Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 29

Chapter 293,715 wordsPublic domain

Ook deze mag men een typisch gevormd woestijndier noemen. Ofschoon over ’t algemeen evenredig gebouwd, schijnen kop en zinsorganen bijna te groot en de ledematen al te dun, schier ongelukkig. Maar die kop omsluit in zijn schedelholte hersenen, die eene bij herkauwers zeer ongewone schranderheid en geestelijke werkzaamheid in ’t leven roepen; daarenboven zijn deze ledematen als uit staal geformeerd, ongemeen krachtig en elastisch, zoodat zij eene groote bewegelijkheid en onvermoeide volharding mogelijk maken. Wie de gazelle niet anders dan in den gevangen staat, in eene enge ruimte zag, kan zich niet voorstellen hoe dit dier in de woestijn optreedt. Welk eene bewegelijkheid, vlugheid en taaiheid, sierlijkheid en lieftalligheid ontplooit het daar! Hoe passend werd juist de gazelle door den oosterling en vooral door den woestijnbewoner gekozen tot zinnebeeld van vrouwelijke schoonheid! Zich verlatende op haar zandkleurig gewaad, alsmede op hare ongemeene bewegelijkheid en snelheid, staart zij schijnbaar onbezorgd met hare heldere oogen kameel en ruiter in ’t gelaat. Zonder van vrees te laten blijken graast zij voort, niettegenstaande de karavane nadert. Van de bloeiende mimosa’s neemt zij een knop of een sappig twijgje, tusschen het scherpe halfa vindt zij een malsch halmpje. Steeds nader rukken de ruiters. De gazelle heft den kop op, luistert, ruikt, kijkt weder, springt eenige schreden vooruit en doet als vroeger. Bliksemsnel drukken de elastische pooten tegen den grond, en voort snelt zij, zoo schielijk, zoo licht, zoo bevallig, zoo sierlijk, als ware haar die snelle beweging slechts spel en scherts. Met de snelheid der gedachte rent zij over de zandige vlakte, groote steenen en tamarindenboschjes in vliegende vaart overspringende. Zij schijnt de aarde niet meer aan te raken; het lied der woestijn is in haar belichaamd, zoo bekorend werkt zij door haar onvergelijkelijke bevalligheid en vlugheid. Slechts enkele minuten zijn voldoende om haar aan alle gevaar te onttrekken, want tevergeefs spant zich de beste draver in om haar na te rennen; geen windhond zelfs vermag haar in te halen. Weldra matigt zij haar loop; nog enkele oogenblikken en zij staat stil om weder te oogen en te kijken als straks. Plaagziek als zij is, laat zij den moordlustigen ruiter, die aanvangt haar in vollen ernst te vervolgen, naderbij komen, en voorzichtig onttrekt zij zich herhaalde malen aan zijn doodelijk wapen, totdat zij eindelijk verschrikt, onverwijld elk verder gevaar ontloopt. Langer vlucht zij, en steeds ranker worden lijf en leden, steeds flauwer de omtrekken, meer en meer verdwijnt zij op de zandige vlakte en eindelijk is zij in deze geheel opgenomen; het is alsof zij in een nevel werd opgelost. Het geboorteland heeft haar gedekt en geborgen, op tooverachtige wijze aan het oog ontrukt, aan elke waarneming onttrokken. Maar naarmate het oog haar verloor, herleeft zij in het hart. Want ook de westerling moet nu begrijpen, waarom de gazelle in het dichterlijk gemoed van den oosterling zulke heerlijke bloesems deed ontluiken, waarom de laatste dit dierlijk wezen zoo oneindig hoog stelt, waarom hij het oog, dat zijn hart deed ontvonken, bij dat der gazelle vergelijkt, en den hals, om welken hij in het vuur der liefde zijn armen houdt geslagen, den hals eener gazelle noemt; waarom de woestijnbewoner in de tent zijner gade, die vol zoete verwachting is, eene tamme gazelle brengt, opdat zij zich moge verkwikken aan het schoone oog en dit als eene erfenis schenken aan het verwachte pand der liefde, en waarom de vrome zanger in de sierlijke antilope het zinnebeeld aanschouwt van zijn verlangen naar het verhevene. Want ook op hem, den wereldmoede, daalde het vuur, dat ontvonken deed voor de lofliederen op dit dier, en de aderen der poëzie deed openen.

