"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 6
Ze vingen nu aan er verder over te spreken, stil, bedaard fluisterend. Eenmaal had Uhlstra den naam van Geber genoemd als participant, maar Lugtens had het afgewezen met een kort gebaar en een enkel woord. De twee anderen wisten het wel. Lugtens was boos om het kleine feit, dat Geber niet met zijn vrouw op de partij was gekomen; dáárom mocht die niet meêdoen. Om hen heen zweefde de klank der feestvreugde, nu als een harmonie, dan in enkele schelle tonen, met een ruischenden ondergrond.
Dansen, drinken, schertsen; muziek en gelach! Zij stonden in het kantoor dicht bij elkaar, de gezichten ernstig, de voorhoofden van inspannend bij de zaak blijven en nadenken geplooid, in ruwe trekken het plan uitwerkend, door Lugtens met ’n enkel woord aangeduid. Uhlstra begon ’t helderder te worden; hij zag nu waarom men er hem ook had ingehaald; zijn kennis van de bevolking, zijn gemakkelijkheid in den omgang met inlandsche hoofden, zijn coulant spreken van het maleisch, dat waren zijn verdiensten, meer dan het geld, dat hij vlottend moest maken voor zijn aandeel.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
LIEVE JONGENS!
Mevrouw Markens zag, toen het rijtuig haar erf opreed, buitengewone beweging van heen en weêr loopende inlanders. Zij had geen woord gewisseld met haar man; zij hadden elkaar niets te zeggen.
„Wat zou dat beteekenen?” vroeg zij nu angstig, de hand reeds aan den knop van het portier.
„Houd je bedaard, Etienne; we zullen ’t wel dadelijk hooren.”
Maar zenuwachtig en al bevend van voorloopigen schrik, had ze de deur open vóór het rijtuig stilstond.
Markens hield haar tegen.
„Wees toch zoo onvoorzichtig niet, je zult zelf een ongeluk krijgen.”
Zij trok zich los en sprong op het pad; de grind schoof weg onder haar balschoentjes; zij viel achterover, schoon niet heel hard, en zijdelings op het gazon. Het maakte haar nog zenuwachtiger, en snel opstaand, zonder haar mooie sortie, die in het gras achterbleef, liep ze voort, Markens mopperend er achteraan, maar toch ook ongerust, over die beweging, waar men altijd alles zoo volmaakt stil en rustig gewoon was.
De stemmen der bedienden zwegen, en hun heen en weêr loopen hield op; zij stonden in de achtergalerij voor de deur; binnen brandde een laag licht.
„Eddy! Freddy!” had mevrouw Markens luid geroepen, haast struikelend over haar eigen voetstappen, in haar zenuwachtigen angst, overtuigd, dat den kinderen een ongeluk was overkomen.
„Hier ma!” zei een der jongens.
„Wat is er gebeurd? Is jullie iets overkomen?”
„Ja zeker, ma!” riep de oudste. „Ze hebben bij u gestolen, en nu zeggen ze, dat wij het hebben gedaan.”
De jongens in hun broeken en baadjes zagen er gezond en goed gebouwd uit, doch met iets ouwelijks en getrokkens in hun gezichten.
„Gestolen!” herhaalde hun moeder, verwonderd, en nu er geen lichamelijk ongeluk was gebeurd, weêr kalm: „Bij ons gestolen?”
Als in het begin spraken de jongens beiden te gelijk, meê voortgaande naar het boudoir van mama. Luid en schreeuwerig, brachten zij hun ouders bij een mahoniehouten spiegelkast, die openstond, het slot geforceerd; door elkaar vertellend, zeiden zij, dat ze een dief gehoord hadden en om hulp en malieng-malieng hadden geschreeuwd; toen waren de bedienden gekomen en die geloofden dat zij het hadden gedaan....
„Wat hadden gedaan?” vroeg Markens ineens.
„Het geld gestolen,” zeiden de jongens.
„Is er dan geld gestolen? Hoe weten jullie, dat er geld is weggenomen?”
