"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 7
Maar getrouwde of ongetrouwde „dames” konden toch niet het huis frequenteeren van iemand, die zijn europeesche bijzit elken dag als het ware in zijn voorgalerij ten toon stelde.
Een oogenblik aarzelde mevrouw Uhlstra. Neen, het was inderdaad terlaloe; zij kon het niet doen.
„Laat maar, ma!” zei Roos. „Ik zal morgen naar tante Clara gaan, en dan zal ik in de stad hen allemaal vragen voor een groote partij, ja! hier op Koeningan. Er is hier nog niets geweest, en we zouden het toch binnenkort verplicht zijn.”
„Zou het niet te vermoeiend voor je zijn,” vroeg Geber bezorgd met een „localen” blik.
„Nu juist niet. Als we tot later wachten, komt dàt er weêr tusschen.”
Het was waar; er viel niets tegen te zeggen; dàt kwam er tusschen met zijn ganschen nasleep! Ze waren het direct eens, nu, vroolijk en opgewekt, zonder levenszorgen of narigheid. Ze gingen maar dadelijk met grooten ijver aan het werk, tal van plannen makend, druk pratend over den te bepalen dag, de toebereidselen, de schikking, de uitnoodigingen; en mama reed in den namiddag, opgewonden van de drukte, naar huis, met in haar réticule een lange lijst boodschappen en een reeks onopgeschreven plannen en opdrachten in haar hoofd.
NEGENDE HOOFDSTUK.
TANTE JANSEN.
Het begon, toen ze thuis kwam, ’n beetje op te frisschen; de zon, in sterke declinatie, verwarmde haast niet meer, en ’n opstekend koeltje deed haar, na den vermoeienden dag, zuchten van genot.
Verbaasd keek ze toe, ziende bij het oprijden van haar erf, dat er veel menschen zaten in de voorgalerij. Zij zag haar man, zij zag een oude indische dame met sneeuwwit haar en in een wijde zwart merinosche japon, in vorm aan geen mode herinnerend; zij zag den notaris Stern, en natuurlijk Lugtens en Twissels, die altijd erbij waren, als er iets van belang werd verhandeld in het clubje waartoe zij behoorden.
Wat zou er nu weêr aan de hand zijn? Haar eerste gedachte, vastknoopend aan de voorgenomen buitenpartij, was: als er nu maar niets is gebeurd, dat ons plan doet in duigen vallen.
Allen zagen op, toen haar panier voor de stoep stilhield; de oude vrouw kwam haar jammerend te gemoet, de uitgestoken armen slaande om haar hals, het grijze hoofd huilend op haar schouder neerlatend.
„Leen, kindlief, tante Jansen nou heelemaal arm!”
Mevrouw Uhlstra keek verschrikt naar de mannen, die stil en ernstig voor zich zagen, met begrafenisgezichten; slechts de notaris met den ironischen pli in z’n gezicht, door het zien en hooren van zooveel menschen-dwaasheid erin getjapt, glimlachte.
„Wat is er dan toch gebeurd, tante?” vroeg mevrouw Uhlstra meêwarig, de oude vrouw opheffend, en onder den arm terugbrengend naar haar stoel.
„Wij hebben mevrouw gezegd,” zei Lugtens, terwijl zijn harde, onbuigzame stem somber door de galerij klonk, als las hij een doodvonnis, „dat haar uitgaven te hoog loopen. Haar goederen brengen dat niet meer op. Zij kan voortaan over geen cent meer beschikken dan drie duizend gulden per maand.”
Tante Jansen was in haar stoel gezonken: haar doffe, van rimpeltjes omgeven, oogen keken rechtuit; het slappe vel harer oude wangen hing droevig over de onderkaak af.
„Straatarm,” steunde zij, diep ongelukkig. „Straatarm, Leen, op mijn ouden dag!”
