Part 15
Veel pelgrims prevelen, evenals alle Tibetanen, op gepaste en niet-gepaste oogenblikken, de heilige woorden: „Om mani padme hum!” Deze vier woorden zijn de sleutel van alle geloof en alle zaligheid. Zij beteekenen: „O, het juweel is in de lotusbloem, amen!” Het juweel is Boeddha, en op al zijn beelden ziet men hem als het ware uit de bladerkroon van een lotusbloem opwassen. Hoe vaker men de vier woorden herhaalt, des te grooter kans heeft men op een gelukkig bestaan, als na den dood de ziel in een nieuw omhulsel overgaat.
Wij bereikten Schigatze en sloegen in een tuin aan den rand der stad onze tenten op. Misschien vraagt een mijner lezers, waarom ik dezen keer nog niet eens beproefde tot Lhasa door te dringen en waarom de Tibetanen, die mij den laatsten keer een leger van vijfhonderd man tegemoet zonden, het verder reizen naar Schigatze niet verhinderden? Nu, in het jaar 1904 hadden de Engelschen van uit Indië een veldtocht naar Lhasa ondernomen, om den Dalai-Lama ontzag in te boezemen. Zij hadden toen de stad zoo nauwkeurig beschreven, dat ik er verder niets meer had te zoeken en mij daarom liever naar het onbekende Schigatze begaf. En deze reis van mij volgde zoo spoedig op den tocht der Engelschen, dat de Tibetanen het niet waagden, mij, den Europeaan, hinderpalen in den weg te leggen.
Buiten de stad Schigatze ligt het groote klooster Taschiloenpo, waarin 3800 monniken van verschillenden rang wonen, van piepjonge novieten tot grijze ordepriesters. Zij loopen allen blootshoofds en met naakte armen en hun kleeren bestaan uit lange roode stukken stof, die zij om hun lijf binden. De opperpriester heet Taschi-Lama; hij bekleedt denzelfden hoogen rang en dezelfde hooge waardigheid als de Dalai-Lama in Lhasa. Hij is allerwege beroemd om zijn heiligheid en zijn geleerdheid, en duizenden pelgrims wachten uren lang om met een enkel woord door hem te worden gezegend.
Deze Taschi-Lama was toen een zeven en twintigjarige man, die reeds als heel kleine jongen tot deze waardigheid was verheven. Ik kreeg van hem een uitnoodiging voor het groote tempelfeest met nieuwjaar. Midden in de kloosterstad is een langwerpige, met veranda’s, balkonnen en galerijen omgeven hof. In het rond ziet men de vergulde koperen daken der heiligdommen en grafkapellen, waarin gestorven hoogepriesters rusten. Overal wemelt het van dicht op elkaar gepakte menschenmassa’s, en al deze gasten, die van nabij en van verre zijn gekomen, dragen stralende, bonte feestgewaden, die met zilveren kettingen, koralen en turkooizen zijn versierd. In het midden van een balkon is de plaats van den Taschi-Lama. Het is met geel-zijden draperieën en gouden kwasten behangen, maar door een kleine vierhoekige spleet kon ik het gelaat van den heiligen man zien.
De plechtigheid begon met het binnentrekken der kerkmuzikanten in den hof. Zij droegen drie meter lange, koperen bazuinen, die zoo zwaar zijn, dat de klankopening op den schouder van een koorknaap rust. Met dof, langgerekt bazuingeschal blazen de monniken het nieuwe jaar in, evenals de priesters van Israël het begin van het jubeljaar aankondigden. Daarop volgden cymbalen, die in langzame, trillende maat klinken en een getrommel voortbrengen, dat tegen de tempelmuren terugkaatst. Het geraas is oorverdoovend, maar na de groote stilte in de dalen van Tibet klonk het dubbel feestelijk en verheffend.
Zoodra het muziekkorps in het midden van den hof heeft plaats genomen, treden dansende monniken naar voren. Zij dragen kostbare gewaden uit Chineesche zijde en in de plooien glinsteren geborduurde gouden draken in den zonneschijn. Hun gelaat wordt verborgen achter maskers, die wilde dieren met geopenden muil en geweldige horens voorstellen. En nu dansen deze monniken een langzamen rondedans, om—zoo meenen de vromen—booze geesten te bannen.