De jongens stonden een oogenblik aarzelend, hakkelend bij het inslikken van het woordenrelletje, waar ze nog niet uit waren.
„Mijn beursje is weg met dertig gulden zilver,” zei mevrouw Markens tamelijk onverschillig. „De kinderen kunnen best weten, dat het in mijn kast lag; ze hebben het zeker hier zien liggen, als ze in de kamer waren.”
„Ja, het is het beursje van mama,” riepen de jongens te gelijk, „en er zaten dertig guldens in aan rijksdaalders.”
„Ik laat dadelijk den schout roepen,” verklaarde mevrouw Markens met verontwaardiging; „ik laat al de bedienden oppakken en in hun kamers huiszoeking doen,” en met ’n vaart naar achter loopend, waar het bediendenpersoneel nog stond, in een afwachtende houding, niet wetend of het zou blijven of weggaan,—viel zij woedend uit, hen scheldend voor dieven en inbrekers, dreigend met politie, gevangenis en dwangarbeid, terwijl Markens achter haar stond zonder eenige overtuiging, veeleer met twijfel en angst in zijn hart, maar een boos en ongenaakbaar gezicht trekkend, harmonisch dreigend met de kwade woorden zijner vrouw.
Toen zij had uitgesproken, kwam een oude huisjongen een stapje voorwaarts, het vastbeslotene in zijn uiterlijk, dat een inlander kenmerkt, als hij ten slotte zich heeft voorgenomen voor zijn rechten op te komen.
„Wij hebben niets gedaan,” zei hij. „Zij niet en ik niet. Ik hield hier zelf de wacht toen mijnheer en mevrouw uit waren. De anderen zaten voor hun kamers; ik kon hen zien in de verte bij hun lampjes. De sinjo’s schreeuwden, en ik ging dadelijk naar binnen; de anderen volgden. Er was niets. De kast stond open en de sinjo’s zeiden, dat er geld uit was. Wij weten van niets.”
Met nijdige gezichten schoten de jongens, die op hun bloote voeten naderbij waren geslopen, achter hun ouders vandaan.
„Hij liegt het, ma. Hij was al in de kamer, en hij moet het hebben weggenomen ook!”
Mevrouw Markens wond zich meer en meer op.
„Hoor je het?” vroeg zij haar man, die met de kin in de hand en ’n somber gezicht voor zich keek. „Hoor je het? De kinderen hebben het dieventuig zelf betrapt, en nog durft die kerel het ontkennen. Maar ze zullen het weten, dat beloof ik hun. ’t Is maar gelukkig, dat de kinderen het ontdekt hebben.”
De bejaarde inlander, die goed Hollandsch verstond, trok, nu ook inwendig zenuwachtig, aan de randen van zijn baadje, zich bedwingend om niet uit den goeden toon te vallen en brutaal te worden.
„Ik zou gaarne mijnheer even alleen spreken.”
„Je hebt niets alleen te spreken met mijnheer! Je kunt wel zeggen, wat je te zeggen hebt, waar ik bij ben.”
Die „onbeschoftheid” bracht haar bijna buiten haar zelve. Zij zou genegeerd worden en niet gerekend als nummer één in huis door zoo’n verachtelijk voorwerp als een inlandsche bediende! En Markens, wel voelend, dat er verschrikkelijke scènes stonden te gebeuren, als hij den inlander z’n zin gaf, knikte op haar woorden toestemmend.
„Wat je te zeggen hebt,” zei hij tot den bediende, „moet mevrouw even goed hooren als ik.”
De man schraapte zijn keel; het viel hem moeilijk; toch zei hij met vaste stem:
„De sinjo’s hebben het geld weggenomen. Zij hebben het verborgen in hun bed. Zij nemen wel iets meer weg, dat zij daar verstoppen. Ik heb het al lang geweten, en de anderen weten het ook.”
Zij stonden allen verslagen een oogenblik. Markens had het zien aankomen. Zijn oude inspecteursgevatheid had hem dadelijk doen opmerken wie de schuldigen waren. Nu had hij zekerheid voor zichzelf, en bij de groote smart, die over hem kwam, doorstroomde hem ook heelemaal het gevoel van een onafwijsbaren plicht, die ten koste van alles moest vervuld worden.
