"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 28
Zij sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem, zooals ze het nog nooit had gedaan.
In hun zonderlingheid, met haast geheele afwezigheid van zuiver goede eigenschappen, waren ze veel, heel veel van elkaar gaan houden, en hoeveel dat was, voelden ze nu eerst. Roos had op dat moment alles willen geven, om hem te vrijwaren, en alles zou Freddy volmaakt onverschillig zijn geweest, als hij Roos maar had kunnen meênemen. Zij hield hem snikkende aan haar hart gedrukt, en hij, heel ontroerd, sprak haar bemoedigend toe en kuste haar.
Toen hij weg was, zat ze verbijsterd rond te kijken; heelemaal suf; er niets van begrijpend. Was het mogelijk dat haar man nu het huis uit was en in de gevangenis? En wat zou ze aanvangen? Intusschen reed Freddy langs de militaire wacht de poort binnen; de deurwaarder gaf de stukken over, kreeg kwitantie voor het afgeleverde en men bracht hem door nog eenige poortjes en gangen tusschen hoog metselwerk door naar een blok en in een van de zes of zeven vertrekjes. Er scheen niemand hier gevangen te zitten en Freddy keek vrij kalmpjes den boel eens rond. Hier zou hij nu, dat was zeker, maanden moeten verblijven in het gunstigste geval. Zijn practische aard nam dadelijk de bovenhand, en hij vroeg, wat hem in preventieve hechtenis was toegestaan om zich het leven te veraangenamen. Een paar uur later had Roos het hem op zijn verzoek gezonden, en het verwonderde hem zelf, dat hij met dat al zich zoo dadelijk schikte in zijn nieuwen en vreemden toestand, alsof, dacht hij met galgenhumor, hij voor veroordeelde in de wieg was gelegd.
Ze stroomden allen naar Roos dien avond. Wat men ook mocht hebben tegen haar en haar man,—het moest, onder zulke omstandigheden, niet gelden. Iedereen moest zij van meet af vertellen hoe het gegaan was, en schoon zij niet inventief was van aard, had zij toch aan het verhaal een voor Freddy bijzonder gunstigen draai weten te geven, die den heelen boel maakte tot een soort epos, waarin haar man de heldenrol vervulde; de gemeene Plents had, na haar te hebben bestolen, haar bespot en beleedigd en een stomp voor den buik willen geven; zij had hem afgeweerd en de arme Freddy, zichzelven nu niet meer meester.... Neen, dàt was rein menschelijk! Dat kon iedereen zich levendig voorstellen! En zelfs Eddy, die zijn broer kende en wist waartoe hij in staat was, fronste, toen hij dàt hoorde, de wenkbrauwen, bedenkend waartoe hijzelf in staat zou zijn als een vreemde kerel het mocht beproeven zijn vrouw, en dan nog wel onder belangwekkende omstandigheden, voor den buik te stompen. Het moederlijk gevoel van de oude mevrouw Markens, dat zich eerst enkel in tranen en verzuchtingen tot het Opperwezen had lucht gegeven, scheen de waarde der bijzonderheid te vatten.
„Och, als de arme jongen er maar om denkt.”
„Waarom mama?” vroeg Roos.
„Wel, om vooral goed te doen uitkomen, dat het ongelukkige zondige schepsel je heeft willen slaan en hoe hij dat wilde doen.”
Een oogenblik dacht Roos na, toen knikte ze. Het idee was tot haar doorgedrongen.
„Ja, dat moet hij; zeker! Zou ik hem erover schrijven?”
„Och dat zou ik niet doen. Zie hem liever morgenochtend te bezoeken. Dat zal hem zoo goed doen.”
Intusschen wonden de anderen zich op.