Den volgenden dag werd ik zelfs bij den Taschi-Lama ontboden. Door geplaveide, nauwe straten, tusschen hooge kloostermuren omhoog gaande, komt men door nauwe, donkere gangen, langs houten ladders, eindelijk in de hoogste verdiepingen van de tempelstad, waar de hoogepriester zijn particuliere kamers heeft. Ik vond hem in een eenvoudige kamer, waar hij met gekruiste beenen in een vensternis zat en door een spleet in den muur op de tempeldaken, de hooge bergen en de zonnige stad in het dal neerkeek. Hij is baardeloos en heeft kortgeknipt, bruin haar. De uitdrukking van zijn gelaat is betooverend en zacht, bijna verlegen. Hij stak mij de hand toe en verzocht mij plaats te nemen; daarna spraken wij geruimen tijd over Tibet, Zweden en de groote, heerlijke aarde.
De Taschi-Lama is een van die zeldzame menschen, die men nooit meer vergeet, als men eens tegenover hen heeft gestaan.
37. DE WILDE EZEL EN DE YAK.
Indien ik gedurende mijn reizen door Tibet al de wilde ezels had geteld, die ik heb ontmoet, dan zouden het er vele, vele duizenden zijn. Ginds in het Noorden of in het hartje van het hoogland of in het Zuiden, gaat bijna geen dag voorbij waarop men deze prachtige, trotsche dieren niet nu eens afzonderlijk, dan in paren, of in kudden van verscheidene honderden ontmoet. De Latijnsche naam van den wilden ezel is Equus Kiang. Deze naam verraadt zijn nauwe verwantschap met het paard, en de Tibetanen noemen hem Kiang. De wilde ezel is zoo groot als een middelmatige muilezel, heeft goed ontwikkelde ooren en een scherp gehoor, aan den staart een pluim en een rood-bruin vel, maar aan de buik en de pooten is hij wit. Speurt hij gevaar dan snuift hij luid, heft den kop in de hoogte, spitst de ooren en blaast de neusvleugels op; hij gelijkt meer op een fraaien ezel dan op een paard. Maar als men hem op de zoutvlakten van Tibet ziet rondgaloppeeren, dan schijnt het onderscheid tusschen den tammen en den wilden ezel grooter dan tusschen ezel en paard en de paarden en ezels van mijn karavaan zagen er naast de kiangs der woestijnen als landloopers uit.
De wilde ezels zijn een sieraad van het stille, eenzame Tibet en sedert vele jaren mijn vrienden. De karavaan trekt over de effen vlakte aan den oever van een zoutmeer. Daar komt een kudde wilde ezels in een stofwolk aangaloppeeren. Zij volgen allen het bevel van een leidenden ezel, de veulens blijven in de nabijheid der moeder. De waakzame, maar onvoorzichtige dieren hebben wel de karavaan gespeurd maar nog nooit zulk een verschijning gezien en weten niet hoe gevaarlijk het kan zijn als men zijn nieuwsgierigheid volstrekt wil bevredigen! Zij beschrijven een fraaien halven cirkel om ons heen en houden halt naast onzen weg. Nu en dan snuiven zij en hun pooten trillen van spierkracht en elasticiteit. Als de karavaan nadert, maakt de kudde rechtsomkeert, loopt achter om ons heen, en verschijnt weer aan onze andere zijde. En deze manoeuvre herhaalt zich in zulk een orde, dat het den indruk maakt alsof de wilde ezels door onzichtbare ruiters bestuurd worden. Zij schijnen onze vermoeide paarden, die nauwelijks meer voort kunnen, te willen bespotten.
Of wij kampeeren op de vlakte naast een bevroren bron. In de nabijheid weidt een kudde Kiangs. Totdat de zon daalt loopen de dieren spelend rond. Maar zoodra het donker wordt, verzamelen zij zich midden op de vlakte tot een groote, op elkaar gedrongen troep; merries en veulens in het midden, hengsten om hen heen. Zij zetten nachtwachten uit, die voor wolven waarschuwen. Onze honden blaffen, als de wilde ezels in de stilte van den nacht snuiven, of met hun hoeven op den grond stampen.
