Part 16
Dit, door zijn natuurschatten, overrijke laagland van Indië, naderen wij nu door het dal van de Satledsch, die, hoe verder wij omlaag komen, steeds breeder wordt. Op kleine, wankele bruggen rijden wij over ontelbare zijrivieren, die in vroolijke watervallen over de steenblokken dansen, zoodat het ver in het rond dreunt en het borrelende water tot motregen verstuift. Zij snellen alle naar de hoofdrivier, die eindelijk ontzaglijk zwelt en in zijn wilde kracht, eerbied afdwingend, verder stroomt.
De lucht wordt minder ijl en het ademhalen gemakkelijker. Het tuiten der ooren en de hoofdpijn houdt op; de koude is ook voorbij. Reeds in het vroege ochtenduur omgeeft ons milde lucht, en spoedig komen dagen, waarin men met eenig verlangen de koelte in het hoogland van Tibet gedenkt. Toen ik vele jaren geleden dezen weg ging, maakte een mijner honden, een groote, harige Tibetaansche hond, die zeer onder de toenemende warmte leed, eenvoudig rechtsomkeert en liep naar Tibet terug! Zijn longen en al zijn organen waren aangepast aan de ijle lucht en ik moest, of ik wilde of niet, hem laten loopen.
De eerste stad, die wij bereikten, heet Simla. Zij telt nauwelijks 15000 inwoners, maar zij is een der schoonste steden der wereld en een der machtigste, want in haar cederwoud verheft zich een slot en in dit slot staat een Keizerstroon. En de Keizer is de Koning van Engeland, wiens macht in Indië is toevertrouwd aan een vice-Koning. Als de verlammende zomerwarmte begint, begeven alle Engelschen, die door hun beroep niet worden gebonden aan het laagland, zich naar de bergen, en wie in de Pendschab woont, trekt naar Simla. De vice-Koning en zijn staf, de regeering, de opperbevelhebbers van het leger, beambten en officieren, allen reizen met vrouw en kind omhoog naar Simla, en daar leeft de aanzienlijke wereld onder genot en feesten, precies als in Londen. Dan stijgt het getal inwoners tot 30.000.
Simla is op heuvels gebouwd, omgeven door duizelingwekkende afgronden en de huizen kleven als zwaluwnesten tegen steile berghellingen. De straten loopen terrasgewijze boven elkaar, en overal in het rond is donker, dicht woud. Maar door de open plekken tusschen de ceders ziet men in het verre Zuid-Westen de vlakten van de Pendschab en de kronkelende loop van de Satledsch en in het Noorden glinsteren de gebergten van den Himalaja met hun eeuwige sneeuw. Het moet heerlijk zijn, na de verstikkende lucht van Indië, in Simla weer te herademen; maar misschien is het nog heerlijker om, ontkomen aan Tibet’s snijdende koude, daar te rusten.
Van Simla voert ons de trein door honderd tunnels en de dolste kromme lijnen over ontelbaar veel bruggen en langs diepe afgronden, omlaag in de Pendschab en nu omringt ons de zengende gloed van dit laagland. Wat zou men niet geven voor een zacht koeltje van Tibet’s sneeuwbergen! Maar wij moeten tevreden zijn; kalm voor het open, voortdurend met water besproeide portierraam zitten en bij elk station een groot glas limonade met ijs te drinken.
Wij bezien Dehli slechts vluchtig; de eens zoo groote en beroemde stad aan de Dschamna, een zijrivier van de Ganges. Toen het land nog toebehoorde aan een van het Noorden gekomen Mohammedaansche vorstenfamilie, was Dehli de hoofdstad van het rijk en de zetel van den Groot-Mogol. Een groot aantal trotsche gedenkteekenen herinneren nog aan deze dynastie; prachtige gebouwen, uit zuiver wit marmer opgetrokken, welker muren en zuilen zijn ingelegd met steenen van groote waarde, als lapis-lazuli, malachiet, nephrit en agaat. In een dezer paleizen placht vroeger de Groot-Mogol in een open, door dubbele zuilengangen omgeven hal, recht te spreken en gezanten te ontvangen. Als de zon op deze zuilengangen schijnt, lijkt het alsof het marmer doorzichtig is en lichtblauwe schaduwen vallen op den marmeren vloer. In de troonzaal stond vroeger de troon van den Groot-Mogol, de pauwentroon. Hij was met dik goud bekleed en met talrijke diamanten versierd; op de rugzijde straalde de beroemde diamant Orlow, die nu den Russischen rijksscepter tooit. Toen in het jaar 1739 de Perzische Koning Nadir Schah, den Groot-Mogol overwon, werd diens milliardenschat, waaronder ook de pauwentroon en de grootste bekende diamant, de Kohinoor of „berg des lichts”, die nu tot de Britsche kroonjuweelen behoort, buit van den overwinnaar. Nu nog is de pauwentroon in het bezit van den Perzischen Schah, nog stralen de gouden pauwen op den rug ervan, maar de groote diamant mankeert, evenals de overige; zij werden, de een na den ander, gestolen of er uitgebroken, als de opvolgers van Nadir Schah zich in geldverlegenheid bevonden.
