Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 30
Evenals in vele andere opzichten de zandzee een tegenhanger is van den Oceaan, zoo vormen ook de eilanden van dezen eene tegenstelling met die der woestijn; zij liggen nl. niet boven, maar beneden de omringende vlakte. Het water komt hier òf als bron te voorschijn, òf het bevindt zich toch op geringe diepte beneden het oppervlak. De hoeveelheid en de hoedanigheid van dat water bepalen het karakter der oase. In slechts weinige laagten borrelt er een zuiver, koel water uit den grond. De meeste bronnen zijn zout-, ijzer- of zwavelhoudend, zeer dikwijls warm, en uit dien hoofde wellicht geneeskrachtig, maar daarom nog geenszins drinkbaar, of bevorderlijk voor de vruchtbaarheid van den bodem. Slechts onder bijzonder gunstige omstandigheden komt het water aan de oppervlakte te voorschijn; in de meeste gevallen sijpelt het door de spleten der rotsen of in gegraven putten droppelsgewijs bijeen en moet, althans nu en dan, opgepompt worden. En ook daar, waar het opwelt, loopt het in den regel alweder spoedig in het zand weg, indien de mensch niet tusschenbei treedt en het verzamelt en verdeelt. Toch doet het onder alle omstandigheden een jeugdig, in deze woestenijen dubbel welkom leven ontkiemen.
Lang vóór de mensch de bron in bezit nam, had zich reeds eene groene plantenwereld daaromheen verzameld. Wie zal ons zeggen hoe deze ontstond? Wellicht was het de zandstorm, die de zaden uitstrooide, welke in de nabijheid der bron ontkiemden, bloeiden en groeiden, en wederom zaden voortbrachten, die zich over het geheele dal verspreidden. Menschen hebben daarin ongetwijfeld geen aandeel gehad, want mimosen, die het voornaamste bestanddeel der vegetatie vormen, ziet men ook in de dalen, waar zich geen bronnen bevinden, nu eens een enkele struik, dan tien, twintig en meer tot een klein boschje vereenigd. Deze alleen kunnen reeds leven aanbrengen; zij groeien, bloeien en geuren—en dat zoo frisch, zoo heerlijk, zoo welriekend! In de vriendelijke schaduw dezer mimosa’s rust de gazelle; uit hare toppen schalt het lied der woestijnzangers. Haar malsch gebladerte verkwikt te midden der stijve kalkmassa’s, der zwarte granietkegels en van het blinkend zand, het oog als meigroen; haar bloesems en schaduw laven de ziel. In groote, aan water meer rijke oasen heeft de mensch den palmboom overgebracht en tusschen de mimosa’s geplant; daarmede verkreeg deze tuin der woestijn nog grooter bekoorlijkheid. De palmboom is hier alles in alles; de koning der boomen, die den mensch aan eene kleine plek gronds ketende en hem alles verstrekt, wat hij voor zijn voeding noodig heeft, de in liederen verheerlijkte, en door de bloesems der sage omrankte boom des levens. Wat was de oase zonder den palmboom?! Eene tent zonder dak, een huis zonder bewoners, eene bron zonder water, een lied zonder woorden, een gezang zonder tonen, eene schilderij zonder kleuren! Zijn vruchten voeden den trekherder of hem, die daar zijn vaste woonplaats heeft opgeslagen; zij veranderen in hun handen in tarwe of gerst, zij bevredigen zelfs den tolgaarder zijns gebieders en meesters; zijn stammen en bladeren leveren hem woningen, huisraad, matten, manden, zakken, touwen en banden. In het zand der woestijn leert men eerst de onschatbare waarde van dien boom kennen, zijn volle beteekenis; in het zand der woestijn erkent men den zin van het symbool, waarvan de Arabische dichtkunst zich bedient. Evenals deze ontspruit hij dikwijls uit een vruchtbaren grond, evenals deze streeft hij krachtig, altijd zichzelf gelijk blijvend, naar omhoog, om ook eerst in de hoogte zoete vruchten voort te brengen.
Mimosen en palmen zijn de karakteristieke boomen der oase, en ook daar ontbreken deze planten niet, alwaar het water zoo rijkelijk vloeit, dat men er tuinen en akkers zou kunnen aanleggen. Hier vormen zij als het ware de voorposten tegen het opdringend woestijnzand, maar blijven daar dan ook beperkt tot den buitenrand der woestijneilandjes, terwijl het inwendige ingenomen wordt door planten, die behoefte hebben aan meer water. In de nabijheid der bronnen of aan den put breiden zich dikwijls tuinen uit, waarin men soms schier alle vruchten van Noord-Afrika aanbouwt. Hier rankt de druif, gloeit de oranjeappel tusschen het donkere loof, opent de granaat zijn rooskleurigen mond, spreidt de banaan zijn gevinde bladeren uit, omslingert de meloen de groentebedden, en voltooien de vijgencactus en olijfboom, misschien zelfs wel vijgen-, abrikozen- en amandelboomen het beeld der vruchtbaarheid. Op verderen afstand bevinden zich akkers, waarop althans kafferkoren, in een gunstig geval tarwe en rijst verbouwd worden.
In zulke rijke oasen heeft de mensch vaste woonplaatsen opgeslagen, terwijl hij in de meer arme laagten slechts nu en dan, op meer of min geregelde tijden, gastvrijheid zoekt. Het dorp of stadje der oase verschilt weinig van de bewoonde plaatsen der naburige vruchtbare landen; men vindt ook hier eene moskee, bazars en koffiehuizen; de menschen echter zijn kinderen van een anderen geest dan de boeren en stedelingen van den Nijl of van de kustlanden. Ofschoon meestal van verschillenden stam hebben zij toch gelijke zeden en gewoonten aangenomen. De woestijn heeft hen omgestempeld. Hun magere gestalte, scherpe gelaatstrekken, hunne door zware wenkbrauwen beschaduwde, fonkelende oogen doen hen terstond kennen als zonen der woestijn; nog sterker vindt men dit uitgesproken in hunne zeden en gewoonten. Zij zijn vrij van aanmatiging, ijverig, wakker en tevreden, gastvrij, open, eerlijk en trouw, maar ook fier, prikkelbaar en opvliegend, geneigd tot roof en andere gewelddadigheden, in welk opzicht zij met de Bedoeïnen overeenkomen, alhoewel zij bij dezen ten achter staan in goedheid zoowel als in boosheid. Elke karavane, die zich bij hen laat invinden, is hun ten hoogste welkom, maar de reiziger is hun, meenen zij, tolplichtig.
Geheel verschillend van zulke oasen zijn die laagten, in welke zich slechts bij uitzondering de zoo vurig begeerde bron bevindt. De Arabische trekherders zijn tevreden, wanneer zulk eene bron slechts enkele maanden of enkele weken het noodige drinkwater voor henzelf en hunne kudden oplevert; de hier uitrustende karavane mag blijde zijn, wanneer er voorraad is voor enkele dagen. Gewoonlijk is de bron een diepe put, wier wanden eer water uitzweeten dan in mild vloeiende aderen naar omlaag zenden. Ettelijke tompalmen verheffen zich tusschen de spaarzaam verspreide mimosa’s en salicaria’s in de omgeving der bron; eenige weinige grashalmen ontsproten aan de dorre aarde.
Vreeselijk arme menschen zijn deze trekherders, die hier hun tenten hebben opgeslagen tot zoolang als hunne kleine kudden geiten er voedsel vinden; hun „strijd om het bestaan” is niets dan een onafgebroken aaneenschakeling van kommer, ontbering en gebrek. Een lang zwart doek van geitenwol wordt in ’t midden over een staketsel uitgehangen, en met de uiteinden aan in den grond geslagen pinnen bevestigd; de eene opening wordt gesloten door een doek van dezelfde stof, de ander, die den ingang zal vormen, door een mat van palmbladeren,—daarmede is de tent gereed, de bruidsgift der vrouw, aan welke deze van haar achtste tot haar zestiende jaar heeft gewerkt, verzameld, gesponnen en geweefd; het huisraad bestaat uit eenige matten om op te rusten, uit een granietplaat met daarbij behoorenden wrijfsteen om het ingeruilde koren te malen, uit eene vlakke aarden plaat voor het roosten der koeken, en verder uit twee buikige potten, eenige lederen zakken, een bijl en ettelijke lansen. Eene kudde van twintig geiten geldt bij hen reeds voor een grooten rijkdom. Maar deze menschen zijn even braaf als arm, even beminnelijk als welgevormd, even goedaardig als schoon, even edelmoedig als bescheiden, even gastvrij als eerlijk, even rein van zeden als geloovig.
Beelden aan de oudheid ontleend rijzen op voor den geest des westerlings, wanneer hij deze nomaden voor ’t eerst ontmoet; de Bijbelsche personen ziet hij hier levend voor zich, hij hoort hen spreken in de hem uit zijn kinderjaren bekende taal. Duizenden jaren zijn over deze nomaden voorbijgesneld als een enkele dag; op dit oogenblik nog denken, spreken en handelen zij even gelijk de aartsvaders dachten, spraken en handelden. Dezelfde groet als uit Abrahams mond klinkt van hunne lippen den vreemdeling tegen; dezelfde woorden, die Rebekka richtte tot den knecht Abrahams, hoorde ik mij toespreken, toen ik, gekweld door een ontzaggelijken dorst, bij de put van Bahioeda van mijn kameel sprong, en van een jonge, schoone, bruine vrouw te drinken begeerde. Daar stond zij voor mij, de Rebekka van vóór duizenden jaren, in levenden lijve, in onverwelkte jeugd, eene andere dan zij, van wie de Schrift spreekt, en toch dezelfde.
Bij de aankomst eener karavane verzamelt zich de geheele bevolking dezer tijdelijke nederzetting. De oudste treedt uit den kring naar voren en brengt den vredegroet; de overigen heeten de vreemdelingen welkom. Dan biedt men het kostbaarste aan, wat de reizigers begeeren, het frissche water, en al wat men verder bezit, en zulks met verrassende vriendelijkheid, zonder op te dringen en toch gemeend. Gretig verzwelgen de reizigers met volle teugen het verkwikkende vocht; ongeduldig dringen tevens de kameelen naar de bron, alhoewel zij bij ervaring weten, dat zij eerst afgeladen, vastgebonden en naar de weide gebracht moeten worden, alvorens het hun geoorloofd is na eene ontbering van vier tot zes dagen, weder hun dorst te lesschen. Men laat echter ook aan de bron geen enkelen droppel verloren gaan, weshalve men hun eerst het nog in de lederen zakken bevatte water geeft; daarna worden deze opnieuw gevuld, om dan eerst de kameelen te drenken, ofschoon men dan nog meer de hoeveelheid voorhanden water in ’t oog houdt dan de behoefte der dieren zelf. Slechts bij eene zeer rijkelijk vloeiende bron laat men vrijen teugel aan hun onleschbaren dorst, en dan is het een genot hen te zien drinken, altijd maar door, zonder ophouden, terwijl zij daarna met koddige, onbevallige, door boeien belemmerde sprongen naar de niet minder vurig begeerde weide rennen, om hier de als een halfvolle ton dansende maag verder met voedsel te vullen.
Voor de reizigers en den daar gelegerden stam breekt echter een ware feestdag aan. De eersten vinden frisch water, misschien zelfs wel melk en vleesch, die ’t genot der rust niet weinig verhoogen, de inboorlingen verheugen zich in de afwisseling, die de karavane brengt in de eentonigheid van hun leven. Een der kameeldrijvers heeft in de naastbijstaande tent het geliefkoosde muziekinstrument der woestijnbewoners, de tamboera of vijfsnarige cither gevonden, en begeleidt daarmede op meesterlijke wijze zijn eenvoudig gezang. Deze klanken lokken de dochteren der nomaden; slanke, schoone vrouwen en meisjes omringen vragende de vreemde mannen en richten op dezen en hunne goederen doordringende, blauwe oogen. Wapen u, vreemdeling! die oogen zouden uw hart in gloed kunnen zetten! Zij zijn nog veel schooner dan die der gazelle en de lippen daar beneden beschamen de koralen, de verblindend witte tanden daartusschen de paarlen, die gij deze dochteren der woestijn misschien zoudt willen vereeren!
Nu schijnt alles één lied, één gedicht te zullen worden. Om den citherspeler scharen zich enkele groepjes, die zich gereed maken tot den dans; ruwe en zachte handen begeleiden met maatslag de tonen van het speeltuig, de woorden des lieds en den gelijkmatig golvenden dans. Nieuwe gedaanten komen, bekende verdwijnen; het is een bestendig afwisselend dringen en wenden om de vreemdelingen, die zoo verstandig zijn, om even onschuldig en vertrouwelijk te ontvangen als hun gasten geven. Alle bezwaren der woestijnreis zijn vergeten, heimwee en verlangen bevredigd; want het water, het water borrelt overvloedig en treedt in de plaats van alle behoeften van andere plaatsen en tijden.
Deze rust sterkt lichaam en geest. Opgefrischt zet de karavane hare reis voort, en indien de dagen niets ergers brengen dan zonnegloed, dorst en afmatting, bereikt zij onverzwakt ook de tweede en derde bron en eindelijk het doel der reis, de eerste stad of het eerste dorp aan gene zijde der woestijn.
Maar veranderlijk als de oceaan, die de aarde omgordt, is ook de zandzee. Ook hier woeden stormen, die haar schepen doen stranden en verderfaanbrengende golven oproepen. Ten tijde, dat de maandenlang waaiende noordenwind in strijd geraakt met zuidelijke luchtstroomen, of wanneer deze reeds de alleenheerschappij hebben erlangd, ziet de reiziger plotseling het zand levend worden, in dikke en hooge zuilen opstijgen, die nu eens langzamer, dan schielijker over de vlakte heensnellen. Door de zon beschenen nemen zij het voorkomen aan van vuurzuilen; dan weder zien zij er kleurloos uit of het zijn angstwekkende, zwarte spookgestalten; de wind verdunt en verdikt ze, scheidt hier eene zuil in tweeën, vereenigt ginds twee of meer tot eene in de wolken eindigende zandhoos. De westerling wil in luide bewoordingen zijn verwondering te kennen geven, maar de angstige blikken zijner begeleiders verlammen hem de tong. Wee de karavane, die door zulk een wervelstorm wordt ingehaald; zij mag blijde zijn, wanneer het leven van menschen en dieren behouden blijft! En woeden deze boden des noodlots zonder schade over het hoofd van het reisgezelschap heen, het gevaar is daarom nog niet voorbij, want de samoem, de vergiftige stormwind, volgt den eersten op den voet.
Deze in de woestijn onder alle omstandigheden het meest gevreesde wind, die als Chamasien door Egypte, als Sirocco tot in Italië, als Föhn door de Alpen, als dooiwind door Noord-Europa giert, verheft zich geenszins altijd tot een storm; dikwijls waait hij onmerkbaar zacht, en toch doet hij mannenharten beven. Over dezen wind is zeer veel gefabeld geworden; dit is evenwel waar, dat de samoem bij tijd en wijle voor de karavanen hoogst gevaarlijk worden kan, en dat hij de oorzaak is der witgebleekte geraamten van kameelen, alsmede van de door het zand halfbedolven, uitgedroogde mummiën van menschen, die men langs elk woestijnpad vindt. Want niet zoozeer zijne kracht, maar zijn aard, zijn elektrische spanning brengen lijden en verderf over de menschen en lastdieren, welke de woestijn doortrekken.
Althans één dag, somtijds eenige dagen vooruit, voorspelt de inboorling en ook de met het land bekende vreemdeling den zandstorm. Onbedriegelijke teekens zijn de voorboden. De lucht wordt zwoel, zwaar, drukkend; een dunne, grijsachtig of roodachtig getinte damp benevelt den hemel; geen tochtje beweegt de lucht. Alle levende wezens lijden zichtbaar onder de zwoelte, die elk oogenblik drukkender wordt; de menschen klagen en jammeren, het wild wordt schuwer, de kameelen worden onrustig en koppig, dringen op elkaar, blijven staan of gaan liggen. Kleurloos gaat de zon onder. Geen avondrood omzoomt den hemel, het nevelkleed bluscht elk licht uit. De nacht brengt geen afkoeling of verkwikking, eer vermeerdering van hitte, krachteloosheid en onbehagelijkheid; in weêrwil van alle loomheid ontvliedt de slaap het oog. Zijn menschen en dieren nog in staat zich te bewegen, dan rust men niet, maar trekt integendeel met angstige haast verder, zoolang de gids nog een enkel hemellicht waarneemt. De damp verandert in een drogen nevel en het eene gesternte na het andere wordt aan den blik onttrokken; zelfs de maan en de zon, welke laatste in het gunstigste geval slechts half zoo groot is als gewoonlijk, worden bleek en onduidelijk.
