Uren met Schopenhauer

Part 9

Chapter 93,783 wordsPublic domain

De merkwaardige overeenstemming tusschen beide denkers laat zich door een voorbeeld aanschouwelijk maken. Laat er een dier voor ons staan in zijn volle levenskracht. Plato zal zeggen: „dit dier heeft geen echt, maar slechts een schijnbaar bestaan, want als onophoudelijk veranderend heeft het slechts een betrekkelijk zijn, dat evengoed niet-zijn als zijn kan heeten. Waarlijk zijnde is alleen de idee, die zich in dat dier afbeeldt, het dier op zich zelf, dat van niets afhangt, ongeboren, onsterfelijk, altoos op gelijke wijze bestaand. Zoover we nu in dat dier, dat hier aanwezig is, de idee van het dier herkennen, is het geheel eenerlei en zonder beteekenis, of we nu juist dát dier voor ons hebben, dan wel zijn voorouder, die duizend jaar geleden leefde, of het op deze plek dan wel in een ver afgelegen land is, of het deze dan wel een andere houding aanneemt, of het dit dan wel een ander individu der soort is; dat alles is nietig en betreft enkel het verschijnende; de idee van het dier alleen heeft waarachtig zijn en is voorwerp van werkelijke kennis”.—Zóó Plato. Kant zou kunnen zeggen: „dat dier is een verschijning in tijd, ruimte en causaliteit, welke de in ons kenvermogen liggende voorwaarden van alle ervaring zijn en derhalve niet kunnen strekken om het ding op zich zelf, zooals het is buiten de ervaring, te bepalen. Derhalve is dit dier, gelijk wij het op dezen bepaalden tijd en op deze plek, in den samenhang der ervaring, volgens de keten van oorzaken en werkingen geboren en noodwendig sterfelijk, waarnemen, geen ding op zich zelf, maar slechts eene in betrekking tot ons kenvermogen geldige verschijning. Om te beslissen wat daaraan, onafhankelijk van tijd, ruimte en causaliteit, ten grondslag ligt, zouden wij een ander kenvermogen moeten bezitten dan het voor ons alleen mogelijke, dat zinnen en verstand omvat”.

Om Kant’s zienswijze nog meer in overeenstemming te brengen met die van Plato, zou men kunnen beweren: tijd, ruimte en causaliteit zijn díe inrichting van ons intellekt, krachtens welke het eigenlijk alleen bestaande ééne wezen van iedere soort aan ons verschijnt als een veelheid van gelijksoortige, steeds opnieuw ontstaande en vergaande wezens, in eindelooze opvolging.

Volgens deze beschouwing behoort enkel aan de ideeën waarachtig bestaan te worden toegeschreven, terwijl de dingen in ruimte en tijd, welke voor den individu werkelijkheid zijn, slechts een droomwereld moeten heeten. Daar een en dezelfde idee zich in vele exemplaren openbaart, vertoont zij ons haar wezen slechts broksgewijze, ééne zijde na de andere. Dus zal men de idee hebben te onderscheiden van de manier, waarop zij aan het waarnemend individu zich voordoet en die manier onwezenlijk hebben te noemen. Men kan dit toelichten door voorbeelden, zoowel aan het geringste als aan het grootste ontleend.—Wanneer de wolken trekken, zijn de figuren, welke zij vormen, van geen belang: maar dat zij als elastische nevel door den windstoot samengeperst, weggedreven, uitgerekt, verscheurd worden, dat is der wolken natuur, is het wezen der krachten, die zich daarin uitdrukken, is de idee: enkel voor den individueelen waarnemer bestaan hun tijdelijke gestalten.—Bij den bergstroom, die over rotsblokken naar beneden stort, zijn draaikolken, golven, opbruisend schuim van geen wezenlijk belang; dat die stroom aan de wet der zwaartekracht gehoorzaamt, zich als een niet-elastische, totaal verschuifbare, vormlooze, doorzichtige vloeistof gedraagt, dit is zijn wezen, zijn idee; enkel voor ons, zoolang wij als individuen kennen, zijn er de afwisselende gestalten.—Wanneer het water op onze vensterruit bevriest, schiet het tot kristallen volgens vaste wetten, welke het wezen der hier te voorschijn tredende natuurkracht, hare idee, openbaren; maar de boomen en bloemen, daarbij gevormd, zijn onwezenlijk.—Wat in wolken, bergstroom en kristal verschijnt, is de zwakste nagalm van dien wil, die volkomener in de plant, nog volkomener in het dier, het allervolkomenst in den mensch te voorschijn treedt. Maar enkel het wezenlijke van al die graden van wilsuiting is: de idee. Zoo is de geschiedenis van het menschelijk geslacht, het gewoel der gebeurtenissen, de afwisseling der tijden, de rijkdom der vormen van het menschelijk leven in verschillende landen en eeuwen, enkel toevallige gedaante, waaronder de idee zich vertoont. Voor hem, die dit wèl gevat heeft, zullen dus de wereldgebeurtenissen slechts in zoover beteekenis hebben als zij de letters zijn, waaruit de idee van den mensch zich lezen laat. Hij zal niet met de groote schare gelooven, dat de tijd iets werkelijk nieuws en gewichtigs te voorschijn kan brengen, of dat tijd in zijn geheel begin en einde heeft, dat er in den tijd een plan verwerkelijkt wordt en dat als voorloopig einddoel de hoogste volkomenheid van het thans levende geslacht te beschouwen is. Derhalve zal hij evenmin met Homerus een geheelen Olymp vol goden tot leiding der gebeurtenissen verdichten, als hij met Ossian de figuren der wolken voor individueele wezens zal aanzien, daar, gelijk gezegd, zoowel het een als het ander, in verhouding tot de daarin verschijnende idee, even veel en even weinig beteekenis heeft.

De bron, waaruit de individuen en hunne krachten voortvloeien, is onuitputtelijk en oneindig gelijk tijd en ruimte; want, gelijk deze beide vormen van alle verschijning, zijn ook de individuen en hunne krachten enkel verschijning, zichtbaarheid van den wil; geen eindige maat is bij machte die oneindige bron leeg te scheppen; welk groot werk, welke zegenrijke gebeurtenis, welke geniale aanleg ook in de kiem verstikt moge worden, geen nood, want de oneindige mogelijkheid van terugkeer blijft eeuwig dezelfde. In deze wereld der verschijning is evenmin waar verlies als ware winst mogelijk. De wil alleen bestaat, hij, de eeuwige.

De verhouding van wil en intellekt kan het best door een gelijkenis worden uitgedrukt: de sterke blinde, die den zienden lamme op zijn schouders draagt. In den regel is het intellekt enkel dienstknecht van den wil; het is dan ook uit den wil zoo voortgekomen als het hoofd uit den romp. Bij de dieren is de dienstbaarheid van het intellekt nooit op te heffen. Bij den mensch, bij uitzondering, wèl. Want door de kracht des geestes omhoog gedragen kan hij de gewone beschouwingswijze der dingen laten varen, ophouden te letten op de betrekkingen, waarin de dingen tot elkander staan, niet langer vragen wat zij voor zijn eigen belang beteekenen, zich niet bekreunen om het waar, het wanneer, het waarom, het waartoe der dingen, maar eenig en alleen om het wat; daarbij niet het afgetrokken denken, de begrippen der rede, het bewustzijn laten innemen, maar zich, zooals het zoo zinrijk in de taal wordt uitgedrukt, geheel in de aanschouwing van een landschap, een boom, een rots, een gebouw, verliezen, zijn belang vergeten, geheel alleen als subjekt, als heldere spiegel van het objekt, blijven bestaan, zoodat het is, alsof het ding op zichzelf er ware, zonder iemand die het waarneemt, daar het aanschouwde en de aanschouwer zich niet meer laten scheiden, beide één geworden zijn, het geheele bewustzijn door een eenig aanschouwelijk beeld gevuld en ingenomen wordt; waar zoo het object buiten alle verhouding tot iets anders, het subjekt buiten alle verhouding tot den wil staat, is datgene, wat alzoo gekend wordt, niet meer het afzonderlijke ding als zoodanig, maar de idee, de eeuwige vorm, de onmiddellijke verschijning van den wil op dien bepaalden trap, en dan is de aanschouwer niet meer individu, want het individu verdwijnt hier in wat het ziet, doch zuiver, willoos, tijdeloos subjekt van kennis. Dit is het wat Spinoza voor den geest zweefde, toen hij schreef: de geest is eeuwig, in zoover hij de dingen onder de gestalte der eeuwigheid zich voorstelt. De individu als zoodanig kent slechts enkele dingen, schakels in de keten van oorzaken en werkingen; het zuiver subjekt der kennis, dat tijd en plaats vergeet, aanschouwt enkel de ideeën, die buiten de sfeer van den individu als zoodanig liggen. De vrucht van die aanschouwing is de kunst.