Als men eenige uren in de nauwe straten en bonte bazaars van Dehli heeft rondgewandeld, en zich een weg heeft moeten banen door luidruchtige Hindoes en Mohammedanen, dan is het een dubbel genot onder de gewelfde bogen van de troonzaal te zijn. Dan begrijpt men de Perzische woorden ook, die boven den ingang staan: „Als het paradijs op aarde te vinden is, dan is het hier, slechts hier!”
Agra, wat verder omlaag aan de Dschamna, was eenigen tijd hoofdstad van den Groot-Mogol, en een van die vorsten heeft hier (1629–1648) een gebouw opgericht, dat nog heden als een der schoonste op aarde wordt beschouwd. Het heet Tadsch Mahal, of het kroonpaleis, en is een grafmoskee ter herinnering aan de lievelingsgemalin van den Groot-Mogol, Schah Dschahan, aan wier zijde hij zelf in de crypte van de moskee is bijgezet.
Dit geweldig grafmonument is van louter witte marmersteenen gebouwd; men heeft er twee en twintig jaar aan gewerkt, en de bouw heeft indertijd niet minder dan 20½ millioen gulden gekost!
Door een prachtig portaal van rooden zandsteen, komt men eerst in een tuin, die het heiligdom omgeeft. In een grooten vijver plassen goudvisschen en drijven lotusbloemen; in het rond weelderig groen, vol zingende vogels en springende eekhoorntjes. Jasmijn- en rozengeur waait ons tegemoet; jonge cypressen verheffen zich hemelwaarts.
Verblindend wit in den zonneschijn, een zomerdroom van versteende witte wolken, zweeft op een terras de marmeren Tadsch Mahal, een kunstwerk, als alleen de liefde uit het puin der aarde weet tevoorschijn te tooveren. Op de vier hoeken van het terras verheft zich een hooge, slanke minaret, eveneens van marmer, en de koepel der achthoekige moskee heeft een hoogte van vijf en zeventig meter. In het midden staan, achter een traliewerk van gebeeldhouwd marmer, de grafmonumenten van den Schah Dschahan en van zijn Koningin Mumtás-e Mahal. De sarcofagen van beiden rusten in de crypte.
De vier gevels van het gebouw zijn volkomen gelijk. Maar de groene achtergrond en de wisselende belichting wekken bij den toeschouwer steeds nieuwe stemmingen. De door de zon bestraalde vlakken zijn sneeuwwit, de schaduwen lichtblauw. Hier en daar schijnt het gebladerte een groenen weerschijn op het witte marmer te werpen. Als de zon in vurig avondrood daalt, wordt het geheele gebouw in een oranjekleurig schijnsel gehuld en men mag Agra niet verlaten, zonder den Tadsch Mahal in maneschijn te hebben gezien. Vochtig en nevelig, warm en zwijgend, ligt de tuin dan, maar de belichting der marmeren muren is nu ijzig koud, de schaduwen lijken ravenzwart, alleen de koepel glanst zilverwit. Nachtvlinders fladderen tusschen de boomen, en de muggen gonzen luid. De geheimzinnige klanken van den dschungel galmen in het rond en het vuilgrijze water van den Dschamna wentelt zich zachtruischend naar den heiligen Ganges.
40. EEN HEILIGE STAD.
Het stroomgebied van den Ganges, waardoor de spoor ons nu naar het Oosten voert, is buitengewoon vruchtbaar en wordt door honderd millioen, voor het meerendeel Hindoes, bewoond. Het wemelt van steden, van welke verscheidene twee tot drie honderd jaar oud zijn, en van ontelbare dorpen, waar de boeren hun hutten uit bamboes en stroomatten hebben.