Henri en Piet Uhlstra informeerden naar die helpers, van Plents, die op de vlucht waren gegaan, en dat op een manier, die weinig goeds voor dat tweetal beloofde. Mevrouw Uhlstra maakte zich bevreesd en had in haar angst al visioenen van schrikkelijke veroordeelingen, die ze handenwringend hardop zei, met akelige uitroepen en verzuchtingen; de twee jonge opzieners, al reeds door de schuld van „onmogelijke kerels van administrateurs” buiten betrekking, zaten Freddy te roemen als een kranigen vent, met betuiging, dat ze niet anders zouden gehandeld hebben in zoo’n geval.
EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.
ACHTERUITGANG.
Maar er was iets, dat allen in gedachten bezighield, buiten en behalve dat ongelukkig geval van Freddy Markens. Niemand had er tot nog toe van gerept, en toen ze eindelijk zoowat uitgepraat, uitgehuild en uitgevloekt waren over de arrestatie, was Roos de eerste, die erover begon, met een diepen zucht tegen Henri zeggend:
„Ik hoop in Godsnaam maar, dat er niets is bij jou.”
Iedereen zweeg en Henri keek verlegen voor zich; de door het vele drinken opgeblazen wangen hingen slap en flets over zijn slordig boordje en, de wenkbrauwen opgetrokken, zag hij er ongelukkig uit. Ze hadden er allen iets van gehoord; ze wisten, dat er iets dreigde; dat Henri standjes had gehad met zijn geldschieters; dat het een erg gespannen toestand was. En ze zaten allen in het land met hun geld: mevrouw Lugtens, Roos, mevrouw Uhlstra, allen, en het was hun laatste bezit van aanbelang; het overige beduidde niets. Zoolang Henri hun hun percenten uitkeerde, konden zij leven; hield dat op, en was het kapitaal verloren, dan was dat de ruïne.
„Weet je,” zei Henri huilerig. „Ik kan geen ijzer met handen breken.... en ik kan me toch ook niet heelemaal als kwajongen laten behandelen.”
„Neen,” zei mevrouw Uhlstra, hem dadelijk bijstaand, „dat kan hij niet; dat zou zijn vader ook niet gedaan hebben.”
„Als papa was blijven leven,” zei Roos scherp, „zou er geen reden voor geweest zijn.”
„Ik kan het niet,” hield Henri vol.
En Piet ook, met ’n heel dom en eigenwijs gezicht zichzelf meê verdedigend:
„Nu, dat is onmogelijk; dat kan ’n mensch niet.”
„Maar hoe is het er dan nu meê?”
„Ja, ze willen den boel verkoopen. Ik kan de rente en de aflossing niet betalen, en ze willen me den tijd niet verder gunnen.”
„Ja, geld.... geld.... Als de landen meer opbrachten dan wat zij krijgen.”
Doch iedereen voelde wel, dat daarvan geen sprake kon wezen, en ze zaten stil en verslagen voor zich te kijken.
„Zou er niets aan te doen wezen?” vroeg Eddy Markens.
En toen ze hem allen vragend aankeken:
„Ik bedoel om voor het oogenblik het kapitaal ten minste te redden.”
Daar werd nu over gedelibereerd, druk en gewichtig; het was een straaltje van hoop, dat allen recht aangenaam was, en onder het praten der mannen, hoorde men de vrouwenstemmen, God en den Hemel verzoekend „het” toch te „geven,”—want „anders”.... daar moesten ze niet aan denken.
Men deed ook het mogelijke om niet aan die nare toekomst te denken, en er daalde een groote gemoedelijkheid over de stemming.
Mama Uhlstra bleef bij Roos logeeren, omdat het zoo naar voor haar was alleen te zijn, en toen de anderen heengingen, was het een algemeen klappend en smakkend afscheidzoenen, met de beste wenschen voor zichzelf en elkaar.
Hard schoten de mooie zwarte paarden vooruit in de duisternis; had Piet ze niet zoo vast in de hand gehad, ze zouden de pagger omver hebben gereden. En de americaine vloog over den ouden bekenden weg naar Tji-Ori. Onderweg spraken de broers geen woord. Lize was al naar bed en het landhuis stak als een zwarte, donkere, onheilspellende massa af tegen de schitterende sterrenlucht, toen zij de breede laan opreden.