Wezenlijk hadden ze met het oude mensch te doen. Wel vonden ze het gek, dat zij sprak van arm zijn bij zulk een inkomen, maar dat was de quaestie niet. Zij, altijd gewoon geweest met geld naar willekeur om te springen, alsof een onuitputtelijk goudmijn haar ten dienste stond, zag zich nu beperkt tot een zeker bedrag, dat zij niet mocht overschrijden, wat zij toch onvermijdelijk doen zou. Mevrouw Jansen had een zeer reëel verdriet, en het deed er niet toe, hoe een ander daarover dacht, of men het verstandig vond of dwaas, verklaarbaar of ongerijmd, zij had het en zij gevoelde het.
„Straatarm!” herhaalde zij maar telkens, en het hielp niet of mevrouw Uhlstra haar troostte. Zij huilde nu en dan, haar eigen gedachtenloop volgende, vegend met haar zakdoek langs haar oogen, de vale, beenige hand bevend van aandoening. „Dat had Jansen eens moeten beleven!” zuchtte zij. „Het is gelukkig! Heer, Heer!” En toen alsof een gedachte, die zij nog niet had gesnapt, haar plots door het hoofd kwam, zich ontwikkelend tot een duidelijk denkbeeld, ging haar matte starende blik onverwacht over de mannen, die de oogen neersloegen, zich inwendig schamend, zonder te weten waarvoor. Want ze hadden toch hun plicht gedaan.
„Dat doen jullie me aan,” zei de oude vrouw. „Jullie! Ik zie je nog, alsof het op den dag van gister was; ik zie je nog alle drie als ondergeschikte employés bij mijn man.”
Zelfs Lugtens kon zich er niet aan onttrekken, al was hij de eenige, die teekenen gaf van ongeduld, en die kortaf zei:
„Dat heeft hier niets mee te maken, mevrouw. Wij konden niet anders tegenover u doen. Het kapitaal...”
„Ik zie je nog,” vervolgde zij, hem in de rede vallend, maar droomerig en in haarzelve. „Wat waren jullie onderdanig, als je een boodschap kwam doen of orders halen van mijn man. En nu hij dood is, doen jullie zóó.”
Het was voor de drie „groote” mannen heel onpleizierig. Uhlstra wenkte een lang en dik jongmensch, dat in een hoek der galerij stond te wachten, heel netjes aangekleed, lui en fatterig, maar uit slimme kleine oogjes rondkijkend.
„Kom tante, zouden we niet naar huis rijden. Isa zou nog komen.”
„Ja kind, laat ons maar naar huis gaan.”
Hij nam haar arm in den zijnen, groette de heeren zeer beleefd, en leidde de oude vrouw weg naar haar rijtuig. „Goeden dag,” had ze gezegd, en tegen mevrouw Uhlstra: „Dag Leen,” en zoo was ze aan den arm van haar neef naar haar rijtuig gegaan, al maar het hoofd zachtjes schuddend, mopperend bij haar zelve: „Ik zie ze nog komen! Ze waren nog zulke kleine klerkjes. Nu blaffen ze tegen me, nu Jansen al lang dood is.”
„Ze wordt suf,” zei Lugtens kwaadaardig toen het mooie, maar ouderwetsche rijtuig het erf afreed.
„Hi, hi,” lachte Twissels, „dat worden we allemaal, als we maar lang genoeg in het leven blijven.”
„Kasian!” klaagde mevrouw Uhlstra. „Het is toch wel ’n beetje hard voor haar.”
Haar man zei niets. Doch wrijvend in zijn korten baard, keek hij het rijtuig na, met een bezwaard gemoed.
Klaar en duidelijk stond tempo doeloe ook hem voor den geest, met den grooten Jansen, onder wien ze allen hadden gediend, dien koning in handel- en landbouwzaken, en het stemde hem onaangenaam, dat ze nu een maatregel hadden moeten nemen tegen die koningin van voorheen, die troonde op recepties zonder een versiersel en in een hoogst eenvoudig kleedje, maar met haar slavinnen achter haar, beladen met een schat van sieraden en edelgesteenten.