Minder liefelijk, maar toch niet minder in ’t oog vallend, treden andere woestijndieren op. Tusschen spaarzaam verspreide halfastengels loopt een talrijk heer van vogelen, zoo groot als duiven, trippelend heen en weder. Scharrelend en met den snavel arbeidende, pikken zij naar voedsel. Onbevreesd laten zij de ruiters tot op minder dan honderd schreden naderen. Met behulp van een goeden kijker is men in staat iedere beweging en zelfs de meest in ’t oog vallende kleuren van ’t gevederte waar te nemen. Met gedoken kop, ingetrokken hals en horizontaal uitgestrekt lichaam loopen zij heen en weêr, om allerlei zaden, de weinige korrels, die de woestijngrassen opleveren, jonge uitspruitsels en insekten op te zoeken. Enkelen speuren nu en dan met uitgestrekten hals in ’t rond, anderen daarentegen woelen argeloos in het zand, poetsen hun gevederte en strijken dit glad, of leggen zich half op den buik, half op de zijde om zich in het zonnetje te koesteren. Men kan dit alles duidelijk zien, het aantal vogels tellen en zich vergewissen dat er meer dan vijftig, ja bijna honderd zijn. Zou er een woestijnjager bestaan, die aan deze verleiding weêrstand kan bieden? Zeker van den buit, schuift de nog onervaren jager zijn kijker in, neemt het geweer ter hand en rijdt langzaam op de bonte schaar af. Maar daar verdwijnen de vogels voor zijn oog. Geen enkele liep weg of vloog heen, en toch zijn zij verdwenen. Het is alsof zij door de aarde zijn verzwolgen. In werkelijkheid hebben zij, zich verlatende op de overeenstemming van de kleur van hun gevederte met die van den grond, zich aan de aarde aanvertrouwd, d.w.z. zich plat op den grond uitgestrekt. Op hetzelfde oogenblik zijn zij tot steenen en zandhoopjes geworden. De nog ongeoefende jager rijdt op hen af zonder ze te zien, en schrikt op, wanneer zij zich bliksemsnel verheffen, onder luid geschreeuw en getier opvliegen, en suizend wegstormen. Gelukt het hem evenwel een vogel te schieten, dan staat hij niet minder verbaasd over de ongewone kleur en de zeldzame teekening der veêren dan over hun vreemd gedrag. De zandkleurige, nu eens meer in ’t grijze, dan meer in ’t helder geel spelende kleur der bovenzijde is afgezet door en sierlijk getooid met breede banden, smalle strepen, prachtige randen, moesjes, punten, vlekken, streepjes en striemen, zoodat men zou meenen, dat zulk een hoen reeds van verre zichtbaar moest zijn; maar die mengeling van kleur is slechts eene trouwe kopie van de kleur van het zand zelf, en elke donkere, elke lichtere plek, elk steentje, iedere zandkorrel wordt op dat gevederte teruggevonden. Geen wonder dus, dat de grond den vogel als het ware in zich opneemt, zelfs diens vorm uitwischt, en het dier niet minder bescherming verleent als hij die vindt in zijn krachtige, met ongemeene snelheid bedeelde vleugels.

En daarom vlecht de Arabische poëzie ook om deze hoenders de bloemrijkste beelden en gedachten; hun schoonheid toch boeit het oog en hunne meer dan gewone vlugheid wekt een smartelijk verlangen in het hart van den aan den grond geketenden mensch.

Alle overige woestijndieren dragen hetzelfde karakter als de beide voorgaande.

Er leeft in de woestijn een soort van losch, karakal geheeten; deze is veel slanker, hooger op de pooten, langooriger en grooter van oogen dan alle andere losschen, ook niet gestreept of gevlekt, maar tot op de zwarte oorspitsen, oogstrepen en lipvlekken na zandkleurig, en naar gelang der streek, die hij bewoont, lichter of donkerder, rooder en minder rood van tint; er leeft een vossensoort, de fennek, de dwerg der geheele hondenfamilie, met een isabelkleurig kleed en reusachtig groote ooren.