„Wij zullen het dadelijk gaan onderzoeken.”
Zijn vrouw had een oogenblik verslagen gestaan, met een instinctmatige beweging als om haar jongens te beschermen, die gluiperig en nijdig, met witte lippen, rondkeken zijlings uit met hun harde hielen trappend naar de bedienden. Nu zij dàt hoorde, werd zij in eens zichzelf; had zij haar hooghartigheid en trots terug, en kalm, minachtend van toon, vroeg zij:
„Zou-je dat werkelijk doen?”
„Ongetwijfeld.”
„Zou-je mij en mijn kinderen die schandelijke beleediging durven aandoen?”
„Het moet onderzocht worden.”
„En ik zeg je, dat het niet zal gebeuren.”
Hij haalde de schouders op, als iemand, die met een dwaze te doen heeft en wierp een harden, strengen blik op de jongens.
„Ed, Fred, ajo, vooruit!”
Maar zij hield ze terug, bevend van het hoofd tot de voeten, en gillend haast in haar toestand van zenuwachtige overspanning; gebiedend in haar houding met uitgestrekten arm en wijsvinger, riep ze:
„Markens, het gebeurt niet. Ik verbied je mij die schandelijke vernedering aan te doen tegenover mijn leugenachtige bedienden, of ik verlaat dadelijk dit huis.”
Het waren „haar” kinderen en „haar” bedienden; de zijnen waren het, naar haar oordeel, blijkbaar niet. Zij zei dat altijd zóó, en altijd hinderde het hem. Nu vooral, trof hem zoo diep haar vijandige houding tegenover hem, waar hij niets wilde doen dan zijn plicht. Altijd was hij goed, meegaand, zachtzinnig geweest, onder den invloed van haar steeds op den voorgrond gestelde afkomst-superioriteit, als ware die van haar een persoonlijke verdienste, altijd had hij haar behandeld met toegevendheid en onderscheiding en zich zoo weinig hoofd betoond van het gezin, dat hij het metterdaad ook reeds lang niet meer was. Nu het zóóver gekomen was, dus te laat, kon hij niet meer. Hij vergat de gewone nette verhouding, die hij altijd, schoon gedwongen, in het oog had gehouden bij verschil; zijn gezicht werd rood en zijn voorhoofd zwol van toorn.
„Dan donder-je maar op! Ed, Fred, ajo, vooruit!”
En het rechterbeen uitstrekkend, gaf hij Freddy een harden schop. De jongens waren nog het meest verschrikt. Zóó kenden ze hun vader niet; hun harten bonsden, angstig liepen ze naar hun kamer. Even had mevrouw Markens haar hand tegen den muur gesteund, wankelend op haar beenen, nu ze gevoelde, dat alles verloren was, en niets haar helpen kon in de verdediging quand même van haar kinderen,—maar ook door de herinnering. Dat was dezelfde ruwheid van dertig jaren en langer geleden van haar dronken vader, die haar elken dag sloeg, en van haar slechte sujetten van broers; dezelfde verschrikkelijke toon, dien zij zoolang had getracht te vergeten, dien zij meende nooit weêr te zullen hooren en die nu opeens terugkwam als een opdoemend verschrikkelijk verleden in het barsche: „Dan donder-je maar op!” van haar anders zoo goedigen, volgzamen man!
Het duurde niet lang. Zij liep hem na; zij moest weten hoe het zou afloopen; zij moest erbij zijn om haar kinderen te verdedigen.
Toen zij binnenkwam was de klamboe van het bed wijd open, lag de bultzak omgeslagen. De jongens stonden erbij in grooten angst, bijtend op de nagels hunner bevende vingers. En bij ’t schijnsel van het nachtlampje, dat de oude bediende omhoog hield, zag zij zilvergeld blinken in de hand van Markens en hoorde zij het rammelen op de onderlagen. Er kwam meer uit dan het geld; half leege conserveblikjes; voorwerpen, die zij meende verloren te hebben of die zoek waren geraakt; snoeperijen uit den koekbakkerswinkel; een nog volle flesch port en restantjes andere dranken,—een kleine goedang.