In het schemerlicht van ’n klein laag neergedraaid lampje gingen ze de hooge trap op. Henri nu en dan struikelend over een trede, Piet, langzaam, de heele zwaarte van zijn dik lichaam bij elken stap op den grond latende rusten. Op de marmeren tafel lag een brief, de groote roestige huissleutel was voor ’t wegwaaien er bovenop gelegd; in de breedte van het groot, vierkant grijs enveloppe bovenaan las Henri al op ’n paar pas afstand den naam van de instelling die geld had geleend op zijn landen. Hij trok den brief onder den sleutel weg, die dofrinkelend, draaiwaggelend op de marmeren tafel nog nabewoog, en keek Piet aan, wiens donker gezicht vet glimmerig bij het flauw lampschijnsel een nog onnoozeler uitdrukking nam dan anders.
„Daar zal je het hebben,” zei hij zuchtend.
„Ja!.... Maak maar open.”
„Wil je gelooven, dat ik niet durf.”
„Och, wees niet kinderachtig. Het helpt toch niets.”
Maar de vingers van Henri beefden, en zenuwachtig draaide en keerde hij den brief om en om.
„Geef hier!” zei Piet. „Laat ik het maar doen.”
Tegelijk nam hij den brief uit z’n broers handen en scheurde, zijn dikken wijsvinger tusschen het ongeplakt gedeelte stekend, ruw het enveloppe.
„Dáár!” riep hij den brief op de tafel gooiend. „Lees nu maar zelf ons doodvonnis.”
Ze keken er maar in. Het was een feit; het werd meegedeeld in korte, zakelijke woorden; logisch, in een goed verloop van causaliteit; zonder hartstocht of tegenwil; met „geachte” erboven, „hoogachtend” eronder en „uw dienstwillige dienaar” als parodische beleefdheidsvormen. Terwijl zij de zaak omzetten in een persoonlijke aangelegenheid als van leven en dood, werd in den brief slechts het gewone al of niet aan verplichtingen voldoen met de gevolgen van het laatste behandeld, koel en voor gemoedelijkheid onvatbaar.
„Dus zijn we heelemaal.....?”
„Ik,” zei Henri, „zie er althans verder geen gat in.”
„Het is onbegrijpelijk.”
„We moeten nog een beetje buiten blijven zitten, Piet. Ik zou met geen mogelijkheid kunnen slapen. Maak jij ’n grogje.”
Ze vielen neer in de lage stoelen, de sigaar in den mond, het grogje voor hen, zonder ooit in hun leven te hebben geleerd, wat ze ook nu niet wisten: ontberen, en waarvoor ze dáárom ook eigenlijk zoo heel bang niet waren.
„Weet je wat,” riep Piet. „Begin morgen er eens met Eddy over. Hij is verduiveld betjoegt; dat heb ik al lang gesnapt.”
„Maar wat zou hij kunnen doen.”
„Dat weet ik niet precies. Jij zult het beter begrepen hebben dan ik.”
„Ja....” zei Henri langzaam. „Ik geloof, dat ik ’t heb begrepen.”
„Een maatschappij?”
„Precies. Het is natuurlijk een manier; maar hij kan er den heelen heer bij overnemen, en ik zou het liever zóó aanleggen, dat die grootendeels over boord raakte.”
De redeneering ging Piet’s verstand ver te boven.
„Ik mag sterven,” zei hij openhartig, „als ik het snap; ik begrijp er geen laars van.”
En nu ging Henri, met van de talrijke brendy-soda’s zware tong, aan het nader verklaren, tot eindelijk de bedoeling van Eddy en de zijne tot het beperkte denkvermogen van Piet waren doorgedrongen.
Doch plannen waren niet meer dan dat. Den volgenden dag gingen zij erop uit met groote drukte; zij hadden conferenties en vergaderingen; er werd van alles voorgesteld en overwogen, doch er kwam niets tot stand, en op een kwaden dag zouden de landen geëxecuteerd worden.