Het dikke neefje Jansen had in het rijtuig zijn spraak teruggevonden. Hij schold dapper op „die kerels”; hij noemde het nu rondweg een schandaal, bewerend dat tante bestolen werd, en „die kerels” mooi weêr speelden van het geld van oom Jansen. De oude vrouw, vermoeid, hoorde de ratelende stem van Cesar, ’n beetje hakkelend als hij er niet goed wist uit te komen, stil aan; zij verstond of begreep er niet de helft van bij het gedruisch der rijtuigwielen over den weg en het onsamenhangende in het gebabbel van den jongen. Maar ze begreep wel, dat Cesaartje, zooals zij haar lieveling noemde, van idee was, dat die brutale vlegels, gelijk zij de beheerders van haar vermogen betitelde, haar te kort deden. En dat geloofde zij ook. Dat iemand, een oud mensch met zóó weinig behoeften, meer zou kunnen verteren dan een fortuin, als door Jansen nagelaten, afwierp, was niet te gelooven, en geloofde zij ook niet; ze hadden haar vroeger dikwijls gewaarschuwd, maar zij had het beschouwd als kinderachtige bangmakerij en parvenuachtige zucht om wat te zeggen te hebben; meer niet.
Isa zat al te wachten; dat zag Cesaartje dadelijk bij het den hoek omslaan, het erf op. Het was zijn gewezen min en hij hield nog altijd heel veel van de inlandsche vrouw, die, toen hij zijn tante uit den wagen had gehaald, zijn hand kuste en met van vreugd stralende oogen zag hoe lang en dik hij was. Zij had een tros bijzonder mooie pisangs meêgebracht en eenige buitengewoon groote djeroeks.
De oude vrouw was in de marmeren voorgalerij vermoeid gaan zitten op een palembangschen wipstoel; haar roode shawl, afgegleden van de schouders, hing aan weerszijden over de armleuningen, een helle vuurvlek in het lichte wit van vloer en muren.
„Het zijn prachtige djeroeks,” zei mevrouw Jansen. „Hoe kom je eraan, Isa?”
„Van mijn broers erf.”
„Hoe maakt het je broer?” werd dadelijk belangstellend gevraagd: hij was immers de koetsier geweest van wijlen meneer Jansen, en die was altijd zoo over hem tevreden!
Maar nu maakte hij het heel niet goed; zijn oudste zoon kon in dienst komen op een kantoor, maar hij moest eerst een schuld afbetalen van driehonderd gulden aan den Chinees, die kassier was op ’tzelfde kantoor, en hem zou helpen aan het mandoorsbaantje. Daarover zaten ze nu erg in soesah, want als dat niet alles zóó ging, dan moest toch de Chinees zijn geld hebben, en het boeltje van den broer van Isa zou verkocht moeten worden. Zij praatten over het geval.
Isa had op de njonja gerekend, die was zoo rijk en zou wel hulp verleenen aan menschen, die haar gediend hadden en wel altijd zouden willen dienen!
Natuurlijk zou zij haar oude meid helpen! Zij dacht er niet aan het verzoek te weigeren, de voorgewende redenen te betwijfelen. Beslist wees zij de kraboes en de haarspelden met diamanten af, die Isa haar wilde tot pand geven. Aan zulke dingen deed zij niet; zij was er altijd een te groote dame voor geweest, het beleedigde haar bijna.
Mevrouw Jansen stond langzaam op, steunend op het marmeren tafelvlak en zacht naar binnen schuivend, waar haar geldtrommeltje stond, dat al van zóó ontzaglijk veel papier, goud en zilver de doorgangsweg was geweest.
Cesar was haar nagegaan.
„Neemt u de kraboes niet, tante?”
„Wat denk-je wel, kind?” zei ze met ’n donker gezicht, verontwaardigd.
„Het zou nu toch niet kwaad zijn,” meende hij. „Ze zijn heel mooi, en altijd het geld wel waard.”
„Cesaartje, Cesaartje!” vermaande de oude vrouw knorrig, woelend met haar stijve, eenigszins gekromde, handen in ’t trommeltje, onder het dooreen frommelen van groot en klein papier, de driehonderd gulden bijeentellend.
„Heusch tante, het is beter de kraboes te nemen. Die menschen hebben er niks aan.”
„Ik heb er ook niets aan; ik wil er niets mee te doen hebben.”
„Het is toch wezenlijk beter, tante. Ze brengen hun goed anders toch maar naar het pandjeshuis.”
„Het kan mij niet schelen, kind.”
„Maar dan halen ze het niet weêr terug, tante, en dan wordt het verkocht, zonder dat ze er ooit weêr iets voor krijgen.”
„Soedah! Laat maar.”
„Het is toch jammer, tante! Ze hebben er niets aan. En.... en...”
Zij schoof langs den gladden vloer weêr naar buiten, het geld in de hand, op den voet gevolgd door Cesar, die zeer bezorgde blikken wierp op het bankpapier.
Isa had de kraboes en de haarspelden weêr opgeborgen; zij wist immers toch wel, dat die maar voor een vertooning van eerlijkheid en goede trouw harerzijds moesten dienen, en de njonja besar er nooit aan denken zou preciosa in pand te nemen als waarborg voor geleend geld.
Cesar hield zijn tante, vóór zij nog de deur naar de voorgalerij had bereikt, terug bij den arm.
„Geloof me tante, u moet ze nemen. Denk eens aan, u hebt zelf niet zooveel geld meer.”
Verschrikt keek mevrouw Jansen den knaap in de kleine glinsterende oogjes, haast verborgen achter de vleeschwalletjes zijner dikke wangen. Daar had ze nu geen oogenblik aan gedacht. Met een diepen zucht stond zij stil. Het was waar! Zij moest zich behelpen; zij kon niet meer weggeven zooveel zij wilde aan de honderden vroegere slaven en slavinnen, oude baboes en minnen, oude koetsiers en tuinlieden, met hun kinderen en de kinderen van hun kinderen, die als een menigte parasieten op haar geld aasden, voor het meerendeel haar erf bewoonden, als bedienden werden gesalarieerd, zonder haast ooit iets te doen, of, als ze buiten woonden, niet nalieten haar regelmatig geld te komen afvragen, onder allerlei voorwendsels, zoogenoemd ter leen, met het vaste plan het nooit terug te geven.
„Ik kan het toch niet doen,” zei de oude vrouw weêr huilend.
„Ga even zitten, tante. Ik wou u maar iets voorstellen. Dan behoeft u je verder met niets te bemoeien.”
Onder den indruk van haar verdriet en dood-op van de soesah, liet zij zich door den knaap gezeggen, stil zitten gaande op een lagen europeeschen stoel, mooi van mahoniehouten fijn ornamentwerk, maar erg ouderwetsch.
„Laat u het mij maar doen, tante. Ik zal Isa het heel goed zeggen, en ik zal die dingen wel van haar nemen.”
Willoos gaf zij Cesar het geld. Met groote gezwindheid moffelde hij honderd gulden in zijn zak en de tweehonderd gulden in de hand, kwam hij met een nijdig gezicht buiten, Isa, die verwonderd opkeek, bevelend hem te volgen naar achteren.
„Jij denkt zeker,” zei hij, „dat ik jullie zal toestaan nog langer bij mijn tante te rampassen, hè! Dat zal niet zijn, hoor! Hier heb je voor ditmaal tweehonderd. En nu gauw de kraboes hier en de spelden. Die bewaar ik, en als je ’t geld terugbrengt, kan je ze van mij ook weêr ontvangen.”
Isa wilde eerst niet. Dàt was haar bedoeling niet geweest, want bepaald noodig had zij het geld niet. Zij wilde het enkel gebruiken om eens lekker feest te vieren, en hoe zou zij dat kunnen als zij haar versierselen niet had? Zij wilde tegenstribbelen, doch Cesar, die zijn ganschen kindertijd over dit schepsel met onbeperkte tyrannie had geregeerd, gaf haar zulk een gevoeligen stomp, dat zij stil jammerend en zuchtend het pand tegen het geld ruilde, en zeer teleurgesteld heenging.
In zijn kamer had Cesaartje ’n plezier van belang, terwijl hij, zonder voor het oogenblik verder naar zijn tante om te zien, op een canapé een cigarette ging liggen rooken. Alles wèl beschouwd zou het een lekker leventje blijven, ook al kreeg tante niet meer dan drie duizend pop in de maand. Op die manier zou hij er zelfs nog beter afkomen dan ooit. Hij zou die kraboes en spelden dadelijk naar het pandjeshuis laten brengen; betaalde Isa het geld, dan zou hij ze laten inlossen; habis perkara! Voor zijn tante kwam het er minder op aan, en als hij dit stelsel ’n beetje handig in praktijk bracht, kon hij heelemaal alleen de persoon wezen die van het geld van tante profiteerde. Het denkbeeld bekoorde hem in hooge mate. Hij stond in onderhandeling over een mooi rijpaard; hij zou het maar koopen; dat kon best! Daar zou hij dien namiddag werk van maken, nu had hij honger; hij zou achter eerst wat eten, en hij at inderdaad voor twee personen rijst en vleesch, tot zijn dik gezicht glom van benauwde oververzadigdheid. En al dien tijd zat de oude vrouw droevig te soezen over haar toestand; nu en dan een woord zacht mompelend, als kauwde zij het in haar haast tandenloozen mond, Isa en het geld vergetend.
Maar zij had geen rust. Nauwelijks waren haar de muizenissen uit het oude hoofd gegaan, zonk dat vermoeid achterover in den stoel en sliep zij een oogenblik in, of een herhaald zangerig en klagend: Tabé, njonja besar! kwam uit de galerij naar binnen en met de gemaakte schroomvalligheid van den inlander, die iets te verzoeken heeft, verscheen om het hoekje van de deur een hoofddoek, waar als het ware langzamerhand een bejaard inlander onderuit kwam. Hij kwam pindjam sepoeloeh roepia, of zooals hij ’t nog altijd noemde, uit den tijd van het papieren geld: recepis. Hij had een heel verhaal opgemaakt, dat hij met groote radheid van tong voordroeg, over een kind van een aangenomen dochter, dat gestorven was, ergens in den kampong, en dat ze geen geld hadden om te begraven, en nu zou de njonja besar.... Natuurlijk ging mevrouw Jansen naar haar trommeltje. Als de menschen toch eens wisten, dacht zij, op hoe groote lasten zij zat,—ze zouden er niet aan denken haar zóó gemeen te beknibbelen. Zij had voor haar zelve maar weinig noodig; een groot huis, mooie paarden en rijtuigen, welvoorziene kasten gebatikte en zijden sarongs en een schat van juweelen. Nu, dat behoefde niet meer gekocht te worden; dat alles bezat zij; verder gingen haar behoeften niet; zij at het liefst rijst van de warong uit het blad, en, behalve koffie, was schoon water haar eenige drank.
Maar al die menschen, die altijd geld noodig hadden, en die men toch niet kon wegzenden zonder het te geven!
„Njonja besar kan het wel deze maand van mijn loon afhouden,” zei welwillend de oude huisjongen met een strijkage en een trimakasi banjak de vier rijksdaalders in den zak van zijn baadje latende glijden.
Mevrouw Jansen wuifde stil met de hand, alsof ze zeggen wilde: snij nu maar uit. Ze wist waar dat afhouden van het loon op neerdraaide; ze was alweêr vergeten, dat ze tien gulden had weggegeven!
TIENDE HOOFDSTUK.
PESSIMISTISCHE OVERDENKINGEN.
Het groote feest te Koeningan zou twee dagen duren. Eerst had men het op drie gesteld, om van oude gewoonten niet af te wijken; maar de „positie” van Roos werd in aanmerking genomen. Het zou, meende mama, veel te vermoeiend voor haar zijn. Er kwam toch nog na het feest een dag van rameh-rameh voor de boedjangs, en dan had zij toch nog weêr drukte genoeg. Twee dagen en twee nachten,—het was toch al wèl! De heele familie was weken te voren in ’t getouw. Aan zaken kon haast niet gedacht worden. Eerst had de verzoening met tante Clara plaats gehad; zij en Roos hadden elkaar onder veel gehuil en zenuwachtigheid gezoend, links en rechts; toen, opdat het compleet zou zijn, had Geber, die, verlegen met z’n figuur, er tamelijk onbeholpen bijstond, ook een hand gekregen en een zoen; dat laatste vooral had hem bijzonder vreemd aangedaan. Hij vond het gek. Al de jaren, die hij tusschen zijn korte relatie met Clara en zijn huwelijk op het land had geleefd, op de gebruikelijke wijze, had hij daaraan zoo goed als nooit gedacht en gebeurde het—eer met schrik en tegenzin, dan met genoegen. Nu sedert hij wel en wettiglijk was getrouwd, en zelf de verplichtingen had, die hij ten volle besefte, en die hij vast van plan was na te komen, maalde het hem telkens door het hoofd, met een begin van begeerte, dat hij zijn best deed te onderdrukken, doch waarmeê hij meer moeite had dan hem lief was.
Een der drukke dagen van het feest was weêr afgeloopen. Er was een onophoudelijk verkeer tusschen Koeningan en de stad, met de rijtuigen der Uhlstra’s en der Geber’s; met karretjes vol boodschappen-doende bedienden, met grobaks, beladen met dranken, eetwaren en bedden. Tweehonderd gasten zouden twee nachten logeeren! Al wat maar eenigszins beantwoordde aan het begrip „kamer” was in beslag genomen, en nog schoot er ruimte te kort, want het waren niet de eersten de besten, die te gast zouden komen; het waren, zoo ambtelijk als particulier, de meest notabelen, en nu kon men wel de jongelui, die men natuurlijk voor de vreugde had gevraagd, bij troepjes logeeren, de bokken bijeen, en de geitjes bij elkaar,—maar voor de gehuwde deftigheden stelde men zich vanzelf veel hoogere eischen; het was onmogelijk het stelsel van „samenpakking” op hen toe te passen. Daarom had Uhlstra een groot bamboezen gebouw laten zetten, in twaalf kamers verdeeld, om het hoofdgebouw zooveel mogelijk vrij te hebben voor lieden als Markens, Lugtens en zoo.
Mama logeerde nu al acht dagen op Koeningan. ’s Morgens klokke vier was het of haar zenuwgestel gelijk een uurwerk tot springens toe was opgewonden; het liep door den heelen dag, zorgend, beredderend, van de kamers naar de goedang, vandaar naar de aankomende grobaks, lijstjes makend van wat er nog noodig was; iedereen onder hoogen druk en in sterke spanning brengend door onophoudelijk gepraat, door opdrachten en bevelen, tot de aan rust en kalmte gewende inlandsche bedienden heelemaal bingoeng waren, en het Geber als dronken makend naar de hersenen steeg.
„Goede God, Roos!” zei hij nu en dan. „Je ma, je ma!”
Zij lachte er hartelijk om.
„Ze zorgt maar lekker voor alles, weet-je. Als ik háár niet had, was het me niet mogelijk klaar te komen met den boel.”
„Dat is waar. Ze zorgt voor alles, ze werkt zich op; maar ’t is soms verschrikkelijk om te zien en te hooren. Ik word er halfgek van.”