De woestijn brengt een knaagdier voort, de z.g. springmuis, een haasje van dwergachtige, kengeroe-gedaante, met verbazend hooge achterpooten, zeer onontwikkelde voorpootjes en een aan twee zijden behaarden staart, die de lengte bezit van ’t geheele lichaam; het overtreft alle andere knaagdieren wat onschuld en goedaardigheid aangaat, maar ook in snelheid en vaardigheid. Denzelfden stempel dragen de vogels, reptielen en zelfs de insekten, en dit karakter verloochent zich nooit, hoe veel afwisseling vorm en kleur ook mogen aanbieden. Komt naast het zandgeel ook nog eene andere kleur tot uitdrukking, ziet men in het haar, vederkleed of in de schubben ook nog zwart of wit, aschgrijs of bruin, rood, blauw enz. dan komen zulke, het dier meestal enkel tot sieraad dienende kleuren toch altijd slechts op zulke plaatsen te voorschijn, die men niet kan bespeuren, wanneer men het oog van boven of van terzijde op het dier richt. Verheft zich evenwel te midden der woestijn een hoog gebergte, dan weêrkaatst zich dat uiterlijk ook terstond weder in de daar levende dierenwereld; op de grauwe rotsen van Arabiës hooggebergte klautert de woestijn-steenbok en woont de klipdas, nestelt de gierarend, bevolkt een niet onaanzienlijk soortental van andere vogels de kammen en kloven, de hellingen en de dalen, terwijl van de zwarte rotsen der lagere woestijngedeelten alleen de inktzwarte rouwtapuit zijn helder, klankrijk lied laat hooren. Zoo openbaart zich de harmonie der woestijn in al hare afzonderlijke partijen, in ieder harer schepselen, en zoo verhoogt zij juist hierdoor den indruk, dien zij op elken nadenkenden, gevoelvollen en naar lichaam en ziel krachtigen mensch, reeds op den eersten dag, dat hij de woestijn betreedt, uitoefent, en welke invloed met iederen volgenden dag slechts grooter wordt.

Volle kracht, ontvankelijkheid en gevoel vraagt de woestijn ongetwijfeld van iederen mensch, die haar wil leeren kennen, en die zich in zekere mate in haar wenscht thuis te gevoelen. Wie de moeilijkheden der reis, gelijk zij oplevert, niet kan verdragen, wie hare zon vreest, wie door haar zand wordt afgeschrikt, blijve ver van haar. Zelfs bij een helderen hemel, bij een rustige lucht, ja bij een koel windje uit het noorden is en blijft een dag in de woestijn een moeilijke dag. Bijna plotseling, haast zonder schemering vangt hij zijn heerschappij aan. Slechts in de nabijheid der zee of in die van groote, de woestijn doorstroomende rivieren omzoomt Aurora den oostelijken horizon met een purperen rand; te midden der uitgestrekte zandvlakten verschijnt met het eerste morgenrood ook onmiddellijk de zon. Zij verheft zich boven de zandzee als een vuurbol, die elk oogenblik dreigt te barsten, om zijn stukken in alle richtingen weg te slingeren. Zoodra is niet de zon verrezen, of ook de morgenkoelte is voorbij, en schiet zij gloeiende stralen op het aardrijk als ware reeds de middag gekomen. De uit het noorden waaiende, dikwijls werkelijk verkwikkende, frissche, maanden lang aanhoudende wind, verhindert wel is waar soms, dat de ongelijk door de warmte uitgezette luchtlagen het voorkomen aannemen van eene zee, maar zooveel afkoeling brengt deze wind toch niet te weeg, dat het eigenaardig sidderen der onderste lagen wordt weggenomen. Hemel en aarde stralen in een overvloedig licht; een onbeschrijfelijke hitte stroomt van de zon uit en kaatst van het zand naar boven terug. Licht en hitte nemen met ieder uur toe, en machteloos staan mensch en dier daar tegenover.

De karavane is met den eersten zonnestraal opgebroken en trekt stilzwijgend voort. In de verte draven de lastkameelen, met elastischen tred loopen de drijvers er naast of er achter, in vollen draf rennen de rijkameelen, matig aangezet, deze voorbij en het andere gezelschap vooruit; weldra hebben de ruiters het lastdragend gedeelte uit het gezicht verloren. Voorwaarts gaat het zoo schielijk mogelijk. Al onze beenderen dreigen onder het stooten der zich haastende rijdieren te breken; zengend brandt de zon op ons, haar steken dringen door de kleederen, al verdubbelt men ook derzelver aantal. Onder die dichte bedekking dringt het zweet van het voorhoofd, van het geheele gelaat, van het geheele lichaam, en daar waar men losser gekleed is, op de armen en beenen, verdampt het vocht zoodra het ontstaat. De tong kleeft aan het gehemelte. Water, water, water! is het eenig denkbeeld, dat oprijst bij hem, die nog niet heeft geleerd zulke bezwaren te verdragen. Maar het water is, naar lands gebruik, niet in ijzeren kisten en flesschen, maar in lederen zakken geborgen; dagen achtereen heeft het in den vollen zonnegloed op den rug der kameelen gelegen en is alzoo meer dan lauw, kwalijk riekend, dik, bruin van kleur, daarenboven doortrokken van den smaak van leer en kolokwintenteer en dientengevolge walgelijk van smaak, ja zelfs braakverwekkend. Zulk water laaft niet, integendeel het veroorzaakt nieuwe bezwaren, zelfs smartelijke buikpijnen, zoodat de begeerte naar een anderen drank nog sterker wordt. Er bestaat echter geen middel om het te verbeteren, evenmin als om het te vervangen. De doordringende reuk en smaak spotten met alle pogingen om het in den vorm van koffie of thee, of vermengd met wijn of brandewijn te genieten; enkel wijn en brandewijn verhoogen wederom den brandenden dorst en de drukkende hitte. De toestand der reizigers wordt onuitstaanbaar nog vóór de zon hare middaghoogte heeft bereikt, en de ellende neemt in gelijke mate toe als het water slechter wordt. Maar het leed moet verdragen worden en het wordt verdragen. Kan de westerling zich nimmer gewennen aan het water, aan de in den beginne ondragelijk schijnende hitte gewent hij zich spoedig, aan de bezwaren van het rijden te eerder, hoe meer hij met zijn rijkameel één wordt. In het vervolg zal hij voor goed, zuiver water zorgen en dan zal hij weinig meer over de hitte, in ’t geheel niet meer over de moeilijkheden, die het rijden veroorzaakt, klagen.

Behagelijk rustend, alhoewel onzacht gewekt door de brullende klaagliederen der opbrekende lastkameelen, laat de bewoner des lands de goederenkaravanen vooruittrekken, laaft lijf en ziel aan koffie en tabak, beklimt dan zijn dromedaris en jaagt met zijn kameraads zoo schielijk voort als de rijdieren maar loopen willen. Geen woord wordt er gewisseld, alleen het knarsen van het zand onder de elastische voetzolen, het luide ademhalen en doffe, kolderende knorren der kameelen wordt gehoord. In weinige oogenblikken is de goederenkaravane ingehaald en heeft men zelfs aanmerkelijk op deze gewonnen. Een gazelle graast niet ver van den weg en geeft hoop op een buit, die hier hoogst welkom is. Met bekoorlijke sprongen huppelt de belichaamde woestijngedachte des dichters voor de vervolgende ruiters uit, met wijdgestrekte schreden draven de sterk aangezette kuchende kameelen het dier achterna. Het wild schijnt zorgeloos en laat ons naderbij komen; de ruiters nemen den schijn aan als wilden zij het voorbijrijden, houden de kameelen in en vorderen langzamer; een hunner laat zich uit het zadel glijden, doet zijn dier een oogenblik stil staan en schiet onder diens lijf de nimmer missende buks af. In een oogwenk is de aanvoerder uit het zadel gesprongen om zich van het gevelde wild meester te maken; juichend sleept hij het mede, hecht het aan zijn zadel, en verder trekt de schare.

Tegen den middag wordt er rust gehouden. Bevindt zich een laagte in de nabijheid, dan staat daar allicht eene mimosa, wier ijle bladerenkroon een weinig schaduw biedt; strekt zich eene onafzienbare zandvlakte rondom de ruiters uit, dan vormen vier in den grond gestoken lansen en het daartusschen gehangen wollen tapijt een armoedig schaduwdak. Maar gloeiend is het zand, dat tot rustplaats zal dienen, heet en drukkend is de lucht, die men inademt; matheid en slapheid overvallen zelfs den inboorling,—hoeveel te meer dus den westerling. Men snakt naar rust, maar kan ze niet vinden; naar verkwikking, en deze blijft uit. Verblind door het schitterend licht en de flikkerende lucht, sluit men de oogen; gekweld door de zengende hitte, gepijnigd door den brandenden dorst, wentelt men zich slapeloos op zijn leger om en om. Loodzwaar kruipen de uren voort.

De goederen-karavane trekt langzaam voorbij en verdwijnt in een nevelige luchtzee, op welker golvende lagen de kameelen schijnen te zweven. Nog altijd verwijlt men in denzelfden toestand en lijdt men onder dezelfde bezwaren. De zon is reeds lang op het hoogst geweest, maar nog altijd schieten haar gloeiende stralen met onverminderde kracht naar beneden. Eindelijk, het is reeds laat in den namiddag geworden, breekt men opnieuw op. Wederom volgt een rit zoo snel, dat de schielijke beweging ons bijna een verkoelenden luchtstroom tegenzendt; wij moeten de lastkaravane weder inhalen. Zij is ingehaald; zingend loopen de kameeldrijvers achter de dieren. Een hunner is voorzanger, de anderen vallen bij den laatsten regel van elk vers en steeds met hetzelfde slotrijm in.

Wanneer men bedenkt hoe moeilijk eene woestijnreis voor een kameeldrijver is, dan verwondert men er zich over, dat men hem hoort zingen. Voor het aanbreken van den dag belastte hij zijn dier, na alvorens eenige handvollen doerrahkorrels, beider eenig voedsel, met zijn kameel gedeeld te hebben; zoo lang de dag duurt drentelt hij achter zijn dier, zonder eene enkele bete meer te nuttigen, ten hoogste zich nu en dan lavende aan het stinkende water der lederen zakken; de zon brandt op zijn schedel, het gloeiend zand zengt zijn voetzolen, de heete lucht droogt zijn van zweet druipend lichaam; voor hem was er geen tijd om te rusten, ja wellicht moest hij enkele zijner dieren nog omladen of sommige opvangen, die weggeloopen zijn—en toch zingt hij thans zijn lied. Het is de tooverkracht van de woestijnlucht, die deze stemming uitlokt.

Wanneer de zon ter ruste gaat, schijnen de lichamen dezer uitgedroogde kinderen der woestijn opnieuw op te leven; want ook zij gelijken in alles op hun verhevene moeder, de woestijn. Met deze verbranden zij op den middag, met haar bloeien zij op in den nacht. Zoodra de zon ter kimme neigt, weeft hun dichterlijk talent, nog vóór de slaap is gekomen, gouden droomen. De zanger prijst de waterrijke bronnen, de palmboschjes, die deze omringen, en de donkere tenten, die er onder op zijn geslagen; hij begroet een bruin meisje in de tent, dat hem den heilsgroet brengt, roemt haar schoonheid, vergelijkt haar oogen met die der gazelle, haar mond met een roos, wier geur als woorden in zijn oorschelpen tot een parelensnoer zich aaneenrijgen, versmaadt om haar de eerstgeboren dochter des sultans en zegent het uur, dat hem in staat zal stellen zijne tent met haar te deelen. Zijn makkers vermanen hem evenwel nog hoogere verlangens te koesteren en richten deswege telkens zijn gedachten op den profeet, „die onze wenschen en zoete verlangens bevredigt.”

Zoo klinkt dat lied den vreemdeling uit noorderlanden tegen, en ook bij hem komen er vaderlandsche liederen op de lippen. En wanneer dan de laatste rozengloed der ondergegane zon tegen het luchtruim weêrspiegelt, wanneer de nacht haar tooverkleed over de woestijn uitspreidt, dan is het hem alsof het zwaarste nog licht is gevallen en alsof hij gedurende de hitte des daags geen dorst, gedurende den rit geen bezwaren heeft gevoeld. Vroolijk springt hij uit het zadel, en terwijl de drijvers hun kameelen ontladen en vastbinden, effent hij het zand en hoopt het op tot een nachtleger, spreidt hij er tapijten en dekens over uit en geeft hij zich met wellust over aan de vurig verlangde rust.