Neerslachtig liepen Henri en Piet het erf over bij het huis. In de stallen stonden de paarden, die men noodig had en ook die men in ’t geheel niet noodig had, maar daarom nooit weg had gedaan; in de ruime wagenkamer, een zaal, stonden acht rijtuigen van allerlei soort, mooie europeesche rijtuigen, waarvan er vijf nimmer gebruikt werden, maar die men nooit had gedacht te zullen verkoopen. Zij keken het nu aan, alsof ’t allemaal hun vreemde nieuwe dingen waren, dingen die iets bijzonder interessants hadden gekregen.
„’t Is toch ’n bliksems mooie stal,” zei Piet, den blik latende gaan langs de goed bezaagde djati-houten stijlen.
Zoo liepen ze door, pratend over alles; de waterleidingen, waarnaar ze anders veel te weinig omzagen; de wegen, de gebouwen bekijkend als op een nauwkeurige inspectie, en overal ontdekkingen doende van nieuwe bijzonderheden; zij liepen voort, uren achtereen, over naar Koeningan, en toen ze daar wat gegeten hadden, weer verder door de rijstvelden, tusschen de erven der kampongs, druk in het bespreken van alles, bij een nu noodeloozen ijver en opmerkzaamheid, die het behoud van veel zou geweest zijn, hadden zij haar vroeger en voortdurend ook maar voor de helft betoond.
Tegen het zuiden liep het terrein wat heuvelachtig op; zij naderden de grens van het land aan dien kant; het was al doende vijf uren geworden en in de sterke declinatie der zon lagen lang de schaduwen van bosschen en verspreid geboomte over het land, dat ze overzagen.
Henri Uhlstra keek rond naar alle kanten; hij zag de velden in verre uitgestrektheid vol rijpende padi, de weiden met het talrijke grazende vee, de volkrijke kampongs, de aanplantingen van allerlei uit vroeger jaren. Het was alles goed, en hij kende het zijn leven lang; neen, het was het land niet, dat te kort had geschoten! het land was altijd goed en dankbaar geweest en dat was het nog; het was het land niet, dàt voelde hij nu eerst goed; het waren de menschen, zij zelf!
Nooit had het hem zoo duidelijk voor den geest gestaan. Nog altijd bracht het land op, wat het opbracht onder zijns vaders beheer en onder Geber. Maar voor allerlei, waarmede het land niets uitstaande had, was er schuld gekomen op het land. Tot de jaarlijksche betalingen daarvoor zoo hoog waren, dat de geringste afwijking, de minste tegenvaller de opbrengst onvoldoende maakte. Als hij dat tien jaren vroeger maar had begrepen! Maar toen zag hij ’t niet in. En nu moest hij eraf, en voorgoed. Henri Uhlstra ging op den grond zitten, haalde zijn foulard uit den zak en huilde als een kind. Piet leunend op zijn dikken rotting, het bovenlijf ’n beetje voorover, staarde in de verte, tot ook hem de tranen over het gezicht liepen. Ze zouden nu op het land hebben willen werken als opzieners; maar zelfs dàt was niet mogelijk.
„Het is te laat!” zei Henri, zijn gezicht afdrogend en de tranen wegvegend uit zijn dichten al wat grijzenden baard. „Berouw komt altijd te laat. Heb je nog wat?”
Met den rug van de hand wreef Piet zich de tranen uit de oogen en schudde toen de veldflesch, die hij aan een leeren riem over den schouder droeg.
„Drink niet veel, Hein. We moeten nog ’n heel eind terug.”
„’t Kan me niet schelen! Als ik niet loopen kan, moet het volk me maar pikolen; voor het laatst.”
En hij hield het hoofd achterover, de flesch lang aan den mond. Piet zag het aan, onverschillig, en een man wenkend, die van het veld naar zijn kampong ging, zond hij dien naar het landhuis om een bendy te halen.