Wanhopig keek Markens naar de jongens; in zijn schrikkelijk verdriet een opwelling van razende woede, een lust hen dood te slaan in één slag.
„O God,” riep zijn vrouw, de handen samenvouwend en in theatrale houding vlak voor hem. „Hoe schandelijk, hoe gemeen! Dat heeft dat volk er met opzet in verborgen om mijn lieve kinderen ongelukkig te maken!”
Doch van politie, gevangenis en dwangarbeid sprak zij niet meer.
„Ik zal jullie morgen wel vinden,” was alles, wat Markens tegen de jongens wist te zeggen, en hij wist daar op dat oogenblik zelf niet bij wat hij den volgenden dag doen zou. Hij zei het enkel om iets te zeggen, blij, dat het schandaal in zoover was afgeloopen; en Eddy en Freddy waren niet minder blij, dadelijk gekheid makend en stilletjes scheldend op hun vader en de bedienden, die ze wel „zouden krijgen;” zonder eenig gevoel van spijt om hun gedrag, heelemaal doortrokken met de eigenschappen van den ontaarden tak waaruit hun moeder voortkwam, en die zich in hun geest en wezen als photographisch had overgebracht.
Het was Markens niet mogelijk geweest te slapen; hij zat in zijn studeerkamer, beproevend na te denken, doch onder den invloed van het oogenblik er niet toe in staat. Nu en dan rolden de tranen hem over ’t gezicht. Wat moest daarvan worden als hij eens dood was? Hij had nu een goed inkomen, dat hij niet onaanzienlijk wist te vermeerderen, wel zonder rechtstreeks iemand te benadeelen, maar toch op een manier, die het daglicht niet kon verdragen. Zij zaten met dat al in schulden, al was hun gezin maar klein. Het had hem alles minder kunnen schelen, wanneer hij slechts genoegen van die twee jongens had beleefd. Doch dat was nooit gebeurd, en nu—hadden zij zich schuldig gemaakt aan diefstal, en niet eens voor de eerste maal. Misschien zou hij, als hij er ernstig naar streefde, paal en perk kunnen stellen aan dat alles, maar wat zou het baten? Zijn vrouw zou wel een tegenwicht ten kwade leveren, en dan was alle moeite toch vruchteloos; dan groeiden zijn kinderen toch, om zoo te spreken, op voor galg en rad!
ACHTSTE HOOFDSTUK.
MEVROUW UHLSTRA NAAR KOENINGAN.
Toen de Uhlstra’s van de partij naar huis reden, was hijzelf bijzonder stil en teruggetrokken. Zoolang de meisjes erbij waren, had mevrouw aanspraak genoeg; maar toen ze ’s avonds alleen waren in hun slaapkamer, vroeg zij:
„Ben je niet lekker, vent?”
„Welzeker. Mij scheelt niets.”
„Je bent zoo stil. Ik dacht, dat je iets mankeerde. Heb je veel verloren?”
Hij haalde de breede schouders op met een woest schokkende beweging van verontwaardiging. Welk een mal vrouwenidee!
„Hoe kom je erbij!”
Zij zat op een lagen divan, de beenen kruislings onder het lijf, de armen slap neêrhangend over de knieën, het haar, los uit het stijve kapsel, op den rug; in haar sarong en onderlijfje net een inlandsche vrouw tusschen twee leeftijden, maar forscher en, behoed tegen de ellende van het mohamedaansche vrouwenleven, in haar gezondheid en kracht geconserveerd. Hij, ook donker, maar heel anders, meer zuidelijk europeesch, met zijn korten zwartgrijzen baard en zijn breed gedrongen dik lichaam, een heel eigen type; een uit den gascogneschen boerenstand,—zat tegenover haar op een stoel, tobbend met zijn schoenen, die hij niet aan had kunnen krijgen, en die nu niet van zijn uitgeloopen voeten wilden; mopperend over ’t gemis van ’n laarzenknecht.