De Hindoes verbouwen tarwe en rijst en teelen prachtig ooft. Hun kleine, bruine, aardige kinderen spelen spiernaakt voor de hutten. Beklagenswaardige, kleine schepsels! Op hun negende jaar worden zij al uitgehuwelijkt; de jonge echtgenooten wonen echter nog gescheiden, totdat zij volwassen zijn, en vóór de huwelijksplechtigheid is de jonge vrouw, zelfs voor haar bloedverwanten, onzichtbaar. Maar nog ongelukkiger is een weduwe. Vroeger moest zij zich met het lijk van haar man op een brandstapel laten verbranden; deze huiveringwekkende gewoonte hebben de Engelschen echter afgeschaft, maar haar lot is desondanks nog altijd zwaar genoeg. Men gaat haar met afschuw uit den weg en wie ’s morgens het eerst een weduwe ontmoet, dien zal zeker op dien dag een ongeluk overkomen!
Aan het station van Benares stopt de trein en door een gewemel van Hindoes en Mohammedanen in lichte, bonte kleeren, met tulbanden of kleine ronde mutsen, brengt een voertuig mij naar een bungalow, zooals het Indische logement heet, waar ik mij door een bad verfrisch.
Benares is de heiligste stad der aarde. Lang voordat Jeruzalem en Rome, Mekka en Lhasa bestonden, was Benares de geboorteplaats van den oerouden Indischen godsdienst, en nog steeds is de stad het hart van het Brahmaïsme en het Hindoeïsme. Er zijn meer dan twee honderd millioen Hindoes en het doel van aller verlangen is Benares! De zieken sleepen er zich heen om in het water van den heiligen Ganges weer gezond te worden, de ouden om hier te sterven; en wie in de verte sterft, laat zijn asch naar Benares zenden, opdat ze in het zaligmakende water van de heilige rivier gestrooid worde. In Benares predikte ook Boeddha, 500 jaar voor Christus’ geboorte, en voor zijn aanhangers, de vierhonderd millioen Boeddhisten, is Benares ook een heiligdom.
De straten der stad zijn ontzettend nauw en van verstikkende dampen en den stank van allerlei verrottende planten vervuld. Rechts en links zijn open winkels, waar sierlijke vazen, schalen en bekers van koper en andere metalen, vele er van met ingelegd lakwerk, worden verkocht. De afgesleten straatsteenen zijn glad als zeep van de mest van heilige koeien, die met half gesloten oogen, hangende en lui hier staan of met sleependen gang aankomen en de nauwe straten versperren. Overal ziet men goudsbloemen, want het wordt als een goed werk beschouwd, deze viervoetige heiligen er mede te voederen.
Gij kunt, dag in dag uit, de straten van Benares doorgaan, en peinzend voor haar tweeduizend tempels zitten, duidelijk zal u het raadsel van dezen Brahmaanschen godsdienst zeker even weinig worden als mij! Milliarden jaren en 330 millioen goden, wie kan dat begrijpen! Lees in elk geval de 4000 jaar oude zangen en gebeden en bewonder hun poëzie, waarmede natuur en zon, regen en vuur, aarde, wind en morgenrood bezongen worden. Maar wat gij er in vindt aan diepzinnig gepeins over de eeuwigheid, zult gij nooit begrijpen, als gij niet zelf een Hindoe zijt.
De Hindoes hebben drie voorname goden: Brahma, den Schepper, Vischnoeh, den instandhouder en Siwa, den verwoester. Van deze drie zijn de overige millioenen goden afkomstig; zoo beteekent bijvoorbeeld de godin Kali niets dan een eigenschap van Siwa. Aan deze godin werden vroeger nog kinderen geofferd; nu, nadat de Engelschen deze ruwheid hebben verboden, nog slechts geiten.
De godsdienstige vereering der Hindoes beperkt zich echter niet tot de goden. De gansche natuur is hen bijna heilig. Boven alles, de koe, de stier, de aap, de krokodil, de slang, de schildpad, de adelaar, de pauw en de duif. Leugen, diefstal en moord zijn geoorloofd, maar als een Hindoe vleesch eet of door een toeval ook maar een haar van een koe inslikt, is hij veroordeeld tot de hel van de kokende olie; hij is voor alle geloovigen een voorwerp van ontzetting, en bovenal voor zichzelf! Dit bijgeloof is hem sedert duizenden jaren in vleesch en bloed gedrongen, en bestaat tegenwoordig nog in volle kracht. Een koe te dooden is hier in dit land, waar men zelfs ziekenhuizen voor het vee bouwt, de ergste van alle goddeloosheden. Een groote opstand tegen de Engelschen in 1857, werd gedeeltelijk veroorzaakt, omdat de patronen van een nieuw model geweer met—rundertalk waren ingesmeerd!