Soms begint de wind om middernacht aan te wakkeren, meestal tegen den middag. Zonder uurwerk kan men het tijdstip niet bepalen, want de nevel is intusschen zoo dik geworden, dat de zon geheel omsluierd wordt en een droefgeestig schemerlicht over de vlakte ligt uitgespreid, zoodat reeds op geringen afstand geen voorwerp meer te onderscheiden is. Zacht, nauwelijks voelbaar begint nu de wind te waaien. Het is nog geen werkelijk waaien, maar meer een zacht ademen. Die luchtadem is gloeiend heet en dringt evenals een kille, ijzige wind door merg en been, veroorzaakt een doffe hoofdpijn, verslapt en beangstigt. Daarop volgt een meer waarneembaar, even gloeiend, even verderfelijk waaien. Enkele korte, huilende stooten mengen zich daaronder.
Thans is het hoog tijd om te gaan liggen. Zulks geven ook de kameelen te kennen, want geen zweepslag brengt deze dieren meer vooruit. Vol angst knielen zij neêr, strekken den hals uit, drukken dien tegen den grond en sluiten de oogen. De drijvers ontladen hen ijlings, bouwen uit de bagage zoo schielijk mogelijk een ringmuur, stapelen alle zakken op elkaar om de aan den wind blootgestelde oppervlakte te verkleinen, bedekken ze met alle aanwezige matten, hullen zich, evenals alle andere reizigers deden, zoo dicht mogelijk in hunne dekens, maken het gedeelte, dat om het hoofd is gewonden nat en zoeken dan een schuilplaats achter de goederen. In groote haast werd een en ander volbracht, want de zandstorm zal nu niet lang meer op zich laten wachten.
Het aantal stooten vermeerdert; zij volgen sneller op elkander en weinige minuten later woedt de storm met volle kracht. Het giert en dreunt, fluit en huilt door de lucht, het ruischt en loeit in het zand, het knettert, knalt en kraakt in het leger, waar de planken kisten verbrijzeld worden. De hitte neemt nog steeds toe en wordt eindelijk onverdragelijk, onttrekt aan het van zweet druipende lichaam alle vochtigheid, doet alle slijmvliezen scheuren, zoodat het bloed er uit vloeit; de naar water dorstende tong wordt zwaar als lood, de polsslag versnelt, het hart krimpt ineen, de huid scheurt en splijt, de razende storm vult deze kloven met fijn zand, en veroorzaakt daardoor nieuwe kwellingen. De zonen der woestijn bidden en zuchten, de westerling steunt en klaagt.
Gewoonlijk duurt de hevigste woede van den zandstorm niet lang, een, twee, drie uren slechts, evenals bij ons een onweder, waarmede men hem zou kunnen vergelijken. Naarmate hij bedaart, gaat ook het stof liggen en klaart de lucht op, terwijl een enkele maal een tegenstroom uit het noorden daarop volgt. De karavane herstelt zich en trekt verder. Duurt de samoem echter een halven of heelen dag, dan kan het den reizigers gaan gelijk een mijner kennissen, den Franschman Thibaut, die op zijn tocht door de noordelijke Bahioeda de laatste bron opgedroogd vond en met bijna ledige waterzakken moest opbreken, om den op vier dagreizen afstands gelegen Nijl te bereiken. De vergiftige wind brak over hem en zijne in doodsangst gebrachte karavane, die alle niet dringend noodzakelijke goederen bij de uitgedroogde bron had achtergelaten, los. Het ongelukkige reisgezelschap legerde zich, hoopte op het einde van den storm, wachtte tevergeefs, klaagde, werd moedeloos en wanhopig. Een van Thibauts bedienden sprong razend op, overstemde door zijn huilen den storm, gilde, tierde, woedde, en viel eindelijk uitgeput op zijn meester neêr, liet een gereutel hooren en gaf den geest. Een tweede lag, toen de storm eindelijk zweeg, insgelijks dood op zijn legerstede,—de hitte had hem gedood. Een derde moest, nadat men weder opgebroken had en hij koortsachtig, als om den dood te ontloopen, voortsnelde, achterblijven, en versmachtte. Van de kameelen was de helft bezweken. Thibaut bereikte met de overige menschen en dieren den Nijl, maar zijn gitzwart haar was in den tijd van twee dagen sneeuwwit geworden.