„Er is toch iets.”
„Nu ja, er is ook iets. We hebben weêr een groot plan opgezet.”
„Doen Lugtens en Twissels ook mee?”
„Natuurlijk.”
Zij was blij; zij wist dat haar man een goed planter was en een tamelijk administrateur; maar voor zulke verder strekkende zaken achtte zij hem alleen niet berekend.
„Natuurlijk!” ging hij voort, met een zucht een vrijgeworden bottine wegschoppend. „Het is weêr ’n mooi dingetje. Ik zal er voor op reis moeten naar de buitenbezittingen.”
„Met je hoevelen doe je?”
„Wij drieën; anders niemand.”
„Geber niet?”
„Dat is het juist. Ik had zoo graag gezien, dat hij er ook was ingekomen. Als je eenmaal in zulke zaken bent met een clubje, ben je goed af. Je gooit elkaar den bal maar toe. Geber kent Lugtens z’n zwakke zijde: op z’n feesten moet je komen. En nu, het eerste na hun huwelijk, ik geloof zoo half en half te hunner eer, is hij dom genoeg om weg te blijven.”
„Maar Roos...”
„Jawel, ik heb gezegd, dat ze ziek was, doch dáár kan je hem niet mee foppen. Hij was er nijdig om.”
„Zei hij dat?”
„Dat hoefde niet. Ik zag het. Ik wierp een appeltje op om Willem meê te laten doen; maar hij schudde van neen, en deed net of hij een muskiet afsloeg.”
„Dus is Geber er nu heelemaal buiten?”
„Natuurlijk.”
„Is het veel roegie?”
„Dat zal waar zijn! Het is een groote affaire, waarbij dat andere ding maar kinderspel is.”
Mevrouw Uhlstra zuchtte ervan. Daar had-je het nu! Zoo kwam na jaren zooveel bij dien Geber boontje nog om z’n loontje! Dat kon zoo niet blijven; zij moest er een eind aan maken.
„Kom,” zei ze, „laat ons maar gaan slapen. Sajang, ja? Maar als er toch niets aan te doen is,—soedah-lah!”
Zij had een besluit genomen en sliep er dadelijk op in, terwijl Uhlstra nog voortpikerde over de nieuwe onderneming, die hem door ’t hoofd maalde, en waarop hij nog onvoldoenden kijk had. Toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, sliep hij vast; zonder hem te wekken, ging zij stil heen, baadde en trok ’n mooie kabaai aan in zenuwachtige haast; zij wilde voorkomen dat haar man pogingen deed haar gaan naar Koeningan te beletten; ook dat hij zelf meêging; ze was blij toen ze eenmaal in de lichte panier zat en de mooie paarden in gestrekten draf over den straatweg vlogen.
Te Koeningan sloeg ze in als een bom. Geber was juist terug van de velden, hij at ’n boterham, terwijl Roos met hem aanzat, haar nassi etend met de vingers uit een pisangblad. Rustig en gemoedelijk spraken ze over zijn nieuwen aanplant en hoe mooi die al begon op te komen; heel kleintjes uit den grond staken de spruitjes omhoog, maar zoo aardig en zoo kerngezond! Zij hoorde het aan, plezierig, en aandachtig luisterend; het was voor haar ’t bekende terrein, dáárover had ze altijd gehoord; dáárvan had ze verstand; dàt en het paarden dresseeren, de melkerij, het klapperolie maken, vruchten inleggen, kwee-kwee bakken, sambal-sambal bereiden,—dàt bracht haar in vuur; enthousiasmeerde haar.
„Eeh!” riep ze met een van de rijst vochtigen wijsvinger naar buiten wijzend: „Daar is ma!”
Ze lieten hun tweede ontbijt in den steek; Roos, die blufte op haar aankomende „positie,” liep haar moeder te gemoet, met wat noodeloos vertoon in gang en houding, net of het al heel wat was; maar ze vergat dat, toen ze het strak en boos gezicht zag en het vertoon van vastbeslotenheid, waarmede mevrouw Uhlstra uit den wagen stapte.