En daarbij worden de Hindoes geregeerd door blanke meesters, die ossen slachten en het vleesch eten, een gewoonte, die voor de Indiërs veel afschuwwekkender is dan weduwen te verbranden of der godin Kali kinderen te offeren! Zoo hemelsbreed is hun wijze van voelen van de onze verwijderd. Vaak ben ik de gast van Hindoes geweest en uitnemend door hen onthaald, maar niets ter wereld zou hen bewogen hebben met mij te eten; met een ongeloovige te eten is verontreiniging en als Hindoes mij bezochten, had het in het geheel geen doel hen iets voor te zetten. Bij groote feestelijkheden, welke de Engelsch-Indische Vice-Koning in Calcutta aanricht, zag ik voorname vorsten, Maharadscha’s in goud geborduurde, met edelsteenen bezaaide gewaden, maar zij namen hun plaats pas kort voor het einde van het diner in en raakten geen spijzen aan. Nam een voornaam Hindoe toch deel aan den maaltijd, dan was hij een afvallige, die uit zijn kaste was getreden.
Sedert Indië, of op zijn Perzisch, Hindostan, door de van het Noord-Westen binnendringende Ariërs was veroverd, dus sedert meer dan 4000 jaren, zijn de Hindoes in kasten verdeeld, en het onderscheid tusschen de verschillende kasten is veel grooter dan bij ons in Europa tusschen ridders en boeren in de Middeleeuwen. Eens waren de Brahmanen, de geestelijken, en de krijgslieden, de twee voornaamste kasten. Nu zijn er duizenden van die kasten, want elk handwerk vormt er een; alle goudsmeden bijvoorbeeld behooren tot dezelfde kaste, alle sandalenmakers tot een andere. En ook zij, die tot een kaste behooren, verontreinigen zich, als zij met die van een der andere eten.
Als een Hindoe Indië verlaat of over de „Zwarte Zee” reist, verliest hij het recht tot zijn kaste te behooren; slechts als hij de Brahmanen groote sommen betaalt, kan hij dit recht onder zekere boetedoeningen terug erlangen. Zulk een boetedoening bestaat in het verorberen van vier, van de koe komende, stoffen: melk, boter en mest in tweeërlei vorm, want de koe is een vleeschgeworden godheid en heiliger dan alle menschen, dat wil zeggen—met uitzondering van de Brahmanen!
Daardoor ziet men ook de menigte mooie en vette koeien in de straten van Benares. Evenzeer wemelt het hier van heilige apen. Zij hebben een bijzonderen tempel, die gewijd is aan de gemalin van Siwa, een booze vrouw, die slechts vreugde vindt in verwoesten en die verzoend moet worden met bloedige offers.
Toen ik dezen apentempel eens bezocht, was men aan den ingang juist bezig een geit te offeren. Twee mannen verkochten uit groote korven gerst en noten, en raadden mij dringend aan een buidel vol mede te nemen, om niet met ledige handen de heilige apen te naderen. Nauwelijks had ik den hof betreden of een vijftigtal grijze apen omgaven mij reeds, die grommend, snaterend en lachend, met welbehagen en in goede stemming de tanden knarsten. Toen ik hun een handvol korrels reikte, gingen ze op de achterpooten staan, hielden mijn hand met een hunner zwarte pooten vast en namen met den anderen een greep gerstenkorrels. Een tweede handvol verdween even snel en zoo ging het verder, totdat mijn voorraad was uitgeput. Daarna staarden zij mij met hun ronde, bruine oogen aan, knarsten met de tanden, smakten met de lippen, krabden zich den nek of onder de armen en verdwenen in een oogwenk, om op de takken der naaste boomen te gaan schommelen. De apentempel is hun kwartier, waar zij zeker zijn van hun voedsel, maar zij verheugen zich in onbeperkte vrijheid en glippen ondertusschen overal in de stad rond. Met „aapachtige handigheid” ziet men hen langs den rand van de daken der huizen loopen, balkons en galerijen opklauteren, over de straten springen, zich in de kronen der boomen slingeren, die een tempelhof beschaduwen, en het volgende oogenblik weer op lijsten en uitspringsels van de daken van hooge pagoden plaats nemen. En zij passen ook uitstekend bij geschilderde en uitgesneden scènes uit de godensagen der Hindoes, die den achtergrond vormen!