„Wat doe je?” vroeg Henri.
„Ik laat ’n wagen tegemoet rijden. Je moest nog eens meer dorst krijgen!”
Langzaam gingen ze naar beneden den naasten weg terug; maar vóór het heelemaal donker was kwamen ze de bendy tegen; het was tijd; Henri had het geen half uur meer volgehouden.
Voor Eddy en Lena was het een harde en bittere strijd. Er was bij de algemeene agitatie, waarin de familie leefde, niemand meer, die hen niet heftig aanviel. Van alle kanten kwam uit de familie de aandrang om te trouwen, en dan met het geld van Lena allen te helpen, in plaats het te gebruiken om de speelschulden te betalen van haar moeder. Maar zij hielden vol, hoog in hun ideeën van eerlijkheid en goede trouw; zij steunden elkaar tegen de anderen, men schold hen voor krankzinnig, voor hardvochtig en ongevoelig, doch hoe dit ook Lena griefde,—zij en hij volhardden. Er groeiden hevige onaangenaamheden uit, want Eddy was niet van de lankmoedigsten en kon vooral niet verdragen, dat iemand Lena iets verweet.—Toen het zóóver was, besloot hij er een eind aan te maken; hij zat met zijn meisje in de voorgalerij van mevrouw Uhlstra, die ’n klein huisje, dat ze nog bezat, in een achterbuurt, zoo goed als in de kampong, zou gaan betrekken; hun gesprek had aldoor geloopen over de tegenspoeden en ongelukken van den laatsten tijd.
Freddy zat nog altijd in de gevangenis, in afwachting van vonnis of vrijspraak; Roos zou ook heel nederig wonen gaan, dicht bij haar moeder; mevrouw Lugtens zou bij Eddy’s moeder inwonen, die haar rijtuig zou wegdoen en ook op heel bescheiden voet gaan leven; de jongens hadden erg ondergeschikte betrekkinkjes aangenomen in ’t binnenland en werkten, voor zoolang het duren wilde, na eerst in de stad het laatste crediet van hun bekenden naam bij Chineezen te hebben uitgeput.
„Hoe denk je erover, Lena?”
Zij wist wat de vraag beteekende; Eddy had haar al meer dan eens gedaan, maar de familie te verlaten onder zulke omstandigheden, viel haar zwaar.
„Geloof me,” ging hij voort, „het baat niemand als je weigert, en ik behoef niet te zeggen, dat het iemand verdriet doet.”
En toen ze nog altijd zweeg:
„Ik heb wat geld bijeen en ’n behoorlijk tractement nu, ik heb er mijn chefs over gesproken; zij vinden het ook de beste oplossing en hebben me honderd gulden in de maand meer toegezegd als we trouwen. We zullen zoo zuinig leven als we kunnen en met wat we overhouden de anderen helpen. Zelf hebben we niet veel behoeften. Wat er nog aan geld overblijft van het mijne en ’t jouwe kunnen ze krijgen, zoodra we getrouwd zijn.”
Hij sprak zoo gemoedelijk en oprecht; zoo vol van den vasten wil goed en offervaardig te zijn, dat Lena ervan ontroerde; hij zag niet in het duister der onverlichte voorgalerij, dat de tranen haar in de oogen stonden, zij viel hem zacht snikkend om den hals, en kuste hem hartstochtelijk, zooals zij het zelden deed en hij het zoo eeuwig verrukkelijk vond....
Een tijdlang spraken ze niet; hij niet willende aandringen nu, om haar niet te bedroeven.
„Het is goed, Ed,” zei ze eindelijk op haar rustige besliste manier. „Zóó wil ik het wel,.... ik durfde ’t niet voorstellen.”
„Zal ik er dan maar gauw werk van maken.”
„Ja, en nu ook zoo spoedig mogelijk.”