Mijn Kozakken vingen eens twee kleine veulens, die nog niets van gevaren afwisten. Zij stonden vastgebonden tusschen de tenten en beproefden in het geheel niet te ontvluchten. Zij slurpten ijverig met water verdunde melk en wij hoopten dat zij in het leven zouden blijven en ons nog jaren zouden vergezellen: Toen ik echter zag hoezeer zij de vrijheid misten, wilde ik ze liever teruggeven aan de wildernis en aan de verzorging hunner moeder. Maar het was reeds te laat; de moeders wilden ze niet meer aannemen, nadat ze in handen der menschen waren geweest. Wij moesten hen slachten om ze voor de wolven te beveiligen. Zoo streng is de wet der wildernis: een menschelijke aanraking is reeds voldoende om de betoovering hunner vrijheid te breken. „Wie liet den wilden ezel vrij en maakte de banden los van den wilden muilezel, aan wien Ik de woestijn tot woning heb gegeven en zijn woonstede op de zoutachtige vlakte?” luidt het in het Oude Testament.
Maar wij mogen niet van Tibet afscheid nemen en naar Indië terugkeeren, zonder nog vluchtig kennis te hebben gemaakt met het geweldig rund, dat in Tibet’s hoogste bergen leeft. In het Tibetaansch heet het yak en deze naam is ook in de meeste Europeesche talen overgegaan. Zijn kleur is steeds ravenzwart, slechts als hij oud is wordt hij grijsachtig. De tamme yak is echter vaak lichtbruin of gevlekt. Zoowel de wilde als de tamme yak hebben den eigenaardigen vorm van kop en de weelderige beharing. Van terzijde gezien, ziet de yak er uit alsof hij een bult heeft; vlak boven de voorpooten is het hoogste deel van den rug, en vandaar gaat hij schuin omlaag naar den wortel der staart; hals en nek dalen nog wat dieper. Het dier is ontzaglijk zwaar, sterk en plomp, dikwijls zijn de punten der grove horens gesprongen, of door een heftigen strijd met een mededinger afgestompt.
Daar de yak soms in een koude tot 40 graden onder het vriespunt moet leven, heeft hij een dichte haarbedekking en een beschuttende vetlaag onder de huid noodig, en daarvan is hij zoo goed voorzien, dat geen koude op de wereld hem iets kan hinderen. Als zijn adem als twee wolken damp uit zijn neusvleugels stroomt, dan voelt hij zich het beste. Merkwaardig is de krans van een voetlange wollen franje die het onderste deel zijner zijden en het bovenste gedeelte zijner voorpooten dikwijls zoo welig omgeeft, dat de haarvlokken tot den grond reiken. Als de yak op steenharden, bevroren of met puin bedekten ligt, dan dient deze dikke franje hem tot kussen, en hij ligt er zacht en warm op.
Waar leven deze vleezige reuzen van, daar hier toch eigenlijk niets groeit, en een karavaan bij gebrek aan weide kan omkomen? Vaak ziet men dagen lang geen grashalm, pas op 4500 meter hoogte vindt men en ook heel zelden, kleine armzalige struiken, en om boomen te zien, moet men nog 1000 meter dieper in het Brahmapoetradal afdalen. En toch zwerven deze groote dieren daarboven rond en gedijen uitnemend. Zij leven van mossen en korstmossen die zij met de tong oplikken. Die tong is zoo ruw als een kartets en van harde scherpe hoornen weerhaken voorzien. Daar scheren zij ook het slechts een centimeter hooge fluweelzachte gras mee af, dat langs de oevers van de hoogste bergbeken groeit en zoo kort is, dat een paard het niet zou kunnen afgrazen.
Eens maakte ik uit mijn hoofdkwartier een uitstapje van verscheidene dagen en nam slechts twee mijner bedienden mede. Een der twee was een Afghaan en heette Aldat. Hij was een geweldige yakjager, en placht de buitgemaakte huiden aan Oost-Turkestansche kooplieden te verhandelen, die ze tot zadels en laarzen verwerkten. Wij hadden ons nachtkwartier 200 meter hooger dan de top van den Mont Blanc opgeslagen, zoodat men, als men slechts een paar schreden liep dadelijk buiten adem was en hartkloppingen kreeg. Toen het kamp gereed was verzocht Aldat mij of ik een grooten yakstier toch eens ging zien, die op een helling boven mijn tent weidde, en daar ik Aldat beloofd had, dat hij onderweg mocht jagen, en wij ook vleesch en vet noodig hadden, ging ik mede. De stier had ons nog niet bespeurd. Hij ging met den wind mede, en dacht slechts aan het sappige gras zijner weide; het water der gesmolten sneeuw siepelde tusschen de steenen, het weer was koud, winderig en bewolkt—een echt yakweder! Met het geweer op den rug kroop Aldat in een gleuf omhoog op ellebogen en teenen voorwaarts sluipend als een op roof uitgaande kat. Op dertig schreden afstand bleef hij achter een ternauwernood merkbaren steenen wal liggen. In spanning sloeg ik elk zijner bewegingen gade. Voorzichtig legde hij het geweer goed, ondersteunde het en legde aan. De yak keek niet op, hij vermoedde niets kwaads. Vijftien jaren had hij in deze vreedzame bergen, in de nabijheid van de sneeuwgrens rondgezworven, en gedurende dezen langen tijd zal hij wel geen mensch hebben ontmoet. Daar knalde het schot, zoodat de echo tusschen de rotswanden weergalmde. De yak sprong in de hoogte; aarde en steen vlogen rondom hem omhoog. Daarna deed hij eenige onzekere schreden vooruit, bleef staan, tuimelde, beproefde zich in evenwicht te houden, viel, stond met moeite weer op stortte daarna zwaar en hulpeloos op den grond en bleef onbeweeglijk liggen. Zonder een hand te bewegen lag Aldat onbeweeglijk achter zijn geweer, om de wraakzucht van den stervenden stier niet op te wekken. Maar de yak was dood en een uur later reeds gestroopt en in stukken gedeeld.