Slechts weinige schreden in ’t rond verlicht het kleine vuur de vlakte. Vlijtig weren zich de halfnaakte, donkere zonen der woestijn daar om heen. De vlam werpt op deze lieden, die in de schemering van den nacht tot schaduwen worden, een tooverachtig licht; balen, kisten, zadels en gereedschappen, alles neemt de vreemdste gedaanten aan; de kameelen, die buiten de bagage in een wijden kring zijn gelegerd, veranderen in spookgestalten, vooral wanneer hun oogen, door het vuur beschenen, tot vurige kogels worden. Stiller en stiller wordt het in het leger. De eene woestijnzoon na den anderen verlaat de kameelen, met wie hij zijn armzalig avondeten heeft gedeeld, hult zich in zijn lang gewaad, gaat liggen en smelt in een met het zand. Het vuur flikkert nog eenmaal op, verliest zijn glans en dooft uit. Het is werkelijk nacht geworden in het leger.

Wie zal hem beschrijven, den nacht in de woestijn? Het moet een dichter zijn bij de gratie Gods.

Wie is bij machte—al had hij hem zelf doorleefd, doorwaakt, doorzwelgd, doorgedroomd—diens schoonheid naar eisch te malen? Na de hitte van den dag is hij de milde, vergoedende en verzoenende heilaanbrenger, de vrede- en vreugdeschenker, dien de man met niet minder verlangen te gemoet ziet als de geliefde, wier komst zoo lang met smart werd verbeid. „Leïla”, de sterheldere nacht der woestijn, Leïla is den Arabier de verpersoonlijking van al wat hoog is en heerlijk, Leïla noemt hij zijn dochter; met de woorden: „mijn sterheldere nacht” vleit hij minnekoozend zijn geliefde; „Leïla, o Leïla” luidt steeds het slotrijm van al zijn liederen. Maar welk een nacht is het ook, die hier in de woestijn, na de vele vermoeienissen en bezwaren van den dag, de zinnen en het hart omstrikt! In ongekende klaarheid en helderheid fonkelen de sterren aan het donker gewelf des hemels; het licht der meest nabijzijnden werpt zelfs een zwakke schaduw op den licht gekleurden grond. Met volle teugen ademt de mensch de zuivere, verkoelende, verkwikkende lucht in; vol verrukking laat hij het oog dwalen van de eene zon naar de andere. Meer en meer schijnt het licht der sterren tot hem af te dalen; zijn geest verbreekt de boeien, die hem aan het stof ketenen en houdt een samenspraak met andere werelden. Geen geluid, geen gedruisch, zelfs niet het sjirpen van een sprinkhaan stoort de gedachten. Nu eerst openbaart zich aan hem de majesteit en verhevenheid der woestijn; haar onuitsprekelijke vrede maakt woning in zijn hart. Maar ook een trotsch gevoel van eigenwaarde dringt zich bij hem op; hier, te midden der oneindige eenzaamheid, zoo alleen, zoo buiten alle gemeenschap met de menschenwerelds enkel op zich zelf aangewezen te zijn, zulks wekt bij hem een gevoel van vertrouwen, moed en hoop. Droombeelden vol bekoorlijkheid treden voor zijn wakend oog en onweêrstaanbaar slepen ze hem meê; zij blijven hem omzweven, ook dan nog wanneer de sterren beginnen te beven, de gedachten hem verlaten en de oogen zich sluiten.

Na de verkwikking naar ziel en lichaam, gelijk de woestijnnacht die schenkt, vallen de vermoeienissen den volgenden dag niet zoo zwaar, hoe veel strijd het ook moge kosten het vuile water, dat met elk uur slechter wordt, te drinken.

Ware rust evenwel, een door niets gestoord genot wordt eerst verkregen, wanneer men eene bron heeft bereikt. Voortdurend bedreigd door gebrek aan de allereerste levensbehoefte is elke woestijnreis een rusteloos jagen en voorwaarts spoeden, zoodat er geen sprake is van de gemakken, die aan eene reis aangenaamheid bijzetten. De eene dag verloopt even als de andere; elke nacht gelijkt, althans in het gunstige seizoen, op den vorigen. In de oase, aan de bron, wordt de dag een feestdag, de avond een onvergald genot, de nacht een werkelijke, verkwikkende rust.

Het ontstaan eener oase is afhankelijk van eene kom of dalvormige verdieping, daar zonder eene altijd wellende bron, ten minste zonder een gegraven put, eene iets weeldigere vegetatie onmogelijk is, en de woestijn nergens anders water oplevert dan in het hooggebergte of in de diepste dalen.