41. AAN DE KUST DER GELOOVIGEN.
Voor dag en dauw, als de nachtelijke duisternis pas in het Oosten begint te wijken, ben ik reeds aan de kade van Benares, huur een boot, die vier mannen met stokken vooruitstuwen en zet mij neer op het dak der kajuit in een rieten stoel. Langzaam langs de kade varend, heb ik een voortreffelijk uitzicht op deze vreemde stad, die zich langs den linker oever van den Ganges uitstrekt, een lange uitgestrekte massa op elkaar gedrongen gebouwen, huizen, muren en galerijen en daartusschen veel pagoden, Hindoesche tempels met hooge torens en overladen architectuur.
Van den dertig meter hoogen oever voeren breede trappen naar de rivier en steenen dammen steken als bruggen in het water. Daartusschen staan houten getimmerten boven den waterspiegel, die met stroodaken en groote zonneschermen zijn bedekt.
Hier is de verzamelplaats der geloovigen. Uit het binnenste der stad komen zij omlaag naar de heilige rivier, om de opgaande zon te begroeten; bruine, half naakte gedaanten, wier lichte kleedingstukken—dikwijls niets meer dan een linnen doek—schreeuwen in schril-bonte kleuren. Een ontzaglijk gewoel van menschen heerscht langs de rivier; het deel van den oever, dat ik kan overzien, telt er op zijn minst vijf duizend.
Ik laat de boot stil liggen, want dit schouwspel is te bijzonder.
Op een der steenen dammen nadert een Brahmaan en hurkt neder. Zijn hoofd is glad geschoren, alleen in den nek staat nog een bosje haar. Hij schept met de hand water uit de heilige rivier, slurpt het op, spoelt zijn mond er mede en spuwt het weer uit. Hij roept Ganga aan, de dochter van Vischnoeh en smeekt haar de onreinheid der geboorte en der zonden van hem te nemen en hem tot zijn dood te beschermen. Daarop noemt hij de vier en twintig namen van Vischnoeh, staat op, roept het heilige woord: „Om”, hetwelk Brahma, Vischnoeh en Siwa omvat. Ten slotte wendt hij zich nog tot aarde, lucht, zon, maan en sterren, en giet water over zijn kruin.
Nu wordt boven den dschungel, aan den rechteroever van den Ganges de rand der zon zichtbaar. Haar opgaan wordt door deze duizenden vrome pelgrims met wateroffers begroet. Men spat met de handen water in de lucht naar de zon, en waadt over den langzaam dalenden bodem de rivier in. De Brahmaan is weer neergehurkt en maakt nu met handen en vingers de raadselachtigste bewegingen. Nu eens strijkt hij over zijn kruin, dan legt hij zijn hand op oogleden, voorhoofd, neus, ooren en tegen de borst, alles om Vischnoeh’s honderd en acht verschillende openbaringen zinnebeeldig voor te stellen. Vergeet hij slechts een enkele dezer ontelbare handbewegingen, dan zou de geheele godsdienstoefening, die ongeveer twee uur in beslag neemt, vergeefs zijn! Na het middageten en ’s avonds wordt dezelfde ceremonie herhaald. In den tusschentijd heeft de Brahmaan in den tempel andere godsdienstige plichten te vervullen.
Langzaam glijdt mijn boot de Ganges weer af. Daar ligt op lompen een grijsaard uitgestrekt; hij is zoo mager, dat de huid over de ribben spant, en even bruin als de andere geloovigen, maar zijn baard is sneeuwwit. Hij is naar Benares gekomen, om aan de heilige Ganges, die ontspringt uit den voet van Vischnoeh, te sterven. Ginds is een melaatsche, een man van middelbaren leeftijd, wiens levenskracht door zijn wonden wordt verteerd; hij zoekt genezing aan de Ganges, aan de bron des levens. Hier daalt een jonge vrouw bevallig de steenen trappen af, de steenen kruik draagt zij sierlijk op het hoofd. Zij waadt in de rivier, totdat het water tot aan haar heupen reikt; daarna drinkt zij uit de holle hand, spat water naar de zon, giet de druppels over haar haren, vult haar kruik en gaat weer langzaam terug, terwijl de heilige stroom van den rooden sluier, die haar lichaam omhult, afdruipt. Anderen zitten urenlang in groepen aan den oever, en gaan gezamenlijk weer heen.
In den oneindigen keten van het bestaan is dit korte morgenuur slechts een seconde der eeuwigheid. En al deze duizenden, die met het wateroffer uit den heiligen stroom de zon huldigen, zijn overtuigd, dat ieder, die een bedevaart naar Benares maakt en binnen haar muren sterft, vergeving aller zonden ontvangt. Benares zien en dan sterven! Dat is voldoende.
Evenals de Boeddhisten gelooven ook de Hindoes aan zielsverhuizing. De ziel van een Hindoe moet meer dan acht millioen dierlijke gedaanten doortrekken, en in latere bestaansvormen de zonden boeten, die zij vroeger beging. Daarom worden offers aan goden en Brahmanen gebracht, om zoo spoedig mogelijk verlost te worden van dat eeuwig zwerven, en den hemel der goden te mogen binnengaan.
’s Avonds, als de heetste uren van den dag voorbij zijn, vaar ik weer langzaam langs de steenen trappen aan den oever langs de stad. Triest, morsig en grauw stroomt nu de heilige rivier geluidloos door haar bedding. Welk een menigte vuilheid en verrotting bevat dit zaligmakende water! Heele bundels vertrapte, kwalijk riekende goudsbloemen drijven voorbij, met afval, lompen, spaanders en schuim.
Uit een steil oploopende steeg nadert, onder huiveringwekkende muziek, in snellen pas een lijkstoet den oever. Geraasmakend tromgeroffel wordt door de muren der pagoden weerkaatst. Op de baar onder een wit laken ligt de doode recht uitgestrekt, bruin en mager, en lieden uit de kaste der lijkverbranders leggen hem op den aan den oever opgerichten brandstapel. Weldra spat en knettert het vuur en dikke rookwolken stijgen omhoog. De geur van verbrand vleesch dringt tot mij door en ik laat de boot verder roeien. Met het brandhout zijn de doodgravers echter niet al te verkwistend. Als de hoop hout opgebrand is, ligt het verkoolde zwarte lichaam nog op de gloeiende asch, en wordt dan in de rivier geworpen!
In de Ganges wonen goden, niet alleen onzichtbare, die met het zegenrijke water leven en kracht uit de akkers der Hindoes halen, maar ook zichtbare. Voor den Hindoe is toch bijna de geheele natuur de openbaring eener godheid en de krokodil is ook een godheid. Men mag hem niet storen of dooden. Ongehinderd kruipt hij op den oever, grijpt met zijn scherpgetande kaken kleine, spelende kinderen en verdwijnt met zijn buit in den stroom. Wel treuren vader en moeder, maar zij denken nooit aan wraak, doch beschouwen den krokodil nu misschien nog met grooter eerbied dan te voren. „Op aarde is zijn gelijke niet. Hij is de koning aller roofdieren,” staat in den bijbel.
Vroeger wierp men de dooden ook onverbrand in de rivier. Om het daardoor ontstane gevaar voor pest hebben de Engelschen deze gewoonte verboden, maar ze moet in enkele afgelegen streken nog bestaan. Men legt de dooden op een klein vlot en laat ze op de golven van de Ganges langzaam door den stillen nacht verder dragen. Eens zag ik zulk een dooden pelgrim, die midden in de rivier op een zandbank was blijven hangen. Ik zou hem in het geheel niet hebben opgemerkt, als de gieren geen lijkwacht hadden gehouden bij zijn overblijfselen.
Nu straalt het licht der volle maan over de rivier en de rietplaten en de sprookjesachtige stemming van een Meinacht verbreidt zich over den oever van de Ganges. Het water ruischt zacht om een vastgeraakten boomstam en het ritselt in de donkere schuilhoeken van het riet. Een panter, op buit uit, sluipt rond. Zijn gele oogen gloeien als kolen in het kreupelhout. De apen zijn langs de lianen omhooggeklauterd en zitten slapend onder de kronen der boomen. Een slaapdronken, uit den droom opgeschrikte papegaai, laat zijn stem als een schrille fluit over het woud weerklinken, maar niemand slaat acht op hem, zelfs de panter wendt zich niet om. In het water komt eenige beweging. Een krokodil strekt zijn kop langzaam boven het water en kruipt op den boomstam. Het maanlicht glinstert op de natte schubben van zijn rug. Hij luistert ingespannen en wacht eenigen tijd op buit. Maar spoedig trekt hij zich weer terug, buigt de staart als een stalen veer en verdwijnt in de diepte.