Dat gebeurde den 9den September. Den 23sten konden de verwanten van den yakstier van uit de verte een eigenaardigen stoet gadeslaan. Eenige mannen droegen een langwerpig voorwerp naar den rand van een graf, dat zij juist hadden gegraven, lieten het er in neer, bedekten het met een pels en vulden het graf met steenen en aarde. In den eenvoudigen graf heuvel werd de lat van een tent rechtop gezet, en aan de spits bonden zij den behaarden staart van een wilden yak. Die onder dezen grafheuvel sluimerde was Aldat zelf, de dappere yakjager!
38. NUTTIGE PLANTEN VAN INDIË.
Hoog in Tibet heeft de grootste zijrivier van Indië de Satledsch, haar bronnen. Met onweerstaanbare kracht breekt hij zich baan door den Himalaja om naar de zee te komen, en zijn dal is ook voor ons de beste weg om uit het hoogland van Tibet in het gloeiend heete laagland van Indië af te dalen. Daarbij doorsnijden wij een reeks verschillende hoogtegordels, die alle hun eigenaardige dieren en planten hebben. De tijger gaat niet bijzonder hoog langs de zuidelijke hellingen van den Himalaja, maar het sneeuwluipaard vreest de koude niet. De yak zou sterven indien men hem in dichtere luchtlagen omlaag voerde; maar de wolf, de vos en de haas komen zoo wel in Indië als in Tibet voor.
Nog scherper zijn de grenzen van het plantenrijk. Beneden de grens der eeuwige sneeuw, (3900 meter) bloeien ranonkels en anemonen, luiskruit en sleutelbloemen, precies zooals op onze hoogere breedtegraden onder gelijke temperatuurverhoudingen. Op eene hoogte van 3600 meter beginnen de wouden; de berk overschrijdt deze grens niet, slechts eenige dennen en sparren gedijen nog hooger. Tusschen 3000 en 1800 meter hoogte omgeven ons geweldige bosschen van den betooverend schoonen naaldboom, die Himalaja-ceder heet, en op den Libanon beroemde verwanten heeft; van ceders van den Libanon waren de schepen gebouwd met welke de Phoeniciërs, voor 4000 jaren den handel der Middellandsche zee beheerschten. Op 2100 meter hoogte groet ons de eik, en verblijdt ons de geur der klimrozen. Onder 1000 meter hoogte echter ontplooit zich een andere wereld, want hier is de grens van het tropische woud en spoedig zijn wij omringd door acacia’s en palmen, bamboesriet en de geheele rijkdom van het Indische oerwoud.
De plantenwereld van Indië is het naast verwant aan die van tropisch Afrika. Bevrucht door den regen van den moesson, of kunstmatig bevloeid, geeft de grond voedsel aan wilde en verbouwde planten. Wel is waar liggen er ook, vooral in het Noord-Westen over groote uitgestrektheden, droge woestijnen. Maar in de andere streken is de plantenwereld daarentegen des te weelderiger en dichter, zoodat de lucht van bedwelmende geuren is vervuld, alsof het een reusachtige broeikas was.