„Daar heb je wat moois uitgevoerd,”—zei ze tegen haar dochter, met groote bazigheid de trap naar de voorgalerij oploopend, Geber voorbij, zonder hem te zien.
„Zeker omdat we gisteravond niet op die partij zijn geweest!”
Geber hielp zijn vrouw.
„Ten slotte zullen wij toch wel thuis kunnen blijven, als we niet uit willen gaan.”
„Wel zeker! Jullie behoeft je aan niets te storen! Je denkt maar, dat het genoeg is hier te zitten, hè! En als je naderhand een groot huishouden hebt, dan komt het er niet op aan, of je iets meer bezit dan enkel Koeningan.”
„Ik begrijp er niets van,” zei Roos kwaad.
„Ik ben dan blij, dat papa zoo niet heeft gedaan, en ik ook nooit te lui ben geweest om in de wereld mee te leven.”
„Ma, praat toch asjeblieft zoo mal niet.... U weet heel goed waarom ik niet bij tante Clara wil komen!”
„Heeft Geber.... heb jij....”
Zij kon er niet uitkomen. Dat was haar te machtig. Een man die aan zijn vrouw zulke dingen vertelde!
„Ja, hij heeft me alles verteld, en dat is goed van hem geweest, ma; heel goed!”
Zij schudde het hoofd, een oogenblik verslagen; doch niet lang. Als het zóó was, zou zij er niet over tobben, al begreep ze het niet. Voor die „zanikerij” was zij niet gekomen.
„En ben je daar zoo verschrikkelijk kwaad om, Roos? Zoo’n oude geschiedenis, waaraan geen mensch meer denkt!”
„Dat is het juist, ma! Zij denkt er wèl aan; dat heeft ze immers bij mijn trouwen getoond.”
„Maar als ze dat eens niet had gedaan en je hadt het toch geweten.”
„Ja, dan zou het mij weinig hebben kunnen schelen!”
Het deed Geber onaangenaam aan; zij stond in het heldere licht met haar volle figuur, rustig en in stille vastberadenheid; zij sprak met haar moeder en niet met hem. En al was het over hem, dat feitelijk hun gesprek liep,—althans had zijn persoon een groot en dubbel aandeel daarin,—het was weêr net of hij er vijfde-wiel-aan-den-wagen-achtig buiten stond.
Het was niet de oude fout, die Roos had geïmpressionneerd; het was de nieuwe. Niet zijn vroegere verhouding tot tante Clara hinderde haar,—enkel haar eigen tegenwoordige.
„Zij heeft er nu spijt van,” zei haar moeder. „’t Is immers al te gek, Roos. Was zij niet altijd lief en goed voor je? Zij wil het nog zijn, net als vroeger.”
Een oogenblik aarzelde de jonge vrouw; heel haar indisch familiezwak kwam, streed en overwon.
„Nu,” zei ze, „als zij wil!”
Zoo hij het land had aan den eenen kant over zijn ondergeschikte rol in de familieaangelegenheden, aan den anderen verheugde hem de aanstaande vredestoestand; maar hij wou ’t niet zeggen, bang dat Roos zijn instemming verdacht zou vinden.
Na nog wat heen en weêrpraten, vroeg zij zelf hoe hij erover dacht.
„’t Is mij hetzelfde. Ik ben papier blanc. Je kunt weêr wèl met elkaar zijn of niet, ’t kan me niks schelen.”
Zijn vrouw en zijn schoonmoeder keken hem aan, wantrouwend, onderzoekend. Hij had te slim willen zijn. Had hij ronduit gezegd, dat hij ervóór was of ertegen, zij zouden gerust zijn gesteld. Zijn oppervlakkige westersche geslepenheid was voor haar kinderspel. En al hield hij er het onnoozelste gezicht bij, zij geloofden hem toch niet.