Dat vond Roos allergrappigst. Zij was dit van haar moeder gewoon van kindsbeen af, en zij wist dus niet beter of ’t hoorde zoo. Zelf bleef zij er doodkalm onder, heel leukjes met haar als ’t ware elken dag toenemenden omvang door het huis loopend in een soort zeemansgangetje, de armen van het lijf, de handen min of meer bemorst met deeg voor taarten en gebakken, maar rustig en gemoedelijk haar gang gaand den heelen dag.
Tot ’s avonds.
Dan konden mevrouw Uhlstra en Roos nauwelijks den etenstijd afwachten, en gingen zij zoo vroeg mogelijk slapen om den volgenden ochtend de vertooning opnieuw te beginnen.
Geber zat den heelen avond alleen met z’n sigaar; zoo erg alleen als men ’s avonds zit in de binnenlanden. Dan pikirde hij ook al over het aanstaande feest en wat er voor noodig was; over zijn gasten, de manier om hen bij het logeeren te verdeelen, en ten slotte dacht hij dan vanzelf aan Clara, die met Lugtens de kamer naast de zijne zou betrekken. Hij drong het idee terug, maar het kwam na tien minuten of ’n kwartier als vanzelf weêr op den voorgrond....
Het maakte hem bang. Bij het halve licht der enkele lamp in de groote galerij, met de zwarte duisternis buiten den verflauwend uitstralenden kring, en in de stilte der eenzaamheid, had hij een gevoel, dat hem vrees aanjoeg en telkens weêr over hem kwam. Zou het de straf zijn? Zou men niets kunnen doen buiten de lijn van het conventioneel goede, zonder dat het zich wreekte vroeg of laat? Sleepte elke verkeerde handeling altijd haar eigen noodlot achter den mensch aan, vroeg of laat, zijn leven lang? Stond het vast, dat hij, nu zoo rustig en gelukkig, weêr onverbiddelijk zou gedreven worden in de richting, waarin hij beloofd had niet te zullen gaan?
Het was om te lachen! Men mocht dan eens ’n stommiteit doen, dacht-ie, maar daarmeê was het uit! Hij was niet ezelachtig genoeg zich tweemaal te stooten aan denzelfden steen. Eigenlijk was het toch een plezierige herinnering! Met het gewone spottende glimlachje op z’n gezicht, rookte hij welbehagelijk voort, den rook nakijkend, die opwaarts spiraalde. Als men altijd even behoorlijk en fatsoenlijk was geweest, moest het leven gruwelijk vervelend worden. Zoo’n enkele „grap” bleef altijd ’n goede herinnering; men denkt ten slotte meestal met meer sympathie terug aan z’n „stoutigheid”, dan z’n „braafheden”. Maar geen recidiven! Daar zou waarachtig niets van komen. Het zou hem belachelijk maken, zoo er nu nog iets bestond tusschen hem en Clara, die al ’n heel eind in de veertig was, terwijl hijzelf zoo’n jonge vrouw had, al was die wat ongracieus, vooral tegenwoordig.
In de slaapkamer had mevrouw Uhlstra zijn plaats ingenomen naast haar dochter; Geber ging in de gewone logeerkamer, ongezellig, alleen.
Hij mijmerde steeds voort.
Voor het eerst vond hij, dat het huwelijk soms iets tegen had. Als hij enkel met Roos op Koeningan was, deed ieder zijn werk, en daarna praatten ze samen en amuseerden zich met elkaar. Nauwelijks was er een derde iemand, of dat was uit.
Kwam er een mannelijk familielid of een vriend, dan had hij afleiding, en mocht zij het leven vervelend vinden; logeerde er een dame, dan kon hij zich als tijdelijk op stal gezet beschouwen.
Nu kwam nog dat ophanden kinderen-krijgen erbij, waarover de heele famielje Uhlstra zoo in haar schik was. En eerst die vervelende partij! Tien duizend gulden zou hem dat grapje, ruw-weg gerekend, kosten. Het leven was duur, vreeselijk duur, en wat had men eraan? Moeiten en kosten met een minimum genot. Mocht men ergens plezier in hebben, dan liet men het meestal na om ’t onfatsoenlijke of de soesah!