Hier groeit de komkommervormige vrucht der bananen, het voedsel van verscheidene millioenen menschen. Van uit Indië en de Soendaeilanden heeft de weldadige plant zich naar Afrika en de kusten van de Middellandsche zee verbreid, ja, tot aan Mexico en Midden-Amerika. Suikerhoudend en sappig, smakelijk en geurig is haar wit meelachtig vleesch een heerlijke kost, en de groote bladeren der bananen worden tot het bedekken van daken, voor zomerschermen en andere nuttige doeleinden gebruikt.
Wat is het heerlijk rusten in het warme jaargetijde in de schaduw van den mangoboom! Hij is 15 meter hoog en onder zijn blauw-groene lederachtige bladeren heerscht wonderbare koelte. Het vleesch van de mangovruchten is goudgeel en sappig, rijk aan suiker en citroenzuur. Maar als gij mij vraagt hoe zij smaken, dan moet ik het antwoord schuldig blijven, want hun smaak herinnert niet aan die van eenige andere vrucht; maar zooveel is zeker, dat zij zeer goed smaken.
Uit zijn geboorteland Cochinchina heeft zich de sinaasappelboom (appel van Sina, China) en zijn kleinere broer de mandarijnenboom over geheel Indië en van daar verder verbreid; ’t zijn vruchten die ieder bekend zijn, evenals de druiven, meloenen, appelen, peren, walnoten en vijgen van welke, behalve nog vele andere, Indië een overvloed bezit. De vijg is groen, voordat ze rijp is, dan wordt ze geel, en de vijgeboom is overal te vinden, waar hij voldoende warmte heeft. Reeds in het Oude en ook in het Nieuwe Testament speelt hij een rol, en onder een vijgeboom bracht Boeddha klaarheid in de raadselen van zijn godsdienst. Daarom heet deze boom Ficus religiosa. In het Boeddhisme is de lotusbloem (Nymphaca stellaris) die evenals de waterlelie op het water drijft, niet minder beroemd. Zij is het zinnebeeld van den Boeddhistischen godsdienst evenals het kruis dat van het christendom. Op aanzienlijke hoogte staat in Indië de verbouwing van rijst, vooral in den Noord-Oosthoek van den Voor-Indischen driehoek, in Bengalen en Assam, eveneens op het Zuidelijk uiteinde van Dekan, en in Birma op het Achter-Indische schiereiland. Tarwe wordt in het Noord-Westen verbouwd en katoen in de binnenlanden. De katoenstruik heeft groote, gele bloesems, en als het zaadhulsel, dat zoo groot is als een walnoot, openspringt, vertoonen zich een menigte zaden, die met zacht wollig haar zijn bekleed; dit haar is de katoen. Als de afgeplukte zaadhulsels in de zon zijn gedroogd, worden de haren door machines van de zaden losgemaakt, gezuiverd, in balen verpakt en dan naar fabriekssteden over de gehele wereld, maar bovenal naar Manchester verzonden. In Indië en Arabië verbouwde men de katoenstruik reeds voor tweeduizend jaren. Alexander de Groote bracht hem naar Griekenland, en nu zijn bijna over de geheele wereld katoenplantages; de katoenverbouwing staat het hoogst in Noord-Amerika.
Een ontzaglijke ontwikkeling is in de laatste tientallen jaren waar te nemen in het verkrijgen van kaoetsjoek en gutta pertja. In het Jaar 1830 werden 230 tonnen kaoetsjoek naar Europa vervoerd, in 1896 steeg de uitvoer tot 31.500 tonnen, hetgeen door de uitbreiding van de rijwiel- en automobiel-industrie werd veroorzaakt. Toen de navraag op eens zoo groot werd, begon een zinneloos vellen van boomen, waarvan het ingedampte melksap kaoetsjoek levert; maar nu is men tot verstandiger methoden gekomen. In Indië is de gummiboom de gewichtigste van alle kaoetsjoek leverende boomsoorten. Zijn bast wordt met dwarssneden voorzien, en het er uitstroomende melksap wordt opgevangen, daarna gekookt, geroerd, geperst, op blikken platen uitgespreid, samengerold, en in stukken in den handel gebracht.