De kunst herhaalt de door belangelooze kontemplatie opgevatte eeuwige ideeën; naar gelang van de stof, waarin zij herhaalt, heet zij beeldende kunst, poëzie of muziek. Haar eenige oorsprong is kennis der ideeën; haar eenig doel mededeeling dier kennis.—Terwijl de wetenschap den rusteloozen stroom van gronden en gevolgen naspeurt, nooit aan het doel is, steeds verder wordt gewezen, nooit het einde bereikt, nooit volle bevrediging schenkt, even weinig als men door loopen het punt kan bereiken waar de wolken den horizont aanraken, is de kunst daarentegen overal aan haar doel. Want zij beurt het voorwerp van hare kontemplatie uit den wereldloop omhoog en stelt het, los van al het andere, tegenover zich: terwijl het in dien stroom een verdwijnend klein deel was, wordt het, daaraan ontrukt, vertegenwoordiger van een universum, æquivalent van het in ruimte en tijd oneindig vele. De kunst blijft dus staan bij het afzonderlijke ding; het rad van den tijd houdt zij vast; de betrekkingen verdwijnen voor haar; enkel het wezenlijke, de idee, is haar objekt.

Het wezen van het genie bestaat in een overwegend vermogen tot zoodanige kontemplatie. Genialiteit is een objektieve geestesrichting, waarbij eigenbelang geheel ter zijde wordt gesteld, de persoonlijkheid tijdelijk buiten spel blijft en er enkel een subjekt van zuivere kennis, een klaar wereldoog overblijft, en dat maar niet voor enkele oogenblikken, maar zoo aanhoudend en met zooveel bezonnenheid als noodig is om het typisch aanschouwde door middel van kunst weer te geven en wat in nevelachtige gestalten voor oogen zweeft, in duurzame gedachten vast te leggen.

Buitengewone sterkte van fantasie is onmisbare voorwaarde van genialiteit. Immers zonder fantasie zou de horizont niet verder reiken dan persoonlijke ervaring; het is noodig uit het weinige, dat de werkelijkheid onder ons bereik brengt, het overige op te bouwen en zoo schier alle mogelijke levensbeelden aan zich te laten voorbijtrekken. Ook zijn de werkelijke dingen slechts zeer gebrekkige exemplaren der daardoor uitgedrukte idee. Het genie heeft dus fantasie noodig om in de dingen niet dat te zien, wat de natuur werkelijk heeft voortgebracht, maar wat zij heeft willen voortbrengen, terwijl zij bij dat werk, door den strijd der vormen onderling om een en hetzelfde stuk materie, belemmerd werd. Doch al begeleidt sterke fantasie alle genialiteit, daaruit volgt niet dat ieder, die veel fantasie heeft, ook een genie zou zijn. Zooals men een werkelijk ding op tweeërlei wijze beschouwen kan: zuiver objektief als een middel tot kennis der idee, en op alledaagsche wijze, in verhouding tot andere dingen en tot den persoonlijken wil, zoo kan ook het beeld der fantasie op tweeërlei trant worden gebezigd: tot het scheppen van een kunstwerk, doch eveneens tot het bouwen van luchtkasteelen, die zelfzucht en eigen luim bevredigen, tijdelijk vermaken en iets voorgoochelen. Wie zich met dit laatste spel bezighoudt is een fantast: licht zal hij de beelden, waaraan hij in de eenzaamheid zijn hart ophaalt, met de werkelijkheid doen samenvloeien en zich voor het leven ongeschikt maken. Bij het neerschrijven van visioenen ontstaan zoo de romans van allerhande soort, die het groote publiek medeslepen, daar de lezer zich in de plaats van den held gaat droomen en dan de schildering heel gemoedelijk vindt.

De gewone mensch, die fabriekwaar der natuur, zooals ze er dagelijks duizenden te voorschijn brengt, is tot een onbaatzuchtige beschouwing van eenigszins langen duur niet in staat; hij kan zijn opmerkzaamheid slechts in zoover op de dingen richten, als ze, zij het dan ook zijdelings, in betrekking staan tot zijn wil. Maar daarvoor is het voldoende en meestal zelfs nuttiger ze onder afgetrokken begrippen te brengen; dus verwijlt zijn blik niet lang bij eenig voorwerp, maar snel zoekt hij de rubriek, waarin het te huis behoort, zooals de luiaard een stoel zoekt; dan heeft hij er mee afgedaan. Bij kunstwerken, schoone natuurgewrochten, bij het in al zijne fazen zoo belangwekkend tooneel des levens verwijlt hij niet; hij spoort zijn eigen weg op, kijkt uit naar alles wat misschien eenmaal zijn weg zou kunnen worden, verzamelt plaatsbeschrijvende bizonderheden: met de komtemplatie als zoodanig verliest hij geen tijd. De man van genie daarentegen, bij wien het kenvermogen het overwicht heeft, en dus, althans ten deele, aan den dienst van den wil zich onttrekt, streeft er naar de idee van ieder ding te doorgronden en verzuimt vaak op zijn eigen weg in het leven te letten, bewandelt dien dikwijls onbeholpen genoeg. Terwijl voor den gewonen mensch het kenvermogen de lantaarn is, die zijn weg verlicht; is het voor den genialen mensch de zon, die de wereld bestraalt.

Geniale individuen hebben meestal de gebreken, welke het verzuimen van die manier van kennen na zich sleept, waardoor de wetenschap tot stand gebracht en het leven wijs en redelijk wordt ingericht. Het is een geluk voor hen, dat de felle en spontane inspanning, welke voor een willooze opvatting der ideeën vereischt wordt, niet onafgebroken kan voortduren; dat zij gedurende groote tusschenruimten bijna in ieder opzicht met gewone menschen gelijk staan. Vandaar dat men ten allen tijde het werken van het genie als een inspiratie heeft opgevat, als bezieling door een bovenmenschelijke macht, die periodiek den individu in bezit neemt. Gedurende zulke tijden hapert het aan scherpe opvatting van causaalbetrekkingen en beweegredenen, en is dus een geniaal mensch, in zoover en zoolang als hij dat is, uit een praktisch oogpunt onwijs. Ook staat de aanschouwelijke kennis, op wier gebied de idee te huis behoort, lijnrecht over aan de redelijke en afgetrokken kennis, die zich door het beginsel van den afdoenden grond laat leiden. Vandaar dat groote genialiteit en groote redelijkheid meestal niet gepaard gaan en omgekeerd geniale individuen dikwijls door onredelijke en hevige hartstochten worden meegesleept. De oorzaak daarvan is niet zwakte van het redevermogen, maar ten deele de buitengewone energie, die het geniale individu eigen is, en zich in heftigheid van al zijn wilshandelingen openbaart, deels het overwicht van de beschouwende kennis door zinnen en verstand op de abstrakte, welke uit kleurlooze begrippen bestaat: derhalve is de indruk, dien zij van het heden ontvangen, zoo buitengewoon machtig en sleept hij hen mee tot niet-overlegde handelingen. Daar hun kennis zich, ten deele althans, aan den dienst van den wil onttrokken heeft, denken zij in het gesprek niet zoozeer aan den persoon tot wien, als wel aan de zaak, waarover zij spreken, die hun levendig voor den geest staat; ze oordeelen onpartijdiger dan hun belang medebrengt en vertellen wat liever had moeten worden verzwegen; zij hellen over tot alleenspraken en vertoonen vele zwakke kanten, die aan waanzin doen denken. Dat genialiteit en waanzin aan elkander grenzen, ja in elkander overgaan, is dikwijls opgemerkt; zelfs heeft reeds Horatius de geestdrift van den dichter een beminnelijken waanzin genoemd. Pope zegt:

Great wits to madness sure are near allied, And thin partitions do their bounds divide. Aan waanzin is de groote geest verwant, En beiden scheidt slechts een zeer dunne wand.

Bij veelvuldig bezoek van krankzinnigenhuizen heb ik enkele lijders met onmiskenbaar grooten aanleg aangetroffen; hun genialiteit scheen duidelijk door den waanzin heen, die echter geheel de overhand had. Dit kan niet toevallig zijn, want het aantal waanzinnigen is betrekkelijk zeer klein, terwijl een geniaal individu een hoogst zeldzame uitzondering mag heeten. Ik wil kort mijn meening zeggen over den grond van de verwantschap tusschen waanzin en genialiteit.

De kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier gemeen, dat beiden tot het aanwezige beperkt zijn. Toch is er verschil. Het dier heeft geen voorstelling van het verleden, ofschoon het door de kracht der gewoonte er de werking van ondervindt; na jaren herkent de hond zijn vroegeren meester, d.w.z. ondervindt bij zijn aanblik den ouden indruk. Doch van den sedert verloopen tijd herinnert het dier zich niets. De waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede een valsch beeld van het verleden met zich rond en onder den invloed van dat beeld is hij niet in staat van het heden op de juiste manier partij te trekken, iets wat het dier wel vermag. Dat heftig geestelijk leed, onverwachte ontzettende gebeurtenissen dikwijls waanzin veroorzaken, verklaar ik op de volgende wijze. Voorzoover leed als werkelijke gebeurtenis tot het heden beperkt blijft, is het voorbijgaande en niet ondragelijk zwaar; overmatig groot wordt het eerst als blijvende smart, maar als zoodanig steunt het op het geheugen en is het dus gedachte; wanneer nu een uiterst smartelijk weten of herdenken een zoo ontzettende kwelling is, dat zij niet langer te dragen is en de individu er onder bezwijken zou, dan grijpt de in de engte gedreven natuur naar den waanzin als naar het laatste middel om het leven te redden; de zoo fel gepijnigde geest verscheurt den draad van het geheugen, vult de leemten met waanvoorstellingen aan en ontvlucht op die wijze zijn verdriet, gelijk men een door koud vuur aangetast been afzet en het door een houten vervangt. Als voorbeeld noem ik den razenden Ajax, Koning Lear en Ophelia. Hoewel scheppingen van het genie, zijn ze aan levende personen gelijk te stellen. Een zwakke overeenkomst met dezen overgang van smart tot waanzin is dat wij allen een pijnlijke herinnering, die ons plotseling invalt, werktuigelijk door heftige bewegingen of luide klanken trachten te verjagen om zoo met geweld ons zelven te verstrooien.

Men lette ook hierop, dat de geniale mensch de kennis van den samenhang der dingen uit het oog verliest. Eén geval geldt bij hem voor duizende, één ding vertegenwoordigt bij hem een geheele soort. Het objekt van zijn beschouwing verschijnt hem in zoo helder licht, dat de schakels der keten, waardoor het met allerlei andere dingen verbonden is, verduisterd worden, en dat juist is weer een punt van overeenkomst met den waanzin. Wat in het voorhanden ding slechts onvolkomen en door bijomstandigheden verzwakt aanwezig is, wordt door de beschouwingswijze van het genie tot volkomenheid verheven. Zoo ziet het genie overal uitersten en vervalt ook zijn handelen tot uitersten. Hij weet de rechte maat niet te treffen. Hij kent de ideeën, maar niet de individuen. Dikwijls heeft men opgemerkt, dat een dichter, die den mensch diep en grondig doorziet, zich door de menschen om den tuin laat leiden en een speeltuig is in de handen van den listige.

Het vermogen om ideeën te aanschouwen, ieder genie in buitengewone mate eigen, komt ook den gewonen sterveling in geringer graad toe; anders zou hij evenmin in staat zijn de gewrochten der kunst te genieten als ze zelf voort te brengen, en zouden woorden als schoonheid en verhevenheid voor hem louter klanken zijn. Het æsthetisch welbehagen is een en hetzelfde, het moge door een werk der kunst of door aanschouwing van natuur en leven te voorschijn worden geroepen. Dat uit het kunstwerk de idee duidelijker tot ons spreekt dan uit de natuur of het leven, moet daaraan worden toegeschreven, dat de kunstenaar in staat is alle storende toevalligheden, welke den glans der idee in de werkelijkheid verduisteren, opzettelijk weg te laten. De kunstenaar laat ons door zijne oogen in de wereld kijken. Dat hij die oogen heeft, waardoor hij het typische der dingen ontdekt, is natuurgave, maar techniek, verworven kunst is het, dat hij ons door zijn oogen kan doen zien.

