Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 48

Chapter 483,745 wordsPublic domain

Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis, gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm, bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan, versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen, die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar, die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte, wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg.

In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den eersten reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde reigereiland Adony en hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd, verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgens Landbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten, terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude beeld.

Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf, òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken, voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen, die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept.

De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte. Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts volgt.

Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,” zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld, die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende, klimmende, vliegende, kortom, levend, en men zal moeten toegeven, dat het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken, blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen; tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood. Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren en de uit het nest gevallen, half vergane visschen.

Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen, die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te midden van roovers en dieven.

Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den volgenden dag bereiken wij Apatin. Vreugdeschoten, muziek en juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers, boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes, „Czikeln” genoemd, worden volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te begeven.

Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd; de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont hij met voorliefde de zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven, dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in het water even behendig, zoo niet beter, dan op het land, zweven boven de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit, dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen uit zijne vischkaar of anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen de Hongaarsche, Servische en Slavonische boeren voor de zeeadelaars, door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam, werkelijk benijdenswaardig leven.

Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen, geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren, en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt, volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander, totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij ’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van een verheven zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe.

Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en schuilplaats vinden.

Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel, verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop werk. Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening, al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden.

Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord, de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren, maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring.

Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt, waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen. En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in het van voorjaarsluchten geurende woud; wel sloeg hier en daar een enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken, het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels.

De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote, voorbeeldig bestuurde heerlijkheid Bellye voerde een weg, dien wij in vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren duizenden zingende leeuweriken; op de wegen trippelen aardige kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,” merkte kroonprins Rudolf op en drukte in deze enkele woorden zeer juist de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer heeft doen verminderen; hij gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden, levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren, heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren, voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden.