Part 2
Ziedaar een ruwe schets van het systeem, dat gedurende de tweede helft der 19de eeuw in driemaal honderdduizend exemplaren is verspreid geworden en thans, terwijl de zon van Nietzsche reeds begint te tanen, nog steeds opgang maakt. Ik heb eens door een beroemd landgenoot hooren zeggen, dat het hem even onmogelijk zou zijn de leer van Schopenhauer als den Heidelberger catechismus onvoorwaardelijk te beamen. Die woorden wil ik graag voor mijne rekening nemen. Als het onderscheid der individuen schijn is, rijst de vraag, wie er door dien schijn bedrogen wordt, en wie er met dien schijn bedriegt. Het eenig mogelijk, doch niet zeer verstaanbaar antwoord is hier: de oneindige wil draait zich een rad voor de oogen, is prooi van zelfmisleiding. Ik ben het met Schopenhauer eens: zoo’n dwaas en onzalig wezen behoort in het Nirwana weg te zinken. Alleen begrijp ik niet, hoe schepselen der inbeelding als gij, mijn lezer, en ik, daarbij een handje zouden kunnen helpen.
Toch vindt onze wijsgeer nog tal van volgelingen. Geen wonder. Zijne leer ligt in de lijn van zekere hedendaagsche geestesstroomingen. Zoo wordt aan het pessimisme thans meer dan ooit recht toegekend. Het geloof aan den vooruitgang is geschokt. Het wordt niet meer als een axioma beschouwd, dat alles zal terecht komen. Het optimisme, dat onze vaderen veroorloofde zich op de golven van het wereldgebeuren met blij vertrouwen te laten verder dragen, schijnt thans lichtzinnig en ietwat kinderachtig. Dat de natuur in menig opzicht onbarmhartig is en zich om lief en leed van hare schepselen niet bekreunt, is een bittere waarheid, voor welke de oogen geopend zijn. Steeds meer dringt de gedachte door, dat het menschelijk leven slechts in zoover zin en waarde heeft, als wij zelve in staat en gezind zijn er een belangrijken inhoud aan te verleenen. Zoo noopt het pessimisme tot krachtsinspanning volgens het woord van Schopenhauer zelf, die een van zijn boeken van het volgende motto heeft voorzien: „een gelukkig leven is onmogelijk; het hoogste wat wij bereiken kunnen is een heroïeke levensloop”.
Ook ligt het in den geest van onzen tijd het mysterieuse van ons bestaan te erkennen. Welnu, volgens Schopenhauer is de verschijning van den wil onder een individueelen vorm, in de gestalte van een kennend en denkend subjekt, een onoplosbaar raadsel. Op zijne wijze is hij evolutionist. Van de leer van Darwin, wiens boek kort vóór zijn dood verscheen, wilde hij niets weten. Dat het hoogere uit het lagere, het meerdere uit het mindere zou voortspruiten, scheen hem tergende onzin. Maar wel stond het bij hem vast, dat de openbaringen van den wil een rangorde doorloopen en dat de verschijning van bewustzijn en rede, geheel nieuwe feiten, al de voorafgaande lagere levensvormen onderstellen, gelijk deze weder de onbewerktuigde natuur. Ook hier kan dus de tegenwoordige tijd bij Schopenhauer aanknoopen. Zelfs het tegenwoordig zoozeer verspreide pragmatisme, dat waarheid als een instrument om te handelen beschouwt, vindt steun bij Schopenhauer.
Ook heeft Schopenhauer de leer van Kant weliswaar verminkt, maar tevens zóó gefiltreerd, dat ieder dilettant zich nu enkele hoofdtrekken er van met gemak kan toeëigenen. Ten slotte heeft hij met zijne beschouwingen over kunst en liefde niet enkel Wagner en Nietzsche, maar ook dichters, romanschrijvers en dramatici bezield. Volgens Schopenhauer is wie zich door den hevigsten van alle hartstochten laat medesleepen de onbewuste dienaar van de soort, zijn liefde en begeerte waanzin, jacht op de schaduw van een schaduw. Is het niet alsof men Flaubert leest? Het werk van Schopenhauer, die stoute synthese van Kantianisme, Platonisme, Indische wijsheid en Europeesche natuurkennis is nog in menig opzicht jong en frisch.
Arthur Schopenhauer werd in 1788 in de toenmalige vrije rijksstad Dantzig geboren. Zijn vader was een aanzienlijk koopman en veel ouder dan zijn moeder. Toen in 1793 Dantzig bij Pruissen werd ingelijfd vertrok de stoere republikein met zijn gezin, dat intusschen tot vier personen was aangegroeid, daar Arthur een zusje Adele had gekregen, naar Hamburg. De vader had zich voorgenomen van den knaap een koopman te maken, maar de aanleg van den jongen wees in andere richting. Toen de vader, misschien door zelfmoord, plotseling gestorven was, gevoelde de zoon zich verplicht den wensch van den overledene te eerbiedigen en nam hij dus plaats op de kantoorkruk. De betrekkelijk nog jonge weduwe ging zich vestigen in Weimar, waar zij de vriendschap van Goethe genoot, en talrijke, zeer bewonderde romans schreef. De brieven, die uit dien tijd bewaard zijn gebleven, doen Johanna Schopenhauer als een beminnelijke, verstandige en helderziende vrouw kennen. Zoo schreef zij in 1807 aan haar toen 19-jarigen zoon: „Ik ken uw hart en weet dat weinig menschen beter zijn dan gij. Maar al uwe goede eigenschappen worden verduisterd en als het ware verlamd door uwe aanmatiging. Ge wilt alles beter weten dan andere menschen, bij ieder behalve bij u zelven gebreken ontdekken en in uw omgeving steeds alles naar uwe hand zetten... Als ge niet waart die ge zijt, dan zoudt ge eenvoudig belachelijk wezen, maar nu verbittert ge allen tegen u”. In hetzelfde jaar schrijft zij hem nog: „Ik misken niet de goede kanten van uwe natuur en wat mij afstoot is niet uwe innerlijke gezindheid, maar uwe manier van beschouwen, veroordeelen, de wijze waarop ge u gedraagt. Wanneer ge eenige dagen bij ons doorbrengt, komt het altoos tot geweldige tooneelen om niets en minder dan niets. Uwe eeuwige jeremiaden, uw begrafenisgezicht, uw orakeltoon, dat alles drukt ter neer. Ik weet dat ge uw zwartgalligheid van uw vader geërfd hebt; tracht haar te overwinnen”.
In datzelfde jaar 1807 hield Arthur op klerk te zijn en begon hij zich met toestemming van zijn moeder tot de universitaire studiën aan het gymnasium van Gotha voor te bereiden. Satirieke verzen op een van de leeraren deden hem van daar verjagen. En nu kwam hij op het gymnasium te Weimar, maar zijn moeder wilde hem niet in huis hebben, en dus woonde hij bij een der leeraren. In den tijd van twee jaar bracht hij het zoo ver in zijn klassieke studiën dat al de verloren tijd was ingehaald en hij in 1809 als student bij de faculteit der medicijnen aan de Universiteit te Göttingen kon worden ingeschreven. Hij was nu meerderjarig, had zijn klein fortuin in handen, en las Tacitus, Horatius, Lucretius, Herodotus, zonder zich veel om de geneeskunst te bekreunen, die hem bij nadere kennismaking niet scheen aan te trekken. Prof. Schulze (Aenesidemus), die zijn aanleg voor de philosofie doorzag, gaf hem den raad voorloopig enkel Plato en Kant te bestudeeren. Dien raad volgde hij op, en zoo werd hij door die twee groote denkers met de gedachte vertrouwd gemaakt, dat de wereld der verschijnselen en het ding op zich zelf twee zijn. Veel vrienden aan de academie schijnt hij niet gehad te hebben. In het curriculum vitae, dat hij later bij de Berlijner faculteit indiende, schreef hij betreffende zijn studentenjaren: „mijn rijper leeftijd, mijn rijker ervaring en mijn ongewoon karakter maakten dat ik verlaten en eenzaam was”. In het vreemdelingenboek van een oud kasteel schreef hij 5 Sept. 1811:
„Wohl manches Mal saht ihr mich einsam wandern, Und ernst und einsam geh’ ich jetzt zu andern”.
Toch knoopte hij in Göttingen eenige vriendschapsbanden aan, b.v. met Osann en in 1820 noemde hij in een brief aan dezen gericht, de Göttinger jaren de schoonste van zijn leven.
Vandaar ging hij naar Berlijn, waar hij Fichte en Schleiermacher hoorde, niet Hegel. Met Prof. Fichte disputeerde hij hevig op diens privatissima. Door den vrijheidsoorlog, voor welken hij volstrekt niets gevoelde, in het schrijven van zijn dissertatie gestoord, week hij uit naar Rudolstadt in Thüringen, waar hij tot zijn vreugde geen soldaat te zien, geen tamboer te hooren kreeg. Hij zond het handschrift van zijn dissertatie per post naar het naburige Jena, vanwaar hij na korten tijd, eveneens per post, zijn doctors-diploma ontving. Zijn dissertatie verscheen onder den titel: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”. Van dit merkwaardig geschrift, dat als de inleiding tot zijn hoofdwerk kan worden beschouwd, heeft hij later een vermeerderde editie in het licht gezonden.
Arthur keerde thans naar Weimar terug, waar hij veel met Goethe sprak. Er was groot verschil tusschen die beide mannen, gelijk daaruit blijkt, dat Schopenhauer in 1813 aan den beroemden grijsaard kon schrijven: „Van u zelf weet ik, dat letterkundige arbeid voor u altijd bijzaak, en het werkelijke leven hoofdzaak is geweest. Bij mij is het omgekeerde het geval; mijn denken, mijn werk, dat alleen heeft voor mij waarde en beteekenis”. Maar tevens was er overeenkomst in geestesrichting. Beiden waren zieners en wilden putten uit de levende bron van ervaring en bewustzijn. Vandaar dat voor Schopenhauer de philosofie niet zoozeer wetenschap als wel kunst was. Hij streefde er naar een volkomen objektieve en door geen langwijlige redeneeringen bedorven wijsbegeerte te stichten, welke een echt kunstgewrocht zou zijn, daar zij „niet op den trant der philosofasters, van Fichte en zelfs van Spinoza, tusschen subjekt en objekt den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen zou dulden”. Goethe beschreef in die dagen, in een brief aan Knobel, zijn jongen vriend als een merkwaardig man, „die met helderziende koppigheid bezig is het kaartenspel van onze moderne philosofen in de war te sturen”. Met profetischen blik voegt hij er aan toe: „het staat te bezien of de meesters in het vak hem in hun gilde zullen opnemen. Ik vind hem vol geest”. Goethe, getroffen door de rol, die Schopenhauer in zijn dissertatie bij het meetkundig betoog aan de aanschouwing wilde zien toegewezen, spoorde hem tot optische studiën aan, waarvan hij zelf in die dagen vervuld was. Inderdaad deed Schopenhauer later als tweede van zijne geschriften een boek „Ueber das Sehen und die Farben” verschijnen. Vóór de publicatie had hij zijn manuscript aan Goethe ter beoordeeling toegezonden, maar ondanks al zijn dringen en smeeken was het hem niet gelukt aan den dichter, die hem telkens zeer beleefd antwoordde, een enkel teeken van goed- of afkeuring te ontlokken. Schopenhauer had het verschil der kleuren op een andere wijze dan Goethe het deed verklaard.
Johanna herbergde op dat oogenblik den romanschrijver Fr. Müller. Arthur toonde op zulk een wijze zijn misnoegen over de aanwezigheid van dien vreemdeling, dat de moeder er toe overging haar zoon de deur te wijzen. Dit geschiedde in Mei 1814. De breuk was onherstelbaar. Arthur ging naar Dresden en heeft noch zijn moeder, noch zijn zuster, met welke laatste hij ten minste voorloopig in briefwisseling bleef, ooit teruggezien.
In Dresden, destijds de artistieke hoofdstad van Duitschland, genoot Arthur veel van kunst. Ook had hij er enkele vrienden, waarvan er één aan Adele schreef: „Uw broeder is van nature teeder en gemoedelijk”. Intusschen werkte hij ijverig aan zijn: „Welt als Wille und Vorstellung”. Het boek verscheen in 1818 bij Brockhaus, maar werd zoo slecht verkocht en zoo totaal geïgnoreerd, dat de uitgeversfirma na verloop van eenigen tijd van het grootste aantal der exemplaren papierpap maakte.
Schopenhauer ging naar Italië. Zijn reis, gedurende welke hij in zijn journaal enkel philosofische gedachten neerschreef, werd op pijnlijke wijze afgebroken door de handelscrisis, die de firma trof, waaraan Johanna en Adele haar geheele vermogen en Arthur een aanzienlijk deel ervan hadden toevertrouwd. Hij verklaarde zich bereid met moeder en zuster te deelen wat hij nog had overgehouden, maar weigerde halsstarrig in de schikking te treden, die door de overige schuldeischers werd aanvaard. Hij had geen koopmansgenie, doch stond op zijn recht en wantrouwde de menschen, ten gevolge waarvan hij hier de wijste partij koos. Na een paar jaar stond de firma weer overeind en kreeg Arthur al zijn geld terug, terwijl moeder en dochter twee derden van haar fortuin verloren hadden.
Intusschen wist hij niet vooraf hoe de zaak zou loopen en trachtte hij zich dus aan de universiteit te Berlijn een positie als leeraar te scheppen. Op 23 Maart 1823 hield hij zijn proefles. Hegel opponeerde, maar Schopenhauer antwoordde zoo flink, dat hem de titel van privaat-docent verleend werd. Nu ging Schopenhauer een half jaar lang 5 uur college per week geven. Hij had weinig of geen succes. Was het, omdat hij dezelfde uren had gekozen als waarop Hegel zijne lessen gaf? Zoolang het intellektualisme zijn zegetocht nog niet voleindigd had, kon het voluntarisme in geen geval gehoor vinden. Nadat zijn fortuin zich hersteld had, keerde Schopenhauer naar Italië terug. Hij schrijft vroolijke brieven aan Osann en geeft een vermakelijke schets van den levenslust, de bedriegelijkheid en welgemanierdheid der Italianen. Toch keert hij weer naar Berlijn terug en slijt daar zes jaren van zijn leven, totdat de cholera in 1831 hem ten gevolge van een droom, waaraan hij waarschuwende kracht toekent, naar het gezonde Frankfort doet verhuizen. Hier blijft hij 27 jaren, tot aan zijn dood in 1860. Ervan overtuigd dat het uur van zijn beroemdheid zal komen, daar hij naar zijn inzien het wereldraadsel opgelost en aan de menschheid daarmee den grootst mogelijken dienst heeft bewezen, bewerkt hij een tweede editie van zijn „Welt als Wille und Vorstellung” en schrijft hij tevens zijn „Parerga und Paralipomena”, die als een toelichting op het hoofdwerk kunnen gelden. Ook verzamelt hij bij natuurvorschers en geneesheeren feiten, welke als openbaringen van den levenswil kunnen gelden en doet, wellicht op zijn eigen kosten, na een zwijgen van 18 jaren, in 1836 „Ueber den Willen in der Natur” verschijnen. Het boek wordt niet opgemerkt.
Zijn eerste voldoening van eigenliefde was, dat hij vermocht Rosenkrantz en Schubert te overtuigen dat niet, zooals hun plan was, de tweede, maar de eerste editie van de „Kritik der reinen Vernunft” bij de door hen voorgenomen uitgave van de complete werken van Kant moest worden gevolgd. Kort daarna in 1839 behaalt hij een gouden medaille met een verhandeling over de vrijheid van den wil bij de maatschappij van wetenschappen te Drontheim, maar een tweede prijsverhandeling over de grondslagen der moraal wordt door de maatschappij van wetenschappen te Kopenhagen afgewezen, vooral om het afschuwelijk schelden op de „drie Sophisten”, Fichte, Schelling en Hegel. Hij vereenigt de twee stukken en geeft ze uit onder den titel „Die beiden Grundprobleme der Ethik”. De kritiek zwijgt ook dit werk dood. Eindelijk, in 1851 gelukt het zijn eersten discipel, een Jood van Russischen oorsprong, Julius Frauenstaedt, een uitgever in Berlijn te vinden voor de „Parerga”. Dit boek slaat in. Men ontdekt dat Schopenhauer een onovertroffen schrijver van essays is. Nu is de nieuwsgierigheid naar zijn vroegere werken opgewekt. Hij krijgt erkentelijke brieven van Bahnsen, een leeraar aan een gymnasium, van Lindner, een Berlijnsch journalist, van Adam von Doss, een Beiersch jurist, enz. De inhoud is steeds dezelfde. „De schillen zijn mij van de oogen gevallen. Vol verrassing roep ik uit: Heureka!” Een man als Saint-René-Taillandier schrijft over hem in de Revue des deux Mondes. Challemel-Lacour bezoekt hem en schrijft in de Revue des deux Mondes van de ijskoude atmosfeer, welke hem bij die gelegenheid uit de half geopende deur van het „Niet” kwam toestroomen. Een niet minder bekend man, Foucher de Careil, dringt ook tot hem door en beschrijft hem als een grijsaard met levendige blauwe oogen, om welke een ietwat sarkastische glimlach speelt; het hooge voorhoofd met de uitstaande witte lokken verleent aan het geestig gelaat een stempel van zielenadel en voornaamheid. Zijn manieren zijn die van een man van de wereld. Hij is ouderwetsch gekleed met een witte das en een kanten jabot. Van nature teruggetrokken, laat hij zich gaan als hij met vreemdelingen te doen heeft en dan is zijn gesprek buitengewoon levendig. Hij strooit rond met latijnsche, grieksche, fransche, engelsche, italiaansche citaten; de uren vliegen als minuten voorbij en als de middernachtsklok slaat, vertoonen zijn trekken niet de minste vermoeidheid en het vuur van zijn blik is geen seconde uitgedoofd geweest.
Zoo was de avond van zijn leven de dageraad van zijn roem.
Toen op 18 Sept. 1848 het oproer door de straten van Frankfort trok, leende hij met de grootste bereidwilligheid zijn kijker aan den Oostenrijkschen officier, die van uit zijn vensters op het souvereine gepeupel liet schieten, dat ginds op den brug een barricade opwierp. Twaalf jaar later bleek, dat hij aan de soldaten, die bij de verdediging van de wettelijke orde invalide waren geworden, het leeuwendeel van zijn vermogen had nagelaten. Geldgeschenken waren toegewezen aan bloedverwanten, aan een oude dienstmaagd, die tevens zijn meubels en zilverwerk kreeg, en aan een tooneelprinses, die indertijd zijn hartevriendin was geweest. Ook zijn hond had hij niet vergeten; deze erfde f 300 voor zijn levensonderhoud. Frauenstaedt kreeg de manuscripten en op hem gingen al de auteursrechten over. Gwinner, rechter in Frankfort, uitvoerder van den laatsten wil, kwam in het bezit van zijn bibliotheek.
Het was in tegenwoordigheid van dezen Gwinner, dat Schopenhauer eens, na lang op het portret van de Rancé, den stichter van de orde der Trappisten, te hebben gestaard, op neerslachtigen toon zei: „Dat is het werk der genade”. Schopenhauer heeft de wereldverloochenaars, zijn heiligen, vurig bewonderd, maar zelf niet als een hunner geleefd. Hij was geen zonnige natuur, stak vol grieven. Zoo tegen de vrouwen, de schepselen met lange haren en korte gedachten. Zoo vooral tegen de Joden, die met hun scheppingsleer de Europeesche menschheid vergiftigd hadden. Hij was niet goedhartig, maar wel volkomen eerlijk tegenover zichzelf en anderen; hij meende alles wat hij zeide; dat was zijn kracht als schrijver. Hij was veel vatbaarder voor pijnlijke dan voor aangename indrukken. Reeds in zijn jeugd was het zoo. Twee jaar lang heeft hij toen met zijn ouders door Europa gezworven. Als hij aan armoedige hutten voorbijkwam, was zijn genot voor den geheelen dag vergald. Men begrijpt dat hij in Toulon van het verblijf der galeiboeven een onuitwischbaren indruk had gekregen. Hij heeft zich dikwijls zeer eenzaam gevoeld en zich ten slotte met de gedachte getroost: zoo is het lot der Koningen! Waarom is hij ongehuwd gebleven? In Venetië was hij zoo verliefd op een rijke jonge dame van goeden huize, dat hij, jaloersch van hare bewondering voor Byron, den introductiebrief bij den engelschen dichter, dien hij van Goethe had meegekregen, niet afgaf. Wij weten dit uit een brief van Arthur aan zijn zuster. Verder weten wij niets van deze episode in zijn leven. Wel weten we iets anders. Reeds in 1814 noteerde hij voor zich zelf een woord uit het Indisch geschrift „Oepnethak”: „als de kennis komt, verdwijnt de liefde”. Later werd datzelfde woord het motto voor een deel van zijn hoofdwerk.
Schopenhauer was hartstochtelijk in ieder opzicht. Wanneer een gedachte hem voor den geest zweefde, liet hij alles in den steek om haar op te vangen, en hare waarde te toetsen. Hij heeft de weelde van het genie gekend en was er van overtuigd, dat zijn intellekt niet aan hem zelf, maar aan de wereld toebehoorde, dat hij een zending had. Zijn denken is de éénheid van zijn leven geweest. Zijn altijd bezige geest was er steeds op uit om één en dezelfde gedachte toe te lichten. Want zijn stelsel bestond, gelijk hij zelf heeft erkend, uit ééne gedachte: de tegenstelling van verschijnsel en wil. Hij vergeleek het met Thebe, waar men door honderd poorten kon binnen treden en steeds op hetzelfde middelpunt uitkwam.
Op 4 Sept. 1860 werd hij dood op zijn kanapé gevonden.
Doch genoeg over Schopenhauer en zijn werk. Thans willen wij hem zelf het woord geven.
FRAGMENTEN UIT: „UEBER DIE VIERFACHE WURZEL DES SATZES VOM ZUREICHENDEN GRUNDE”
De echte wijsgeer zoekt overal helderheid en duidelijkheid. Hij is niet als een troebele, wilde, door regens gezwollen beek, maar als een Zwitsersch meer, dat, onbewogen, bij groote diepte, groote klaarheid heeft, welke de diepte zichtbaar maakt. De onechte daarentegen tracht, wel niet, volgens den stelregel van Talleyrand, door woorden zijn gedachten, wel echter het gebrek aan gedachten te verbergen. De onverstaanbaarheid zijner leeringen, welke het gevolg van de onklaarheid van zijn denken is, wijt hij aan den lezer. Dat is de reden, waarom in eenige geschriften, b.v. die van Schelling, de onderwijzende toon zoo dikwijls in den schimptoon omslaat; bij voorbaat scheldt hij op den lezer in de verwachting, dat deze niet zal verstaan.
Ons kennend bewustzijn behelst subjekt en objekt, niets meer dan dat. Objekt voor het subjekt zijn en onze voorstelling zijn is hetzelfde. Alle voorstellingen zijn objekten van het subjekt, en alle objekten van het subjekt zijn voorstellingen.
Nu is het hier echter zoo mee geschapen, dat alle onze voorstellingen volgens vaste wetten onderling verbonden zijn en niets wat, los gescheurd van al het overige, geheel op eigen voeten staat, objekt voor ons kan zijn.
Deze verbinding is het, zegt Schopenhauer, welke door de stelling van den voldoenden grond in haar algemeenheid wordt uitgedrukt, wanneer men de formule gebruikt: „Niets is zonder grond waarom het is”. Zoo kan men bij oordeelen vragen waarom zij waar heeten, bij veranderingen waarom zij plaats grijpen. Ginds vragen wij naar kengronden; hier naar oorzaken. Maar er zijn nog meer gevallen, waarin we het recht hebben waarom? te vragen. Waarom zijn b.v. bij dien driehoek de drie zijden aan elkander gelijk? Het antwoord luidt: omdat de drie hoeken gelijk zijn. Is nu de gelijkheid der hoeken oorzaak van de gelijkheid der zijden? Neen, want hier is van geen verandering, dus van geen werking, die een oorzaak zou hebben, sprake. Is zij enkel kengrond? Evenmin, want de gelijkheid der hoeken is niet enkel bewijs van de gelijkheid der zijden, niet enkel grond van een oordeel. Afgezien van het oordeel, moeten de zijden gelijk zijn, daarom dat de hoeken gelijk zijn. Er is hier een noodwendige verbinding tusschen hoeken en zijden, dus nog iets anders dan een verbinding tusschen twee oordeelen. De gelijkheid der hoeken is de zijnsgrond van de gelijkheid der zijden. Een vierde gestalte neemt het principe van den grond aan, wanneer het subjekt als willend wordt beschouwd. Men vraagt naar de beweegredenen van het willen, naar den voldoenden grond waarom er zoo gehandeld wordt als er gehandeld wordt.
Zoo is er dus vierderlei noodzakelijkheid, waarmee iets uit zijn grond voortvloeit. Er is logische noodzakelijkheid, waarmee de stellingen uit hare kengronden, er is physische noodzakelijkheid, waarmee de gevolgen uit hunne oorzaken voortvloeien, er is mathematische noodzakelijkheid, waarmede omdat het eene is ook het andere is, er is praktische noodzakelijkheid waarmee de handelingen uit hare motieven volgen. Alle noodzakelijkheid is relatief, geldt ten opzichte van haar grond. Absolute noodzakelijkheid, zonder grond, is onzin.
De wet der causaliteit bepaalt dat, wanneer een nieuwe toestand bij één of meer objekten der werkelijkheid intreedt, een andere toestand moet zijn voorafgegaan, op welken die nieuwe toestand regelmatig volgen moet. B.v. een lichaam vangt aan te branden: aan dien toestand van branden moet zijn voorafgegaan een toestand
1. van verwantschap tot de zuurstof, 2. van aanraking met de zuurstof, 3. van een bepaalden warmtegraad.