Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 49
Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg, langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had kunnen denken. De bevolking van het dorp Dalyck bestaat bijna uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer goed gebouwd en waarschijnlijk niet van schoonheid ontbloot. Het eerste viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek, mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht.
Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen, hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn, indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid; nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende, nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blonde Donau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt. Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel; oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde rietvelden. Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met riet gedekte visschershut.
In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd.
Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort. Graaf Rudolf Chotek had op de voorbeeldigste wijze alles voor eene waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit, boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven, beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam, hart en ziel, en onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid, vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven; zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis.
De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds; in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht; in het oosten troont de vesting Peterwardein.
Boven de akkers verheffen zich zingende leeuweriken; uit de struiken klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun wijde kringen.
Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken, linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls een verrukkelijk gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op.
Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks; waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard.
De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt, welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden, vliegt hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat; hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit, òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben, neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond. Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten. Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat komt, den hond in den pot vindt.
De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden.
In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste boomen van het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden, terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening. Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of de voeten veel over den rand heen te steken.
Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden, en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke, alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans.
Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde, maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden morgen bereiken wij Kovil, het einddoel van den tocht.
In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat, ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden, arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden in de bosschen hun geluk, terwijl Eugenius von Homeyer en ik gingen jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu tot een wijde zee was geworden.
In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen, lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat, omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten te broeien, blijven gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij de oppervlakte van het water tegen de boomstammen, om op de hun gewone wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons, omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven.
Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende vogels.
Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde den sneltrein naar Weenen niet te missen.
Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als eigenaardig land.
ALPHABETISCHE LIJST VAN DE WETENSCHAPPELIJKE NAMEN DER IN DEN TEKST VERMELDE DIEREN EN PLANTEN. [2]
A.
Aalscholver, Carbo cormoranus. Aard- of grondeekhoorntjes, soorten van Tamias. Aboe-Tok, Rhynchaceros erythrorhynchus. Aboe-Risch, Nectarinia metallica. Abrikoos, Prunus armeniaca. Absinth, Artemisia absinthium. Adders: Hoornadder of Cerastes, Cerastes cornutus. Groefadders, zoo genoemd naar eene groeve tusschen de oogen en de neusgaten. Hiertoe behoort o.a. de ratelslang. Halys-adder, Vipera halys. Gewone adder, V. berus. Alken: Tordalk, Alca torda. Groote alk, A. impennis. Alpenzwaluw, zie Zwaluwen. Alpenkraai, Pyrrhocorax alpinus. Alpenerwt, Orobus alpestris. Altaïden of Siberische den, Abies Pichta. Alarmvogel, Schizorhis zonurus. Alpenhaas, Lepus variabilis. Amandel, Amygdalis communis. Amadina’s, Prachtvinken. Anarnak, Groenlandsche benaming voor de dolfijnsoort; Hyperöodon rostratus. Antilopen: Gazelle, Antilope dorcas. Saiga of Steppen-antilope, A. saiga. Windhond-antilope, of Beni-Israël, Antilope hemprichiana. Gems, A. rupi capra. Krop-Antilope, Cervicapra saigas. Gnoe, Antilope gnu. Springbok, A. euchore. Anjelier, Dianthus caryophyllus. Apen: In de nieuwe uitgaaf van Brehms „Tierleben” wordt de volgende indeeling dezer orde gegeven:
1e Familie, Smalneuzen (Catarrhini), apen der Oude Wereld. 2e ,, Breedneuzen (Platyrhini) } apen der N.W. 3e ,, Klauwapen (Arctopitheci) }
1e Familie. Smalneuzen.
a. Menschapen (Anthropomorpha). b. Hondsapen (Cynopithecini).
a. Menschapen. Gorilla, Gorilla gina. Chimpanzee, Simia troglodytes. Orang-oetan, S. satyrus. Gibbons. Het geslacht Hylobates, b.v. siamang, H. syndactylus. b. Hondsapen. Slankapen, Semnopithecus, b.v. hulman, S. extellus. boedeng, S. maurus. Neusapen, Nasalis. Kortduimigen, Colobus, b.v. guereza, C. guereza. satansaap, C. satanas. Meerkatten, Cercopithecus, b.v. groenaap, C. sabaeus. mooraap, C. fuliginosus. Makako’s, Macacus, b.v. Javaanaap, M. cynomolgus. hoedaap, M. sinicus. boender of rhesus, M. rhesus. laponderaap, M. nemestrinus. magot, M. inuus of Inuus ecaudatus; deze soort komt nog voor op de rotsen van Gibraltar. Bavianen of hondskopapen, Cynocephalus, b.v. moorbaviaan, C. niger. mantelbaviaan, C. hamadryas. dschelada, C. gelada. mandril, C. mormon. dril, C. leucophaeus.
2e Familie. Breedneuzen.