Verder krijgen wij uit Indië een geheele reeks van specerijen, kaneel, de bast van de takken van den kaneelboom, peper, die Alexander de Groote het eerst in Europa heeft binnen gevoerd, gember, kardamome en sesam uit welker vruchten fijne tafelolie wordt geperst. Bovendien groeien hier thee, koffie, tabak en nog een kruid, dat een zegen en een vloek tegelijkertijd is, de papaver. Snijdt men met een mes zijn onrijp zaadhulsel open dan siepelt er een zacht melkachtig sap uit, dat bruin wordt en in de lucht verstijft. Dat is opium. De opbrengst van de opiumplantages in Perzië en Indië gaat voor het grootste deel naar China. De Chinees is een hartstochtelijk opiumschuiver. Een kleine opiumbal wordt in den nauwen kop van de bijzonder samengestelde pijp vastgekleefd en boven de vlam eener lamp gehouden. De rook wordt in twee diepe teugen ingeademd, en reeds na het tweede balletje valt de opiumrooker in een op den dood gelijkenden slaap, vol liefelijke droomen en heerlijke visioenen. Hij vergeet zijn zorgen en zijn omgeving en verheugt zich in een korte zaligheid. Als hij ontwaakt is de werkelijkheid zwaarder en somberder dan ooit voor hem en een afschuwelijke hoofdpijn is het gevolg. Wie eenmaal tot deze zonde is vervallen kan slechts in sanatoria worden genezen. In Perzië wordt het opiumrooken als een schande beschouwd en men geeft er zich slechts aan over in spelonken. Maar in China rooken mannen en vrouwen in het openbaar.
Een Duitsch apotheker, Sertürner, trok in 1805 uit het opium de morphine; inspuitingen hiermede stilden plaatselijke pijnen. Ook daaruit is een hartstocht ontstaan en de ongelukkige menschen, die het morphinespuitje niet meer kunnen ontberen zijn even zeker verloren als drinkers. De doodkist en het lijkkleed wachten hen veel eerder dan anderen.
Op eindeloos lange akkers verbouwt men in Indië het suikerriet, het sap er van bevat 20% suiker. In de oude Indische taal, in het Sanskrit heet het sakkara, en de Arabieren die het naar de kusten van de Middellandsche zee brachten, noemden het sukkar. Zoo heet het ook met kleine afwijkingen in alle talen in Europa en in vele van Azië. Ook de palm groeit in vele soorten in Indië, vooral de dadelpalm, de kokospalm en de sagopalm. Uit het merg van den laatsten wordt de sago bereid; ze is een merkwaardige plant, want ze bloeit slechts eenmaal in den ouderdom van hoogstens twintig jaar, dan sterft zij. En naast de palmen geeft de grond van Indië nog aan een aantal nuttige boomsoorten voedsel, zooals den sandelboom, welks hout tot fijne meubelen wordt verwerkt, den ebbenhoutboom, en den teakhoutboom, die 40 meter hoog wordt en in geheel Oost-Indië en op de Soendaeilanden groote wouden vormt. Zijn hout is hard en sterk, evenals dat van den eik: spijkers roesten er niet in. Daarom gebruikt men het veel om schepen te bouwen; slaap- en restauratiewagens der spoorwegen zijn ook meestal van teakhout vervaardigd. Dikwijls wordt de ter dood veroordeelde boom drie jaar voordat hij geveld zal worden van zijn schors ontdaan; hij sterft dan op zijn wortels en wordt lichter in gewicht, zoodat hij door de werk-olifanten zonder moeite wordt gedragen, en op het water der rivieren, langs welker loop hij naar omlaag wordt gevoerd, kan drijven.
En dit rijke land, dat over de vijf millioen kilometer in het quadraat omvat, dus tienmaal zoo groot is als Duitschland, behoort aan Engeland; twee vijfden er van zijn vazalstaten, al het overige met Birma vormt het Indische Keizerrijk. Ceylon is ook een Engelsche kroonkolonie. Sedert Vasco di Gama in 1498 den zeeweg naar Indië heeft ontdekt, trad Europa met het verre land in nadere verbinding.
Honderd jaar later werd de groote Engelsche handelsmaatschappij, „de Oost-Indische compagnie” gesticht; deze kreeg vasten voet in Indië en onderwierp steeds een grooter deel van het land. Nu zijn de Engelschen honderd vijftig jaar lang daar volkomen overheerscher, en het merkwaardigste er van is, dat dit, na China, het grootste rijk der aarde met 300 millioen inwoners, slechts door een handvol Engelschen wordt geregeerd. Behalve het Engelsche deel van het leger leven er daar slechts 76000! Het wonder is slechts daardoor te verklaren, dat de Indische vorsten en stammen elkaar wederzijds oneindig meer haten dan hun gemeenschappelijke meesters, de Engelsche indringers.
39. NAAR DE GANGES.