Later gingen ze naar binnen, waar tante Uhlstra met de meisjes bij een lampje in de achtergalerij zaten, in de normale, neerslachtige stemming. En langzaam begon Lena te vertellen van hun pas genomen besluit, eenvoudig en met practische berekeningetjes over wat men met de beschikbare middelen kon doen, zonder zorg of nood; en de oude vrouw zat haar aan te kijken, gelijk zij dat zoo dikwijls had gedaan, als zag ze op naar een hooger wezen, dat uit andere sferen toevallig in hun miserabel troepje was verdwaald.
„Het zal op die manier wel gaan,” troostte Lena haar en de meisjes. „Wij zullen allen ons best doen. Er is nu zooveel tegenspoed geweest, dat er ook wel eens ’n zonnestraaltje zal komen.”
„Kind!” riep mevrouw Uhlstra door haar tranen glimlachend, en de hand zoenend, die ze in de hare had genomen, „het is er al, ’t zonnestraaltje; het is er al!”
Nu ging het ’n rustig gangetje; de zaken liepen haar noodzakelijk verloop; de feiten volgden in logisch verband. Het huwelijk van Eddy en Lena was in de familie sedert vele jaren het eerste reine en goede, zonder nevenbedoelingen, zonder speculatie; en het was het eerste, dat in alle stilte en eenvoud werd voltrokken; geen partij, geen receptie, geen diner,—niets. Toen Lena en Eddy van het residentie-kantoor kwamen, reden ze regelrecht naar het huisje, dat ze netjes en eenvoudig hadden gemeubeld. Ze beklaagden zich niet; ze genoten ervan; telkens lachend met elkaar om de dwaasheid der menschen, die zich op hun trouwdag afbeulen voor anderen, in plaats hun eigen geluk en genot te zoeken zoo spoedig, zoo rustig en ongestoord mogelijk. Maar ze konden toch niet beletten, dat telkens voor hun geest het beeld der familietraditie rees; het beeld van groote, hel verlichte marmeren galerijen; van een plekje waar onder overhangende palmen een schoone jonge bruid stond, naast een knappen in deftig zwart ernstig uitzienden jonkman; van een drom verwanten, vrienden en vriendinnen, vroolijk, vriendelijk gelukwenschend, aangedaan. Terwijl ze naar hun huisje reden, hand in hand, bij het dalend daglicht, dachten ze eraan voor elkaar; het speet hem voor haar, dat de omstandigheden niet anders waren; zij dacht aan hun beiden en aan den tijd van haar vaders leven. Ze reden over den weg langs de rivier, waartegen het achtererf uitkwam van het mooie woonhuis, haar geboortehuis; de rose gloeigele tinten der ondergaande zon kleurden alles melancholisch, hoog stak het groote dak boven de toppen der boomen.... Daar zouden zij heen zijn gereden in een langen stoet, een avond tegemoet vol vorstelijk festijn; en het zou niet hebben stilgestaan van de equipages; de notabelsten van de plaats zouden zich beijverd hebben.... Thans waren er, die zelfs geen contra-kaartje hadden gestuurd op de kennisgeving!
Eddy had haar een verrassing bereid; zij riep het uit van verbazing toen ze de slaapkamer binnenkwam; er stond een psyché! Zij ging ervoor staan in het volle licht van het open venster, den kanten sluier teruggeslagen over den schouder.
In zachten weerschijn viel de gouden lichtstroom op het wit zijden kleed, en met haar rijzige, kloeke gestalte van mooi, gevulde blondine, de matblanke huid en de helder blauwe oogen onder de dichte krulletjes op haar voorhoofd, leek zij een jonge koningin uit een noorsche sage, door tooverslag overgebracht in ’t land der kleurlichten. Zij zag haarzelve zoo mooi, als zulk een rijke schat ver boven alle idee van geld of kostbaarheid! En ze glimlachte met een beetje koketterie en een zijwaarts hoofdbewegingetje tegen haar eigen beeld; dan, opziende naar Eddy, die vol bewondering, diep ademhalend naast haar stond, leunde ze tegen hem aan.
„Spijt het je nu niet, Ed, dat alles zoo stil afloopt?”