Van zulke stormen stammen de mummieachtige lijken af, die men langs de karavanenwegen vindt. De storm, die doodde, begroef meteen de lijken en dekte ze met zand; dit zand onttrekt snel aan de lichamen alle vocht, zoodat zij, in plaats van te verrotten, uitdrogen en tot mummies worden. De eene windvlaag werpt er een nieuwe laag zand over heen, de andere ontbloot ze. Nu eens strekt het lijk eene hand, dan een voet of zijn gezicht naar den reiziger uit; een der kameeldrijvers voldoet aan het bevel van den doode, begeeft zich tot hem, werpt weder zand op hem en trekt verder onder het uiten der woorden: „Slaap, knecht des Allerhoogsten, slaap in vrede!”
Zulke stormen zijn het ook, die in den geest der gespaarden de droombeelden der Fata Morgana opwekken. Zoolang de mensch in ’t volle bezit zijner krachten en met gezonde zinnen voorttrekt, beschouwt hij de luchtspiegeling wel als een de aandacht trekkend natuurverschijnsel, maar zij wordt hem niet tot Fata Morgana. In het heete jaargetijde ontstaat in de woestijn tegen het midden van den dag, van negen uur in den voormiddag tot drie uur in den namiddag, elken dag de „duivelszee”. Een grijze, op eene zee, beter nog op een overstroomd land gelijkende vlakte, rijst daar, alwaar de woestijn geheel van plantengroei ontbloot is op zekeren afstand voor of om den reiziger in ’t rond op; deze zee golft, glinstert en schittert, laat alle werkelijk bestaande voorwerpen zichtbaar blijven, maar heft ze schijnbaar tot het oppervlak der zee op en weêrkaatst hun beelden naar beneden. In de verte voorttrekkende kameelen of paarden verkrijgen het voorkomen van door wolken gedragen, geschilderde engeltjes, en wanneer men hunne bewegingen kan onderscheiden dan is het alsof zij de beenen verzetten op een uit nevelen gevormde onderlaag. De afstand, waarop de naar het oog toegekeerde grens van dit verschijnsel is gelegen, blijft steeds dezelfde, zoolang de waarnemer zijn gezichtshoek niet verandert en is dus voor den ruiter eene andere dan voor den voetganger. Het geheele wonder berust op de bekende wet, dat een lichtstraal, die van de eene middenstof in eene andere overgaat, gebroken wordt, zoodat dit verschijnsel zich steeds moet voordoen, wanneer de onderste luchtlagen door de terugkaatsing der warmtestralen van het verhitte zand ongelijkmatig worden uitgezet. Geen Arabier bedekt bij ’t zien eener luchtspiegeling zijn gezicht, gelijk fantaseerende reizigers hun goedgeloovige lezers willen wijs maken; zelfs hechten zij geen diepere beteekenis aan de benaming „zee des duivels”. Wanneer evenwel angst, ontbering, vermoeidheid en gebrek op een zandstorm volgen en de geestkracht hebben verlamd, en wanneer dan de luchtspiegeling zich vertoont, kan deze tot Fata Morgana worden. De zieke verbeeldingskracht schept zich nu zoodanige beelden, die met de vurige wenschen van het oogenblik, de begeerte naar water en rust, in harmonie zijn. Ik heb zelf honderden malen de luchtspiegeling aanschouwd en ook mij is zij eenmaal tot Fata Morgana geworden. Zulks had plaats toen ik na een onlijdelijken dorst van een etmaal achtereen de „zee des duivels” voor mij zag schitteren en glinsteren. Toen verbeeldde ook ik mij den heiligen Nijl, booten met gezwollen zeilen, palmboschjes, tuinen en landhuizen voor mij te zien. Maar op dezelfde plaats, alwaar mijne zieke zinnen een palmenwoud zagen groeien, zag mijn eveneens versmachtende metgezel zeilbooten, en daar waar ik een tuin meende te aanschouwen, spiegelden zich voor zijne ziel bosschen af. Maar al deze fantasieën verdwenen, zoodra wij toevallig water ontdekten en ons daarmede hadden gelaafd; alleen de grijze nevelzee hield stand.