Mevrouw Uhlstra gleed maar stil over dien twijfel heen; die mocht haar niet afbrengen van het doel.
„Wij moeten nu zien te bewerken, dat Lugtens niet meer boos op jullie is; die nare vent!”
„In ’t geheel niet,” vond Geber. „Laat dat maar aan mij over. Ik ben altijd heel wèl met hem.”
Zij wilden er niet van hooren. Wat wou hij zeggen: dat hij dien gemeenen Lugtens kende? Het leek er niet naar. Zij kenden hem en wisten hoe hij was. Lugtens vergaf nooit iets, beweerden zij; hij was wraakgierig; nooit zou hij, als hij ’t kon beletten, toestaan dat Geber weêr „ergens” inkwam, tenzij hij nu goed werd bewerkt.
„Ik zal er,” zei mevrouw Uhlstra ten slotte, „met Twissels over spreken; dat is de eenige, die invloed op hem heeft,” en in haar doorgaande drukte, instinctmatig blij nu en dan zelfstandig handelend te kunnen optreden, verklaarde ze dienzelfden dag nog naar Twissels te zullen gaan.
„Waar?” vroeg Roos.
„Wel, aan zijn huis.”
„Maar, maatje!”
Geber vond het ook te gek. Iedereen wist, dat Twissels, die ongetrouwd was, een jong indo-europeesch meisje had als „huishoudster”, en dat was nu juist het ergste niet, maar hij ontzag zich niet de deern bij zich te laten zitten in de voorgalerij, waar ze hem ’s middags ’n kop thee schonk; ja, men wist zelfs, dat hij, als er ’s avonds een hombertje ten zijnent werd gemaakt, zich niet ontzag Louisa uit te noodigen een praatje met de heeren te komen maken; maar dan had hij ook vast een grogje te veel gebruikt.
Men had hem vertrouwelijk gewaarschuwd. Zoo hij een onbemiddeld man of iemand zonder invloed was geweest, zou het bij waarschuwingen niet zijn gebleven; men had hem links laten liggen. Dat kon men een groot, vermogend koopman, met zooveel relaties, en dien ieder op z’n beurt eens noodig had, niet doen. En hij stelde zich vierkant boven de wet der maatschappelijke vormen.
„Als je haar niet zien wilt, hi, hi!” zei hij, „doe je maar je oogen dicht, hoor!”
Lugtens had hem boos en nadrukkelijk op het onzedelijke gewezen en een soort van standje gemaakt, zooals hij het zijn employés zou gedaan hebben op ’t kantoor of zijn vrouw thuis.
Daar was Twissels kwaad om geworden, en ’n beetje bleek; maar hij had het niet laten merken.
„Vooreerst moest jij je,” had hij zangeriger en fijner dan ooit gezegd, „niet met mijn zaken inlaten. Ten tweede heeft Louisa zich niet over mij te beklagen. Zij heeft het heel goed, en kom ik te sterven, dan krijgt zij het nog beter. Zij is tevreden met haar lot; zij heeft het haar leven lang zoo goed niet gehad, menige getrouwde vrouw heeft het in alle opzichten slechter.”
Lugtens had hem wel over zijn eigen ballustrade naar buiten willen gooien, maar bij al zijn autocratische eigenschappen bezat hij tact genoeg om ter wille van particuliere geschillen nooit de zaken uit het oog te verliezen. Hij gleed heen over een zinspeling, die hij heel goed begreep.
„Trouw haar dan,” zei hij.
„Merci! Ik ben, Goddank, niet gek. Zij is voor mij een perfekte huishoudster en ondergeschikte; zij zou een onuitstaanbare vrouw des huizes voor mij zijn. Ik ben te oud en niet dom genoeg mij door zulke grappenmakerij te laten lijmen.”
Er was niets aan te doen. Geen argumenten, ontleend aan de openbare, de algemeene of de bijzondere moraal, hadden op Twissels vat; en er was niemand, die voor zichzelf het vraagstuk dier moraal als zoodanig zwaarwichtig genoeg vond om er met een man als Twissels gebrouilleerd over te raken.