zee van huizen verheffen zich knolvormige koepels met groene daken en gouden, Grieksche kruizen. Dwars door de stad slingert de Moskwa in scherpe S-vormige bochten, en de met torens versierde muren van het Kremlin spiegelen zich in het water.

In de klokkenkamer van een Iwan-Welikitoren hangen drie en dertig klokken van verschillende grootte. Aan den voet staat de omlaaggestorte „czarenklok” die 201.000 kilogram weegt en een omvang heeft van 20 meter. Bij den val brak een stuk van den rand af, zij is daardoor niet meer te gebruiken maar staat als sieraad op een voetstuk.

Binnen den muur van het Kremlin ligt ook de Maria-hemelvaartskathedraal. Zij wordt gekroond door een 42 meter hoogen koepel, en heeft op de vier hoeken kleine koepels. Midden in het Kremlin is zij niet alleen het werkelijk hart van Moskou maar van geheel Rusland. Want hier worden de Russische Czaren gekroond, terwijl de Iwan Weliki’s klokken met donderende stemmen over de stad dreunen. Het inwendige der kathedraal maakt een onbeschrijfelijken indruk. Het licht, dat door de hooge smalle vensters valt is niet genoeg om de kerk te verlichten en het wordt buitendien nog door gouden standaards en met heiligenbeelden en kruizen gedempt. Het inwendige der kerk is overvol van een ontzaglijke menigte godsdienstige voorwerpen en heiligenbeelden uit gedegen goud, van welke gezicht en handen slechts beschilderd zijn. Er voor branden waskaarsen, van welke de rook naar de gewelfde bogen omhoog kronkelt en de kerkvaandels in een grijs-blauwen nevel hult.

Voor de rechtgeloovige Russen is het Kremlin bijna een heilige plaats. Zij gaan ter bedevaart naar zijn kerken en kloosters met dezelfde vereering als de Tibetanen naar de Boeddha-heiligdommen. „Moskou wordt slechts door het Kremlin en het Kremlin slechts door den hemel overtroffen,” zeggen zij.

Er is bijna geen jaar in de geschiedenis van Moskou zoo beroemd als het jaar 1812. Toen veroverde Napoleon met het „groote leger” de stad, het Russische leger gaf haar prijs en de burgers verlieten de huizen. Den 14den September hield Napoleon zijn intocht, en den volgenden dag begon de brand. De Russen zelf hadden de stad aan de verschillende kanten in brand gestoken. Drievierde der geheele stad lag in asch, toen de Franschen na een verblijf van vijf weken en een verlies van 30.000 man Moskou weêr ontruimden, dakloos prijsgegeven aan de ijzige stormen van den Russischen winter. Nog steeds leeft deze bloedige tijd in de herinnering der bevolking voort.

In elf uur brengt de sneltrein ons nu in rechten lijn noordelijk, naar de hoofdstad van Peter den Grooten: Petersburg, aan den mond van de Newa en aan de Finsche golf. Geheel andere tooneelen dan in Moskou omgeven ons hier, niet meer echt, onvervalscht Rusland, maar de cultuur van het Westen, welke de slavische heeft verdreven. Wel zijn kerken en kloosters in denzelfden stijl gebouwd als in Moskou, en het oog rust op dezelfde typen en kleederdrachten. Maar hier ziet en voelt men overal maar al te duidelijk, dat men in Europa is.

Petersburg heeft anderhalf millioen inwoners, dus een honderdste deel van al de bewoners van het geheele Russische rijk. Men merkt het in deze stad bij elke schrede dat zij nieuw is. Alle straten zijn breed en kaarsrecht. Het klimaat is echter ruw, vochtig, akelig! Twee honderd dagen van het jaar regent of sneeuwt het.

Als men in de Peterburgerstraten rondwandelt ziet men veel ongewoons. Telkens komt men midden op een brug of op den hoek eener straat aan een kapel. Daar staat een heiligenbeeld in en voor het beeld branden waskaarsen. Veel voorbijgangers blijven staan, ontblooten het hoofd, knielen, maken het teeken des kruises en prevelen een gebed om dan weer onder te duiken in het gewoel der straat.

De stad wemelt van uniformen. Niet alleen is het groote garnizoen in uniform maar alle burgerlijke ambtenaren; de gymnasiasten, de studenten en nog veel anderen zijn ook elk op hun manier, streng naar voorschriften gekleed en reeds van verre kenbaar aan hun zilveren of koperen knoopen. Maar wat vooral de aandacht van vreemdelingen trekt, dat zijn de voertuigen. Aanzienlijke lieden rijden in open sleden, dekken zich met blauw-gevoerde berenhuiden, en laten die sleden trekken door groote, prachtige paarden. Men ziet ook dikwijls voor zulk eene slede, de troika: drie paarden. Een der paarden loopt in het midden onder een boog, die dient tot het uit elkaar houden der strengen. De twee terzijde loopende paarden gaan altijd in galop. Het meest gewone voertuig is echter de Iswaschtschik, die zoo klein is, dat ternauwernood twee personen plaats vinden op de zitplaats. En daar er noch zij, noch rugleuning is moeten zij elkaar om het middel vasthouden om bij scherpe bochten er niet uitgeslingerd te worden. Deze kleine sleden hebben geen vaste standplaatsen. Voor de hotels, de Banken, de theaters, de stations en andere veel bezochte plaatsen staan zij in lange rijen, en afzonderlijk ziet men ze overal. De koetsiers zijn altijd vroolijk en tevreden; zij praten nu eens met hun passagier dan weer met hun paard, dat zij „mijn duifje” noemen. Allen rijden met wanhopige snelheid, alsof op de straten van Petersburg voortdurend wedrennen plaats hadden.

Petersburg is rijk aan verzamelingen, musea, schilderijengalerijen, kerken en prachtige paleizen. De fraaiste is de Izaakskathedraal, met haar hoogen vergulden koepel, en vier kleinere eveneens met bladgoud overtrokken koepels. Het bovenst quadraat van het kruis staat 101 meter boven den grond; de Izaakskoepel is dan ook het eerste wat men van Petersburg ziet, als men van de Finsche golf het land nadert, en de op een eiland liggende vesting Kronstadt voorbijgaat. Wonderschoon klinkt het gezang der avondmis op de groote feestdagen in deze kathedraal, en wat schittert het hier overal van goud en zilver en van de gepolijste zuilen uit malachiet en lapis lazuli. Maar buiten onder geweldige pilaren van Finsch graniet wachten de armen op een penninkje. Als de welgestelde kerkbezoeker een kruis gemaakt heeft voor de heiligen en hun voorspraak heeft afgesmeekt voor zijn heil, en dan op den stoep naar buiten komt, valt het hem misschien minder gemakkelijk dan anders koud en onverschillig de kinderen der armoede voorbij te gaan. De bouw der Izaakskathedraal heeft bijna 36 millioen gulden gekost. Voor vijftig jaar is zij gereed gekomen. In werkelijkheid komt ze echter nooit klaar. Als ik tusschen de jaren 1885 en 1909 Petersburg bezocht, was telkens op zijn minst een der gevels van stellages voorzien, want de grond waarop deze reuzenbouw uit graniet en marmer staat, is moerasgrond; de muren zakken daarom en hebben steeds verbetering noodig. Tot nu toe heeft de kathedraal reeds honderd millioen gekost!

Een troika brengt ons nu onder het gerinkel der bellen naar het Finsche station. Wij gaan den trein in en rijden gedurende de nachtelijke uren naar het oude Zweedsche Wiborg, dat op de plaats ligt waar het Saimakanaal in de Turksche golf uitloopt.