Eigenlijk sprak zij het beetje spijt uit, dat ze zelf gevoelde. Hij snapte dat wel, en hij sloeg de armen om haar heen, zachtjes aan haar oor de woorden herhalend, die hij al zoo dikwijls had gezegd; die niets geestig waren en niets aardig; die niets oorspronkelijks hadden en niets nieuws; maar die haar altijd door zijn liefde betuigden, zijn dank en zijn toewijding, die haar innig gelukkig maakten en met vochtige oogen deden glimlachen van heerlijk genoegen. Zachtjes drong hij haar weg van den spiegel, en zij stribbelde niet tegen met aanstellerigheid en onwil; zij had hem lief zooals hij haar; zij begeerde hem zooals hij haar, en zij was te in-fatsoenlijk en te onbedorven van hart om ook maar een oogenblik ’n zottin te willen schijnen.
Den volgenden ochtend, heel vroeg, kreeg Lena ’n geheimzinnig bezoek van haar petetante. Mevrouw Uhlstra omhelsde haar weenend en nam haar op van het hoofd tot de voeten, met groote nieuwsgierigheid.
„Hoe gaat het toch met je?” vroeg ze, als was Lena pas hersteld van een gevaarlijke ziekte.
„O perfect.... en u?”
„Mij?.... Nou ja, mij gaat ’t natuurlijk net als altijd.”
„Wilt u ’n kop koffie?”
In de achtergalerij dronken ze samen koffie, er stormden mevrouw Uhlstra, terwijl ze ’t kopje leeg dronk, wel vijf en twintig vragen door het hoofd, maar ze durfde niet; zij kende Lena en wist, dat men met haar niet zoo over alles kon spreken en haar niet kon behandelen als vele anderen. Teleurgesteld ging ze, na wat aarzelen en heen en weer dribbelen, weg.
„Nou, dag kind.... ’t Beste, ja?”
„Dank u, tante.”
„En als je soms iets noodig mocht hebben, dan stuur je maar, ja?”
Lena, die ’t had kunnen uitgieren van pret, hield zich goed.
„Ik beloof ’t u, tante.”
Met een hoogen stap, de sarong daarbij opschortend tot boven de dikke kuiten, klom mevrouw Uhlstra in de dogcart, erg ontevreden over haar mislukt bezoek, schoon ze daar wel voor had gevreesd. Ze reed meteen naar de woning van mevrouw Markens, die in de achtergalerij voor mevrouw Lugtens ’n kapittel zat te lezen uit den Bijbel, ook onder ’n kopje koffie; natuurlijk dronk mevrouw Uhlstra, die thuis al koffie had gedronken, hier nog ’n kopje mee.
„Hoe kom je zoo vroeg uit?” vroeg haar zuster Clara.
Met een druk bewegen harer trekken en een zijwaarts wijzen met ’t hoofd, knipoogde mevrouw Uhlstra.
„Begrijp je dat niet?.... Ik ben even ginder geweest.”
„O zoo.... Wat had je daar te doen?”
„Wat ik daar te doen had?.... Wel.... dat kan je toch waarachtig wel nagaan! Ik ben eens gaan kijken hoe ’t arme kind het maakte.”
Mevrouw Lugtens begon te lachen; haar vroomheid was nog zoo niet, dat die haar ’t zooveel jaren gevolgde leven heelemaal had doen vergeten, en met diepe geringschatting zei ze:
„Je lijkt wel mal, Leen.... ’t Is nogal de moeite waard!”
Mevrouw Uhlstra keek haar zuster boos en verontwaardigd aan, maar voelend ook hier aan ’t verkeerde kantoor te zijn, zweeg ze.
„U heeft nog niets gehoord over die ongelukkige zaak van mijn oudsten zoon?” vroeg mevrouw Markens op ’n manier of van den schoonzoon der andere daarbij geen sprake was.
„Neen. Hij heeft veel hoop....”
„Ik ook. Wij bidden elken dag voor hem.”