Alle willen ontspruit uit behoefte, dus uit gebrek, dus uit lijden. Aan dat lijden maakt de vervulling der behoefte een einde. Maar tegenover één wensch, die wordt bevredigd, blijven er ten minste tien onvoldaan. De verlangens gaan tot in het oneindige, het begeeren duurt lang, maar de voldoening wordt kortstondig en karig toegemeten. Dikwijls is ze zelfs niet meer dan schijnbaar. De bevredigde wensch maakt terstond voor een nieuwen plaats. Gene blijkt de reeds gekende, deze is de nog onbekende dwaling. Duurzame, niet meer wijkende bevrediging is door niets te verschaffen. De vervulde behoefte is gelijk een aalmoes den bedelaar toegeworpen; zij rekt zijn leven voor heden, zoodat hij morgen opnieuw zijn ellende zal kunnen gevoelen.—Daarom, zoolang ons bewustzijn vol is van ons willen, zoolang wij aan den drang der wenschen met zijn gedurig hopen en vreezen ons overgeven, valt ons geen blijvend geluk, geen rust te beurt. Hetzij wij genot najagen of onheil ontvlieden, in den grond der zaak komt dat op hetzelfde neer: de zorg voor den steeds eischenden wil, onverschillig onder welke gestalte, neemt het bewustzijn in beslag en zweept het voortdurend verder. Zonder rust geen echt welzijn. Zoo ligt het subjekt van het willen voortdurend op het draaiende rad van Ixion, het schept bestendig in het doorzeefde vat der Danaïden, het is de eeuwig smachtende Tantalus. Gaat men daarentegen op in aanschouwing, vergeet men zijn individualiteit, verliest men zich in het objekt, daar het buiten alle betrekking tot andere objekten en ons zelf wordt opgevat, komt het als idee van zijn soort tegenover ons te staan en wordt zoo de mensch willoos subjekt van kennis, dan zijn voorwerp en subjekt beiden uit het gewoel des tijds omhoog gebeurd en komt het op hetzelfde neer of men uit een kerker dan wel uit een paleis de zon prachtig ziet ondergaan.

Zulk een toestand, waarbij het kennen het overwicht heeft op het willen, kan, indien de vereischte stemming des gemoeds er is, in iedere omgeving worden te voorschijn geroepen. Dit toonen ons de voortreffelijke Nederlanders, die hun objektieve beschouwing op de meest onbeteekenende dingen richten en een duurzaam monument van hun geestesrust in hun „stillevens” ons te aanschouwen geven. Wie die doeken ziet, voelt zich ontroerd, daar ze hem den stillen, rustigen, willoozen gemoedstoestand van den kunstenaar vertegenwoordigen, die noodig was om zoo nietige dingen met zoo groote liefde gade te slaan, en het beschouwde zoo bezonnen weer te geven; terwijl het beeld ons oproept om aan dergelijke stemming deel te hebben, wordt onze ontroering misschien nog verhoogd door de tegenstelling met ons eigen onrustig, heftig, troebel willen. In denzelfden geest hebben dikwijls landschapschilders, in het bizonder Ruysdael gearbeid en zoo dezelfde werking op nog blijder trant te voorschijn geroepen. Thans zal men begrijpen, hoe de door hartstochten voortgezweepte, door nood en zorgen gekwelde plotseling zich verkwikt, opgevroolijkt en overeind gericht kan gevoelen, wanneer het hem gelukt zich aan den slavendienst van den wil voor een oogenblik te ontworstelen en een enkelen vrijen blik op een schoon natuurtafereel te richten.

Die zaligheid van het willooze aanschouwen is het ten slotte, welke over het verleden en het vèr-afzijnde een zoo tooverachtig licht uitgiet en door zelfmisleiding dat alles veel fraaier doet schijnen dan het was. Immers als we lang verloopen dagen in een ver verwijderd oord ons voorstellen, dan zijn het de dingen alleen, die onze fantasie terugroept, niet het subjekt van het willen, dat toen evenzeer als thans zijn ongeneeselijk leed met zich ronddroeg. Dit laatste is vergeten, omdat het sedert voor zoo menig ander verdriet heeft plaats geruimd. Nu werkt de objektieve aanschouwing in de herinnering op dezelfde manier als de tegenwoordige dat zou doen, indien wij maar in staat waren ons willoos aan haar over te geven. Daardoor komt het dat, vooral wanneer wij meer dan gewoonlijk door nood en angst ons gekweld gevoelen, de plotselinge herinnering aan tooneelen uit het verleden en aan ver afgelegen oorden, als een verloren paradijs aan ons voorbijvliegt.